r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Vragen en antwoorden over de jaarlijkse mededeling van de Commissie: “Naar een duurzamere visserij in de EU: stand van zaken en oriëntaties voor 2022”

Met dank overgenomen van Europese Commissie (EC), gepubliceerd op woensdag 9 juni 2021.

Waarom brengt de Commissie verslag uit over de stand van zaken en op welke indicatoren is de beoordeling gebaseerd?

Het is inmiddels acht jaar geleden dat het gemeenschappelijk visserijbeleid hervormd werd. De Commissie stelt elk jaar een mededeling vast om te voldoen aan de wettelijke verslagleggingsverplichtingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en om na te gaan welke vorderingen we maken richting de belangrijkste doelstelling van het beleid, namelijk duurzaamheid. In de mededeling wordt hierover verslag uitgebracht door te kijken naar:

  • de vooruitgang die bij de exploitatie van de bestanden is geboekt en de toestand waarin ze verkeren;
  • het evenwicht tussen de capaciteit van de EU-vloot en de beschikbare vangstmogelijkheden;
  • de sociaal-economische prestaties van de EU-vloot; en
  • de uitvoering van de aanlandplicht.

De hoofddoelstelling van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) is garanderen dat de levende biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren. Dit draagt ook bij tot de doelstelling om in 2021 een goede milieutoestand in de Europese zeeën te bereiken.

Hoe staat het met de economische prestaties van de EU-vloot?

Alles bij elkaar is de EU-vloot in 2020 winstgevend gebleven en heeft zij een gezonde bruto- en nettowinstmarge gerapporteerd, van respectievelijk ongeveer 26 % en 14 %, oftewel een brutowinst van om en nabij 1,5 miljard euro en een nettowinst van circa 800 miljoen euro. Dit duidt op een sterke veerkracht, die te danken is aan een combinatie van lage brandstofprijzen en de inspanningen die de sector de afgelopen jaren heeft geleverd om op het niveau van de maximale duurzame opbrengst (MDO) uit te komen. Dit is een duidelijke illustratie van de pluspunten van een Europese blauwe economie op basis van duurzaamheid.

Meer in het bijzonder wijzen sociaal-economische gegevens erop dat de economische prestaties en de inkomens van de vissers in de EU doorgaans stijgen wanneer de vloot afhankelijk is van bestanden die op duurzame wijze worden gevangen, en vaak stagneren wanneer er sprake is van overbevissing of overexploitatie van de bestanden.

Qua prestaties bestaan er opvallende verschillen tussen vlootcategorieën en tussen visserijgebieden. Vlootsegmenten die actief zijn in de Atlantische Oceaan en de Noordzee noteerden betere economische prestaties dan segmenten in de Oostzee en de Middellandse Zee, waar talrijke bestanden nog steeds worden geplaagd door overbevissing of overexploitatie.

Wat waren de gevolgen van de coronapandemie voor de EU-vloot?

De COVID-19-uitbraak en de daaruit voortvloeiende vraaguitval en verstoringen in de toeleveringsketen hebben gezorgd voor een onderbreking van de gunstige ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Ramingen wijzen uit dat de economische prestaties van de EU-vloten in 2020 zijn gedaald ten opzichte van 2019: de aanlandingswaarde met 17 %, de werkgelegenheid met 19 % en de nettowinst met 29 %.

De Commissie heeft de sector snel steun geboden via wijzigingen in het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) die compensatiebetalingen mogelijk maakten. Hierdoor kon in 22 lidstaten 136 miljoen euro beschikbaar worden gesteld voor COVID-19-steunmaatregelen in het kader van het EFMZV. Van de middelen is 61 % gegaan naar steun voor tijdelijke stopzetting, 17 % naar compensatie voor aquacultuurproducenten en 14 % naar steun voor de verwerkende industrie. Ook is er een tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun getroffen en is er steun vanuit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling beschikbaar gesteld.

Wat zijn de gevolgen van de Brexit?

Na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU beslist de EU niet langer alleen over een grote meerderheid van de bestanden in de Atlantische Oceaan en de Noordzee.

De handels- en samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk werd eind 2020 gesloten. Daardoor bleef er te weinig tijd over om het overleg tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk over de vangstquota voor 2021 te kunnen afronden. In afwachting van overeenstemming over de gedeelde bestanden werden er op basis van wetenschappelijk advies voorlopige TAC's vastgesteld voor de periode tot en met 31 maart 2021. Die TAC's werden vervolgens verlengd tot en met 31 juli 2021, terwijl de conclusies van andere besprekingen (EU-Verenigd Koninkrijk-Noorwegen, EU-Noorwegen, kuststaten) werden meegenomen in de TAC-verordening voor het gehele jaar.

Op 2 juni 2021 hebben de EU en het Verenigd Koninkrijk de onderhandelingen afgerond over een beginselakkoord waarin vangstbeperkingen voor de gezamenlijk beheerde visbestanden voor 2021 zijn vastgesteld. Streven naar hoge duurzaamheidsnormen is van essentieel belang om een duurzame exploitatie van de hulpbronnen te waarborgen en een gelijk speelveld voor de EU-sector tot stand te brengen, gezien de sterke onderlinge verwevenheid tussen de vloten van de EU en het Verenigd Koninkrijk in de betrokken wateren.

De handels- en samenwerkingsovereenkomst biedt een stevige basis voor duurzaam beheer van de gedeelde visbestanden. De EU streeft ernaar die ambitie waar te maken in het jaarlijks overleg over vangstmogelijkheden en via het Gespecialiseerd Comité voor de visserij, dat in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst is opgericht. De handels- en samenwerkingsovereenkomst zal worden uitgevoerd op basis van de standpunten die de EU in het Gespecialiseerd Comité voor de visserij inneemt, onder meer bij het formuleren van richtsnoeren die moeten worden gevolgd bij het vaststellen van voorlopige TAC's voor “bijzondere bestanden”, dat wil zeggen bestanden waarvoor de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) een nul-TAC heeft geadviseerd, bestanden die in een gemengde visserij worden gevangen, indien dat bestand of een ander bestand in dezelfde visserij een kwetsbaar bestand is, of andere bestanden die volgens de partijen een bijzondere behandeling behoeven.

Het overleg met het Verenigd Koninkrijk loopt dit jaar van september tot november. Streefdoel is dit overleg af te ronden vóór de zitting van de Raad in december, waar de Commissie de resultaten hoopt te kunnen meenemen in de TAC-verordening van 2022.

Wat zijn vangstmogelijkheden? Hoe worden ze vastgesteld?

Elk jaar komt de Commissie met een voorstel voor de zogeheten totale toegestane vangsten (TAC's) die in het jaar daarop moeten worden toegepast op de meeste commerciële bestanden in de EU-wateren, behalve de Middellandse Zee. De voorgestelde hoeveelheden berusten op wetenschappelijke adviezen en economische analysen van onafhankelijke instanties. Later in het jaar neemt de Raad van visserijministers van elke lidstaat een definitief besluit over deze TAC's. Na de vaststelling van de hoeveelheden worden ze verdeeld over de lidstaten op basis van een bepaalde verdeelsleutel, de zogeheten quota. De lidstaten beheren hun nationale quota en verdelen ze over de visserijsector in de vorm van rechten om een bepaalde hoeveelheid vis in het kalenderjaar te bevissen en aan te landen.

Voor de Middellandse Zee moet de Raad, volgens het meerjarenplan voor het westelijke deel van de Middellandse Zee, voor 2022 verdere streefdoelen voor de vermindering van de visserijinspanning vastleggen op basis van wetenschappelijk advies, tegen de achtergrond van de doelstelling van het meerjarenplan om de visserijsterfte uiterlijk in 2025 op het niveau van de MDO te brengen.

Dat is hoe de vangstmogelijkheden in de wateren van de EU worden vastgesteld. De vangstmogelijkheden voor soorten die onder de bevoegdheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) vallen, worden in het kader van die organisaties overeengekomen. De Commissie neemt deel aan de onderhandelingen die binnen die organisaties worden gevoerd over instandhoudings- en beheerskwesties, waaronder vangstmogelijkheden. De door de ROVB's vastgestelde maatregelen en in het bijzonder de vangstmogelijkheden voor de EU worden opgenomen in de verordeningen over de vangstmogelijkheden. Het tijdschema voor hun opname volgt de kalender van de vergaderingen van die organisaties.

Waar komt het wetenschappelijk advies vandaan?

De vissers en de nationale overheden leveren gegevens over hun vangsten en visserijactiviteiten. Visserijwetenschappers beoordelen aan de hand daarvan de toestand waarin de bestanden verkeren. Ook maken zij gebruik van monsters van commerciële aanlandingen en van teruggooi. Op onderzoeksschepen worden, los van de visserijactiviteiten, de hoeveelheden vis op verschillende plaatsen en op verschillende momenten in het jaar bemonsterd. De deskundigen bepalen de toestand waarin het bestand verkeert en berekenen vervolgens de hoeveelheden die in het jaar daarop zouden mogen worden bevist om de duurzaamheid te waarborgen. Deze werkzaamheden worden geleid door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), een onafhankelijke instantie die de Commissie wetenschappelijk advies verstrekt. In sommige gevallen, bijvoorbeeld voor het Middellandse Zeebekken, worden andere adviesorganisaties geraadpleegd, zoals het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).

Op internationaal niveau is het proces vergelijkbaar: de wetenschappelijke instanties van de ROVB's gebruiken gegevens om het nodige wetenschappelijke advies te verstrekken.

Waarop berusten de vangstmogelijkheden?

De belangrijkste indicator voor het GVB van de EU is de maximale duurzame opbrengst (MDO). De MDO resulteert in de hoogst mogelijke vangsten op lange termijn, draagt tegelijk bij aan een duurzame instandhouding van de bestanden en maakt een zo groot mogelijk visaanbod uit de visserij mogelijk. De jaarlijks vastgestelde vangstmogelijkheden worden afgestemd op de MDO.

Sinds januari 2019 mogen vissers hun vangst niet weer overboord gooien. De aanlandplicht is van toepassing op alle vangsten van gereglementeerde soorten, tenzij conform de bestaande regels een afwijking is overeengekomen. Gereglementeerde soorten zijn soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, of in het geval van de Middellandse Zee, soorten waarvoor minimummaten gelden. Ondermaatse vis mag niet worden verhandeld voor directe menselijke consumptie, terwijl vangsten van verboden soorten (bv. de reuzenhaai) niet aan boord mogen worden gehouden en moeten worden teruggegooid. De teruggooi van verboden soorten moet in het logboek worden genoteerd en vormt een belangrijk gegeven voor de wetenschappelijke onderbouwing van het toezicht op deze soorten. Deze wijziging (d.w.z. de verplichting om alle vis aan te landen) heeft gevolgen voor het niveau van de betrokken vangstmogelijkheden, die op basis van biologisch advies kunnen worden aangepast om rekening te houden met het feit dat vissen die voordien werden teruggegooid, nu worden aangeland.

Wat is het effect van het GVB in de verschillende zeegebieden?

In het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (inclusief de Noordzee en de Oostzee) is de overgang naar duurzaamheid op grote schaal zichtbaar. Terwijl de meeste bestanden begin jaren 2000 nog werden overbevist, worden de bestanden nu in het algemeen duurzaam geëxploiteerd. Er is dus belangrijke, concrete vooruitgang geboekt. De verwezenlijking van de GVB-doelstellingen komt hier steeds dichterbij. Hieraan zal worden voortgewerkt in het kader van de voorbereiding van de vangstmogelijkheden voor 2022 en de uitvoering van de meerjarenplannen in deze zeebekkens.

In de Middellandse Zee en de Zwarte Zee zijn voor de meeste bestanden nog inspanningen vereist om ze op een duurzaam niveau te brengen. Dit komt grotendeels door de gemengde aard van de visserij, het feit dat verschillende visbestanden met derde landen worden gedeeld en het geringe aantal visbestanden dat jaarlijks door wetenschappelijke instanties wordt beoordeeld. Overeenkomstig de MedFish4Ever-verklaring van 2017 en de verklaring van Sofia van 2018 zijn nu verdere inspanningen nodig, in het bijzonder in het kader van de strategie van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM). De Commissie zal van haar kant nauw blijven samenwerken met alle belanghebbenden om te zorgen voor een snelle uitvoering van het meerjarenplan voor het westelijke deel van de Middellandse Zee.

Welke maatregelen neemt de Commissie met betrekking tot de situatie in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee?

De EU is, onder meer met haar internationale partners, blijven werken aan de verbetering van de situatie van de bestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, namelijk door de uitvoering van het meerjarenplan voor het westelijke deel van de Middellandse Zee, de MedFish4Ever-verklaring en de verklaring van Sofia.

Op EU-niveau is de vaststelling van de op zichzelf staande verordening inzake de vangstmogelijkheden voor 2021 voor deze zeebekkens een belangrijke stap op weg naar duurzaam visserijbeheer. Hiermee wordt een substantieel pakket van in 2018 en 2019 door de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) vastgestelde maatregelen omgezet en wordt de uitvoering van het meerjarenplan voor het westelijke deel van de Middellandse Zee voorgezet. In de eerste twee jaar van de uitvoering van het meerjarenplan voor het westelijke deel van de Middellandse Zee deed zich een cumulatieve daling van 17,5 % van de visserijinspanning voor en was er sprake van extra werkzaamheden die waren gericht op het consolideren en ontwikkelen van gesloten gebieden - waardoor de bijvangst van jonge en paaiende exemplaren is verminderd -, het verbeteren van de selectiviteit van het vistuig en het verzamelen van gegevens over de recreatievisserij. In overeenstemming met wetenschappelijke adviezen streeft de Commissie naar een verdere reductie van de visserijinspanning, zodat uiterlijk 1 januari 2025 het MDO-niveau wordt bereikt.

Op internationaal niveau heeft intensief werk in het kader van de GFCM, dankzij de consequente opstelling van de EU in de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's), geleid tot de vaststelling van het meerjarenplan voor de demersale visserij in de Adriatische Zee, waarbij het in de eerste twee jaar bij bordentrawlers gaat om een vermindering van de visserijinspanning met 12 % en bij boomkortrawlers om een vermindering met 16 %. Het beheer van kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee is voortgezet, met in drie jaar tijd een vangstreductie van 15 %. Voor demersale en kleine pelagische soorten zijn beperkingen van de vlootcapaciteit ingevoerd, en voor de Levant en de Ionische Zee is de vangstcapaciteit voor diepzeegarnalen bevroren. Voor rood koraal zijn oogstbeperkingen ingevoerd, en de uitvoering van de maatregelen voor Europese aal is geprolongeerd. Met betrekking tot de soorten van de Zwarte Zee zijn er in het kader van het GFCM-plan TAC's vastgesteld voor tarbot en is er voor sprot een autonoom quotum bepaald. Het voorstel voor de verordening inzake vangstmogelijkheden voor 2022 omvat de verlenging van de reeds geldende maatregelen van de GFCM en tevens aanvullende maatregelen die op de 44e jaarvergadering van de GFCM zijn vastgesteld. De Adriatische Zee speelt bij de vangstmogelijkheden voor 2022 een prominente rol.

Hoe staat het met de uitvoering van de aanlandplicht?

Uit de audits door de Commissie en de initiatieven van het Europees Bureau voor visserijcontrole blijkt dat er nog steeds lacunes zijn bij de uitvoering van de aanlandplicht. Een deel van de oplossing moet liggen in nieuwe innovatieve controle-instrumenten. Die notie is meegenomen in het Commissievoorstel voor een herzien visserijcontrolesysteem, waarover momenteel met de medewetgevers wordt onderhandeld.

De Europese Unie heeft maatregelen genomen om de uitvoering van de aanlandplicht te vergemakkelijken. Enkele voorbeelden zijn de vaststelling van meerjarenplannen en tijdelijke teruggooiplannen en de invoering van bijvangstquota in combinatie met herstelmaatregelen om bepaalde verstikkingssituaties aan te pakken. De Commissie zet de lidstaten ertoe aan meer gebruik te maken van de beschikbare middelen om de selectiviteit te verbeteren en zo ongewenste vangsten te reduceren.

Nadere informatie

Persbericht — Duurzame visserij: Commissie maakt balans op van vorderingen in de EU en geeft startschot voor raadpleging over vangstmogelijkheden voor 2022


Terug naar boven