r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken - Algemene oriëntatie

Inhoud

1.

Tekst

Raad van de Europese Unie Brussel, 28 november 2019 (OR. en)

14601/19 Interinstitutioneel dossier:

2018/0203(COD)

JUSTCIV 230 EJUSTICE 155 COMER 152 CODEC 1696

NOTA van: het voorzitterschap aan: Raad nr. vorig doc.: 13836/1/19 nr. Comdoc.: 9620/18

Betreft: Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de

Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken - Algemene oriëntatie

  • I. 
    INLEIDING
  • 1. 
    De Commissie heeft bovengenoemd herzieningsvoorstel 1 op 31 mei 2018 aangenomen, en het aan de Raad en het Parlement voorgelegd. De rechtsgrond voor deze voorstellen is artikel 81

    (justitiële samenwerking in burgerlijke zaken) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en bijgevolg is de gewone wetgevingsprocedure op het voorstel van toepassing.

1 Doc. 9620/18.

  • 2. 
    Een ander belangrijk instrument voor Europese justitiële samenwerking is Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken. Dat instrument beoogt

    een kader te bieden voor grensoverschrijdende rechtshulp tussen lidstaten in burgerlijke en handelszaken door het verzamelen van bewijsmateriaal over de grenzen heen te vergemakkelijken. Het herzieningsvoorstel beoogt een EU-breed systeem voor de rechtstreekse, beveiligde en snelle verzending van aanvragen om bewijsverkrijging en de tenuitvoerlegging daarvan in het leven te roepen door de voordelen van digitalisering te benutten, en tegelijk te zorgen voor sterkere procedurele waarborgen. In het Commissievoorstel wordt daarom aangedrongen op de invoering van een verplicht elektronisch gedecentraliseerd IT-systeem.

  • 3. 
    Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 17 oktober 2018 zijn advies 2 uitgebracht over dit voorstel en het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (betekening en kennisgeving van stukken) Het EESC oordeelde dat beide voorstellen sporen met de strategie voor een digitale eengemaakte markt op het gebied van e-overheid, met name wat betreft de noodzaak van het nemen van maatregelen om het openbaar bestuur te moderniseren en grensoverschrijdende interoperabiliteit tot stand te brengen.
  • 4. 
    Het Europees Parlement heeft op 13 februari 2019 met 554 stemmen voor en 26 tegen, bij

    9 onthoudingen, zijn standpunt in eerste lezing over het voorstel betreffende bewijsverkrijging aangenomen. Daarin waren 37 amendementen op het Commissievoorstel opgenomen.

  • 5. 
    De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming heeft op 13 september 2019 advies 5/2019 over dit voorstel en het voorstel betreffende de betekening en kennisgeving van

    stukken ingediend 3 .

2 Doc. 14013/18.

3 Doc. 12245/19.

  • 6. 
    Tijdens de zitting van de Raad JBZ in juni 2019 zijn de ministers het erover eens geworden dat de justitiële samenwerking in het kader van dit voorstel en het voorstel inzake de

    betekening en de kennisgeving van stukken moet worden gebaseerd op een beveiligd, gedecentraliseerd IT-systeem, bestaande uit onderling verbonden nationale IT-systemen. De ministers konden in beginsel ook instemmen met een verplicht IT-systeem, maar onder bepaalde voorwaarden, zoals een langere overgangsperiode, uitzonderingen op het verplichte gebruik en de door de Commissie verstrekte referentie-implementatie.

  • 7. 
    Het oorspronkelijke voorstel van de Commissie bevatte geen financieel memorandum over de gevolgen voor de begroting van de EU. Tijdens de bespreking van het voorstel hebben de

    delegaties verzocht om bijstand voor het in te voeren IT-systeem, zoals een referentieimplementatiesoftware die de lidstaten als back-end systeem kunnen gebruiken in plaats van een nationaal ontwikkeld IT-systeem. In de tekst van het voorzitterschap is gesteld dat de Commissie verantwoordelijk zal zijn voor het ontwerpen, het onderhouden en het in de toekomst verder ontwikkelen van de referentie-implementatiesoftware. Deze verplichting zal aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting van de EU, daaronder begrepen wijzigingen in het aantal ambten. Overeenkomstig artikel 35, lid 1, tweede alinea, van het Financieel Reglement van de EU 4 heeft het voorzitterschap, in samenwerking met de Commissie, een indicatief financieel memorandum 5 opgesteld waarin de geraamde financiële gevolgen van de wijzigingen voor de begroting, daaronder begrepen het aantal ambten, worden toegelicht.

  • 8. 
    Overeenkomstig artikel 3 van Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het

    Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan de Verdragen, heeft Ierland besloten dat het aan dit voorstel deelneemt. Het VK heeft geen gebruik gemaakt van de door artikel 3 van Protocol (nr. 21) geboden mogelijkheid deel te nemen aan de aanneming en toepassing van dit voorstel. Overeenkomstig het aan de Verdragen gehechte Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van de voorgestelde maatregelen.

4 PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.

5 Doc. 14427/19.

II. COMPROMISTEKST VAN HET VOORZITTERSCHAP

  • 9. 
    Tijdens de besprekingen is er op technisch niveau aanzienlijke vooruitgang geboekt met inhoudelijke kwesties. Het voorzitterschap is daarom van oordeel dat de tijd rijp is voor een algemene oriëntatie van de Raad over het dispositief en de overwegingen van het

    verordeningsvoorstel, zonder daarmee vooruit te lopen op de besprekingen ter oplossing van bepaalde technische of redactionele kwesties in verband met de bijwerking van de bijlagen.

  • 10. 
    De elementen van de compromistekst moeten worden gezien als een algemeen pakket waarmee beoogd wordt een efficiënt kader voor grensoverschrijdende justitiële samenwerking tot stand te brengen. Daarnaast vormt het compromis een delicaat evenwicht tussen de verschillende standpunten van de lidstaten en bevordert het tegelijkertijd hun onderlinge vertrouwen.

III. STAND VAN ZAKEN

  • 11. 
    Tijdens zijn vergadering van 27 november 2019 heeft het Comité van permanente vertegenwoordigers een wijziging aangebracht in artikel 17 ter van de ontwerpverordening die door het voorzitterschap was ingediend in de bijlage bij document 13836/1/19 REV 1 en de tekst vervolgens goedgekeurd. Tegen deze achtergrond legt het voorzitterschap de Raad in de

    bijlage dezelfde tekst voor, met uitzondering van artikel 17 ter. In deze tekst zijn de wijzigingen in vergelijking met het Commissievoorstel vetgedrukt en zijn weglatingen aangegeven met […].

IV. CONCLUSIE

  • 12. 
    Het voorzitterschap verzoekt de Raad:

    – de tekst van de verordening inzake de bewijsverkrijging in de bijlage als compromispakket voor een algemene oriëntatie goed te keuren, er rekening mee houdend dat de bijlagen bij de verordening zo spoedig mogelijk na de Raadszitting technisch bijgewerkt zullen worden.

BIJLAGE

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in

burgerlijke en handelszaken

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 81,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

  • (1) 
    In het belang van de goede werking van de interne markt is het nodig de samenwerking tussen de gerechten op het gebied van bewijsverkrijging verder te verbeteren en te versnellen.
  • (2) 
    Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad 6 bevat regels betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken.

(2a) Voor de toepassing van deze verordening worden onder "gerecht" ook andere autoriteiten verstaan die rechterlijke taken uitvoeren of handelen op grond van een bevoegdheidsdelegatie door een rechterlijke autoriteit dan wel handelen onder toezicht van een rechterlijke autoriteit en die overeenkomstig het nationale recht bevoegd zijn om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten met het oog op een gerechtelijke procedure in burgerlijke en handelszaken, in het bijzonder autoriteiten die als gerecht worden aangemerkt op grond van andere instrumenten van het Unierecht, zoals Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad 7 , Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad 8 en Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad 9 .

6 Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in

burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1). 7 Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad betreffende de bevoegdheid, de erkenning

en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB L 178 van 2.7.2019, blz. 1).

8 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van

12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de

tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van

20.12.2012, blz. 1).

9 Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012

betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging

van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke

akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een

Europese erfrechtverklaring (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 107).

  • (3) 
    Om te zorgen voor de snelle verzending van aanvragen en kennisgevingen moeten alle passende middelen van moderne communicatietechnologie worden gebruikt. Derhalve moeten in de regel alle communicatie en uitwisselingen van documenten plaatsvinden via een beveiligd gedecentraliseerd IT-systeem dat bestaat uit nationale IT-systemen. Daartoe moet een dergelijk gedecentraliseerd IT-systeem voor de uitwisseling van gegevens overeenkomstig deze verordening worden opgezet. Dat dit systeem gedecentraliseerd is, betekent dat het alleen gegevensuitwisseling tussen lidstaten mogelijk maakt, zonder betrokkenheid van een van de instellingen van de Unie.

(3a) De krachtens het recht van de lidstaat bevoegde autoriteit(en) moet(en) als verwerkingsverantwoordelijke instaan voor de verwerking van persoonsgegevens die zij uit hoofde van deze verordening verricht(en) met het oog op de verzending van aanvragen en

overige communicatie tussen lidstaten. De Commissie, of eender welke andere instelling van de Unie, wordt niet betrokken bij de verwerking van persoonsgegevens in het gedecentraliseerde IT-systeem dat bij deze verordening wordt ingesteld.

(3b) De Commissie is verantwoordelijk voor de ontwikkeling, het onderhoud en de toekomstige ontwikkeling van referentie-implementatiesoftware die de lidstaten eventueel in plaats van een nationaal IT-systeem wensen te gebruiken. De referentieimplementatiesoftware moet worden ontworpen, ontwikkeld en onderhouden overeenkomstig de gegevensbeschermingsvereisten en -beginselen van Verordening (EU) 2018/1725 10 en Verordening (EU) 2016/679 11 , in het bijzonder de beginselen inzake gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen. Zij moet ook passende technische maatregelen uitvoeren en de nodige organisatorische maatregelen mogelijk maken om een niveau van veiligheid en interoperabiliteit te waarborgen dat passend is voor de uitwisseling van informatie op het gebied van bewijsverkrijging.

(3c) Verzending via het gedecentraliseerde IT-systeem kan onmogelijk zijn als gevolg van verstoring van het systeem of door de aard van het bewijs, bijvoorbeeld DNA of

bloedstalen. Het is mogelijk dat andere communicatiemiddelen ook geschikter zijn in uitzonderlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een situatie waarin het omzetten van omvangrijke documentatie in elektronische vorm een onevenredige administratieve belasting zou betekenen voor de bevoegde autoriteiten of waarin het originele stuk in papieren vorm nodig is om de authenticiteit ervan te beoordelen. Indien het gedecentraliseerde IT-systeem niet wordt gebruikt, moet de verzending met de meest geschikte middelen geschieden. Dat betekent onder andere dat de verzending zo snel mogelijk en op een beveiligde manier moet geschieden met andere beveiligde elektronische middelen of per post.

10 Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van

23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

11 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking

van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

  • (4) 
    Om [...] de grensoverschrijdende elektronische verzending te bevorderen [...], mogen het rechtsgevolg en de toelaatbaarheid als bewijsmiddel in de procedure van via het

    gedecentraliseerde IT-systeem verzonden stukken niet worden ontkend louter omdat zij in elektronische vorm zijn [...]. Dit beginsel mag echter niet anderszins van invloed zijn op de bevoegdheid van het gerecht waarbij de procedure aanhangig is gemaakt om de rechtsgevolgen van dergelijke stukken of de toelaatbaarheid ervan als bewijsmiddel te beoordelen. Het mag evenmin afbreuk doen aan de vereisten van nationaal recht inzake de omzetting van stukken.

  • (5) 
    Verordening (EG) nr. 1206/2001 mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de autoriteiten om informatie uit te wisselen in het kader van stelsels die door andere Unieinstrumenten zijn ingesteld, zoals Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad of Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad 12 , zelfs indien de betrokken informatie bewijskracht heeft, waardoor de keuze van de meest geschikte methode aan de verzoekende autoriteit toekomt.

12 Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1).

  • (6) 
    Het potentieel van moderne communicatietechnologie, [...] zoals videoconferenties, die een belangrijk middel vormen om de bewijsverkrijging te vereenvoudigen en te bespoedigen,

    wordt momenteel niet optimaal benut. Indien de verrichting van een handeling tot het verkrijgen van bewijs inhoudt dat een in een andere lidstaat [...] aanwezige persoon, zoals een getuige, partij of deskundige wordt verhoord, [...] moet het verzoekende gerecht de handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks via videoconferentie of andere technologie voor communicatie op afstand verrichten, indien die technologie voor [...] het gerecht[...] beschikbaar is en indien het gerecht van mening is dat het gebruik ervan gezien de specifieke omstandigheden van de zaak geschikt is. Videoconferentie kan ook worden gebruikt om een kind te verhoren, zoals bepaald in Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad. Directe bewijsverkrijging moet indien nodig evenwel plaatsvinden onder voorwaarden die door het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat worden bepaald overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat en kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien dit strijdig is met de fundamentele rechtsbeginselen van die lidstaat.

  • (7) 
    Om de bewijsverkrijging door diplomatieke of consulaire ambtenaren te vergemakkelijken, moet het elke lidstaat vrijstaan om via hen [...] op het grondgebied van een andere lidstaat en binnen het gebied waar zij geaccrediteerd zijn, handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten zonder dat een voorafgaande aanvraag nodig is, door onderdanen van de lidstaat die zij vertegenwoordigen, zonder dwang te verhoren in het kader van een procedure die

    aanhangig is bij een gerecht van de lidstaat die zij vertegenwoordigen. Het wordt evenwel aan de lidstaat overgelaten te bepalen of bewijsverkrijging tot het takenpakket van zijn diplomatieke of consulaire ambtenaren behoort.

  • (8) 
    Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de totstandbrenging van een rechtskader voor het waarborgen

    van de snelle verzending van aanvragen en kennisgevingen inzake bewijsverkrijging beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

  • (9) 
    Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en

    recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft Ierland te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van deze verordening wenst deel te nemen [...].

(9a) Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt het Verenigd Koninkrijk niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

  • (10) 
    Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van

    Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor noch van toepassing op deze lidstaat.

  • (11) 
    Teneinde de in de bijlagen opgenomen modelformulieren bij te werken of technisch aan te passen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van wijzigingen van de bijlagen. Het is van bijzonder belang dat de

    Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 13 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

13 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

  • (12) 
    Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven moet de Commissie deze verordening evalueren op basis van via

    specifieke monitoringregelingen verzamelde informatie om de daadwerkelijke effecten van de

    verordening en de behoefte aan verdere acties na te gaan. Ten behoeve van deze monitoring

    moeten de lidstaten de Commissie beschikbare informatie verstrekken over het aantal

    verzonden en uitgevoerde aanvragen en over het aantal gevallen waarin de verzending

    langs een andere weg dan via het gedecentraliseerde IT-systeem is geschied. Het

    nationale back-endsysteem of de referentie-implementatiesoftware moet, voor zover

    mogelijk, het geautomatiseerd verzamelen en melden van gegevens over het aantal via

    dat systeem verrichte uitwisselingen vergemakkelijken.

(12a) De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad

geraadpleegd en heeft op 13 september 2019 een advies uitgebracht 14 .

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1206/2001 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1) 
    in artikel 1 wordt [...] lid 3 vervangen door:

    "3. [...] Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

14 PB C 370 van 31.10.2019, blz. 24.

  • a) 
    [...] "gerecht": overeenkomstig artikel 22, derde alinea, aangemelde rechterlijke instanties en andere [...] autoriteiten in [...] de lidstaten [...] die rechterlijke taken uitvoeren of handelen op grond van een bevoegdheidsdelegatie door een rechterlijke autoriteit dan wel handelen onder toezicht van een rechterlijke autoriteit en die overeenkomstig het nationale recht bevoegd zijn om handelingen tot het

    verkrijgen van bewijs te verrichten met het oog op een gerechtelijke procedure in burgerlijke en handelszaken [...];

  • b) 
    "gedecentraliseerd IT-systeem": een netwerk van nationale IT-systemen en toegangspunten tot interoperabele communicatie-infrastructuur waarvan de exploitatie onder de eigen verantwoordelijkheid en het eigen beheer van elke lidstaat valt, dat beveiligde en betrouwbare grensoverschrijdende uitwisseling van informatie tussen de nationale IT-systemen mogelijk maakt.";
  • 2) 
    artikel 6 wordt vervangen door:

    "Artikel 6 Verzending van aanvragen en van overige kennisgevingen

  • 1. 
    Aanvragen en kennisgevingen uit hoofde van deze verordening worden verzonden via een gedecentraliseerd IT-systeem [...].
  • 2. 
    Het algemene rechtskader voor het gebruik van vertrouwensdiensten van Verordening (EU) nr. 910/2014 van de Raad 15 is van toepassing op de aanvragen en kennisgevingen die via het [...] gedecentraliseerde IT-systeem worden verzonden.
  • 3. 
    Indien in lid 1 bedoelde aanvragen en kennisgevingen een zegel of handgeschreven handtekening vereisen of inhouden, mogen in de plaats daarvan "gekwalificeerde elektronische zegels" [...] of "gekwalificeerde elektronische handtekeningen" zoals gedefinieerd in

Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad, worden gebruikt.

  • 4. 
    [...] Indien verzending overeenkomstig lid 1 onmogelijk is wegens een [...] verstoring van het [...] IT-systeem, de aard van het bewijs of uitzonderlijke omstandigheden [...] [...], vindt

    de verzending [...] langs de meest geschikte weg plaats [...] [...].

  • 5. 
    De krachtens het recht van de lidstaat bevoegde autoriteit(en) wordt (worden) overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 als verantwoordelijke voor de verwerking van

    persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening beschouwd.";

2a) het volgende artikel wordt ingevoegd:

15 Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).

[...] "Artikel 6 ter Rechtsgevolgen van elektronische stukken

Het rechtsgevolg en de toelaatbaarheid als bewijsmiddel in de procedure van via het gedecentraliseerde IT-systeem verzonden stukken mogen niet worden ontkend louter omdat zij in elektronische vorm zijn." [...];

  • 3) 
    in artikel 17 [...]

    […]

    lid 4, [...] wordt de derde alinea vervangen door:

    […]

    "Het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit kan een gerecht van zijn lidstaat opdragen praktische bijstand te verlenen bij het verkrijgen van bewijs.";

  • 4) 
    het volgende artikel wordt ingevoegd:

    "Artikel 17 bis Rechtstreekse bewijsverkrijging via videoconferentie of andere technologie voor

communicatie op afstand

  • 1. 
    Indien de verrichting van een handeling tot het verkrijgen van bewijs inhoudt dat een in een andere lidstaat [...] aanwezige persoon [...] wordt verhoord, en het gerecht [...] om rechtstreekse

    bewijsverkrijging overeenkomstig artikel 17 verzoekt [...], verricht het verzoekende gerecht de handeling tot het verkrijgen van bewijs [...] via videoconferentie of andere technologie voor communicatie op afstand, indien die technologie voor [...] het gerecht[...] beschikbaar is en indien het gerecht van mening is dat het gebruik ervan gezien de specifieke omstandigheden van de zaak geschikt is.

  • 2. 
    Indien een aanvraag om rechtstreekse bewijsverkrijging via videoconferentie of andere technologie voor communicatie op afstand wordt ingediend, moeten [...] het verzoekende gerecht en het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 3, lid 3, of het gerecht waaraan is opgedragen praktische bijstand te verlenen bij het verrichten van de handeling tot het verkrijgen van bewijs [...], [...] overeenstemming bereiken over de praktische regelingen voor het verhoor [...]. Op verzoek kan het verzoekende gerecht hulp krijgen bij het vinden van een tolk.";
  • 3. 
    […]

    […] […]

  • 5) 
    het volgende artikel wordt ingevoegd:

    "Artikel 17 ter Bewijsverkrijging door diplomatieke of consulaire ambtenaren

De lidstaten kunnen in hun nationale recht voorzien in de mogelijkheid voor hun gerechten om hun [...] diplomatieke of consulaire ambtenaren [...] op het grondgebied van een andere lidstaat en binnen het gebied waar zij geaccrediteerd zijn [...], te verzoeken handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten zonder dat een voorafgaande aanvraag [...] nodig is, door onderdanen van de lidstaat die zij vertegenwoordigen, zonder dwang te verhoren in het kader van een procedure die aanhangig is bij een gerecht van de lidstaat die zij vertegenwoordigen.";

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

  • 7) 
    in artikel 19 wordt lid 2 vervangen door:

"2. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen om de daarin opgenomen modelformulieren bij te werken

of technisch aan te passen.";

  • 8) 
    artikel 20 wordt vervangen door:

    "Artikel 20 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

  • 1. 
    De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
  • 2. 
    De in artikel 19, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een [...] termijn van vijf jaar met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
  • 3. 
    Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 19, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
  • 4. 
    Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het

    Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

  • 5. 
    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
  • 6. 
    […] Een overeenkomstig artikel 19, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad

    bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.";

8a) de volgende artikelen worden ingevoegd:

"Artikel 20 bis Kosten van het gedecentraliseerde IT-systeem

  • 1. 
    Elke lidstaat draagt de kosten van de installatie, de exploitatie en het onderhoud van zijn toegangspunten tot de communicatie-infrastructuur waardoor de nationale IT-

    systemen in het kader van het gedecentraliseerde systeem zijn verbonden.

  • 2. 
    Elke lidstaat draagt de kosten in verband met het zodanig invoeren en aanpassen van zijn nationale IT-systemen dat deze interoperabel zijn met de communicatieinfrastructuur, alsmede de kosten van het beheer, de exploitatie en het onderhoud van die systemen.
  • 3. 
    De leden 1 en 2 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om in het kader van de financiële programma’s van de Unie subsidies aan te vragen ter ondersteuning van de in die leden bedoelde activiteiten.
  • 4. 
    De Commissie is verantwoordelijk voor de ontwikkeling, het onderhoud en de toekomstige ontwikkeling van referentie-implementatiesoftware die de lidstaten eventueel in plaats van een nationaal IT-systeem als back-endsysteem wensen te gebruiken. De ontwikkeling, het onderhoud en de toekomstige ontwikkeling van de referentie-implementatiesoftware worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie.
  • 5. 
    De Commissie zorgt ervoor dat de onderliggende softwarecomponenten van de toegangspunten tot de communicatie-infrastructuur kosteloos worden geleverd, onderhouden en ondersteund.

    Artikel 20 ter Vaststelling van uitvoeringshandelingen door de Commissie

  • 1. 
    De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot invoering van het gedecentraliseerde IT-systeem [...]. De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling het volgende vast:
    • a) 
      de technische specificatie ter bepaling van de methoden voor communicatie langs elektronische weg ten behoeve van het gedecentraliseerde IT-systeem;
    • b) 
      de technische specificatie van de communicatieprotocollen;
    • c) 
      de doelstellingen inzake informatiebeveiliging en relevante technische maatregelen ter waarborging van de minimumnormen voor informatiebeveiliging voor het

      verwerken en verstrekken van informatie binnen het gedecentraliseerde IT-systeem;

    • d) 
      de minimumbeschikbaarheidsdoelstellingen en mogelijke technische vereisten in dit verband voor de door het gedecentraliseerde IT-systeem verstrekte diensten;
    • e) 
      de relevante verantwoordelijkheden inzake gegevensbescherming en de nodige technische maatregelen om te waarborgen dat het IT-systeem in overeenstemming is met Verordening (EU) 2016/679 en Verordening (EU) 2018/1725;
    • f) 
      het instellen van een uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaande stuurgroep die de exploitatie en het onderhoud van het gedecentraliseerde IT-systeem moet

      waarborgen om de doelstelling van deze verordening te verwezenlijken.

  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen worden uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening vastgesteld volgens de in artikel 20 ter, lid 2,

    bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 20 quater

Comitéprocedure

8b) het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 21 bis Verhouding tot andere besluiten

Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van Verordening (EU) 2016/679

(algemene verordening gegevensbescherming) en Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).";

8c) in artikel 22 worden na de tweede alinea de volgende alinea's ingevoegd:

"Elke lidstaat deelt de Commissie overeenkomstig artikel 1, lid 3, punt a), mee welke andere autoriteiten bevoegd zijn om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten met het oog op een gerechtelijke procedure in burgerlijke en handelszaken. De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van wijzigingen in deze gegevens.

De lidstaten kunnen de Commissie ervan in kennis stellen dat zij het gedecentraliseerde

IT-systeem eerder kunnen exploiteren dan bij deze verordening vereist. De Commissie

stelt deze informatie elektronisch ter beschikking, met name via het Europees e-justitieportaal.";

9 [...] ) het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 22 bis

Monitoring

  • 1. 
    Uiterlijk [twee jaar na de datum van toepassing van de verordening] stelt de Commissie een gedetailleerd programma op voor de monitoring van de outputs, resultaten en effecten van

    deze verordening.

  • 2. 
    In het monitoringprogramma wordt [...] aangegeven welke actie de Commissie en de lidstaten moeten ondernemen om de outputs, resultaten en effecten van deze verordening te

    monitoren. In het programma wordt bepaald wanneer, uiterlijk vier jaar na de datum van toepassing van deze verordening, en met welke frequentie de in lid 3 bedoelde gegevens moeten worden verzameld.

  • 3. 
    De lidstaten verstrekken de volgende gegevens [...], indien beschikbaar, aan de Commissie met het oog op monitoring: […]
    • a) 
      het aantal [...] overeenkomstig artikel 6, lid 1, respectievelijk artikel 17, lid 1, verzonden aanvragen om bewijsverkrijging;
    • b) 
      het aantal [...] overeenkomstig artikel 10, respectievelijk artikel 17, lid 6, verrichte aanvragen om bewijsverkrijging;
    • c) 
      het aantal gevallen waarin de aanvraag om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten, langs een andere weg dan via het gedecentraliseerde IT-systeem is verzonden, overeenkomstig artikel 6, lid 4.";

"Artikel 23

Evaluatie

  • 1. 
    Ten vroegste [vijf jaar na de datum van toepassing van de verordening] voert de Commissie een evaluatie van deze verordening uit en doet zij over de belangrijkste bevindingen verslag aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.
  • 2. 
    De lidstaten verstrekken de Commissie de informatie die nodig is voor het opstellen van dat verslag.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van [ [...] 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de verordening].

Punt 8c) van artikel 1 betreffende de nieuwe derde alinea van artikel 22 is evenwel van toepassing met ingang van [de eerste dag van de maand die overeenkomt met de maand volgend op de periode van 15 maanden na de inwerkingtreding van de verordening], en artikel 1, punt 2, betreffende de leden 1 tot en met 4 van artikel 6 is van toepassing met ingang van ...[ de eerste dag van de maand die overeenkomt met de maand volgend op de periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van de in artikel 20 ter bedoelde uitvoeringshandelingen [...] [...] ].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te [...],

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter


2.

Herziene versies, correcties en addenda

28 nov
'19
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken - Algemene oriëntatie = Verklaring
NOTE
General Secretariat of the Council
14601/19 ADD 1
 
 
 

3.

Meer informatie

 

Terug naar boven