r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Vragen en antwoorden met betrekking tot het investeringsinitiatief Coronavirusrespons plus: nieuwe maatregelen voor het mobiliseren van essentiële investeringen en middelen

Met dank overgenomen van Europese Commissie (EC), gepubliceerd op donderdag 2 april 2020.

In welke zin vult het investeringsinitiatief Coronavirusrespons plus (CRII+) de in het kader van het eerste pakket vastgestelde maatregelen aan?

Het eerste maatregelenpakket van het investeringsinitiatief Coronavirusrespons was gericht op de onmiddellijke inzet van structuurfondsen om snel op de crisis te kunnen reageren. In dit verband is een aantal zeer belangrijke wijzigingen ingevoerd die het toepassingsgebied van de steun uit de fondsen uitbreiden, voorzien in onmiddellijke liquiditeitsbehoeften en flexibiliteit bieden bij programmawijzigingen. Het eerste pakket van het investeringsinitiatief Coronavirusrespons bestond uit drie belangrijke elementen: ongeveer 8 miljard EUR aan onmiddellijke liquiditeit om tot 37 miljard EUR aan Europese overheidsinvesteringen te versnellen, flexibiliteit bij de toepassing van de regels voor de uitgaven van de EU en toegang tot het Solidariteitsfonds van de EU.

Het pakket van vandaag vormt een aanvulling op het eerste pakket en biedt een uitzonderlijke mate van flexibiliteit, zodat alle ongebruikte steun uit de Europese structuur- en investeringsfondsen ten volle kan worden benut. Deze flexibiliteit wordt geboden door te voorzien in mogelijkheden voor het overdragen van middelen tussen de drie fondsen van het cohesiebeleid (het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds) en tussen de verschillende categorieën van regio's, en in flexibiliteit wat betreft de thematische concentratie. Verder wordt een EU-medefinancieringspercentage van 100 % toegestaan voor programma's van het cohesiebeleid voor het boekjaar 2020-2021, waardoor de lidstaten volledige EU-financiering kunnen verkrijgen voor crisisgerelateerde maatregelen Het CRII+-pakket leidt ook tot een vereenvoudiging van de procedurele stappen die moeten worden gevolgd bij de uitvoering van de programma's, het gebruik van financiële instrumenten en de audits. Dat is nog niet eerder gezien en is gerechtvaardigd op grond van de buitengewone situatie ten gevolge van de uitbraak van het coronavirus.

Voorts verleent CRII+ steun aan de meest behoeftigen door een wijziging van de regels betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD). Zo zal het bijvoorbeeld mogelijk zijn om voedselhulp en fundamentele materiële bijstand te verstrekken met behulp van elektronische vouchers en te voorzien in beschermingsmiddelen en zodoende het risico op besmetting te verminderen. Het zal ook mogelijk zijn om maatregelen 100 % te financieren voor het boekjaar 2020-2021.

Bovendien zullen de wijzigingen van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) een flexibeler herschikking van financiële middelen binnen de operationele programma's in elke lidstaat mogelijk maken, en voorzien in een vereenvoudigde procedure voor de wijziging van operationele programma's in het licht van de invoering van de nieuwe maatregelen. De wijzigingen zullen ook voorzien in steun bij tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten en bij opschorting van de productie, en steun aan aquacultuurexploitanten voor de extra kosten en aan producentenorganisaties voor de opslag van visserij- en aquacultuurproducten.

Wat de tweede reeks maatregelen betreft, heeft de Commissie de afgelopen weken uitvoerig overleg gepleegd met de lidstaten, het Europees Parlement en de betrokken sectoren, rekening houdend met de meer dan 200 verzoeken om verduidelijking en advies die zij van de nationale autoriteiten heeft ontvangen met betrekking tot hun aanpak van crisisresponsmaatregelen in het kader van het CRII.

Faciliteren van door de EU gefinancierde investeringen

Welke wijzigingen van de regels van het cohesiebeleid stelt de Commissie voor?

Het investeringsinitiatief Coronavirusrespons plus staat toe dat alle niet-gebruikte steun uit de fondsen voor het cohesiebeleid wordt ingezet om de gevolgen van de volksgezondheidscrisis voor onze economieën en samenlevingen aan te pakken. Bepaalde procedurele stappen in verband met de uitvoering en de audit van de programma's zullen worden vereenvoudigd om te zorgen voor flexibiliteit, de rechtszekerheid te waarborgen en de administratieve vereisten te verminderen. De Commissie stelt met name voor:

  • de lidstaten bij wijze van uitzondering tijdelijk de mogelijkheid te bieden erom te verzoeken dat voor het boekjaar 2020-2021 voor de cohesiebeleidsprogramma's een medefinancieringspercentage van 100 % wordt toegepast;
  • bijkomende flexibiliteit te creëren voor de overdracht van middelen tussen de fondsen voor het cohesiebeleid en tussen categorieën van regio's;
  • de lidstaten vrij te stellen van de verplichting om aan de vereisten inzake thematische concentratie te voldoen, zodat middelen kunnen worden overgedragen naar de gebieden die het hardst door de huidige crisis getroffen worden;
  • de lidstaten vrij te stellen van de verplichting om partnerschapsovereenkomsten te wijzigen;
  • de termijn voor de indiening van de jaarverslagen voor 2019 uit te stellen;
  • de mogelijkheid om gebruik te maken van een niet-statistische steekproefmethode uit te breiden;
  • vrijstelling te verlenen van de verplichting tot herziening en actualisering van beoordelingen vooraf en bedrijfsplannen, teneinde de aanpassing van de financiële instrumenten om de volksgezondheidscrisis doeltreffend aan te pakken, te vergemakkelijken;
  • uitgaven voor voltooide of volledig uitgevoerde acties ter bevordering van het vermogen voor crisisrespons in de context van de uitbraak van het coronavirus bij wijze van uitzondering in aanmerking te laten komen;
  • beperkte financiële flexibiliteit bij de afsluiting van programma's mogelijk te maken, zodat de lidstaten en regio's ten volle gebruik kunnen maken van steun van de EU;
  • toe te staan dat in overeenstemming met de flexibiliteit die in de staatssteunregels wordt geboden, uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling steun wordt verleend aan ondernemingen die in moeilijkheden zijn ten gevolge van deze specifieke omstandigheden.

Wat zijn de voorwaarden voor de toepassing van een EU-medefinancieringspercentage van 100 % voor de programma's van het cohesiebeleid?

De lidstaten kunnen verzoeken om wijzigingen in de operationele programma's, zodat voor het boekjaar 2020-2021 een EU-medefinancieringspercentage van 100 % kan worden toegepast.

Dergelijke verzoeken kunnen worden gedaan tijdens het boekjaar dat begint op 1 juli 2020 en eindigt op 30 juni 2021. Deze uitzonderlijke maatregel wordt voorgesteld om de lidstaten toe te laten volledige EU-financiering te verkrijgen voor crisisgerelateerde maatregelen. Het medefinancieringspercentage van 100 % geldt alleen als de desbetreffende programmawijziging vóór het einde van het betrokken boekjaar bij besluit van de Commissie is goedgekeurd.

Is er een beperking ten aanzien van de overdracht van middelen tussen de categorieën van regio's?

Momenteel kunnen de lidstaten tot 3 % van de toegewezen middelen tussen regio's overdragen. Volgens het voorstel van vandaag is er geen limiet meer, aangezien de gevolgen van het coronavirus niet in lijn lopen met de gebruikelijke indeling in het kader van het cohesiebeleid van minder en meer ontwikkelde regio's. Aangezien we in het laatste jaar van de programmeringsperiode 2014-2020 zijn, is deze volledige flexibiliteit slechts van toepassing op de begrotingskredieten voor 2020.

Om ervoor te zorgen dat de nadruk blijft liggen op de minder ontwikkelde regio's, moeten de lidstaten eerst andere mogelijkheden voor de overdracht van middelen onderzoeken alvorens overdrachten uit de begroting van minder ontwikkelde regio's naar de begroting van meer ontwikkelde regio's te overwegen. Met andere woorden: de overdrachten mogen essentiële investeringen in de regio van oorsprong niet belemmeren of de voltooiing van vroeger geselecteerde acties niet verhinderen. Bovendien kan de overdracht enkel door de lidstaten worden aangevraagd voor met het coronavirus verband houdende activiteiten in de context van de coronacrisis. Belangrijk is dat het cohesiebeleid gericht is op de ondersteuning van de vermindering van de achterstand van de minst begunstigde regio's. Dit beginsel is verankerd in het Verdrag en moet ook in de huidige omstandigheden worden toegepast.

Hoe zal de overdracht tussen de fondsen van het cohesiebeleid werken, en wat zijn de voorwaarden ervoor?

De overdracht geschiedt op vrijwillige basis. De lidstaten kunnen verzoeken om de overdracht tussen het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds van middelen die voor de programmering voor het jaar 2020 beschikbaar zijn voor de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”.

Ingevolge dit besluit hoeft het minimumaandeel van het Europees Sociaal Fonds, dat is vastgesteld op 23,1 %, en het minimumaandeel van het Cohesiefonds voor de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de EU zijn toegetreden, dat is vastgesteld op een derde van hun totale uiteindelijke financiële toewijzing, niet te worden gerespecteerd.

De overdrachten zullen geen gevolgen hebben voor de aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) toegewezen middelen.

De middelen die als reactie op de coronacrisis tussen het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds worden overgedragen, worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van het Fonds waaraan de middelen worden overgedragen.

Wat betekent de vrijstelling voor de lidstaten van de verplichting om te voldoen aan de vereisten inzake thematische concentratie?

In de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten de steun concentreren op maatregelen die de grootste meerwaarde opleveren voor de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Daarom zijn in fondsspecifieke verordeningen specifieke voorschriften vastgesteld die vereisen dat de lidstaten de middelen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling concentreren op een koolstofarme economie of steun aan onderzoek en innovatie en de middelen uit het Europees Sociaal Fonds op de bevordering van de sociale integratie en de bestrijding van armoede.

In de huidige omstandigheden van de uitbraak van het coronavirus is het gerechtvaardigd om de lidstaten bij wijze van uitzondering tot het einde van de programmeringsperiode vrij te stellen van de verplichting om aan deze vereisten inzake thematische concentratie te voldoen. Dit zal de lidstaten helpen snel beschikbare middelen in te zetten om de crisis het hoofd te bieden.

Wat gebeurt er als de uitbraak van het coronavirus als reden van overmacht wordt aangevoerd? Welke invloed zal dit hebben op de uitvoeringsvoorschriften?

De Commissie is van mening dat de nodige flexibiliteit moet worden betracht wanneer de begunstigden de verplichtingen niet tijdig nakomen om redenen die verband houden met de uitbraak van het coronavirus (bijvoorbeeld het niet beschikbaar zijn van personeel). De Commissie zal evenzeer flexibel zijn bij het beoordelen van de naleving door de lidstaten van hun verplichtingen.

Wanneer de uitbraak van het coronavirus als reden voor overmacht wordt aangevoerd, wordt informatie over de bedragen waarvoor het niet mogelijk was een betalingsaanvraag in te dienen, prioritair verstrekt op een geaggregeerd niveau voor acties waarvan de totale subsidiabele kosten minder dan 1 000 000 EUR bedragen.

Wat houdt de vrijstelling van de lidstaten van de verplichting om partnerschapsovereenkomsten te wijzigen in?

Om de lidstaten in staat te stellen zich te concentreren op de noodzakelijke reactie op de uitbraak van het coronavirus en de administratieve lasten te verminderen, worden bepaalde procedurele vereisten in verband met de uitvoering van het programma vereenvoudigd.

Met name hoeven de partnerschapsovereenkomsten tot het einde van de programmeringsperiode niet meer worden gewijzigd, noch om voorafgaande wijzigingen in de operationele programma's weer te geven, noch om andere wijzigingen in te voeren.

Rekening houdend met een aanzienlijk aantal programmawijzigingen die de komende maanden zullen worden verwerkt, zal dit voorstel het herprogrammeringsproces drastisch vereenvoudigen.

Wat houdt de uitbreiding van de mogelijkheid om gebruik te maken van een niet-statistische steekproefmethode in?

De huidige omstandigheden kunnen gevolgen hebben voor bepaalde taken, bijvoorbeeld voor auditwerkzaamheden, zowel in de lidstaten als op EU-niveau. Daarom kunnen bepaalde procedurele vereisten in verband met audits in deze uitzonderlijke tijden worden vereenvoudigd.

Wat de fondsen van het cohesiebeleid en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij betreft, kunnen de auditautoriteiten op basis van hun professionele oordeel besluiten gebruik te maken van een niet-statistische steekproefmethode voor het boekjaar dat begint op 1 juli 2019 en eindigt op 30 juni 2020. Dit zal het vereiste aantal geauditeerde verrichtingen aanzienlijk verlagen en daardoor de druk op de eindbegunstigden en de auditautoriteiten verminderen.

Naast deze wijziging van de wetgeving zal de Commissie nauw samenwerken met de nationale autoriteiten om gebruik te maken van aanvullende methoden die de controleurs van de lidstaten in staat zullen stellen hun taken uit te voeren.

Wat houdt de vrijstelling van de verplichting tot herziening en actualisering van beoordelingen vooraf en bedrijfsplannen in?

Om de financiële instrumenten van de EU aan te wenden om deze volksgezondheidscrisis aan te pakken, zijn wijzigingen in de uitvoeringsprocedure vereist. Onder normale omstandigheden moeten de lidstaten de bewijsstukken wijzigen om aan te tonen dat de verstrekte steun voor het beoogde doel is gebruikt.

In de huidige situatie, om de administratieve lasten en vertragingen bij de uitvoering te verminderen, zullen de herziening en de actualisering van de beoordeling vooraf en de bijgewerkte bedrijfsplannen of gelijkwaardige documenten echter tot het einde van de programmeringsperiode niet langer vereist zijn.

Hoe wordt een beperkte financiële flexibiliteit bij de afsluiting van programma's mogelijk gemaakt?

De Commissie stelt voor de lidstaten toe te staan tot 10 % van de begroting voor een bepaalde prioriteit te “overschrijden”, mits deze overschrijding wordt gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging in een andere prioriteit van hetzelfde programma. Deze flexibiliteit zal gelden voor het totale programma, d.w.z. ook voor de uitgaven die vóór 1 februari zijn gedaan, maar zal alleen worden toegepast bij de afsluiting van de programma's (aanvaarding van de laatste jaarrekeningen). Dit zal de mogelijkheid van een hogere medefinanciering van verschillende maatregelen toelaten zonder dat wijzigingen van de programma's nodig zijn. Dit verandert niets aan het totale bedrag aan steun dat beschikbaar is uit de fondsen van het cohesiebeleid en van het EFMZV.

Deze mogelijkheid bestaat niet in het kader van de huidige regels en vormt een bijkomende manier om de flexibiliteit te vergroten voor lidstaten die een beroep willen doen op de programma's die worden gefinancierd uit het cohesiebeleid en uit het EFMZV om de gevolgen van de volksgezondheidscrisis aan te pakken.

Op welke manier zorgt u ervoor dat uitgaven voor voltooide of volledig uitgevoerde acties in de context van de uitbraak van het coronavirus in aanmerking komen voor terugbetaling?

Om de grootst mogelijke toegevoegde waarde van de EU-investeringen te garanderen, lieten de EU-regels niet toe dat acties die fysiek zijn voltooid of volledig zijn uitgevoerd, werden gefinancierd voordat de de begunstigde zijn financieringsaanvraag in het kader van het programma had ingediend.

In de huidige uitzonderlijke situatie van de uitbraak van het coronavirus moet dit echter bij wijze van uitzondering worden toegestaan om ervoor te zorgen dat de acties die al in reactie op de crisis zijn uitgevoerd, EU-steun kunnen krijgen. Deze acties kunnen nog vóór de uitvoering van de nodige wijziging van het programma worden geselecteerd. Dit betekent dat acties waarbij bijvoorbeeld medische apparatuur wordt aangeschaft en de aankoop reeds plaatsvond vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsvoorstel, met terugwerkende kracht in aanmerking komen voor EU-steun. Dit zal de druk op de nationale en regionale begrotingen bij de reactie op de volksgezondheidscrisis verlichten.

Is de Commissie bereid af te zien van de naleving van de toepasselijke beheers- en controleregels op grond van het cohesiebeleid?

De EU-begroting en het geld van de belastingbetaler moeten worden beschermd en daarom blijven alle controle- en auditmechanismen behouden. De Commissie stelt alleen voor bepaalde regels met betrekking tot de audit, de uitvoering van financiële instrumenten of de subsidiabiliteit in de context van de uitbraak van het coronavirus te vereenvoudigen en te verduidelijken.

Dit betekent dat het wetgevingskader voor de uitvoering van de Europese structuur- en investeringsfondsprogramma's ook in de huidige uitzonderingssituatie volledig van toepassing blijft. Dit betreft met name de regels inzake de opzet en de werking van het beheers- en controlesysteem, die een belangrijke waarborg blijven om zekerheid te krijgen over hun werking en over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen.

Wat zijn de voorwaarden voor steunverlening uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling aan ondernemingen in moeilijkheden?

De huidige wijziging in de EFRO-verordening is erop gericht de in de kaderregeling inzake staatssteun gehanteerde aanpak volledig in overeenstemming te brengen met de regels en voorwaarden volgens dewelke het EFRO steun kan verlenen aan ondernemingen in de huidige crisissituatie in verband met de uitbraak van het coronavirus. Dit volgt met name op de vaststelling door de Commissie op 19 maart 2020 van de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun om de economie te ondersteunen in de context van de uitbraak van het coronavirus, wat de lidstaten toelaat ondernemingen die in moeilijkheden geraakt zijn op een meer flexibere wijze te ondersteunen.

Beperken van de gevolgen voor de meest behoeftigen

Wat is het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD)?

Het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) ondersteunt het optreden van de EU-landen op het gebied van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftigen. Het gaat hierbij om voedsel, kleding en andere zaken die onmisbaar zijn voor persoonlijk gebruik, zoals schoenen, zeep en shampoo. Materiële bijstand moet hand in hand gaan met maatregelen voor sociale integratie zoals begeleiding en ondersteuning die mensen moeten helpen aan de armoede te ontsnappen. De nationale autoriteiten kunnen ook steun verlenen voor niet-materiële bijstand aan de meest hulpbehoevenden, teneinde de vormen van extreme armoede te verminderen die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede en voedselgebrek. De nationale autoriteiten kunnen de levensmiddelen en goederen kopen om aan partnerorganisaties te leveren, dan wel de organisaties financieren zodat zij deze aankopen zelf kunnen doen. Partnerorganisaties die de levensmiddelen of de goederen zelf kopen, kunnen deze rechtstreeks uitdelen of daarvoor andere partnerorganisaties om hulp vragen. Voor de periode 2014-2020 is er 3,8 miljard euro uitgetrokken voor het FEAD. Bovendien wordt van de EU-landen zelf verwacht dat ze daar nog eens minstens 15% bovenop doen in de vorm van cofinanciering via hun nationale programma.

Waarom stelt u voor de huidige FEAD-regels te wijzigen?

De crisis van het coronavirus vormt een ongekende uitdaging voor door het FEAD ondersteunde acties. Het belangrijkste is echter dat de meest behoeftigen specifieke risico's lopen. Om te voorkomen dat zij het het slachtoffer worden van deze ziekte moeten dringend specifieke maatregelen worden genomen. Dit houdt onder meer in dat zij, alsook de hulpverleners en de vrijwilligers die de hulp verstrekken, de nodige beschermende uitrusting krijgen en dat ervoor wordt gezorgd dat de bijstand van het FEAD nog steeds de meest kwetsbare personen bereikt. Logistieke en personele beperkingen, met name ten gevolge van de maatregelen voor isolatie en beperking van sociale contacten, belemmeren steeds meer de verdeling van voedselhulp en het verlenen van fundamentele materiële bijstand en steun voor sociale integratie. Veel vrijwilligers, die de ruggengraat vormen van het fonds, kunnen niet langer worden ingezet, aangezien zij vaak deel uitmaken van groepen met een hoger risico op een ernstig ziektebeeld als gevolg van het coronavirus. Om de veiligheid van alle mensen die betrokken zijn bij de uitvoering van het FEAD en van de meest behoeftigen te garanderen, zijn daarom nieuwe leveringsmethoden zoals levering met behulp van elektronische vouchers nodig.

Wat zijn de door de Commissie voorgestelde wijzigingen van de FEAD-regels?

De voorgestelde maatregelen omvatten onder meer:

  • subsidiabiliteit van de uitgaven voor acties van het FEAD die het vermogen voor crisisrespons bij de uitbraak van het coronavirus verbeteren vanaf 1 februari 2020;
  • de subsidiabiliteit van uitgaven in verband met persoonlijke beschermingsmiddelen voor partnerorganisaties wordt geëxpliciteerd.
  • bepaalde steunmaatregelen van het FEAD zijn tijdelijk vrijgesteld van de goedkeuring van de Commissie;
  • mogelijkheid om voedselhulp en fundamentele materiële bijstand te verstrekken met behulp van elektronische vouchers (lager risico op besmetting).
  • mogelijkheid van 100 % medefinanciering (in plaats van 85 %) voor het boekjaar 2020-2021

De voorgestelde wijzigingen zijn bedoeld om beheersautoriteiten, partnerorganisaties en andere actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van het fonds, in staat te stellen snel te reageren op de nieuwe behoeften van de doelgroepen die worden blootgesteld aan verdere ontberingen ten gevolge van deze crisis. In dat opzicht, en met name om de uitdagingen op het vlak van sociale integratie die daarmee samenhangen, zal het Europees Sociaal Fonds (ESF) een aanvulling vormen op de door het FEAD verleende steun.

Ondersteuning van de sector van de visserijproducten

Welke maatregelen omvat het voorstel om de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus voor de visserij- en aquacultuursector te beperken?

De volgende maatregelen worden voorgesteld om de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus voor de visserij- en aquacultuursector te beperken:

  • steun aan vissers voor de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten als gevolg van de uitbraak van het coronavirus;
  • steun aan de aquacultuurexploitanten voor de tijdelijke opschorting van de productie of voor extra kosten als gevolg van de uitbraak van het coronavirus;
  • steun aan producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties voor de opslag van visserij- en aquacultuurproducten, overeenkomstig de gemeenschappelijke marktordening.

Voorgesteld wordt dat deze maatregelen met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2020 subsidiabel zijn en beschikbaar zijn tot en met 31 december 2020.

Aanvullende wijzigingen van de EFMZV-verordening zijn bedoeld om te zorgen voor een flexibele herschikking van de financiële middelen tussen de operationele programma's.

Op welke manier biedt het voorstel steun voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten?

Om de aanzienlijke sociaal-economische gevolgen van de uitbraak van het coronavirus en de behoefte aan liquiditeit in de economie te beperken, kan uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) aan vissers financiële compensatie worden verleend voor de tijdelijke stopzetting van hun visserijactiviteiten. De EU zal maximaal 75 % van deze compensatie betalen en de rest zal ten laste van de lidstaten zijn. Steun voor de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten als gevolg van de uitbraak van het coronavirus zal niet worden onderworpen aan de plafonnering die van toepassing is op de andere gevallen van tijdelijke stopzetting, zodat de lidstaten op basis van de behoeften steun kunnen verlenen. Vaartuigen die de maximale duur van zes maanden van EFMZV-steun voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten in het kader van artikel 33 van de EFMZV-verordening al hebben bereikt, komen niettemin tot eind 2020 in aanmerking voor steun in het kader van de maatregelen van het investeringsinitiatief Coronavirusrespons plus.

Hoe ondersteunt het voorstel de aquacultuurexploitanten?

Het voorstel voorziet in compensatie voor de aquacultuurexploitanten voor de tijdelijke stillegging of vermindering van de productie die het gevolg is van de uitbraak van het coronavirus. Deze compensatie wordt berekend op basis van de gederfde inkomsten. De EU zal tot 75 % van deze compensatie betalen en de rest zal ten laste van de lidstaten zijn.

Hoe zorgt het voorstel voor een vereenvoudiging van de procedures?

Aangezien de steun dringend nodig is, zal het mogelijk zijn een vereenvoudigde procedure toe te passen voor wijzigingen van de operationele programma's van de lidstaten in verband met de specifieke maatregelen en de herschikking van financiële middelen. Deze vereenvoudigde procedure moet alle wijzigingen omvatten die nodig zijn voor de volledige uitvoering van de betrokken maatregelen, met inbegrip van de invoering ervan en de beschrijving van de methoden voor de berekening van de steun.

Het voorstel van de Commissie omvat ook budgettaire flexibiliteit. Wat is er nieuw?

De voorgestelde wijziging verandert niets aan de jaarlijkse maxima van het meerjarig financieel kader voor vastleggingen en betalingen. De jaarlijkse verdeling van de vastleggingskredieten voor het EFMZV blijft dus ongewijzigd, aangezien het EFMZV een van de vijf Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) is.

In de context van de lockdown of aanzienlijke vermindering van de visserij- en aquacultuuractiviteiten is er weinig ruimte voor een normale uitvoering van de huidige EFMZV-maatregelen en operationele programma's. De Commissie stelt daarom voor de lidstaten maximale flexibiliteit toe te kennen om op korte termijn middelen toe te wijzen om tegemoet te komen aan de behoeften ten gevolg van de uitbraak van het coronavirus. De beschikbare middelen voor visserijcontrole, het verzamelen van wetenschappelijke gegevens en compensatie van de extra kosten in de ultraperifere gebieden blijven echter gereserveerd voor de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Andere beschikbare middelen onder gedeeld beheer moeten door de lidstaten worden toegewezen op basis van hun behoeften.

De Commissie zal het effect van de voorgestelde wijziging op de betalingskredieten in 2020 nauwlettend volgen, rekening houdend met zowel de uitvoering van de begroting als de herziene prognoses van de lidstaten.

Welke voordelen levert het voorstel van de Commissie op voor de producentenorganisaties?

Gezien de belangrijke rol die de producentenorganisaties spelen bij het beheer van de crisis, wordt het plafond voor de steun voor productie- en marketingplannen verhoogd van 3 % tot 12 % van de waarde van de gemiddelde jaarlijkse productie die in de handel wordt gebracht. De lidstaten kunnen ook voorschotten van ten hoogste 100 % van de financiële steun aan producentenorganisaties verlenen.

Waarom heeft de Commissie besloten de steun voor opslag opnieuw in te voeren en het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot de aquacultuur?

Wegens de plotselinge verstoringen van de visserij en de aquacultuuractiviteiten als gevolg van de uitbraak van het coronavirus en het daaruit voortvloeiende risico dat de markten van visserij- en aquacultuurproducten op de helling komen te staan, is het passend een mechanisme in te stellen voor de opslag van visserij- en aquacultuurproducten voor menselijke consumptie. Dit zal een grotere stabiliteit van de markt ten goede komen, het risico verkleinen dat dergelijke producten worden verspild of worden gebruikt voor andere doeleinden dan menselijke consumptie en zal bijdragen tot het verwerken van de gevolgen van de crisis op de terugzending van de producten.

Dit mechanisme moet de producenten van visserij- en aquacultuurproducten in staat stellen voor soortgelijke soorten gebruik te maken van dezelfde conserverings- of bewaringstechnieken en ervoor zorgen dat de eerlijke concurrentie tussen producenten wordt behouden.

Om de lidstaten in staat te stellen snel te reageren op de plotselinge en onvoorspelbare aard van de uitbraak van het coronavirus, hebben zij het recht om voor hun producentenorganisaties drempelprijzen vast te stellen om het opslagmechanisme in werking te stellen. Die drempelprijs moet op zodanige wijze worden vastgesteld dat eerlijke concurrentie tussen de marktdeelnemers wordt behouden.

Steun voor landbouwers en plattelandsgebieden

Welke maatregelen in het kader van de CRII+ zullen landbouwers en plattelandsgebieden rechtstreeks ondersteunen?

De Commissie stelt voor de flexibiliteit bij het gebruik van financiële instrumenten te vergroten. Landbouwers en andere begunstigden van steun voor plattelandsontwikkeling zullen in aanmerking komen voor leningen of garanties van ten hoogste 200 000 EUR tegen gunstige voorwaarden, zoals zeer lage rentetarieven of gunstige betalingsschema's in het kader van het Elfpo. Normaliter moeten deze financiële instrumenten worden gekoppeld aan investeringen, maar in het kader van deze nieuwe maatregel kunnen zij landbouwers helpen met hun kasstroom om kosten te financieren of tijdelijke verliezen te compenseren.

Daarnaast kunnen fondsen voor plattelandsontwikkeling worden gebruikt om te investeren in medische voorzieningen en kleinschalige infrastructuur in plattelandsgebieden, zoals de aanpassing van gezondheidscentra voor de behandeling van een groeiend aantal patiënten of het opzetten van mobiele gezondheidsvoorzieningen voor het uitvoeren van tests en het verstrekken van behandelingen aan landbouwers en plattelandsbewoners.

Welke maatregelen in het kader van de CRII+ zullen de lidstaten helpen bij de uitvoering van hun programma's voor plattelandsontwikkeling?

De lidstaten worden geconfronteerd met praktische moeilijkheden om aan bepaalde voorschriften in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) te voldoen, en de Commissie wil via een reeks concrete maatregelen helpen.

Ten eerste wordt het de lidstaten toegestaan ongebruikte middelen in het kader van hun programma's voor plattelandsontwikkeling (PPO's) opnieuw toe te wijzen in plaats van deze terug te sturen naar de EU-begroting. Het geld moet nog steeds worden gebruikt in het kader van het desbetreffende programma voor plattelandsontwikkeling.

Ten tweede zullen de lidstaten hun voor de begrotingsperiode 2014-2020 gesloten partnerschapsovereenkomsten voor de ESI-fondsen ook niet hoeven te wijzigen om hun programma's voor plattelandsontwikkeling te wijzigen, waardoor sommige administratieve procedures voor de lidstaten worden opgeheven.

Ten derde moeten de lidstaten jaarlijks de Commissie een jaarverslag over de uitvoering van hun programma's voor plattelandsontwikkeling doen toekomen. In deze uitzonderlijke omstandigheden stelt de Commissie de termijn voor indiening (oorspronkelijk 30 juni) uit om de nationale autoriteiten meer tijd te geven om deze samen te stellen.

Welke andere maatregelen worden er genomen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) ter ondersteuning van de agrovoedingssector in deze uitzonderlijke omstandigheden?

Naast de in het kader van het Elfpo genomen maatregelen die rechtstreeks verband houden met het CRII+ stelt de Commissie meer flexibiliteit en vereenvoudiging voor van andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

Ten eerste wordt de uiterste termijn voor GLB-betalingsaanvragen met een maand verlengd, d.w.z. van 15 mei tot 15 juni 2020, zodat de landbouwers meer tijd krijgen om hun aanvraag voor zowel rechtstreekse betalingen als betalingen voor plattelandsontwikkeling in te vullen.

Ten tweede zal de Commissie de voorschotten op de rechtstreekse betalingen en de betalingen voor plattelandsontwikkeling verhogen om de kasstroom van de landbouwers te verhogen. Het percentage van de voorschotten zal stijgen van 50 % tot 70 % voor rechtstreekse betalingen, en van 75 % tot 85 % voor de betalingen voor plattelandsontwikkeling. De landbouwers zullen deze voorschotten vanaf 16 oktober 2020 ontvangen.

Tot slot zal de Commissie voorstellen om de fysieke controles ter plaatse te verminderen en de timingvereisten te versoepelen. Dit zal de administratieve lasten terugdringen en onnodige vertragingen voorkomen. Momenteel moeten de lidstaten controles uitvoeren om ervoor te zorgen dat aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden is voldaan. In de huidige uitzonderlijke omstandigheden is het echter van cruciaal belang dat de fysieke contacten tussen de landbouwers en de inspecteurs die de controles uitvoeren, tot een minimum worden beperkt.

Momenteel worden de laatste wettelijke stappen gezet om deze maatregelen goed te keuren.


Terug naar boven