r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2018, vergezeld van de antwoorden van de instellingen

1.

Tekst


Overeenkomstig de bepalingen van artikel 287, leden 1 en 4, VWEU en artikel 258 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, en artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323.

heeft de Rekenkamer van de Europese Unie op haar vergadering van 18 juli 2019 vastgesteld haar

JAARVERSLAGEN

over het begrotingsjaar 2018

Deze verslagen, vergezeld van de antwoorden van de instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, zijn aan de kwijtingverlenende autoriteiten en aan de andere instellingen toegezonden.

De leden van de Rekenkamer zijn:

Klaus-Heiner LEHNE (president), Henri GRETHEN, Ladislav BALKO, Lazaros S. LAZAROU, Pietro RUSSO, Baudilio TOMÉ MUGURUZA, Iliana IVANOVA, Alex BRENNINKMEIJER, Danièle LAMARQUE, Nikolaos MILIONIS, Phil WYNN OWEN, Oskar HERICS, Bettina JAKOBSEN, Janusz WOJCIECHOWSKI, Samo JEREB, Jan GREGOR, Mihails KOZLOVS, Rimantas ŠADŽIUS, Leo BRINCAT, João FIGUEIREDO, Juhan PARTS, Ildikó GÁLL-PELCZ, Eva LINDSTRÖM, Tony MURPHY, Hannu TAKKULA, Annemie TURTELBOOM, Viorel ȘTEFAN, Ivana MALETIĆ.

JAARVERSLAG OVER DE UITVOERING VAN DE BEGROTING

(2019/C 340/01)

INHOUD

 

Algemene inleiding

7

Hoofdstuk 1

— Betrouwbaarheidsverklaring en toelichting daarbij

9

Hoofdstuk 2

— Begrotings- en financieel beheer

35

Hoofdstuk 3

— Resultaten behalen met de EU-begroting

55

Hoofdstuk 4

— Ontvangsten

111

Hoofdstuk 5

— Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid

121

Hoofdstuk 6

— Economische, sociale en territoriale cohesie

135

Hoofdstuk 7

— Natuurlijke hulpbronnen

159

Hoofdstuk 8

— Veiligheid en burgerschap

179

Hoofdstuk 9

— Europa als wereldspeler

187

Hoofdstuk 10

— Administratie

197

Antwoorden van de instellingen

205

 

Algemene inleiding

 
 

0.1.

De Europese Rekenkamer (ERK) is een instelling (1) van de Europese Unie (EU) en de extern controleur van de financiën van de EU (2). Als zodanig treden wij op als onafhankelijk hoedster van de financiële belangen van alle EU-burgers, met name door te helpen het financieel beheer van de EU te verbeteren. Meer informatie over ons werk is te vinden in onze jaarlijkse activiteitenverslagen, onze speciale verslagen, onze overzichten (“landscape reviews”) en onze adviezen over nieuwe of geactualiseerde EU-wetgeving of over andere besluiten met gevolgen voor het financieel beheer (3).

 

0.2.

Dit is ons 42e jaarverslag over de uitvoering van de EU-begroting; het heeft betrekking op het begrotingsjaar 2018. Een afzonderlijk jaarverslag betreft de Europese Ontwikkelingsfondsen.

 

0.3.

De algemene begroting van de EU wordt jaarlijks goedgekeurd door de Raad en het Europees Parlement. Ons jaarverslag, in voorkomend geval gecombineerd met onze speciale verslagen, biedt een grondslag voor de kwijtingsprocedure, waarbij het Parlement op aanbeveling van de Raad beslist of de Commissie haar verantwoordelijkheid voor de begrotingsuitvoering naar tevredenheid heeft vervuld. Na de publicatie sturen wij ons jaarverslag naar de nationale parlementen, het Europees Parlement en de Raad.

 

0.4.

De kern van ons jaarverslag vormt de betrouwbaarheidsverklaring inzake de geconsolideerde rekeningen van de EU en de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen. Aan die verklaring worden specifieke beoordelingen toegevoegd voor ieder belangrijk werkterrein van de EU.

 

0.5.

Evenals in voorgaande jaren is ons verslag dit jaar als volgt opgebouwd:

  • — 
    hoofdstuk 1 bevat de betrouwbaarheidsverklaring en geeft een overzicht van de resultaten van onze controle betreffende de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid van de verrichtingen;
  • — 
    hoofdstuk 2 omvat onze analyse van het begrotings- en financieel beheer;
  • — 
    hoofdstuk 3 is gericht op hetgeen de EU-indicatoren over de begrotingsprestaties uitwijzen, bevat belangrijke resultaten van onze speciale verslagen uit 2018 over prestaties, alsmede een analyse van de uitvoering door de Commissie van de aanbevelingen die wij deden in speciale verslagen die in 2015 werden gepubliceerd;
  • — 
    hoofdstuk 4 bevat onze bevindingen over de EU-ontvangsten;
  • — 
    de hoofdstukken 5 tot en met 10 bevatten voor de belangrijkste rubrieken van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) (4) de resultaten van onze toetsing van de regelmatigheid van de verrichtingen en ons onderzoek van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de Commissie, andere elementen van haar internebeheersingssystemen en andere governanceregelingen.
 

0.6.

Aangezien er geen afzonderlijke financiële staten zijn voor afzonderlijke rubrieken van het MFK, houden de conclusies bij elk hoofdstuk geen controleoordeel in. In plaats daarvan beschrijven ze significante kwesties die specifiek zijn voor iedere MFK-rubriek.

 

0.7.

Wij streven ernaar onze opmerkingen helder en beknopt weer te geven. We kunnen niet altijd vermijden termen te gebruiken die specifiek zijn voor de EU, haar beleid en begroting, of voor financiële verslaglegging en controle. Op onze website hebben we een woordenlijst gepubliceerd met definities en een toelichting op de meeste van deze specifieke termen (5). De termen die in de woordenlijst worden gedefinieerd, worden de eerste keer dat ze in elk hoofdstuk voorkomen, cursief gedrukt.

 

0.8.

De antwoorden van de Commissie op onze opmerkingen (of, waar van toepassing, de antwoorden van andere EU-instellingen en -organen) worden bij dit verslag weergegeven. Het is onze verantwoordelijkheid als extern controleur om verslag uit te brengen over onze controlebevindingen en de nodige conclusies te trekken om zo een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid van de verrichtingen.


  • (1) 
    De ERK werd als een instelling opgericht bij artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ook wel het Verdrag van Maastricht genoemd (PB C 191 van 29.7.1992, blz. 1). Zij werd echter voor het eerst in 1977 opgericht bij het Verdrag van Brussel als nieuw orgaan van de Gemeenschap om de externecontrolefunctie uit te oefenen (PB L 359 van 31.12.1977, blz. 1).
  • (3) 
    Beschikbaar op onze website: www.eca.europa.eu
  • (4) 
    Wij geven geen specifieke beoordeling voor uitgaven in het kader van rubriek 6 (Compensaties) of voor uitgaven buiten het MFK. Onze analyse van rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler) in de hoofdstukken 8, respectievelijk 9, bevat geen geschat foutenpercentage.
  • (5) 
    https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/GLOSSARY_AR_2018/GLOSSARY_AR_2018_NL.pdf
 

HOOFDSTUK 1

Betrouwbaarheidsverklaring en toelichting daarbij

INHOUD

 

De aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegde betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer — Verslag van de onafhankelijke controleur

I-XXX

Inleiding

1.1-1.5

De rol van de Europese Rekenkamer

1.1-1.3

De EU-uitgaven vormen een belangrijk instrument ter verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen

1.4-1.5

Controlebevindingen betreffende het begrotingsjaar 2018

1.6-1.41

Betrouwbaarheid van de rekeningen

1.6-1.9

De rekeningen vertoonden geen afwijkingen van materieel belang

1.6-1.8

Essentiële controleaangelegenheden in verband met de financiële staten voor 2018

1.9

Regelmatigheid van de verrichtingen

1.10-1.32

Onze controle bestrijkt uitgaven die door de Commissie in 2018 zijn aanvaard

1.11-1.14

Uit de resultaten van onze controle van 2018 blijkt dat fouten beperkt zijn tot specifieke soorten uitgaven

1.15

De complexiteit van de regels en de wijze waarop EU-middelen worden uitbetaald, zijn van invloed op het risico op fouten

1.16-1.32

De regelmatigheidsinformatie van de Commissie

1.33-1.41

De schatting van het foutenpercentage door de Commissie ligt iets onder onze bandbreedte

1.35-1.36

De afzonderlijke elementen van de schatting van de Commissie komen niet altijd overeen met onze bevindingen

1.37-1.39

Het risico bij afsluiting is afhankelijk van geraamde toekomstige correcties en terugvorderingen

1.40-1.41

We melden gevallen van vermoedelijke fraude aan OLAF

1.42-1.46

Conclusies

1.47-1.49

Controleresultaten

1.48-1.49

Bijlage 1.1 — Controleaanpak en -methodologie

   

De aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegde betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer — Verslag van de onafhankelijke controleur

Oordeel

 
 

I.

Wij hebben het volgende gecontroleerd:

  • a) 
    de geconsolideerde rekeningen van de Europese Unie, die de geconsolideerde financiële staten (1) en de verslagen over de uitvoering van de begroting (2) voor het op 31 december 2018 afgesloten begrotingsjaar bevatten, zoals goedgekeurd door de Commissie op 26 juni 2019, en
  • b) 
    de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, zoals voorgeschreven in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Betrouwbaarheid van de rekeningen

 

Oordeel over de betrouwbaarheid van de rekeningen

 
 

II.

Naar ons oordeel geven de geconsolideerde rekeningen van de Europese Unie (EU) over het op 31 december 2018 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten een getrouw beeld van de financiële situatie van de EU per 31 december 2018, van de resultaten van haar verrichtingen en kasstromen en van de veranderingen van haar nettoactiva in het op die datum afgesloten begrotingsjaar, overeenkomstig het Financieel Reglement en de boekhoudregels die zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de overheidssector.

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

Ontvangsten

 

Oordeel over de wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten

 
 

III.

Naar ons oordeel zijn de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen betreffende het per 31 december 2018 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig.

Uitgaven

 

Oordeel met beperking over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven

 
 

IV.

Naar ons oordeel zijn de aanvaarde uitgaven in de rekeningen betreffende het per 31 december 2018 afgesloten begrotingsjaar, behoudens de gevolgen van de aangelegenheid die is beschreven onder “Grondslag voor een oordeel met beperking over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven”, op alle materiële punten wettig en regelmatig.

Grondslag voor het oordeel

 
 

V.

Wij hebben onze controle verricht overeenkomstig de internationale controlestandaarden (ISA) en de regels inzake beroepsethiek van IFAC en de internationale standaarden van hoge controle-instanties (ISSAI) van INTOSAI. Onze verantwoordelijkheden volgens die standaarden worden nader beschreven onder “Verantwoordelijkheden van de controleur voor de controle van de geconsolideerde rekeningen en onderliggende verrichtingen”. We hebben ook voldaan aan onafhankelijkheidsvereisten en zijn onze ethische verplichtingen krachtens de Ethische gedragscode voor professionele accountants (Code of Ethics for Professional Accountants) van de International Ethics Standards Board for Accountants (“IESBA Code”) nagekomen. Wij achten de verkregen controle-informatie toereikend en geschikt als grondslag voor ons oordeel.

Grondslag voor een oordeel met beperking over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven

 
 

VI.

We stelden vast dat uitgaven met een hoog risico (voornamelijk bestedingen op basis van een vergoedingsregeling, waarvoor complexe regels gelden) (3) in 2018 fouten van materieel belang vertoonden. Het door ons geschatte foutenpercentage voor uitgaven met een hoog risico bedraagt 4,5 %. Het door ons geschatte totale foutenpercentage (2,6 %) ligt nog steeds boven onze materialiteitsdrempel, maar is niet van diepgaande invloed. Uitgaven met een laag risico, die voornamelijk worden gedaan op basis van rechten en waarvoor vereenvoudigde/minder complexe regels gelden, vertonen geen materieel foutenpercentage (4).

Essentiële controleaangelegenheden

 

We zijn de potentiële impact van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie op de rekeningen van 2018 nagegaan

 
 

VII.

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk (VK) de Europese Raad formeel in kennis gesteld van zijn voornemen om de EU te verlaten. Op 10 april 2019 stemde de Europese Raad ermee in de termijn voor het vertrek van het VK (5) te verlengen zo lang als nodig is, maar in ieder geval uiterlijk tot 31 oktober 2019. Volgens het besluit van de Raad zou het VK de EU verlaten op de eerste dag van de maand na die van de voltooiing van de ratificatieprocedures, dan wel op 1 november 2019, indien die datum eerder valt. Het Verenigd Koninkrijk zal een lidstaat blijven tot de nieuwe datum van terugtrekking, met alle rechten en verplichtingen krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en heeft het recht zijn kennisgeving op elk moment in te trekken.

 

VIII.

Zoals aangegeven in paragraaf II, werden de geconsolideerde rekeningen 2018 van de EU opgesteld als weergave van de financiële situatie van de EU per 31 december 2018 en van de resultaten, kasstromen en veranderingen van haar nettoactiva over 2018. De geconsolideerde rekeningen 2018 van de EU geven de stand van de onderhandelingen per 31 december 2018 weer. Op die datum, en tot de datum waarop we onze controlewerkzaamheden hebben voltooid, was het VK nog steeds een EU-lidstaat.

 

IX.

We hebben geen gebeurtenissen vastgesteld in verband met het terugtrekkingsproces die aanpassingen zouden vereisen volgens de internationale boekhoudnorm inzake gebeurtenissen na de verslagleggingsdatum (6).

 

X.

We zullen de potentiële impact van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie op de geconsolideerde rekeningen van de EU blijven nagaan. Toekomstige geconsolideerde rekeningen van de EU zullen de stand of uitkomst van het terugtrekkingsproces moeten weergeven. Op de datum waarop we onze controle van de rekeningen over 2018 hebben voltooid, was het nog niet bekend of het VK daadwerkelijk de EU zou verlaten en, in dat geval, op welke datum en onder welke voorwaarden.

 

XI.

Op basis van deze huidige situatie is er geen financiële impact om te rapporteren in de geconsolideerde jaarrekening 2018 van de EU en concluderen we dat de rekeningen per 31 december 2018 het terugtrekkingsproces op die datum juist weergeven.

We beoordeelden de verplichting voor pensioenen en andere personeelsbeloningen

 
 

XII.

De EU-balans omvatte eind 2018 een verplichting voor pensioenen en andere personeelsbeloningen ten bedrage van 80,5 miljard EUR. Dit is een van de belangrijkste verplichtingen in de balans, goed voor meer dan een derde van de totale verplichtingen ad 235,9 miljard EUR in 2018.

 

XIII.

Het grootste deel van deze verplichting voor pensioenen en andere personeelsbeloningen (70,0 miljard EUR) houdt verband met de pensioenregeling van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie (de “pensioenregeling”). De in de rekeningen opgenomen verplichting weerspiegelt het bedrag dat in een pensioenfonds zou zijn opgenomen als er één zou zijn opgezet om te betalen voor de bestaande ouderdomspensioenverplichtingen (7). Naast ouderdomspensioenen dekt het bedrag invaliditeitspensioenen en pensioenen die worden betaald aan weduwen en weduwnaars of wezen van EU-personeel. De in het kader van de pensioenregeling betaalde uitkeringen komen ten laste van de EU-begroting. De lidstaten garanderen gezamenlijk de uitbetaling van de uitkeringen en ambtenaren dragen voor een derde bij in de kosten van de regeling. Eurostat berekent deze verplichting in opdracht van de rekenplichtige van de Commissie en gebruikt daarbij de parameters die de actuariële adviseurs van de Commissie hebben beoordeeld.

 

XIV.

Het op één na aanzienlijkste deel van de verplichting voor pensioenen en andere personeelsbeloningen (8,7 miljard EUR) is de geschatte verplichting van de EU voor het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (JSIS, Joint Sickness Insurance Scheme). Deze verplichting houdt verband met de medische kosten van EU-personeelsleden die moeten worden betaald wanneer zij niet meer in actieve dienst zijn (na aftrek van hun bijdragen).

 

XV.

In het kader van onze controle beoordeelden wij de actuariële veronderstellingen en de daarmee samenhangende waardering van de pensioenverplichting. We baseerden deze evaluatie op de werkzaamheden van externe actuariële deskundigen om een studie over de verplichtingen voor pensioenen en JSIS op te stellen. We controleerden de numerieke gegevens, de actuariële parameters en de berekening van de verplichting alsmede de presentatie in de geconsolideerde balans en de toelichtingen bij de geconsolideerde financiële staten. Zoals opgemerkt in toelichting 2.9 bij de geconsolideerde financiële staten, is de Commissie blijven werken aan het versterken van haar processen voor de berekening van de verplichting voor personeelsbeloningen, en wij zullen deze in het oog blijven houden.

Wij hebben belangrijke in de rekeningen opgenomen schattingen aan het einde van het jaar beoordeeld

 
 

XVI.

Eind 2018 werden de subsidiabele kosten die door de begunstigden gemaakt, maar nog niet gerapporteerd waren, geschat op 99,8 miljard EUR (eind 2017: 100,9 miljard EUR). Deze bedragen werden als te betalen kosten geboekt (8).

 

XVII.

Eind 2018 werd het bedrag dat niet benut werd in het kader van de financieringsinstrumenten onder gedeeld beheer en de in de EU-rekeningen vermelde steunregelingen geschat op 6,5 miljard EUR (eind 2017: 4,7 miljard EUR), in de financiële balans beschreven als “andere voorschotten aan lidstaten”.

 

XVIII.

Om deze schattingen aan het einde van het jaar te beoordelen, onderzochten we het systeem dat de Commissie had opgezet voor de afsluitberekeningen en gingen we de juistheid en volledigheid ervan na in de directoraten-generaal waar de meeste betalingen worden gedaan. Tijdens onze controlewerkzaamheden voor de steekproef van facturen en voorfinancieringsbetalingen onderzochten we de relevante afsluitberekeningen om het risico van onjuiste vermelding van de te betalen lasten aan te pakken. Wij vroegen de boekhoudkundige diensten van de Commissie om verdere verduidelijking van de algemene methodologie voor het maken van deze schattingen.

 

XIX.

We concluderen dat de schatting van het totaalbedrag aan te betalen lasten en andere voorschotten aan lidstaten in de geconsolideerde balans reëel is.

Andere aangelegenheden

 
 

XX.

De leiding is verantwoordelijk voor het verstrekken van “andere informatie”. Deze term omvat de toelichting “Financiële staten — bespreking en analyse”, maar niet de geconsolideerde rekeningen of ons verslag daarover. Ons oordeel over de geconsolideerde rekeningen heeft geen betrekking op deze andere informatie en we formuleren geen enkele conclusie over de betrouwbaarheid daarvan. In het kader van onze controle van de geconsolideerde rekeningen is het onze verantwoordelijkheid de andere informatie te lezen en na te gaan of die in materieel opzicht inconsistent is met de geconsolideerde rekeningen of de kennis die we in de loop van de controle hebben opgedaan, of anderszins afwijkingen van materieel belang lijkt te bevatten. Wanneer wij concluderen dat de andere informatie een afwijking van materieel belang bevat, moeten we dat feit dienovereenkomstig melden. Wij hebben in dit verband niets te melden.

Verantwoordelijkheden van de leiding

 
 

XXI.

Overeenkomstig de artikelen 310-325 van het VWEU en het Financieel Reglement is de leiding verantwoordelijk voor het opstellen en weergeven van de geconsolideerde rekeningen van de EU op basis van de internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de overheidssector, alsmede voor de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Deze verantwoordelijkheid omvat het ontwerpen, invoeren en in stand houden van internebeheersingsmaatregelen die relevant zijn voor de opstelling en weergave van financiële staten die geen afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten bevatten. De leiding dient er ook voor te zorgen dat de in de financiële staten weergegeven activiteiten, financiële verrichtingen en informatie in overeenstemming zijn met de voorschriften waar ze onder vallen. De Commissie draagt de eindverantwoordelijkheid voor de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen die ten grondslag liggen aan de rekeningen van de EU (artikel 317 van het VWEU).

 

XXII.

Bij het voorbereiden van de geconsolideerde rekeningen is de leiding verantwoordelijk voor het beoordelen van het vermogen van de EU om de activiteiten voort te zetten, voor het melden van alle relevante kwesties en voor het hanteren van het continuïteitsbeginsel tenzij zij voornemens is om de entiteit te liquideren of om haar activiteiten stop te zetten, of als er geen realistisch alternatief bestaat.

 

XXIII.

De Commissie is verantwoordelijk voor het toezicht op het proces van financiële verslaglegging over de EU.

 

XXIV.

Volgens het Financieel Reglement (titel XIII) moet de rekenplichtige van de Commissie de geconsolideerde rekeningen van de EU uiterlijk 31 maart van het volgende jaar eerst als voorlopige rekeningen en uiterlijk 31 juli als definitieve rekeningen ter controle indienen. De voorlopige rekeningen moeten al een getrouw beeld geven van de financiële situatie van de EU. Het is daarom absoluut noodzakelijk dat alle posten in de voorlopige rekeningen als definitieve berekeningen worden gepresenteerd zodat wij onze opdracht binnen de gegeven termijnen kunnen uitvoeren overeenkomstig titel XIV van het Financieel Reglement. Verschillen tussen voorlopige en definitieve rekeningen zouden normaliter alleen voortvloeien uit onze opmerkingen.

Verantwoordelijkheden van de controleur voor de controle van de geconsolideerde rekeningen en onderliggende verrichtingen

 
 

XXV.

Onze doelstellingen bestaan erin, redelijke zekerheid te verkrijgen over de vraag of de geconsolideerde rekeningen van de EU geen afwijkingen van materieel belang vertonen en of de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn, alsmede op basis van onze controle het Europees Parlement en de Raad een betrouwbaarheidsverklaring voor te leggen over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Redelijke zekerheid is een hoge mate van zekerheid, maar geen garantie dat bij de controle alle gevallen waarin sprake is van een materiële afwijking of van niet-conformiteit noodzakelijkerwijs zijn opgespoord. Deze kunnen voortkomen uit fraude of fouten en worden van materieel belang geacht indien hiervan, afzonderlijk of geaggregeerd, redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht dat ze van invloed zijn op economische beslissingen die worden genomen op basis van deze geconsolideerde rekeningen.

 

XXVI.

Ten aanzien van de ontvangsten nemen wij bij ons onderzoek van de eigen middelen op basis van de btw en het bni de macro-economische aggregaten die de basis vormen voor de berekening daarvan als uitgangspunt, en beoordelen wij de systemen van de Commissie voor de verwerking van de gegevens totdat de bijdragen van de lidstaten zijn ontvangen en opgenomen in de geconsolideerde rekeningen. Bij de traditionele eigen middelen onderzoeken wij de rekeningen van de douaneautoriteiten en analyseren wij de stroom van douanerechten totdat de bedragen zijn ontvangen door de Commissie en opgenomen in de rekeningen.

 

XXVII.

Ten aanzien van de uitgaven onderzoeken wij betalingsverrichtingen nadat de uitgaven zijn gedaan, geboekt en goedgekeurd. Dit onderzoek betreft alle soorten betalingen, behalve voorschotten op het moment dat deze worden gedaan. Voorschotbetalingen worden onderzocht nadat de ontvanger van de middelen het passende gebruik ervan heeft aangetoond en de instelling of het orgaan dit bewijs heeft aanvaard door het afwikkelen van de voorschotbetaling, wat wellicht pas in een volgend jaar plaatsvindt.

 

XXVIII.

Als onderdeel van een controle in overeenstemming met de ISA’s en ISSAI’s passen wij professionele oordeelsvorming toe en houden wij gedurende de hele controle een professioneel-kritische instelling. Daarnaast:

  • a) 
    identificeren en beoordelen we de risico’s op afwijkingen van materieel belang in de geconsolideerde rekeningen en op niet-conformiteit van materieel belang van de onderliggende verrichtingen met vereisten van de EU-wetgeving, hetzij door fraude, hetzij door fouten. We ontwerpen in het licht van die risico’s controleprocedures en voeren die uit en we verkrijgen controle-informatie die toereikend en geschikt is als grondslag voor ons controleoordeel. Gevallen waarin sprake is van een afwijking of niet-conformiteit van materieel belang als gevolg van fraude zijn moeilijker te ontdekken dan die als gevolg van fouten, aangezien er bij fraude sprake kan zijn van collusie, vervalsing, opzettelijke omissies, verkeerde voorstellingen van zaken of het terzijde stellen van de interne beheersing. Bijgevolg is het risico groter dat dergelijke gevallen niet worden ontdekt;
  • b) 
    verkrijgen we inzicht in de internebeheersingsmaatregelen die relevant zijn voor de controle teneinde adequate controleprocedures op te zetten, maar niet om een oordeel uit te spreken over de doeltreffendheid van de internebeheersingsmaatregelen;
  • c) 
    beoordelen we de geschiktheid van de door de leiding gehanteerde grondslagen voor financiële verslaglegging en van de redelijkheid van de boekhoudkundige schattingen en de daarmee samenhangende informatieverschaffing door de leiding;
  • d) 
    trekken we conclusies over de geschiktheid van de wijze waarop de leiding het continuïteitsbeginsel hanteert en, op basis van de verkregen controle-informatie, over het al dan niet bestaan van materiële onzekerheden die het gevolg zijn van gebeurtenissen of omstandigheden die mogelijk aanzienlijke twijfel doen rijzen over het vermogen van de entiteit om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten. Als we tot de conclusie komen dat een dergelijke materiële onzekerheid bestaat, zijn we verplicht in ons verslag de aandacht te vestigen op de gerelateerde informatie in de geconsolideerde rekeningen of, indien deze informatie ontoereikend is, ons oordeel aan te passen. Onze conclusies zijn gebaseerd op de controle-informatie die we hebben verkregen tot de datum van vaststelling van ons verslag. Toekomstige gebeurtenissen of omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat de entiteit haar bedrijfsactiviteiten niet langer kan voortzetten;
  • e) 
    evalueren we de algemene presentatie, structuur en inhoud van de geconsolideerde rekeningen, met inbegrip van alle vermelde informatie; en beoordelen we of de geconsolideerde rekeningen een getrouw beeld geven van de onderliggende verrichtingen en gebeurtenissen;
  • f) 
    verkrijgen we voldoende passende controle-informatie met betrekking tot de financiële informatie over de entiteiten waarop de geconsolideerde rekeningen van de EU betrekking hebben om een oordeel te formuleren over de geconsolideerde rekeningen en de onderliggende verrichtingen. We zijn verantwoordelijk voor het aansturen van, toezicht houden op en uitvoeren van de controle, en dragen als enige de verantwoordelijkheid voor ons controleoordeel.
 

XXIX.

Wij communiceren met de leiding onder meer over de geplande reikwijdte en timing van de controle en over significante controlebevindingen, waaronder bevindingen over significante tekortkomingen in de interne beheersing.

 

XXX.

We bepalen welke van de punten die we met de Commissie en andere gecontroleerde entiteiten hebben besproken, het belangrijkst waren bij de controle van de geconsolideerde rekeningen en dus de essentiële controleaangelegenheden voor de huidige periode vormen. Wij beschrijven deze aangelegenheden in ons verslag, tenzij openbaarmaking ervan verboden is op grond van de wet- en regelgeving of, zoals zeer zelden gebeurt, wij besluiten dat een aangelegenheid niet in ons verslag moet worden opgenomen omdat redelijkerwijs te verwachten is dat de negatieve gevolgen daarvan zwaarder wegen dan de voordelen ervan voor het algemeen belang.

18 juli 2019

Klaus-Heiner LEHNE

President

Europese Rekenkamer

12, rue Alcide De Gasperi, Luxemburg, LUXEMBURG

Inleiding

De rol van de Europese Rekenkamer

 
 

1.1.

Wij zijn de onafhankelijke controleur van de Europese Unie. In overeenstemming met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU):

  • a) 
    spreken wij een oordeel uit over de rekeningen van de EU;
  • b) 
    controleren wij of de EU-begroting in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en voorschriften wordt gebruikt;
  • c) 
    rapporteren wij of de EU-middelen zuinig, efficiënt en doeltreffend zijn uitgegeven (9), en
  • d) 
    geven wij adviezen over voorstellen voor wetgeving met financiële impact.
 

1.2.

Onze werkzaamheden voor de betrouwbaarheidsverklaring (toegelicht in bijlage 1.1 ) voldoen aan de eerste twee van deze doelstellingen. Op de meeste uitgaventerreinen van de EU (10) zijn onze werkzaamheden voor het jaarverslag tevens gericht op de zuinigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitgaven. Wij brengen verslag uit over verschillende aspecten van het door de Commissie ingevoerde systeem om ervoor te zorgen dat de EU-middelen goed worden besteed (11). Onze controlewerkzaamheden vormen als geheel ook essentiële input voor onze adviezen over wetgevingsvoorstellen.

 

1.3.

In dit hoofdstuk van het jaarverslag:

  • a) 
    wordt de achtergrond van onze betrouwbaarheidsverklaring geschetst en een overzicht gegeven van onze bevindingen en conclusies betreffende de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid van de verrichtingen;
  • b) 
    wordt informatie verstrekt over gevallen van vermoedelijke fraude die wij aan OLAF melden;
  • c) 
    wordt onze controleaanpak samengevat (zie bijlage 1.1 ).

De EU-uitgaven vormen een belangrijk instrument ter verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen

 
 

1.4.

De uitgaven van de EU vormen een belangrijk — maar niet het enige — instrument ter verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen. Andere belangrijke instrumenten omvatten gebruikmaking van wetgeving en het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen in de EU. De EU-uitgaven in 2018 bedroegen 156,7 miljard EUR (12), hetgeen overeenkomt met 2,2 % van de totale overheidsuitgaven van de EU-lidstaten en 1,0 % van het bruto nationaal inkomen van de EU (zie kader 1.1 ).

Kader 1.1

EU-uitgaven 2018 als aandeel van het bruto nationaal inkomen (bni) en de overheidsuitgaven

 
 

Bron:

Bni van de lidstaten: jaarrekening 2018 van de Europese Commissie — bijlage A — ontvangsten; overheidsuitgaven van de lidstaten: Eurostat — nationale jaarrekeningen; EU-uitgaven: Europese Commissie — geconsolideerde jaarrekening 2018 van de Europese Unie.

 

1.5.

EU-middelen worden uitbetaald aan begunstigden door middel van eenmalige betalingen/jaarlijkse betalingen of door een reeks betalingen in het kader van meerjarige uitgavenregelingen. Betalingen uit de EU-begroting 2018 omvatten 126,8 (13) miljard EUR aan eenmalige, tussentijdse of saldobetalingen, plus 29,9 miljard EUR aan voorfinanciering. Zoals uit kader 1.2 blijkt, ging het grootste aandeel van de EU-begroting naar “Natuurlijke hulpbronnen”, gevolgd door “Cohesie” en “Concurrentievermogen”.

Kader 1.2

Betalingen in 2018 per rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)

 

MFK 1a — Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid (“Concurrentievermogen”)

MFK 1b — Economische, sociale en territoriale cohesie (“Cohesie”)

MFK 2 — Natuurlijke hulpbronnen

MFK 3 — Veiligheid en burgerschap

MFK 4 — Europa als wereldspeler

MFK 5 — Administratie

MFK 6 — Compensaties (“Overige”)

 

Bron:

ERK.

Controlebevindingen betreffende het begrotingsjaar 2018

Betrouwbaarheid van de rekeningen

De rekeningen vertoonden geen afwijkingen van materieel belang

 
 

1.6.

Onze opmerkingen hebben betrekking op de geconsolideerde rekeningen (14) (de “rekeningen”) van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018. Wij hebben deze samen met de “representation letter” van de rekenplichtige ontvangen op 26 juni 2019, vóór de uiterste indieningsdatum krachtens het Financieel Reglement (15). De rekeningen gaan vergezeld van een zogeheten “Financial Statement Discussion and Analysis” (Financiële staten — bespreking en analyse) (16). Deze analyse valt niet onder ons controleoordeel. Overeenkomstig de controlenormen hebben wij de analyse evenwel beoordeeld op haar consistentie met de informatie in de rekeningen.

 

1.7.

Uit de door de Commissie gepubliceerde rekeningen blijkt dat op 31 december 2018 de totale passiva 235,9 miljard EUR bedroegen, tegen totale activa van 174,4 miljard EUR. Het economisch resultaat voor 2018 bedraagt 13,9 miljard EUR.

 

1.8.

Tijdens onze controle stelden wij vast dat de rekeningen geen afwijkingen van materieel belang vertoonden. Wij presenteren onze opmerkingen over het financieel en begrotingsbeheer van EU-middelen in hoofdstuk 2.

Essentiële controleaangelegenheden in verband met de financiële staten voor 2018

 
 

1.9.

Essentiële controleaangelegenheden zijn aangelegenheden die naar ons professionele oordeel het belangrijkst waren bij onze controle van de financiële staten van de huidige periode. Deze aangelegenheden werden behandeld in het kader van onze controle van de financiële staten als geheel en bij het vormen van ons oordeel daarover, maar we geven geen afzonderlijk oordeel af over deze aangelegenheden. In overeenstemming met internationale standaard van hoge controle-instanties (ISSAI) nr. 1701 brengen we verslag uit over essentiële controleaangelegenheden in onze betrouwbaarheidsverklaring.

Regelmatigheid van de verrichtingen

 
 

1.10.

Wij onderzoeken de ontvangsten en de uitgaven van de EU om te beoordelen of deze in overeenstemming zijn met de toepasselijke wet- en regelgeving. Wij presenteren onze controleresultaten voor de ontvangsten in hoofdstuk 4 en voor de uitgaven in de hoofdstukken 5-10.

Onze controle bestrijkt uitgaven die door de Commissie in 2018 zijn aanvaard

 
 

1.11.

Om onze controle uit te voeren, onderzochten we de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen van de EU. Wat betreft de uitgaven omvatten deze overdrachten van middelen uit de EU-begroting aan eindontvangers van EU-uitgaven. We onderzoeken uitgaven wanneer eindontvangers van EU-middelen activiteiten hebben ondernomen of kosten hebben gemaakt, en wanneer de Commissie de uitgaven heeft aanvaard (“aanvaarde uitgaven”). In de praktijk betekent dit dat onze populatie van verrichtingen tussentijdse en saldobetalingen omvat. We hebben geen voorgefinancierde bedragen onderzocht, tenzij deze in 2018 werden verrekend.

 

1.12.

Zoals benadrukt in ons Jaarverslag 2017, zijn de wijzigingen van de sectorale wetgeving 2014-2020 voor “Cohesie” van invloed geweest op de vraag wat de Commissie als “aanvaarde uitgaven” op dit gebied beschouwt (17). Daarom bestaat onze controlepopulatie voor deze MFK-rubriek sinds 2017 uit saldobetalingen (waaronder voorfinanciering die was verrekend) voor de periode 2007-2013 en uitgaven die werden opgenomen in op jaarlijkse basis door de Commissie aanvaarde rekeningen voor de periode 2014-2020 (zie de paragrafen 2-4 van bijlage 1.1 en de paragrafen 6.7 en 6.8). Dit betekent dat wij verrichtingen hebben getoetst waarvoor de lidstaten alle relevante corrigerende maatregelen hadden uitgevoerd naar aanleiding van fouten die zij zelf hadden vastgesteld.

 

1.13.

In kader 1.3 is de uitsplitsing weergegeven van onze controlepopulatie 2018 in eenmalige, tussentijdse (indien aanvaard door de Commissie) en saldobetalingen, verrekeningen van voorfinanciering en jaarlijkse besluiten ter aanvaarding van de rekeningen. Onze controlepopulatie voor 2018 had een totale waarde van 120,6 miljard EUR. Voor “Cohesie” zullen we de tussentijdse betalingen die in 2018 voor de periode 2014-2020 werden verricht in een later jaar in onze populatie opnemen zodra de rekeningen door de Commissie zijn aanvaard en verrekend door middel van een jaarlijks besluit.

Kader 1.3

Vergelijking van onze controlepopulatie (120,6 miljard EUR) en de EU-uitgaven (156,7 miljard EUR) per MFK-rubriek in 2018

 
  • (1) 
    Door afrondingsverschillen is de som van de betalingen per MFK-rubriek 156,6 in plaats van 156,7.
  • (2) 
    Voor “Cohesie” omvat de 47,4 miljard EUR aan voorfinanciering tussentijdse betalingen voor de programmeringsperioden 2007-2013 en 2014-2020 voor in totaal 37,4 miljard EUR. Overeenkomstig onze aanpak van dit terrein maken deze betalingen geen deel uit van onze controlepopulatie voor het Jaarverslag 2018.

Bron:

ERK.

 

1.14.

Uit kader 1.4 blijkt dat “Natuurlijke hulpbronnen” het grootste aandeel van onze totale populatie vormt (48,2 %), gevolgd door “Cohesie” (19,6 %) en “Concurrentievermogen” (14,8 %).

Kader 1.4

 
 

Bron:

ERK.

Uit de resultaten van onze controle van 2018 blijkt dat fouten beperkt zijn tot specifieke soorten uitgaven

 
 

1.15.

Voor de regelmatigheid van EU-ontvangsten en -uitgaven waren dit onze belangrijkste bevindingen:

  • a) 
    De ontvangsten bevatten geen fouten van materieel belang. Over het geheel genomen waren de door ons onderzochte ontvangstengerelateerde systemen doeltreffend, maar de essentiële internebeheersingsmaatregelen inzake traditionele eigen middelen (TEM) die we bij de Commissie en in bepaalde lidstaten hebben beoordeeld, waren slechts gedeeltelijk doeltreffend (zie paragraaf 4.22).
  • b) 
    Voor de uitgaven wijst onze algehele controle-informatie erop dat deze een materieel foutenpercentage vertoonden. We schatten het totale foutenpercentage in de uitgaven op 2,6 % (18), maar de materiële fouten waren beperkt tot uitgaven die onder complexe regelgeving vallen (met name in het kader van vergoedingen) (zie de paragrafen 1.19-1.21), die ongeveer 50,6 % van onze controlepopulatie uitmaakten. Het door ons geschatte totale foutenpercentage steeg licht ten opzichte van vorig jaar (zie kader 1.5 ).
     

    Kader 1.5

    Het geschatte foutenpercentage (2016-2018)

     
     

    Bron:

    ERK.

    Een fout is het geldbedrag dat niet had mogen worden betaald uit de EU-begroting, omdat het niet overeenkomstig de EU-regels werd gebruikt, en dus ook niet beantwoordt aan de bedoeling die de Raad en het Parlement hadden met de betrokken EU-wetgeving of aan de specifieke nationale wetgeving in de lidstaten.

De complexiteit van de regels en de wijze waarop EU-middelen worden uitbetaald, zijn van invloed op het risico op fouten

 
 

1.16.

Op basis van een risicoanalyse die is gebaseerd op de controleresultaten in het verleden, hebben wij onze controlepopulatie van onderliggende verrichtingen verdeeld in uitgaven met een hoog en uitgaven met een laag risico. Onze controleresultaten van 2018 bevestigen onze bevindingen van voorgaande jaren, namelijk dat de wijze waarop de middelen worden uitbetaald van invloed is op het risico op fouten.

  • — 
    Voor uitgaven waarvoor complexe regelgeving geldt; is het risico op fouten hoog. Dit is met name het geval bij betalingen in het kader van vergoedingen waarvoor de begunstigden declaraties moeten indienen voor de subsidiabele kosten die ze hebben gemaakt. Daartoe moeten ze niet alleen aantonen dat zij een activiteit uitoefenen die voor steun in aanmerking komt, maar ook informatie verstrekken die bewijst dat zij kosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij moeten zij zich houden aan ingewikkelde regels met betrekking tot de vragen wat mag worden gedeclareerd (subsidiabiliteit) en hoe kosten naar behoren worden gemaakt (regels inzake openbare aanbestedingen of staatssteun).
  • — 
    Het risico op fouten is lager voor uitgaven waarvoor vereenvoudigde/minder complexe regelgeving geldt. Dit soort uitgaven omvat voornamelijk op rechten gebaseerde betalingen, waarbij begunstigden betalingen ontvangen indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Bij dergelijke betalingen is het risico op fouten kleiner indien de gestelde voorwaarden niet te complex zijn.
 

1.17.

In 2018 constateerden we nog altijd dat (voornamelijk op rechten gebaseerde) uitgaven met een laag risico (19) geen fouten van materieel belang bevatten, maar dat uitgaven (voornamelijk in het kader van vergoedingen) met een hoog risico nog steeds fouten van materieel belang vertoonden (zie kader 1.6 ).

Kader 1.6

Uitsplitsing tussen uitgaven met een laag risico en uitgaven met een hoog risico in 2018

 
 

Bron:

ERK.

Ongeveer 50 % van onze controlepopulatie vertoont geen fouten van materieel belang

 
 

1.18.

Op basis van ons controlewerk concluderen wij dat het geschatte foutenpercentage voor 49,4 % van onze controlepopulatie, evenals in 2017, onder onze materialiteitsdrempel van 2 % ligt. Uitgaven met een laag risico bestaan voornamelijk uit op rechten gebaseerde betalingen en administratieve uitgaven (zie kader 1.7 ). Op rechten gebaseerde betalingen omvatten studie- en onderzoeksbeurzen (“Concurrentievermogen” — hoofdstuk 5), rechtstreekse steun voor landbouwers (“Natuurlijke hulpbronnen” — hoofdstuk 7) en begrotingssteun aan niet-EU-landen (“Europa als wereldspeler” — hoofdstuk 9). Administratieve uitgaven bestaan voornamelijk uit de salarissen en pensioenen van EU-ambtenaren (“Administratie” — hoofdstuk 10).

Kader 1.7

Uitsplitsing van uitgaven met een laag risico en uitgaven met een hoog risico per MFK-rubriek (1)

 
  • (1) 
    Door afrondingsverschillen is de som van de uitgaven met een laag risico 59,5 in plaats van 59,6.

Bron:

ERK.

Uitgaven met complexe subsidiabiliteitsvoorwaarden vertonen nog steeds een materieel foutenpercentage

 
 

1.19.

We stelden vast dat het risico op fouten hoog is in gevallen waarin complexe voorwaarden bestaan. Dit geldt voor uitgaven in het kader van vergoedingen en op een klein gedeelte van op rechten gebaseerde uitgaven waarbij complexe voorwaarden van toepassing zijn (enkele regelingen voor plattelandsontwikkeling). Dit soort uitgaven met een hoog risico vormt ongeveer 50,6 % van onze controlepopulatie. We schatten het foutenpercentage bij dit soort uitgaven op 4,5 % (2017: 3,7 %), wat hoger is dan de materialiteitsdrempel van 2 % (zie kader 1.6 ).

 

1.20.

De meeste EU-middelen in het kader van vergoedingen worden besteed aan onderzoeksprojecten (“Concurrentievermogen” — hoofdstuk 5), werkgelegenheidsprojecten (“Cohesie” — hoofdstuk 6), projecten op het gebied van regionale en plattelandsontwikkeling (“Cohesie” — hoofdstuk 6 en “Natuurlijke hulpbronnen” — hoofdstuk 7) en ontwikkelingsprojecten in niet-EU-landen (“Europa als wereldspeler” — hoofdstuk 9) (zie kader 1.7 ).

 

1.21.

Deze complexiteit leidt tot fouten die van invloed zijn op onze conclusie voor “Concurrentievermogen” (zie paragraaf 5.35), “Cohesie” (zie paragraaf 6.71) en “Natuurlijke hulpbronnen” (zie paragraaf 7.37).

We stelden een materieel foutenpercentage vast bij uitgaven voor “Concurrentievermogen”, “Cohesie” en “Natuurlijke hulpbronnen”

 
 

1.22.

Dit jaar geven we, net als in 2017, een specifieke beoordeling voor vier MFK-rubrieken: “Concurrentievermogen”, “Cohesie”, “Natuurlijke hulpbronnen”, en “Administratie”.

 

1.23.

Wij schatten geen foutenpercentages op andere uitgaventerreinen, waaronder “Veiligheid en burgerschap” (hoofdstuk 8) en “Europa als wereldspeler” (hoofdstuk 9). In totaal bedroegen de uitgaven waarop onze betrouwbaarheidsverklaring betrekking heeft, op deze twee terreinen 11,0 miljard EUR (9,1 % van de door onze controle bestreken uitgaven). De werkzaamheden op deze terreinen dragen nog steeds bij tot onze algemene conclusies over 2018.

 

1.24.

“Concurrentievermogen” (hoofdstuk 5): het door ons geschatte foutenpercentage is lager dan in de afgelopen twee jaar. Net als in voorgaande jaren vormen onderzoeksuitgaven een hoog risico en zijn zij de belangrijkste bron van fouten. Fouten bij onderzoeksuitgaven omvatten verschillende categorieën niet-subsidiabele kosten (in het bijzonder directe personeelskosten en andere directe kosten, indirecte kosten en onderaannemingskosten).

 

1.25.

“Cohesie” (hoofdstuk 6): de uitgaven op dit terrein betreffen vooral vergoedingen. De belangrijkste door de auditautoriteiten ontdekte soorten fouten waren niet-subsidiabele kosten en inbreuken op de aanbestedingsregels. Bij deze fouten pasten de autoriteiten van de lidstaten correcties toe om de restfoutenpercentages voor programma’s tot onder de materialiteitsdrempel van 2 % terug te dringen. Wij troffen echter ook fouten aan die de auditautoriteiten niet hadden ontdekt, zoals inbreuken op de EU-regels inzake staatssteun. Noch de autoriteiten van de lidstaten, noch de Commissie hebben tot nu toe enige correctie voor deze fouten toegepast. Op basis van de fouten die de auditautoriteiten of wijzelf hebben ontdekt, en als we alle relevante financiële correcties in aanmerking nemen, schatten we dat het foutenpercentage van materieel belang is.

 

1.26.

“Natuurlijke hulpbronnen” (hoofdstuk 7): dit terrein vertoont als geheel een materieel foutenpercentage. Rechtstreekse betalingen uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), die goed zijn voor 71,8 % van de uitgaven op dit terrein, vertonen echter geen fouten van materieel belang. Rechtstreekse betalingen aan landbouwers zijn op rechten gebaseerd en hebben baat gehad bij vereenvoudigde regels voor de subsidiabiliteit van grond en een doeltreffend controlesysteem (GBCS — geïntegreerd beheers- en controlesysteem), waarmee geautomatiseerde kruiscontroles tussen databanken kunnen worden uitgevoerd. We treffen nog steeds een materieel foutenpercentage aan op de andere uitgaventerreinen (plattelandsontwikkeling, ELGF-marktmaatregelen, visserij, milieu en klimaatactie). Uitgaven op deze gebieden worden voornamelijk gedaan in de vorm van vergoedingen van kosten en zijn onderworpen aan complexe subsidiabiliteitsvoorwaarden. Niet-subsidiabele begunstigden, activiteiten of gedeclareerde kosten en de verstrekking van onjuiste informatie over oppervlakten of aantallen dieren zijn goed voor meer dan de helft van het geschatte foutenpercentage voor deze MFK-rubriek.

 

1.27.

“Administratie” (hoofdstuk 10): dit terrein bevat geen fouten van materieel belang. Het merendeel van de administratieve uitgaven betreft door EU-instellingen en -organen betaalde salarissen, pensioenen en toelagen.

Subsidiabiliteitsfouten leveren nog steeds de grootste bijdrage aan het geschatte foutenpercentage voor uitgaven waarvoor complexe regelgeving geldt

 
 

1.28.

Net als in de afgelopen jaren, hebben we ons meer gericht op de soorten fouten die we bij uitgaven waarvoor complexe regelgeving geldt (voornamelijk in het kader van vergoedingen) aantroffen, omdat dit het terrein is dat een materieel foutenpercentage blijft vertonen. In kader 1.8 wordt het geschatte foutenpercentage van 4,5 % voor 2018 voor uitgaven (voornamelijk in het kader van vergoedingen) met een hoog risico per soort fout uitgesplitst. Het omvat ook de overeenkomstige cijfers van de schattingen voor 2017 (3,7 %) en 2016 (4,8 %).

Kader 1.8

Bijdrage aan het geschatte foutenpercentage voor 2018 van uitgaven (voornamelijk in het kader van vergoedingen) met een hoog risico per soort fout

 
 

Bron:

ERK.

 

1.29.

De grootste bijdrage aan het door ons geschatte foutenpercentage voor 2018 voor uitgaven met een hoog risico was afkomstig van “Cohesie” (43,0 %), gevolgd door “plattelandsontwikkeling, ELGF-marktmaatregelen, visserij, milieu en klimaatactie” in het kader van “Natuurlijke hulpbronnen” (30,2 %), “Concurrentievermogen” (12,2 %) and “Europa als wereldspeler” (4,5 %).

 

1.30.

Net als in voorgaande jaren leverden susidiabiliteitsfouten (d.w.z. niet-subsidiabele kosten in kostendeclaraties en niet-subsidiabele projecten, activiteiten of begunstigden) de grootste bijdrage aan het geschatte foutenpercentage voor uitgaven met een hoog risico. De impact ervan was echter kleiner in 2017 (2018: 68 %; 2017: 93 %). Dat kwam doordat wij in 2018 een aanzienlijk hoger aantal fouten aantroffen met betrekking tot openbare aanbestedingen, regels inzake staatssteun en procedures voor de toekenning van subsidies. Deze fouten waren goed voor 16 % van het door ons geschatte foutenpercentage voor uitgaven met een hoog risico (2017: 1 %) en deden zich voornamelijk voor bij “Cohesie” en “Natuurlijke hulpbronnen”.

 

1.31.

Dit jaar vormden de uitgaven die in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds werden aanvaard 74 % van de totale uitgaven voor “Cohesie”. Concrete acties die door deze fondsen worden gecofinancierd, zijn vatbaarder voor aanbestedingsfouten (zie de paragrafen 6.26-6.28).

 

1.32.

“Cohesie” en “Natuurlijke hulpbronnen” vertegenwoordigden de meeste door intermediaire instanties (20) gemaakte administratieve fouten (zie de categorie “andere” in kader 6.2 en de categorie “administratieve fouten” in kader 7.2 ). Dergelijke fouten omvatten onjuiste berekeningen van de steun.

De regelmatigheidsinformatie van de Commissie

 
 

1.33.

Krachtens artikel 317 van het VWEU draagt de Commissie de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de EU-begroting en beheert zij de EU-uitgaven samen met de lidstaten (21). De Commissie legt rekenschap af van haar acties in drie verslagen die zijn opgenomen in het “geïntegreerd pakket inzake financiële verslaglegging” (22):

  • a) 
    geconsolideerde rekeningen van de EU (voorlopig in maart; definitief in juni);
  • b) 
    jaarlijks beheers- en prestatieverslag over de EU-begroting (AMPR, Annual Management and Performance Report) (geen voorlopige versie; definitieve versie in juni);
  • c) 
    verslag over de follow-up van de kwijting van het voorgaande begrotingsjaar (juli).
 

1.34.

In het kader van onze strategie voor 2018-2020 is het onze bedoeling bij onze betrouwbaarheidsverklaring een op een attestopdracht gebaseerde aanpak te hanteren, wat betekent dat we voornemens zijn om in de toekomst zekerheid te verschaffen over de (management)verklaring van de Commissie. Hiermee bouwen wij voort op de ervaring die we sinds 1994 hebben opgedaan met het toepassen van deze aanpak bij het controleren van de regelmatigheid van de rekeningen. Wat betreft de regelmatigheid van de verrichtingen die ten grondslag liggen aan de rekeningen werken we met de Commissie aan het vaststellen van de voorwaarden om vorderingen te kunnen maken in de richting van deze aanpak. Een belangrijk element is de tijdige beschikbaarheid van informatie voor compilatie- en controledoeleinden (23).

De schatting van het foutenpercentage door de Commissie ligt iets onder onze bandbreedte

 
 

1.35.

In het AMPR presenteert de Commissie voor de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen voor 2018 haar beoordeling van het risico bij betaling. Het risico bij betaling vertegenwoordigt de schatting door de Commissie van het bedrag dat op het moment van de betaling niet in overeenstemming met de toepasselijke regels was. Dit cijfer ligt het dichtst bij het door ons geschatte foutenpercentage.

 

1.36.

In kader 1.9 worden de cijfers van de Commissie voor het risico bij betaling gepresenteerd naast de bandbreedte van het door ons geschatte foutenpercentage. De schatting van het risico bij betaling voor 2018 door de Commissie ligt met 1,7 % iets onder onze bandbreedte. Het door ons geschatte foutenpercentage bedraagt 2,6 % (2017: 2,4 %) in een bandbreedte tussen 1,8 % en 3,4 %.

Kader 1.9

Schatting door de Commissie van het risico bij betaling versus onze schatting

 
 

Bron:

ERK.

De afzonderlijke elementen van de schatting van de Commissie komen niet altijd overeen met onze bevindingen

 
 

1.37.

De Commissie maakt gebruik van betrouwbaarheidsverklaringen door haar directeuren-generaal in de jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) als grondslag voor haar algemene beoordeling van het risico bij betaling voor de verschillende beleidsterreinen. Het risico bij betaling is voornamelijk gebaseerd op de resultaten van controles achteraf door de Commissie op terreinen onder direct of indirect beheer of door nationale autoriteiten op terreinen onder gedeeld beheer. In kader 1.10 wordt de grondslag voor de vaststelling van het risico bij betaling voor de verschillende uitgaventerreinen geïllustreerd.

Kader 1.10

Grondslag voor de schatting door de Commissie van het risico bij betaling

 
  • — 
    “Concurrentievermogen” — Voor Horizon 2020 trekt de gemeenschappelijke auditdienst van de Commissie (GAD) gemiddeld elke 18 maanden een representatieve steekproef van kostendeclaraties. Deze schat het risico bij betaling op basis van de resultaten van controles die eind 2018 waren afgerond. Voor de schatting van 2018 gebruikten onderzoeks-DG’s controleresultaten gebaseerd op steekproeven van uitgaven sinds het begin van het programma tot aan het einde van februari 2018. Voor het zevende kaderprogramma (de voorganger van Horizon 2020) hebben de controleresultaten betrekking op uitgaven die waren gedaan in de jaren vóór 2016.
  • — 
    “Cohesie” — De meeste uitgaven in 2018 hadden nog niet de hele controlecyclus doorlopen. DG REGIO en DG EMPL schatten daarom het risico bij betaling door het bevestigde totale restfoutenpercentage voor uitgaven (uitgaven van het boekjaar 2016-2017) toe te passen of, als dit hoger was, het totale restfoutenpercentage dat door de auditautoriteiten voor het boekjaar 2017-2018 werd gerapporteerd.
  • — 
    “Natuurlijke hulpbronnen” — DG AGRI gebruikt de nationale controlestatistieken die het van de betaalorganen ontvangt. Het brengt ook aanpassingen aan naar aanleiding van de resultaten van de controles door de certificerende instanties en zijn eigen controles en op basis van professionele oordeelsvorming, om uit te komen op het aangepaste foutenpercentage voor rechtstreekse betalingen, maatregelen voor plattelandsontwikkeling en marktmaatregelen.
  • — 
    “Europa als wereldspeler” — De Commissie baseert haar schatting van het risico bij betaling voor dit gebied hoofdzakelijk op een jaarlijkse studie van het restfoutenpercentage in opdracht van DG DEVCO en DG NEAR. De doelstelling van deze studie is de schatting van het percentage van fouten die aan alle beheerscontroles zijn ontsnapt. De studie van het restfoutenpercentage voor een bepaald jaar (jaar n) is gebaseerd op contracten die werden afgesloten tussen 1 september van het jaar n-1 tot 31 augustus van jaar n. Bij de studie worden contracten uitgesloten waarvan de laatste onderliggende verrichting dateert van meer dan vijf jaar geleden en waarvoor het niet mogelijk is om het noodzakelijke werk uit te voeren.
  • — 
    “Administratie” — Het risico bij betaling is gebaseerd op de resultaten van controles op uitgaven in 2018.
 

1.38.

De Commissie presenteert het risico voor een specifieke groep beleidsterreinen in plaats van per MFK-rubriek (24). In kader 1.11 vergelijken wij het door ons geschatte foutenpercentage voor de MFK-rubrieken waarvoor wij een specifieke beoordeling geven met de individuele componenten van de algemene schatting van de Commissie. We hebben rekening gehouden met het verschil tussen de manier waarop wij het foutenpercentage schatten en de manier waarop de Commissie haar cijfers in het AMPR presenteert (25).

Kader 1.11

Onze schatting van het foutenpercentage versus de schatting van het risico bij betaling door de Commissie voor MFK-rubrieken (4)

 
  • (1) 
    DG’s en diensten van de Commissie: CNECT, EAC, EASME, ECFIN, ENER, ERCEA, FISMA, GROW, INEA, JRC, MOVE, REA, RTD en TAXUD. Sommige DG’s werden aan meer dan één MFK-rubriek toegewezen (EACEA, ECHO en INEA).
  • (2) 
    DG REGIO, INEA en DG EMPL.
  • (3) 
    DG’s AGRI, CLIMA, ENV en MARE.
  • (4) 
    Voor administratieve uitgaven stelden noch wij noch de Commissie een materieel foutenpercentage vast.
 

1.39.

We stelden het volgende vast:

  • — 
    Voor “Concurrentievermogen” valt de algemene schatting van het risico bij betaling voor de MFK-rubriek (1,6 %), dat wij berekenden op basis van de informatie in het AMPR, binnen de bandbreedte van het door ons geschatte foutenpercentage (zie de paragrafen 5.36 en 5.38).
  • — 
    Voor “Cohesie” bedraagt de algemene schatting door de Commissie voor de MFK-rubriek (26) 1,7 %, wat onder de bandbreedte van het door ons geschatte foutenpercentage ligt (zie de paragrafen 6.56 en 6.74).
  • — 
    Voor “Natuurlijke hulpbronnen” komen de algemene schatting van het risico bij betaling voor de MFK-rubriek (2,1 %), dat wij berekenden op basis van de informatie in het AMPR, en de schattingen door de Commissie voor GLB-uitgaven als geheel en voor rechtstreekse betalingen overeen met onze conclusie (zie de paragrafen 1.38, 7.37 en 7.38).

Het risico bij afsluiting is afhankelijk van geraamde toekomstige correcties en terugvorderingen

 
 

1.40.

De Commissie presenteert nog een regelmatigheidsindicator in het AMPR, namelijk het risico bij afsluiting. Dit is het risico bij betaling (zie paragraaf 1.36) minus de geraamde toekomstige correcties en terugvorderingen die naar verwachting door beheerders van EU-middelen worden uitgevoerd met betrekking tot uitgaven over 2018 tijdens het/de volgende ja(a)r(en) van de huidige programma’s.

 

1.41.

Om een raming te maken van toekomstige correcties en terugvorderingen hanteert de Commissie een historisch gemiddelde dat gebaseerd is op verrichtingen uit de afgelopen jaren. Om de relevantie ervan voor de huidige programma’s te verzekeren, verplichten interne richtsnoeren van de Commissie de DG’s ertoe om de historische gemiddelden aan te passen of in voorkomend geval een andere ramingsmethode te gebruiken en deze aanpassingen en de aanpak die zij hebben gehanteerd, in hun JAV’s bekend te maken. In 2018 hebben de meeste DG’s van de Commissie hun historische gemiddelden aangepast.

We melden gevallen van vermoedelijke fraude aan OLAF

 
 

1.42.

We werken nauw samen met het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in de strijd tegen fraude ten nadele van de EU-begroting. We melden OLAF vermoedelijke gevallen van fraude, corruptie of andere illegale handelingen waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, en die we constateren tijdens onze controlewerkzaamheden (waaronder ons werk met betrekking tot de prestaties) of op basis van de informatie die derden ons rechtstreeks melden. OLAF geeft hieraan follow-up en neemt een besluit of het een onderzoek zal instellen, waarbij het zo nodig samenwerkt met de autoriteiten van de lidstaten.

 

1.43.

In 2018:

  • a) 
    beoordeelden wij de regelmatigheid van 728 verrichtingen in het kader van onze controlewerkzaamheden voor het jaarverslag en stelden we 35 speciale verslagen op;
  • b) 
    meldden we 9 tijdens onze controles ontdekte gevallen van vermoedelijke fraude aan OLAF (13 in 2017); we gaven geen gevallen aan OLAF door op basis van informatie die door derden werd verstrekt (6 in 2017).
 

1.44.

De tijdens onze werkzaamheden in 2018 gerezen vermoedens van fraude die we aan OLAF meldden, betroffen in de meeste gevallen vermoedens van het kunstmatig creëren van de noodzakelijke voorwaarden voor EU-financiering, het declareren van kosten die niet voldeden aan de subsidiabiliteitscriteria of onregelmatigheden bij de aanbesteding. Met enkele van de vermoedelijke gevallen van fraude die wij aan OLAF meldden, waren verscheidene onregelmatigheden gemoeid.

 

1.45.

In 2018 meldden we negen tijdens onze werkzaamheden ontdekte gevallen aan OLAF. OLAF heeft twee onderzoeken ingesteld. In zeven gevallen stelde OLAF geen onderzoek in om een van de volgende redenen:

  • — 
    OLAF was van oordeel dat een nationale autoriteit of EU-instelling, -orgaan, -bureau of -agentschap beter geschikt was om het geval te behandelen en droeg het dienovereenkomstig over;
  • — 
    er liep al een onderzoek op nationaal niveau, waarvan wij niet op de hoogte waren;
  • — 
    om redenen van proportionaliteit;
  • — 
    vanwege ontoereikende vermoedens.
 

1.46.

Gebaseerd op controle-informatie die het van ons tussen 2010 en 2018 ontving, heeft OLAF de terugvordering van in totaal 312,8 miljoen EUR aanbevolen. De onderliggende financiële aanbevelingen hebben betrekking op 24 tijdens onze controlewerkzaamheden ontdekte gevallen (27).

Conclusies

 
 

1.47.

Dit hoofdstuk dient hoofdzakelijk ter onderbouwing van het in de betrouwbaarheidsverklaring gegeven controleoordeel.

Controleresultaten

 
 

1.48.

We concluderen dat de rekeningen geen afwijkingen van materieel belang vertoonden.

 

1.49.

Wat de regelmatigheid van de verrichtingen betreft, concluderen we dat de ontvangsten geen fouten van materieel belang bevatten. Wat betreft uitgaven blijkt uit de resultaten van onze controle dat het geschatte foutenpercentage licht is gestegen ten opzichte van vorig jaar. Wij concluderen net als vorig jaar dat (voornamelijk op rechten gebaseerde) uitgaven waarvoor vereenvoudigde/minder complexe regelgeving geldt, geen materiële fouten bevatten. Alleen bij uitgaven waarvoor complexe regelgeving geldt (voornamelijk in het kader van vergoedingen), die dit jaar 50,6 % van onze controlepopulatie uitmaakten, is er sprake van een materieel foutenpercentage.


  • (1) 
    De geconsolideerde financiële staten omvatten de balans en de staat van de financiële resultaten, het kasstroomoverzicht en het mutatieoverzicht van de nettoactiva, alsook een overzicht van de belangrijkste grondslagen voor financiële verslaglegging en andere toelichtingen (met verslaglegging per begrotingsterrein).
  • (2) 
    De verslagen over de uitvoering van de begroting omvatten ook de toelichtingen.
  • (3) 
    Zij bedroegen 61,0 miljard EUR. In de paragrafen 1.19-1.21 van ons Jaarverslag 2018 verstrekken wij nadere informatie.
  • (4) 
    Zij bedroegen 59,6 miljard EUR. In paragraaf 1.18 van ons Jaarverslag 2018 verstrekken wij nadere informatie.
  • (5) 
    EUCO XT 20013/19 — Besluit van de Europese Raad, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn.
  • (6) 
    Zie International Public Sector Accounting Standard (IPSAS) nr. 14 — Events after the Reporting Date.
  • (7) 
    Zie IPSAS nr. 39 — Employee benefits. Voor de pensioenregeling geeft de verplichting op basis van toegezegde uitkeringen de huidige waarde weer van de verwachte toekomstige betalingen die de EU moet verrichten om aan de pensioenverplichtingen te voldoen die voortvloeien uit werknemersprestaties in de huidige periode en in voorgaande perioden.
  • (8) 
    Deze omvatten te betalen lasten aan de passiefzijde van de balans ad 62,9 miljard EUR en 36,9 miljard EUR aan de actiefzijde, die de waarde van de voorfinanciering vermindert.
  • (9) 
    Zie woordenlijst: Goed financieel beheer.
  • Zie deel 2 van de hoofdstukken 5, 6, 7, 8 en 9.
  • Zie hoofdstuk 3.
  • Zie de geconsolideerde jaarrekening 2018 van de EU, verslagen over de uitvoering van de begroting en toelichtingen daarbij, 4.3 MFK: Uitvoering van de betalingskredieten.
  • 37,4 miljard EUR van deze tussentijdse betalingen wordt betaald in het kader van MFK1b voor de programmeringsperioden 2007-2013 en 2014-2020. Overeenkomstig onze aanpak van dit terrein maken deze betalingen geen deel uit van onze controlepopulatie voor het Jaarverslag 2018.
  • De geconsolideerde rekeningen omvatten:
  • a) 
    de geconsolideerde financiële staten, die de balans (met de activa en passiva aan het eind van het begrotingsjaar), de staat van de financiële resultaten (met de inkomsten en uitgaven over het jaar), het kasstroomoverzicht (dat toont hoe mutaties in de rekeningen van invloed zijn op geldmiddelen en kasequivalenten) en het mutatieoverzicht van de nettoactiva, alsook de toelichtingen bij de financiële staten bevatten;
  • b) 
    de verslagen over de uitvoering van de begroting betreffende de ontvangsten en uitgaven van het begrotingsjaar, alsook de bijbehorende toelichtingen.
  • Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
  • Zie Recommended Practice Guideline 2 (RPG ofwel aanbevolen praktisch richtsnoer 2) “Financial Statement Discussion and Analysis” van de International Public Sector Accounting Standards Board (IPSASB).
  • Zie de paragrafen 1.12 en 1.13 van ons Jaarverslag 2017.
  • Wij hebben 95 % zekerheid dat het geschatte foutenpercentage in de populatie tussen 1,8 % en 3,4 % ligt (de onderste, respectievelijk de bovenste foutengrens).
  • Op rechten gebaseerde uitgaven omvatten administratieve uitgaven.
  • Bij gedeeld beheer zijn de intermediaire instanties nationale autoriteiten.
  • Artikel 317 VWEU:
 
 

De Commissie voert de begroting in samenwerking met de lidstaten overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 322 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.

  • https://ec.europa.eu/info/publications/annual-management-and-performance-report-2018-0_en
  • Zie Speciaal verslag nr. 27/2016 “Governance bij de Europese Commissie — goede praktijken?“, aanbeveling 2, onder f).
  • Terwijl wij specifieke beoordelingen geven en het foutenpercentage schatten voor de MFK-rubrieken 1a “Concurrentievermogen”, 1b “Cohesie”, 2 “Natuurlijke hulpbronnen” en 5 “Administratie”.
  • De Commissie presenteert bijvoorbeeld de cijfers van DG MARE onder “Cohesie, migratie en visserij” terwijl de cijfers in kader 1.11 zijn opgenomen in “Natuurlijke hulpbronnen”.
  • Zie tabel B van bijlage 2 bij het jaarlijks beheers- en prestatieverslag over de EU-begroting 2018, blz. 205.
  • De informatie wordt door OLAF verstrekt en niet door ons onderzocht.

BIJLAGE 1.1

CONTROLEAANPAK EN -METHODOLOGIE

 
 

1)

Onze controleaanpak wordt beschreven in de Handleiding financiële en nalevingsgerichte controle, die beschikbaar is op onze website (1). We gebruiken een zekerheidsmodel om onze werkzaamheden te plannen. In onze planning houden wij rekening met het risico dat zich fouten voordoen (inherent risico) en het risico dat fouten niet worden voorkomen, dan wel opgespoord en gecorrigeerd (internebeheersingsrisico).

DEEL 1 — Aanpak overeenkomstig onze strategie 2018-2020 voor de betrouwbaarheidsverklaring

 
 

2)

In 2018, het eerste jaar van onze strategie, verbeterden wij de toegevoegde waarde van onze betrouwbaarheidsverklaring.

 

3)

Uit onze recente jaarverslagen blijkt dat de beheers- en controlesystemen en de beschikbaarheid van door onze gecontroleerden verstrekte informatie over de wettigheid en regelmatigheid is verbeterd. In het licht van deze ontwikkelingen streven we ernaar de informatie over wettigheid en regelmatigheid van onze gecontroleerde beter te benutten op terreinen waarvoor dit haalbaar is. Ons uiteindelijke doel is de komende jaren toe te werken naar een op een attestopdracht gebaseerde aanpak (2). Bij deze aanpak verzamelen de controleurs voldoende en passende informatie om een conclusie te kunnen presenteren over de zekerheid die door de verantwoordelijke entiteit is uitgesproken. In de praktijk zou dit betekenen dat wij op gebieden waarop we ons ervan vergewist hadden dat de informatie van voldoende kwaliteit was en waarop we zekerheid konden ontlenen aan de door onze gecontroleerde verstrekte informatie over de wettigheid en regelmatigheid, we hun werk zouden evalueren en, indien noodzakelijk, zouden overdoen.

 

4)

Sinds 2017 hebben we onze controleaanpak voor “Economische, sociale en territoriale cohesie” gewijzigd om rekening te houden met veranderingen in de opzet van de controlesystemen voor de programmeringsperiode 2014-2020. Behalve bij te dragen aan de betrouwbaarheidsverklaring 2018 stellen wij ons ten doel een conclusie te trekken over de betrouwbaarheid van de belangrijkste regelmatigheidsindicator van de Commissie op dit gebied — het restfoutenpercentage (3).

DEEL 2 — Controleaanpak en -methodologie voor de betrouwbaarheid van de rekeningen

 
 

5)

We onderzoeken de geconsolideerde rekeningen van de EU om de betrouwbaarheid daarvan vast te stellen. Deze bestaan uit:

  • a) 
    de geconsolideerde financiële staten, en
  • b) 
    de verslagen over de uitvoering van de begroting.
 

6)

De geconsolideerde rekeningen dienen een in elk materieel opzicht getrouwe weergave te vormen van:

  • a) 
    de financiële situatie van de Europese Unie aan het eind van het begrotingsjaar;
  • b) 
    de resultaten van haar verrichtingen en kasstromen, en
  • c) 
    de veranderingen in de nettoactiva voor het afgesloten begrotingsjaar.
 

7)

Bij onze controle:

  • a) 
    evalueren we de boekhoudcontroleomgeving;
  • b) 
    controleren we de werking van de essentiële boekhoudprocedures en het proces van afsluiting van het begrotingsjaar;
  • c) 
    analyseren we de voornaamste boekhoudgegevens met betrekking tot consistentie en redelijkheid;
  • d) 
    analyseren we rekeningen en/of saldi en sluiten we deze aan;
  • e) 
    verrichten we gegevensgerichte controles van vastleggingen, betalingen en specifieke balansposten op basis van representatieve steekproeven;
  • f) 
    gebruiken we voor zover mogelijk en in overeenstemming met de internationale controlestandaarden het werk van andere controleurs. Dit is met name het geval voor de controle van door de Commissie beheerde verstrekte en opgenomen leningen waarvoor externe controlecertificaten voorhanden zijn.

DEEL 3 — Controleaanpak en -methodologie voor de regelmatigheid van de verrichtingen

 
 

8)

Bij onze huidige aanpak bij het beoordelen van de vraag of de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen in overeenstemming zijn met EU-voorschriften en -regelgeving, maken wij voornamelijk gebruik van rechtstreekse toetsing van de naleving voor een grote, aselecte, representatieve steekproef van verrichtingen.

 

9)

Wij gaan echter wij na of wij de regelmatigheidscontroles die anderen al hebben verricht, efficiënt kunnen gebruiken. Als we de resultaten van deze controles bij onze controlewerkzaamheden willen gebruiken, beoordelen we, in overeenstemming met de controlestandaarden, de onafhankelijkheid en bekwaamheid van die ander en de reikwijdte en toereikendheid van zijn werk.

Hoe wij de verrichtingen toetsen

 
 

10)

Voor iedere MFK-rubriek waarvoor wij een specifieke beoordeling verstrekken (hoofdstukken 5-7 en 10) toetsen wij een representatieve steekproef van verrichtingen om te ramen welk deel van de verrichtingen binnen de gehele populatie onregelmatig is.

 

11)

Voor iedere geselecteerde verrichting bepalen wij of de declaratie of de betaling al dan niet plaatsvond met het doel dat krachtens de begroting was toegestaan en in de wetgeving was gespecificeerd. Wij onderzoeken hoe het bedrag van de declaratie of betaling werd berekend (voor grotere declaraties op basis van een representatieve selectie van alle posten binnen de verrichting). Hierbij volgen wij de verrichting van de begrotingsrekeningen tot de eindbegunstigde (bijvoorbeeld een landbouwer, een organisator van cursussen, of een ontwikkelingshulpproject) en toetsen wij de naleving op ieder niveau.

 

12)

Bij de toetsing van ontvangstenverrichtingen nemen wij bij ons onderzoek van de eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde en het bni de macro-economische aggregaten als uitgangspunt die de basis vormen voor de berekening daarvan. Wij onderzoeken de controles van de Commissie met betrekking tot deze bijdragen van de lidstaten tot het moment waarop deze zijn ontvangen en opgenomen in de geconsolideerde rekeningen. Bij de traditionele eigen middelen onderzoeken wij de rekeningen van de douaneautoriteiten en de stroom van douanerechten opnieuw tot het moment waarop deze door de Commissie zijn ontvangen en opgenomen.

 

13)

Aan de uitgavenzijde onderzoeken wij betalingen wanneer de uitgaven zijn gedaan, geboekt en goedgekeurd. Dit geldt voor alle categorieën betalingen (inclusief die voor de verwerving van activa). Wij onderzoeken voorschotten niet op het tijdstip van de verrichting, maar wanneer

  • a) 
    de eindontvanger van EU-middelen (bijvoorbeeld een landbouwer, een onderzoeksinstituut of een bedrijf dat openbaar aanbestede werken of diensten levert) het gebruik ervan heeft aangetoond, en
  • b) 
    de Commissie (of een andere instelling die, of een ander orgaan dat EU-middelen beheert) het uiteindelijke gebruik van de middelen heeft aanvaard door het verrekenen van de voorschotbetaling.
 

14)

Onze controlesteekproef is zo opgezet dat een schatting kan worden gemaakt van het foutenpercentage voor de uitgaven als geheel en niet voor individuele verrichtingen (bijvoorbeeld een bepaald project). Wij selecteren declaraties of betalingen volgens de methode van “monetary unit sampling” (selectie op geldwaarde) en, op een lager niveau, afzonderlijke elementen binnen een verrichting (bijvoorbeeld facturen voor een project, percelen in de opgave van een landbouwer). De voor deze zaken gerapporteerde foutenpercentages moeten niet worden gezien als conclusies over de desbetreffende verrichtingen, maar dragen rechtstreeks bij tot het totale foutenpercentage voor de EU-uitgaven als geheel.

 

15)

Wij onderzoeken niet elk jaar verrichtingen in iedere lidstaat, begunstigde staat en regio. Hoewel we bepaalde lidstaten, begunstigde staten en/of regio’s bij naam noemen, wil dat niet zeggen dat de voorbeelden zich niet ook elders voordoen. De illustratieve voorbeelden in dit verslag bieden geen grondslag voor het trekken van conclusies over de desbetreffende lidstaten, begunstigde staten en/of regio’s.

 

16)

Onze aanpak is er niet op gericht om gegevens te verzamelen over de foutenfrequentie in de gehele populatie. De vermelde cijfers over het aantal fouten dat is ontdekt in een MFK-rubriek, door een DG beheerde uitgaven of de uitgaven in een bepaalde lidstaten zeggen dan ook niets over de frequentie van fouten in door de EU gefinancierde verrichtingen of in de afzonderlijke lidstaten.

Hoe wij de resultaten van de toetsing van verrichtingen evalueren en presenteren

 
 

17)

Een fout kan betrekking hebben op het gehele bedrag dat is betrokken bij een individuele verrichting, of op een deel daarvan. Wij gaan na of fouten kwantificeerbaar of niet-kwantificeerbaar zijn, dus of het mogelijk is te meten op welk deel van het onderzochte bedrag de fout betrekking heeft. Fouten die worden opgespoord en gecorrigeerd vóór onze controles en die daar los van staan, worden niet meegenomen in de berekening van de fout en de foutenfrequentie, aangezien de ontdekking en correctie daarvan aantoont dat de controlesystemen doeltreffend hebben gewerkt.

 

18)

Onze criteria voor de kwantificering van aanbestedingsfouten worden beschreven in het document “Non-compliance with the rules on public procurement — types of irregularities and basis for quantification” (Niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten — soorten onregelmatigheden en basis voor kwantificering) (4).

 

19)

Onze kwantificering kan afwijken van die welke gehanteerd wordt door de Commissie of de lidstaten wanneer besloten wordt op welke wijze gereageerd zal worden op de onjuiste toepassing van aanbestedingsregels.

Geschat foutenpercentage

 
 

20)

Voor de meeste MFK-rubrieken en voor de totale EU-begroting presenteren wij een “geschat foutenpercentage” (ELE — “estimated level of error”). In het ELE wordt uitsluitend rekening gehouden met kwantificeerbare fouten; het wordt uitgedrukt als percentage. Voorbeelden van fouten zijn kwantificeerbare inbreuken op toepasselijke regelgeving, regels, of contract- of subsidievoorwaarden. Wij schatten eveneens de onderste foutengrens (LEL — “lower error limit”) en de bovenste foutengrens (UEL — “upper error limit”).

 

21)

Wij hanteren het niveau van 2 % als materialiteitsdrempel bij onze beoordeling. Ook houden wij bij rekening met de aard, het bedrag en de context van de fouten.

 

22)

Wij baseren onze betrouwbaarheidsverklaring niet meer alleen op het door ons geschatte totale foutenpercentage. Sinds 2016 identificeren we terreinen van de EU-begroting met een laag risico, waar wij verwachten een immaterieel foutenpercentage in aanvaarde uitgaven aan te treffen, en terreinen met een hoog risico waar wij aannemen dat er een materieel foutenpercentage bestaat. Dit stelt ons in staat om zo efficiënt mogelijk vast te stellen of de materiële fouten van diepgaande invloed zijn.

Hoe wij systemen beoordelen en verslag doen van de resultaten

 
 

23)

De Commissie, andere EU-instellingen en -organen, autoriteiten van de lidstaten en begunstigde landen en regio’s stellen systemen in om de risico’s voor de begroting te beheren en om toe te zien op de regelmatigheid van de verrichtingen/deze te waarborgen. Het is nuttig deze systemen te onderzoeken om vast te stellen waar verbeteringen mogelijk zijn.

 

24)

Elke MFK-rubriek, waaronder ontvangsten, omvat vele afzonderlijke systemen. We selecteren elk jaar een steekproef van systemen en presenteren de resultaten samen met aanbevelingen voor verbeteringen.

Hoe wij tot onze oordelen in de betrouwbaarheidsverklaring komen

 
 

25)

We plannen onze werkzaamheden om voldoende relevante en betrouwbare controle-informatie te verkrijgen voor ons oordeel over de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de geconsolideerde rekeningen van de EU. Deze werkzaamheden worden beschreven in de hoofdstukken 4-10. Ons oordeel wordt uiteengezet in de betrouwbaarheidsverklaring. Onze werkzaamheden stellen ons in staat om tot een gefundeerd oordeel te komen inzake de vraag of de fouten in de populatie de materialiteitsdrempel al dan niet overschrijden.

 

26)

Wanneer we vaststellen dat het foutenpercentage van materieel belang is en de impact ervan op het controleoordeel vaststellen, moeten we bepalen of de fouten, of het ontbreken van controle-informatie, “van diepgaande invloed” zijn. Daarbij volgen we de richtsnoeren vervat in ISSAI 1705 (waarbij we, in overeenstemming met ons mandaat, deze richtsnoeren ook betrekken bij kwesties van wettigheid en regelmatigheid). Als de fouten van materieel belang en van diepgaande invloed zijn, geven we een afkeurend oordeel af.

 

27)

Een fout of de afwezigheid van controle-informatie wordt “van diepgaande invloed” geacht indien deze naar het oordeel van de controleur niet beperkt is tot specifieke elementen, rekeningen of posten van de financiële staten (d.w.z. deze komt overal in de rekeningen of getoetste verrichtingen voor), of, indien deze wel daartoe beperkt is, een substantieel deel van de financiële staten betreft of zou kunnen betreffen, of verband houdt met vermelde informatie die van fundamenteel belang is voor het begrip van gebruikers van de financiële staten.

 

28)

Onze beste schatting van het foutenpercentage voor het geheel van de uitgaven in 2018 is 2,6 %. We achtten deze fout niet van diepgaande invloed, aangezien deze beperkt is tot uitgaven waarvoor complexe regelgeving geldt (voornamelijk in het kader van vergoedingen). Het voor de verschillende MFK-rubrieken geconstateerde geschatte foutenpercentage loopt uiteen, zoals wordt beschreven in de hoofdstukken 5-7 en 10.

Vermoeden van fraude

 
 

29)

Als wij redenen hebben om te vermoeden dat er frauduleus is gehandeld, melden wij dit bij OLAF, het fraudebestrijdingsbureau van de EU. OLAF heeft de verantwoordelijkheid om op grond daarvan een onderzoek in te stellen. Wij melden meerdere gevallen per jaar bij OLAF.

DEEL 4 — Het verband tussen het controleoordeel betreffende de betrouwbaarheid van de rekeningen en dat betreffende de regelmatigheid van de verrichtingen

 
 

30)

Wij hebben:

  • a) 
    een controleoordeel afgegeven betreffende de geconsolideerde rekeningen van de EU voor het afgesloten begrotingsjaar, en
  • b) 
    controleoordelen afgegeven betreffende de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven die ten grondslag liggen aan die rekeningen.
 

31)

Wij verrichten onze werkzaamheden en geven onze controleoordelen af overeenkomstig de internationale controlestandaarden en de regels inzake beroepsethiek van IFAC, en de internationale standaarden van hoge controle-instanties van INTOSAI.

 

32)

Deze standaarden bepalen dat ingeval controleurs controleoordelen afgeven betreffende de betrouwbaarheid van de rekeningen en betreffende de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij die rekeningen, een aangepast oordeel over de regelmatigheid van de verrichtingen op zichzelf niet leidt tot een aangepast oordeel over de betrouwbaarheid van de rekeningen.


  • (1) 
    https://www.eca.europa.eu/nl/Pages/AuditMethodology.aspx
  • (2) 
    Zie ISSAI 4000, paragraaf 40.
  • (3) 
    Zie achtergronddocument: The ECA’s modified approach to the Statement of Assurance audits in Cohesion, beschikbaar op onze website (https://www.eca.europa.eu/nl/Pages/DocItem.aspx?did=44524)
  • (4) 
    http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/Guideline_procurement/Quantification_of_public_procurement_errors.pdf
 

HOOFDSTUK 2

Begrotings- en financieel beheer

INHOUD

 

Inleiding

2.1-2.3

Begrotingsbeheer in 2018

2.4-2.21

De vastleggingen en betalingen die in de begroting beschikbaar waren, werden bijna volledig benut

2.4-2.7

De uitvoering van het MFK werd beïnvloed door de vertragingen bij de uitvoering van de ESI-fondsen

2.8-2.21

Voornamelijk als gevolg van vertragingen vloeiden aanzienlijke bedragen aan niet-gebruikte jaarlijkse voorfinanciering in het kader van ESI-fondsen terug naar de EU-begroting

2.9-2.11

Geen behoefte aan een aanzienlijk bedrag van de overkoepelende marge voor betalingen

2.12-2.16

Niet-afgewikkelde vastleggingen blijven toenemen

2.17-2.18

Risico op onvoldoende betalingskredieten voor toekomstige begrotingen

2.19-2.21

Kwesties inzake financieel beheer met betrekking tot de begroting van 2018 en toekomstige begrotingen

2.22-2.41

Absorptie van de ESI-fondsen door de lidstaten blijft een uitdaging

2.22-2.24

De verhoging van garanties draagt bij tot de blootstelling van de EU-begroting aan risico’s

2.25-2.32

De Europese Investeringsbank — Een integrerend deel van de EU-architectuur, maar met verschillende verantwoordingsregelingen

2.33-2.41

Conclusies en aanbevelingen

2.42-2.48

Conclusies

2.42-2.47

Aanbevelingen

2.48

Bijlage 2.1 — EIB-mandaten van de EU — Hoofdcategorieën

Bijlage 2.2 — EU-financieringsinstrumenten beheerd door de EIB-groep

Inleiding

 
 

2.1.

In dit hoofdstuk wordt onze evaluatie gepresenteerd van kwesties op het gebied van het begrotings- en financieel beheer. Daarnaast worden er risico’s en uitdagingen vastgesteld waarmee de EU-begroting de komende jaren zal worden geconfronteerd, gebaseerd op onze werkzaamheden en opvattingen die in onze speciale verslagen, snelle evaluaties, briefingdocumenten en adviezen zijn uiteengezet.

 

2.2.

In mei 2018 heeft de Commissie haar voorstel voor het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 (1) ingediend bij het Europees Parlement en de Raad (die samen de begrotingsautoriteit vormen). Er zijn onderhandelingen gaande om vóór eind 2019 een overeenkomst te bereiken. Wij hebben ons over dit onderwerp uitgesproken in een briefingdocument (2).

 

2.3.

De terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU is niet van invloed op de begrotingsboekhouding 2018. In delen van onze analyse maken wij prognoses met betrekking tot toekomstige EU-begrotingen. In dergelijke gevallen hebben wij aangenomen dat het ontwerpterugtrekkingsakkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU (3) zal worden goedgekeurd en uitgevoerd.

Begrotingsbeheer in 2018

De vastleggingen en betalingen die in de begroting beschikbaar waren, werden bijna volledig benut

 
 

2.4.

De begrotingsautoriteit stelt ieder jaar een limiet aan nieuwe financiële verplichtingen van de EU (vastleggingskredieten) en betalingen die uit de EU-begroting kunnen worden gedaan (betalingskredieten).

 

2.5.

In 2018 werden de vastleggingskredieten bijna geheel benut. Van de 160,7 miljard EUR die in de EU-begroting 2018 beschikbaar was, werd 159,9 miljard EUR besteed (99,5 %) (zie kader 2.1 ).

 

2.6.

De EU gebruikte ook bijna alle beschikbare betalingskredieten die in de definitieve begroting waren opgenomen (4). Van de 144,8 miljard EUR die beschikbaar was, werd 142,7 miljard EUR besteed (98,6 %) (5) (zie kader 2.1 ). Dit volgde op twee jaren waarin de betalingen lager waren dan aanvankelijk begroot. Er was in 2018 een aanzienlijke stijging van het aantal betalingsaanvragen van lidstaten voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) (6). Deze fondsen zijn goed voor ongeveer 43 % van het MFK 2014-2020 (7).

 

2.7.

Het verschil tussen de oorspronkelijke en definitieve begroting was klein. In de zes gewijzigde begrotingen die in 2018 werden goedgekeurd, werd slechts 583 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (8) toegevoegd en 87 miljoen EUR aan betalingskredieten.

Kader 2.1

De begrotingsuitvoering in 2018

 
 

NB:

Het MFK-maximum is het maximale jaarlijkse bedrag dat in het kader van de huidige MFK-verordening kan worden besteed. De vastleggingskredieten en het gebruik daarvan mogen het maximum echter overschrijden met de waarde van de speciale instrumenten (zie artikel 3, lid 2, van de MFK-verordening).

Bron:

Geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie — begrotingsjaar 2018, verslagen over de uitvoering van de begroting en toelichtingen daarbij — toelichtingen 4.1-4.3 en de technische aanpassing van 2018.

De uitvoering van het MFK werd beïnvloed door de vertragingen bij de uitvoering van de ESI-fondsen

 
 

2.8.

De ESI-fondsen waren om twee belangrijke redenen van invloed op de planning en uitvoering van het MFK. Ten eerste maken zij een aanzienlijk deel uit van het MFK. Ten tweede worden zij uitgevoerd via meerjarige vastleggingen en kunnen betalingsverzoeken worden gedaan in elk van de daaropvolgende jaren. De vertragingen in de uitvoering van de ESI-fondsen, die de Commissie eerder had opgemerkt en die wij hebben bevestigd (9), blijven hun stempel drukken op de laatste jaren van dit MFK. We merken op dat de uitvoeringspercentages voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) aanzienlijk hoger waren dan voor andere ESI-fondsen. Betalingsaanvragen voor een aanzienlijk bedrag zijn vertraagd en zullen in toekomstige jaren worden ingediend. Dit was van invloed op het gebruik van voorfinanciering en de ontwikkeling van niet-afgewikkelde vastleggingen en heeft gevolgen voor de behoefte aan betalingskredieten aan het begin van het volgende MFK, zoals hieronder beschreven.

Voornamelijk als gevolg van vertragingen vloeiden aanzienlijke bedragen aan niet-gebruikte jaarlijkse voorfinanciering in het kader van ESI-fondsen terug naar de EU-begroting

 
 

2.9.

Lidstaten ontvangen ieder jaar jaarlijkse voorfinanciering voor acties in het kader van de ESI-fondsen (met uitzondering van het Elfpo) uit de EU-begroting (10). Als een lidstaat aanvragen indient voor een bedrag dat lager is dan de ontvangen voorfinanciering, wordt de niet-gebruikte voorfinanciering het jaar daarop teruggestort naar de EU-begroting. Dit gebeurt als deel van de procedure voor het jaarlijkse onderzoek en de jaarlijkse aanvaarding van rekeningen voor de ESI-fondsen, die in het huidige MFK werd geïntroduceerd en voor het eerst werd toegepast in 2017.

 

2.10.

Deze niet-gebruikte voorfinancieringsbedragen worden opnieuw opgenomen in de begroting als bestemmingsontvangsten. Ze zijn alleen bestemd voor de desbetreffende begrotingsonderdelen van de ESI-fondsen. Zij worden omgezet in vastleggings- en betalingskredieten bovenop de kredieten in de jaarlijkse begroting. Vastleggingskredieten worden meteen gebruikt. Om te voorkomen dat zij worden geannuleerd, moeten betalingskredieten worden gebruikt voor betalingen aan de lidstaten in hetzelfde of het volgende jaar.

 

2.11.

De lidstaten ontvingen een jaarlijkse voorfinanciering van 6,8 miljard EUR in 2016 en 9,0 miljard EUR in 2017. Voornamelijk als gevolg van de vertragingen bij de uitvoering stortten lidstaten aanzienlijke bedragen van deze niet-gebruikte jaarlijkse voorfinanciering terug, respectievelijk 6,6 miljard EUR in 2017 en 8,1 miljard EUR in 2018. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke verhoging van de bestemmingsontvangsten in deze twee jaar. De betalingskredieten die door deze teruggestorte bedragen ontstonden, werden gebruikt om betalingen te doen met betrekking tot aanvragen van lidstaten bovenop de goedgekeurde begroting voor het desbetreffende jaar, ter hoogte van 5,4 miljard EUR in 2017 en 6,9 miljard EUR in 2018 (zie kader 2.2 hieronder). Als deze betalingskredieten niet voor hergebruik beschikbaar zouden zijn geweest, had dit in 2018 het gebruik van de overkoepelende marge voor betalingen (OMB) noodzakelijk kunnen maken.

Kader 2.2

Betalingen afkomstig uit bestemmingsontvangsten

 
 

Bron:

ERK, gebaseerd op de “Reports on the budgetary and financial management of the European Commission 2014-2018”.

Geen behoefte aan een aanzienlijk bedrag van de overkoepelende marge voor betalingen

 
 

2.12.

De overkoepelende marge voor betalingen (OMB) is een mechanisme dat in het huidige MFK werd geïntroduceerd om betalingskredieten flexibeler te maken. Het doel ervan is te voorkomen dat er niet genoeg betalingskredieten zijn, zoals in de laatste jaren van het voorgaande MFK het geval was (11). Dankzij het mechanisme kunnen elk jaar de niet-gebruikte kredieten, tot het MFK-maximum, worden overgedragen voor gebruik in toekomstige jaren.

 

2.13.

Het bedrag dat met behulp van de beschikbare OMB van voorgaande jaren is overgedragen naar 2018-2020 is 33,7 miljard EUR (2018: 5,3 miljard EUR, 2019: 12,9 miljard EUR, en 2020: 15,5 miljard EUR) (zie kader 2.3 ). In het MFK werd een maximum vastgesteld van 36,5 miljard EUR voor het gebruik van de OMB in 2018-2020 (2018: 8,0 miljard EUR, 2019: 12,9 miljard EUR, en 2020: 15,5 miljard EUR).

Kader 2.3

Beschikbare OMB en maxima

 
 

Opmerking:

De toewijzing van de OMB voor een bepaald jaar is gebaseerd op het door de Commissie verwachte betalingsbehoeftenprofiel.

Bron:

ERK, gebaseerd op de technische aanpassingen van het MFK, de verslagen over de begrotingsuitvoering en de toelichtingen bij de geconsolideerde rekeningen van de EU.

 

2.14.

In 2018 was er geen behoefte aan bijkomende betalingen, en de 5,3 miljard EUR aan beschikbare OMB van voorgaande jaren was niet nodig. Dit bedrag kon echter niet worden overgedragen naar volgende jaren omdat de maxima van de OMB van 2019 en 2020 waren bereikt. Om dezelfde reden kon een aanvullend bedrag van 11,2 miljard EUR aan betalingskredieten dat niet was gebruikt in 2018 (12) evenmin worden overgedragen naar 2019 of 2020.

 

2.15.

Volgens de oorspronkelijke begroting voor 2019 is ook de 12,9 miljard EUR van de OMB die voor dat jaar beschikbaar is, niet nodig om de betalingsbehoeften te dekken (13). Daarnaast zal volgens de ontwerpbegroting voor 2020 (14) het volledige bedrag van 15,5 miljard EUR aan beschikbare OMB wellicht niet nodig zijn in 2020. Een totaal van 33,7 miljard EUR aan beschikbare OMB zal daarom wellicht niet nodig zijn in 2018-2020.

 

2.16.

Tenzij de betalingsbehoeften in 2019-2020 stijgen, zal de 33,7 miljard EUR die in het kader van de OMB beschikbaar is, in 2020 onbenut blijven. Samen met de 11,2 miljard EUR aan onbenutte betalingskredieten uit 2018 die niet naar toekomstige jaren kon worden overgedragen (zie paragraaf 2.14), gaat het in totaal om 44,9 miljard EUR aan betalingskredieten die in 2020 wellicht ongebruikt blijft. De flexibiliteit die door de OMB wordt gegeven, houdt met het huidige MFK in 2020 op. Daarmee kan in het volgende MFK niet in flexibiliteitsbehoeften worden voorzien (zie de paragrafen 2.19-2.21).

Niet-afgewikkelde vastleggingen blijven toenemen

 
 

2.17.

Niet-afgewikkelde vastleggingen bleven groeien, en liepen aan het einde van 2018 op tot 281,2 miljard EUR (2017: 267,3 miljard EUR). Zij zijn gestegen met 36 % (73,7 miljard EUR) in de afgelopen zeven jaar sinds 2011, het overeenkomstige jaar van het vorige MFK (zie kader 2.4 ). Volgens de langetermijnraming van de Commissie (15) zullen niet-afgewikkelde vastleggingen stijgen tot 313,8 miljard EUR in 2023, wat dicht bij onze projecties ligt.

Kader 2.4

Niet-afgewikkelde vastleggingen, vastleggingen en betalingen, inclusief projecties tot 2023

 
 

Bron:

Voor 2007-2018: geconsolideerde jaarrekeningen van de EU. Voor projecties: ERK, gebaseerd op de begroting 2019 en COM(2018) 687 final — Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, “Langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen op de EU-begroting (2019-2023)”.

 

2.18.

We hebben niet-afgewikkelde vastleggingen uitgebreid geanalyseerd in onze snelle evaluatie “Niet-afgewikkelde vastleggingen in de EU-begroting nader bekeken” (16), die betrekking heeft op de periode tot eind 2017. We concludeerden dat drie hoofdredenen bijdroegen aan de stijging ervan: het jaarlijkse verschil tussen vastleggingen en betalingen, vertragingen bij de uitvoering van de ESI-fondsen, en de toenemende omvang van de EU-begroting.

Risico op onvoldoende betalingskredieten voor toekomstige begrotingen

 
 

2.19.

Er bestaat een risico dat er niet voldoende betalingskredieten beschikbaar zullen zijn om alle verschuldigde bedragen te dekken in de eerste jaren van het nieuwe MFK. De Commissie voorspelde in haar langetermijnraming (17) dat de betalingskredieten in 2019 en 2020 ruim onder de maxima zouden liggen (18). Dit wijst erop dat de betalingsbehoeften, waarbij het eerder de bedoeling was dat ze in 2019-2020 gedekt zouden worden, naar de eerste jaren van het nieuwe MFK zullen worden overgedragen.

 

2.20.

De waarde van aanvragen die in de periode 2021-2023 worden ingediend, zal grotendeels afhankelijk zijn van de uitvoering door de lidstaten van hun operationele programma’s van de ESI-fondsen. Volgens ons onderzoek zijn de betalingskredieten die aan het begin van het MFK 2021-2027 beschikbaar zijn misschien niet toereikend om alle betalingsbehoeften in de eerste jaren van de periode te dekken. Dit kan met name het geval zijn voor 2021, het eerste jaar van het nieuwe MFK.

 

2.21.

In de langetermijnraming van de Commissie bedragen de geraamde betalingskredieten voor 2021 in verband met verplichtingen van vóór 2021 in de rubrieken 1b en 2 (19), die voornamelijk betrekking hebben op de ESI-fondsen, 63,7 miljard EUR. In het kader van het MFK 2007-2013 werd ongeveer 40 % van de vastleggingen van het Cohesiefonds die eind 2013, het laatste jaar van dat MFK, nog niet waren afgewikkeld, in 2014, het eerste jaar van het huidige MFK, betaald. Aangenomen dat een vergelijkbaar percentage (40 %) van de vastleggingen van de ESI-fondsen van het huidige MFK die eind 2020 nog niet zijn afgewikkeld, in 2021 moet worden betaald, zijn de geraamde betalingskredieten van 63,7 miljard EUR misschien niet toereikend. De niet-afgewikkelde vastleggingen van de ESI-fondsen bedroegen eind 2018 200,9 miljard EUR en zullen eind 2020 zelfs nog hoger zijn; 40 % van de niet-afgewikkelde vastleggingen van de ESI-fondsen in 2018 is al 80 miljard EUR (aanzienlijk meer dan de geraamde betalingskredieten van 63,7 miljard EUR), dus 40 % van de niet-afgewikkelde vastleggingen van 2020 zal waarschijnlijk nog meer zijn. Het risico op onvoldoende betalingskredieten is nog groter gezien het feit dat de uitvoering van de ESI-fondsen zelfs nog meer vertraging heeft opgelopen dan in het voorgaande MFK en dat er meer aanvragen dan in 2014 kunnen worden ingediend.

Kwesties inzake financieel beheer met betrekking tot de begroting van 2018 en toekomstige begrotingen

Absorptie van de ESI-fondsen door de lidstaten blijft een uitdaging

 
 

2.22.

In 2018, het vijfde jaar van het huidige MFK, versnelde de absorptie van de ESI-fondsen. Aan het einde van het jaar was echter slechts gemiddeld 27,3 % van de totale toewijzingen voor het hele MFK aan de lidstaten uitgekeerd, ten opzichte van 33,4 % aan het einde van 2011, het overeenkomstige jaar van het vorige MFK. Gedurende 2018 werd 10,9 % van de totale toewijzingen uitgekeerd, vergelijkbaar met het aandeel van de toewijzingen van het voorgaande MFK dat in 2011 werd uitgekeerd (11,3 %). Omdat de uitvoering in de eerdere jaren van het huidige MFK trager dan verwacht verliep (20), was de cumulatieve uitvoeringsgraad aanzienlijk lager dan die van het vorige MFK. Naast het risico op onvoldoende betalingskredieten in het begin van het volgende MFK, zullen de MFK-perioden elkaar aanzienlijk overlappen, wat waarschijnlijk overbelasting zal opleveren voor de overheidsinstanties in de lidstaten en in de eerste jaren van het MFK 2021-2027 vertragingen zal veroorzaken die vergelijkbaar zijn met die in het huidige MFK.

 

2.23.

De grafiek in kader 2.5 toont welk deel van de totale toewijzing van de ESI-fondsen voor het huidige MFK eind 2018, en welk deel eind 2011, het overeenkomstige jaar van het vorige MFK, was uitbetaald. Hieruit blijkt dat de absorptie tijdens het huidige MFK alleen in Bulgarije, Luxemburg, Oostenrijk, Roemenië en Finland sneller verloopt dan tijdens het voorgaande MFK

Kader 2.5

Absorptiepercentages van de lidstaten met betrekking tot de ESI-fondsen eind 2018 en eind 2011

 
 

Bron:

ERK, gebaseerd op informatie van de Commissie.

 

2.24.

De lage absorptie van de ESI-fondsen heeft bijgedragen tot de stijging van de niet-afgewikkelde vastleggingen van de ESI-fondsen. Kader 2.6 hieronder toont de niet-afgewikkelde vastleggingen van elke lidstaat, zowel uitgedrukt als bedrag in euro als uitgedrukt als percentage van zijn overheidsuitgaven voor 2018.

Kader 2.6

Niet-afgewikkelde vastleggingen van ESI-fondsen per lidstaat

 
 

Bron:

ERK, gebaseerd op informatie van de Commissie. Gegevens van Eurostat over overheidsuitgaven voor 2018.

De verhoging van garanties draagt bij tot de blootstelling van de EU-begroting aan risico’s

 
 

2.25.

Zoals is weergegeven in kader 2.7 hieronder, zijn de garanties in de afgelopen jaren gegroeid, en is dit voornamelijk het gevolg aan de toevoeging van de garantie van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en de garantie van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO). Het doel van deze garanties was het aantrekken van externe middelen om de potentiële impact van de EU-begroting te vergroten. Andere garanties die door de EU-begroting worden gedekt, zijn de garanties in het kader van het mandaat voor externe leningen die aan de EIB zijn afgegeven (21) en EU-garanties die kredietneming en -verstrekking ondersteunen, die voornamelijk leningen aan de lidstaten betreffen (22) en al vele jaren op een vrij consistent niveau liggen. Deze groei heeft echter de EU-begroting blootgesteld aan potentiële risico’s, die voortdurend moeten worden gemonitord zodat zij niet buitensporig worden (23).

Kader 2.7

Maximaal mogelijke en werkelijke blootstelling van de EU-begroting aan garanties

 
 

Bron:

ERK, gebaseerd op de geconsolideerde rekeningen van de Europese Unie 2015-2018.

 

2.26.

De maxima tonen de maximaal mogelijke blootstelling van de EU-begroting. De verlenging van het EFSI (24) en de invoering van de EFDO-garantie vergrootten de maxima in 2018, die opliepen tot 125,5 miljard EUR aan het einde van 2018. De werkelijke blootstelling zal geleidelijk groter worden omdat uitbetalingen (25) worden gedaan. Eind 2018 bedroeg de werkelijke blootstelling in totaal 92,8 miljard EUR.

 

2.27.

Sommige van deze garanties worden door garantiefondsen gesteund, waardoor een liquiditeitsbuffer tegen potentiële verliezen wordt gevormd. De activa van de drie garantiefondsen bedroegen eind 2018 in totaal 8,3 miljard EUR (5,5 miljard EUR in het EFSI-garantiefonds, 2,5 miljard EUR in het Garantiefonds, en 0,3 miljard EUR in het EFDO-garantiefonds). Betalingen uit deze garantiefondsen worden verricht wanneer er beroep wordt gedaan op de garanties. Eind 2018 was er geen significant beroep op deze garanties gedaan.

 

2.28.

Toekomstige gebeurtenissen kunnen aanleiding geven tot een beroep op garanties waarbij onmiddellijke betaling vereist is. De Commissie baseert haar beoordeling van de risico’s van deze gebeurtenissen op historische gegevens, benchmarks, heersende omstandigheden en professionele deskundigheid. Een voorbeeld van een risicobeoordeling is opgenomen in de herbeoordeling van de Commissie van de EFSI-garantie in het kader van haar voorstel voor een verlenging van het EFSI (26). De Commissie stelt ook jaarlijks een verslag op van garanties die door de begroting worden gedekt, waarin dergelijke risico’s worden geanalyseerd (27).

 

2.29.

Er bestaan verschillende regelingen voor onmiddellijke steunverlening wanneer er een beroep wordt gedaan op garanties, zoals de garantiefondsen (28). Deze fondsen dekken verliezen in verband met de EU-garanties en zijn opgericht met middelen uit de EU-begroting binnen de grenzen van het MFK-maximum. Onder normale omstandigheden kunnen betalingsbehoeften worden gedekt door dergelijke garantiefondsen en door betalingskredieten tot het MFK-maximum. Bovendien bestaat er een maximum van de eigen middelen boven het MFK-maximum (zie kader 2.8 ) dat als veiligheidsbuffer dient voor buitengewone omstandigheden zoals een ernstige economische neergang. De som van alle eigen middelen die in een bepaald jaar van de lidstaten worden geïnd, mag niet groter zijn dan 1,20 % van de som van de bni’s van alle lidstaten. Het bedrag dat beschikbaar is tussen het MFK-maximum en het maximum van de eigen middelen om elk jaar de betalingskredieten te dekken, varieert en wordt jaarlijks in het kader van de technische aanpassing van het MFK herberekend, ongeacht de hoogte van de overige ontvangsten. Voor 2018 was dit 33,9 miljard EUR, 0,22 % van de som van de bni’s van alle lidstaten.

Kader 2.8

Het MFK-maximum en het maximum van de eigen middelen

 
 

(*)

Onverminderd mogelijke andere ontvangsten.

Bron:

ERK, op basis van de technische aanpassing van 2018.

 

2.30.

Door de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU zal de som van de bni’s van alle lidstaten dalen en door de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de EU-begroting zullen de MFK-maxima worden verhoogd. Vanwege deze aanpassingen heeft de Commissie voor het volgende MFK voorgesteld het maximum van de eigen middelen te verhogen met 0,09 % (29) tot 1,29 % van de som van de bni’s van alle lidstaten om rekening te houden met deze veranderingen.

 

2.31.

Bovendien zal de Commissie voor het MFK 2021-2027 garantiefondsen samenvoegen in een gemeenschappelijk voorzieningsfonds op basis van een effectief voorzieningspercentage (30) om een beter beheer van de verstrekte garanties te bevorderen (31).

 

2.32.

In het nieuwe Financieel Reglement wordt het toenemende belang van garanties, financiële bijstand en financieringsinstrumenten erkend. Alle relevante bepalingen zijn erin samengevoegd in een nieuwe titel X (artikelen 208-220) om kwesties op dit gebied aan te pakken. In ons advies over het Financieel Reglement verwelkomden we de opname van titel X (32).

De Europese Investeringsbank — Een integrerend deel van de EU-architectuur, maar met verschillende verantwoordingsregelingen

 
 

2.33.

De doelstelling van de EIB-groep (33) is het verstrekken van leningen, garanties en andere soorten ondersteuning zonder winstoogmerk teneinde de belangen van de EU te dienen. Eind 2018 bedroeg het totaal aan uitstaande leningen die door de EIB-groep waren verstrekt 536 miljard EUR (2017: 548) (34).

 

2.34.

Een deel van de activiteiten van de EIB-groep valt onder een reeks mandaten van de EU (zie bijlage 2.1 ). In de afgelopen jaren heeft de EU in toenemende mate gebruikgemaakt van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties die aan de EIB-groep werden verstrekt, waarmee deze een deel van haar financieringsactiviteiten kon dekken. De meest opvallende toename was die via het EFSI, sinds 2015. Eind 2018 had de EIB in het kader van het EFSI ondersteunde financiële verrichtingen ondertekend ter waarde van in totaal 53,6 miljard EUR (2017: 36,7 miljard EUR). Wij publiceerden in 2019 een speciaal verslag over de werking van het EFSI, waarin werd aangegeven welke maatregelen wij noodzakelijk achten om het EFSI echt een succes te maken (35). Bovendien hebben wij eerder verslag uitgebracht over het beheer van andere EU-fondsen door de EIB-groep (36).

 

2.35.

Kader 2.9 toont de jaarlijkse vastleggingen en betalingen van de EU aan de EIB-groep vanaf 2007, met name voor vergoedingen voor adviesdiensten en het beheer van EU-fondsen, en overschrijvingen met betrekking tot financieringsinstrumenten. De bedragen omvatten uitgaven op alle delen van de begroting, met uitzondering van MFK-rubriek 5 Administratie. De meeste uitgaven komen van MFK-rubriek 1 Slimme en inclusieve groei en rubriek 4 Europa als wereldspeler. Gedurende de periode 2007-2018 werd een totaalbedrag van 14,7 miljard EUR van de EU-begroting vastgelegd voor de EIB-groep en werd een totaalbedrag van 12,3 miljard EUR betaald (37). Uit de grafiek komt een solide langetermijntrend naar voren voor betalingen aan de EIB-groep met variaties van jaar tot jaar (38).

Kader 2.9

Jaarlijkse vastleggingen voor en betalingen aan de EIB-groep

 
 

Bron:

ERK, op basis van gegevens van de Commissie.

 

2.36.

Kader 2.10 toont de vastleggingen en betalingen uit de EU-begroting sinds 2007 voor de jaarlijkse voorziening van het Garantiefonds en het EFSI-garantiefonds (39). De vastleggingen voor de voorziening van de twee garantiefondsen bedroegen 9,8 miljard EUR, en de betalingen in dezelfde periode, waarvan de meeste uit de periode 2015-2018 afkomstig zijn, bedroegen 7,1 miljard EUR.

Kader 2.10

Jaarlijkse vastleggingen en betalingen voor twee garantiefondsen

 
 

Bron:

ERK, op basis van gegevens van de Commissie.

 

2.37.

De twee grafieken illustreren het in de loop der tijd toenemende belang van de EIB-groep als partner bij de uitvoering van de EU-begroting. De meest significante stijging was afkomstig van de voorziening van het EFSI-garantiefonds.

 

2.38.

De verhoudingen tussen de EU-begroting en de EIB-groep zijn complex en significant, ook al maakt de EIB-groep geen deel uit van de begroting. De steun uit de EU-begroting wordt op veel verschillende manieren via diverse begrotingsonderdelen verleend, zoals rechtstreekse subsidies, EU-begrotingsgaranties die door garantiefondsen worden gedekt, en EU-financiering die aan de EIB-groep wordt toegewezen via autoriteiten van lidstaten in gedeeld en indirect beheer. De EIB-groep beheert ook een groot aantal financieringsinstrumenten voor de EU, waarmee verschillende EU-beleidsterreinen worden gesteund (zie bijlage 2.2 ). De EIB informeerde ons dat vanaf 2018 bijna 35 % van zijn jaarlijkse kredietverlening afkomstig is van verrichtingen onder mandaat, waarvan er veel de EU betreffen.

 

2.39.

De EIB gaf ons in een zeer laat stadium van de controle informatie over de financiële omvang van de EU-mandaten onder haar beheer die door de EU-begroting of de EOF’s worden gefinancierd, waardoor wij geen gedegen analyse konden uitvoeren en de verstrekte informatie niet konden controleren. In kader 2.11 brengen wij de belangrijkste onderdelen van de financiële relatie tussen enerzijds de EU-begroting en de EOF’s en anderzijds de EIB-groep in kaart. In de grafiek worden het beheer door en de middelenstroom tussen de lidstaten, de Commissie en de EIB-groep weergegeven.

Kader 2.11

Het beheer door en de middelenstroom tussen de lidstaten, de Commissie en de EIB-groep

 
 

Bron:

ERK.

 

2.40.

Op basis van een voorlopig en gedeeltelijk akkoord dat in april 2019 werd bereikt tussen het Europees Parlement en de Raad, zal de EIB-groep naar verwachting een belangrijke rol spelen bij de tenuitvoerlegging van EU-beleid in het volgende MFK via het InvestEU-programma dat voortbouwt op de ervaring met het EFSI (zie kader 2.12 ).

Kader 2.12

InvestEU-programma

 

Het InvestEU-programma bestaat uit het InvestEU-fonds, de InvestEU-advieshub en het InvestEU-portaal. Het is bedoeld om het concurrentievermogen, de groei en de werkgelegenheid te ondersteunen door middel van investeringen en innovatie in de EU.

De Commissie baseerde haar voorstel voor het InvestEU-programma op het EFSI-begrotingsgarantiemodel. Het programma heeft tot doel om de aanzet te geven tot extra investeringen van 650 miljard EUR door te voorzien in een garantie uit de EU-begroting van 38 miljard EUR. Het verwachte voorzieningspercentage van de garantie is 40 %, wat inhoudt dat in het kader van het programma 15,2 miljard EUR uit de EU-begroting zal worden gereserveerd voor dekking van beroepen op de garantie.

De EIB-groep zal de voornaamste uitvoerende partner van de EU zijn.

 

Bron:

Voorstel van de Commissie COM(2018) 439.

 

2.41.

De EIB-groep is geen EU-instelling, maar is toch een integrerend deel van de EU-architectuur en werd krachtens de EU-Verdragen opgericht om bij te dragen tot de doelstellingen van de EU. Om rekening te houden met zijn bijzondere karakter heeft deze echter andere beheers- en governanceregelingen dan de rest van de EU-begroting. Verrichtingen van de EIB-groep die niet uit de EU-begroting worden gefinancierd, maar gericht zijn op dezelfde doelstellingen van de EU, vallen op dit moment niet onder ons controlemandaat. Dit betekent dat de ERK geen volledig beeld kan geven van alle verrichtingen van de EIB-groep. In ons briefingdocument over de toekomst van de EU-financiën (februari 2018) stelden we voor dat ons ook verzocht zou worden om de verrichtingen van de EIB die geen verband houden met de EU-begroting te controleren. Dit zou de EIB niet beletten om zijn huidige controleregelingen met particuliere accountantskantoren voor de betrouwbaarheid van de rekeningen te handhaven. Het Europees Parlement ondersteunde ons voorstel in zijn resolutie over het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2017 (40).

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

 
 

2.42.

Gelet op onze opmerkingen vestigen wij hieronder de aandacht op de belangrijkste problemen die van invloed zijn op het begrotings- en financieel beheer van de EU in 2018, waarvan enkele een risico kunnen vormen voor toekomstige begrotingen, met name in de eerste jaren van het volgende MFK.

 

2.43.

De vastleggings- en betalingskredieten die in de definitieve begroting beschikbaar waren, werden bijna volledig benut (zie de paragrafen 2.4-2.7).

 

2.44.

De vertragingen bij de uitvoering van de ESI-fondsen waren op verschillende manieren van invloed op de uitvoering van het MFK en kunnen ook van invloed zijn op het toekomstige MFK:

  • — 
    Aanzienlijke bedragen aan jaarlijkse voorfinanciering werden in de EU-begroting teruggestort (zie de paragrafen 2.8-2.11).
  • — 
    Een aanzienlijk bedrag van de OMB was niet nodig, maar kan niet naar het nieuwe MFK worden overgedragen (zie de paragrafen 2.12-2.16).
  • — 
    Het hoge niveau van de niet-afgewikkelde vastleggingen wordt voornamelijk veroorzaakt door de langzame uitvoering van de ESI-fondsen, maar ook door het jaarlijkse verschil tussen vastleggingen en betalingen en de toenemende omvang van de EU-begroting. De niet-afgewikkelde vastleggingen bleven in 2018 toenemen (zie de paragrafen 2.17 en 2.18).
  • — 
    Tijdens de eerste jaren van het nieuwe MFK bestaat het risico dat de betalingskredieten ontoereikend zullen zijn (zie de paragrafen 2.19-2.21).
 

2.45.

De absorptie van ESI-fondsen door de lidstaten was in het algemeen lager dan in het overeenkomstige jaar van het vorige MFK (zie de paragrafen 2.22-2.24).

 

2.46.

Garanties die door de EU-begroting worden gedekt, zijn de afgelopen jaren toegenomen. Dit vergroot de risicoblootstelling van de EU-begroting. De door Commissie verwachte verliezen worden gedekt door garantiefondsen, die in het nieuwe MFK in een gemeenschappelijk voorzieningsfonds zullen worden samengevoegd (zie de paragrafen 2.25-2.32).

 

2.47.

De EIB-groep is een integrerend deel van de EU-architectuur. In de afgelopen jaren heeft de EU in toenemende mate gebruikgemaakt van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties die aan de EIB-groep werden verstrekt. Deze zal naar verwachting ook een belangrijke rol spelen bij de tenuitvoerlegging van EU-beleid in het volgende MFK. De verhouding van de EIB-groep met de EU-begroting is complex en hij heeft andere verantwoordingsregelingen dan de EU-instellingen. Verrichtingen van de EIB-groep die niet uit de EU-begroting worden gefinancierd, maar gericht zijn op dezelfde doelstellingen van de EU, vallen op dit moment niet onder ons controlemandaat. Dit betekent dat de ERK geen volledig beeld kan geven van het verband tussen de verrichtingen van de EIB-groep en de EU-begroting. Daarom handhaven wij ons voorstel dat ons verzocht zou moeten worden om de verrichtingen van de EIB die geen verband houden met de EU-begroting te controleren (zie de paragrafen 2.33-2.41).

Aanbevelingen

 
 

2.48.

We bevelen aan dat de Commissie

Aanbeveling 2.1

maatregelen neemt om ongewenste druk te vermijden op het niveau van de betalingskredieten in de eerste jaren van het MFK 2021-2027. Zulke maatregelen zouden het volgende kunnen omvatten:

  • a) 
    het verbeteren van de nauwkeurigheid van de ramingen van de betalingsbehoeften;
  • b) 
    het uitnodigen van het Europees Parlement en de Raad om:
    • i) 
      te zorgen voor een passend evenwicht tussen de begrote vastleggings- en betalingskredieten voor het volgende MFK. Dit zou bereikt kunnen worden door het verhogen van de betalingskredieten, het wijzigen van de vrijmakingsregels en/of het verlagen van de vastleggingskredieten;
    • ii) 
      daarbij rekening te houden met de mogelijkheid van een hoog bedrag aan betalingsaanvragen in 2021 en 2022 en het feit dat ongebruikte betalingskredieten niet naar het volgende MFK kunnen worden overgedragen;
  • c) 
    het vergemakkelijken van de tijdige vaststelling van wettelijke kaders en het bevorderen van een vroege planning van programma’s door de lidstaten.

Tijdpad: vóór het begin van de periode na 2020.

Aanbeveling 2.2

zodra het gemeenschappelijk voorzieningsfonds is opgericht, zorgt voor doeltreffend beheer en actuele monitoring van de blootstelling van de EU-begroting aan de daaraan verbonden garanties. In dit verband moet de Commissie haar berekening van het effectieve voorzieningspercentage baseren op een voorzichtige methodologie die is gebaseerd op erkende goede praktijken.

Tijdpad: vóór het begin van de periode na 2020.

Aanbeveling 2.3

Presenteer jaarlijks aan de begrotingsautoriteit het totaalbedrag en de uitsplitsing van de middelen die van de EU-begroting zijn overgeboekt voor door de EIB-groep beheerde financieringsinstrumenten.

Dit zou de begrotingsautoriteit voorzien van relevante informatie ter ondersteuning van haar werkzaamheden in verband met de controle van de EIB-groep en zijn verrichtingen, terwijl het ook de transparantie van dergelijke verrichtingen vergroot.

Tijdpad: medio 2020.

 

  • (1) 
    Voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027, COM(2018) 322 final.
  • (2) 
    Briefingdocument: The Commission’s proposal for the 2021-2027 Multiannual Financial Framework, juli 2018.
  • (3) 
    Ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB C 66 I van 19.2.2019, blz. 1).
  • (4) 
    De definitieve begroting omvat de oorspronkelijke begroting en daaropvolgende gewijzigde begrotingen die door de begrotingsautoriteit zijn goedgekeurd.
  • (5) 
    De betalingen bedroegen in 2018 in totaal 156,7 miljard EUR, en bestonden uit betalingen van de definitieve begroting 2018 van 142,7 miljard EUR, overdrachten van 1,9 miljard EUR en bestemmingsontvangsten van 12,1 miljard EUR. Wij sluiten overdrachten en bestemmingsontvangsten uit, omdat deze geen deel uitmaken van de vastgestelde begroting en hiervoor andere regels gelden. Voor meer informatie, zie deel A4-A5 van het “Report on the budgetary and financial management of the European Commission — for the financial year 2018”.
  • (6) 
    De ESI-fondsen bestaan uit het Cohesiefonds van het voorgaande MFK, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV).
  • (7) 
    Op basis van door de Commissie verstrekte cijfers over de toewijzing aan de lidstaten van 464,9 miljard EUR in het kader van ESI-fondsenprogramma’s en 1 087,2 miljard EUR aan vastleggingskredieten uit het MFK 2014-2020, overeenkomstig de technische aanpassing in 2018 — COM(2017) 473.
  • (8) 
    Het hoogste bedrag werd toegevoegd bij gewijzigde begroting nr. 3, namelijk 500 miljoen EUR voor de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, als deel van de tweede tranche van 3 miljard EUR voor de Faciliteit in de periode 2018-2019, zoals was overeengekomen in de verklaring EU-Turkije van 18 maart 2016.
  • (9) 
    Zie de paragrafen 2.5-2.16 van ons Jaarverslag 2017 en de antwoorden daarop van de Commissie.
  • Voor het Elfpo werd de voorfinanciering alleen in de eerste drie jaar van de periode 2014-2020 betaald (overeenkomstig artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013).
  • Zie de paragrafen 1.51-1.53 van ons Jaarverslag 2012.
  • Slechts een kleine OMB-marge van 219 miljoen EUR (183 miljoen EUR in prijzen van 2011) van de 11,4 miljard EUR die beschikbaar was aan ongebruikte betalingskredieten uit 2018 werd overgedragen naar 2020. Zie COM(2019) 310, blz. 7.
  • Het maximum voor betalingskredieten voor 2019 is 166,7 miljard EUR en omvat de OMB. Zelfs als de OMB van 12,9 miljard EUR wordt afgetrokken, is het maximum nog steeds hoger dan de 148,2 miljard EUR aan betalingskredieten in de goedgekeurde begroting 2019.
  • Zie de ontwerpbegroting voor 2020: COM(2019) 400.
  • COM(2018) 687 final — Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, “Langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen op de EU-begroting (2019-2023)”.
  • Uitgebracht in april 2019.
  • Zie voetnoot 15.
  • Dit werd bevestigd door de goedgekeurde begroting voor 2019, waarin betalingskredieten waren opgenomen van 148,2 miljard EUR — 18,5 miljard EUR minder dan het maximum van 166,7 miljard EUR.
  • Rubriek 1b Economische, sociale en territoriale cohesie: 48,5 miljard EUR en rubriek 2 — Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen: 15,2 miljard EUR.
  • Zie ons Jaarverslag 2017, de paragrafen 2.13-2.19.
  • Deze garanties worden gedekt door het Garantiefonds, waardoor een liquiditeitsbuffer tegen potentiële verliezen wordt gevormd. Dit fonds moet worden gehandhaafd op 9 % van de niet-afgewikkelde gegarandeerde leningen aan het einde van het jaar. Betalingen uit het garantiefonds worden verricht wanneer er beroep wordt gedaan op de garanties.
  • Zie de paragrafen 2.42-2.45 van ons Jaarverslag 2017 en de toelichtingen 4.1.1-4.1.3 bij de geconsolideerde financiële staten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018.
  • Verscheidene verplichtingen komen ten laste van de EU-begroting: werkelijke verplichtingen in de balans, begrotingsverplichtingen zoals niet-afgewikkelde vastleggingen, en gerelateerde verplichtingen, die voornamelijk garanties betreffen.
  • Verordening (EU) 2017/2396 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1316/2013 en Verordening (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 34).
  • Uitbetalingen zijn de door garanties gedekte bedragen die aan eindbegunstigden zijn verstrekt.
  • SWD(2016) 297 final — Werkdocument van de diensten van de Commissie bij het voorstel van de Commissie COM(2016) 597 final met als titel “Evaluation”.
  • Het meest recente verslag is COM(2018) 609 final, “Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende door de algemene begroting gedekte garanties — Situatie op 31 december 2017”.
  • Zie toelichting 2.4.1 bij de geconsolideerde financiële staten van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018.
  • COM(2018) 325 — Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie.
  • Dit is het percentage dat wordt gebruikt om het te bedrag aan geldmiddelen en kasequivalenten te bepalen dat nodig is in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds om beroepen op de garantie te honoreren.
  • Artikel 213 van het Financieel Reglement (Verordening (EU, Euratom) 2018/1046).
  • Advies nr. 1/2017 over het voorstel tot herziening van het “Financieel Reglement”.
  • De EIB-groep bestaat uit de Europese Investeringsbank (EIB), het Europees Investeringsfonds (EIF) en het EU-microfinancieringsplatform.
  • Financieel verslag van de EIB-groep 2018, blz. 44.
  • Speciaal verslag nr. 03/2019 — “Europees Fonds voor strategische investeringen: er zijn maatregelen nodig om het EFSI echt een succes te maken”.
  • Zie bijvoorbeeld Speciaal verslag nr. 19/2016 “Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten — lessen die uit de programmeringsperiode 2007 2013 moeten worden getrokken”, Speciaal verslag nr. 01/2018 “Gezamenlijke ondersteuning van projecten in de Europese regio’s (Jaspers) — tijd voor een meer doelgerichte aanwending”.
  • Deze bedragen omvatten vastleggingen en betalingen uit de EU-begroting en het EOF.
  • De uitschieter in 2008 valt samen met het begin van het tiende EOF. Het hoge bedrag in 2008 is het gevolg van de wijze waarop vastleggingen in het kader van de EOF’s in de rekeningen worden opgenomen: alle vastleggingen voor de hele programmeringsperiode worden aan het begin van de zevenjarige periode gedaan. In de EU-begroting worden vastleggingen jaarlijks geboekt.
  • Het EFSI-garantiefonds wordt door de Commissie beheerd en het Garantiefonds door de EIB.
  • Zie paragraaf 72 van P8_TA-PROV (2019)0036 — Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2019 over het jaarverslag 2017 inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2017 (2018/2151(INI))

BIJLAGE 2.1

EIB-MANDATEN VAN DE EU — HOOFDCATEGORIEËN

De EIB informeerde ons dat zij de mandaten van de EU in zes hoofdcategorieën indeelt, gebaseerd op de onderliggende structuur, het ontwerp en de inzet van de middelen van partners.

 

Categorieën mandaten

Voorbeelden

Het mandaat voor risicodeling — de middelen van de partners worden ingezet om te zorgen voor eersteverliestranchebescherming voor de in aanmerking komende acties. Dit is gebaseerd op een mechanisme voor de deling van risico’s die zijn verbonden aan de onderliggende verrichtingen in de portefeuille (of subportefeuille) van leningen die zijn gebaseerd op vooraf vastgestelde risicodelingsvoorwaarden en in overeenstemming zijn met de gestelde hefboomdoelstellingen voor de bijdrage van beide.

Innovfin, EU-financiering voor innovatieve ondernemingen, is een programma in het kader van Horizon 2020, het Europese programma voor onderzoek en innovatie, en omvat financieringsinstrumenten die een breed scala aan leningen, garanties en financiering van het type eigen vermogen bestrijken.

EFSI, het Europees Fonds voor strategische investeringen, is een gezamenlijk initiatief van de EIB-groep en de Commissie om de huidige investeringskloof in de EU te helpen dichten.

De mandaten voor portefeuillegarantie — de partner biedt een garantie die een vooraf omschreven aandeel van de blootstelling van de EIB dekt, tot een maximum.

Het mandaat voor externe leningen (ELM) is het wettelijk kader waarmee aan de EIB een EU-garantie wordt verstrekt tegen verliezen op leningen en leninggaranties voor projecten buiten de EU.

De mandaten voor directe investeringen van middelen van derden — de EIB investeert de middelen van de partners direct.

Cotonou-investeringsfaciliteit — de overeenkomst van Cotonou is een overeenkomst tussen de EU en de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan. Het beheer van de investeringsfaciliteit die in de overeenkomst van Cotonou is opgericht, is aan de EIB toevertrouwd.

De gemengde mandaten — de EIB verzoekt per geval om toegang tot externe subsidiëring. Mandaat gebaseerd op een combinatie van leningen en andere financieringsinstrumenten met verschillende financiële voorwaarden en kenmerken (zoals subsidies, leningen en garanties).

AIP, het Afrikaanse investeringsplatform, is een financieel mechanisme dat subsidies combineert met andere middelen zoals leningen van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering om extra financiering voor ontwikkeling aan te trekken en de impact van EU-steun te versterken.

NIP, het investeringsplatform voor het nabuurschap, is een mechanisme dat tot doel heeft extra middelen aan te trekken om kapitaalintensieve infrastructuurprojecten te financieren in EU-partnerlanden die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen.

De trustfondsen — de middelen van de donoren worden samengevoegd in een door de EIB beheerd trustfonds, en deze middelen zijn of uitsluitend beschikbaar voor gebruik door de EIB, of beschikbaar voor alle in aanmerking komende instellingen.

EPTATF, het Trustfonds voor technische bijstand aan het Oostelijk Partnerschap, is een multidonor- en multisectoraal trustfonds.

ERIF, het Economic Resilience Initiative Fund, heeft tot doel de capaciteit van de economieën in de landen van het zuidelijk nabuurschap en de westelijke Balkan te ondersteunen, naar aanleiding van een oproep van de Europese Raad.

De mandaten voor garantie-instrumenten — de EIB verbindt zich ertoe een betaling te verrichten wanneer de omstandigheden die in de garantie zijn gespecificeerd zich hebben voorgedaan.

PF4EE, het instrument voor particuliere financiering van energie-efficiëntie, is een gezamenlijke overeenkomst tussen de EIB en de Commissie, gefinancierd door het LIFE-programma, die bescherming tegen kredietrisico’s biedt aan financieel intermediairs die samen met de EIB energie-efficiënte projecten cofinancieren.

BIJLAGE 2.2

EU-FINANCIERINGSINSTRUMENTEN BEHEERD DOOR DE EIB-GROEP

 
 

Financieringsinstrumenten — situatie op 31 december 2018

Beheerd door

1

Garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren

EIF

2

Erasmus+-garantiefaciliteit voor studentenleningen

EIF

3

Garantiefaciliteit voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) in het kader van het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP)

EIF

4

Meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap (MAP), eigenvermogensfaciliteit (ETFSU 2001)

EIF

5

Capaciteitsopbouw voor werkgelegenheid en sociale innovatie

EIF

6

Faciliteit voor snelgroeiende, innovatieve kmo’s in het kader van het CIP

EIF

7

Proefprojecten technologieoverdracht

EIF

8

Programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie, garanties in het kader van de pijler microfinanciering en sociaal ondernemerschap, en het onderdeel voor capaciteitsopbouw

EIF

9

Europees Progress-microfinancieringsfonds

EIF

10

Europese Progress-microfinancieringsgarantiefaciliteit

EIF

11

Leninggarantiefaciliteit in het kader van het EU-programma voor het concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme)

EIF

12

Eigenvermogensfaciliteit voor groei in het kader van Cosme

EIF

13

Garantiefaciliteit I in het kader van de faciliteit voor bedrijfsontwikkeling en innovatie voor de Westelijke Balkan (WB EDIF)

EIF

14

Garantiefaciliteit II in het kader van WB EDIF

EIF

15

Garantiefaciliteit II in het kader van WB EDIF — onderdeel Servië

EIF

16

Garantiefaciliteit II in het kader van WB EDIF — jeugdwerkgelegenheid

EIF

17

EU-kmo-initiatief

EIF

18

Horizon 2020 EIF — InnovFin eigenvermogensfaciliteit voor onderzoek en innovatie (O&I)

EIF

19

Financieringsfaciliteit met risicodeling in het kader van het zevende kaderprogramma

EIF/EIB

20

Horizon 2020 — EU-financiering voor innovatieve ondernemingen (InnovFin) — kmo-garantiefaciliteit

EIF/EIB

21

InnovFin — Horizon 2020-faciliteit voor O&I-leningen

EIB

22

Instrumenten voor particuliere financiering van energie-efficiëntie (PF4EE)

EIB

23

Risicodelings-schuldinstrument in het kader van de Financieringsfaciliteit voor Europese Verbindingen

EIB

24

Faciliteit voor de financiering van natuurlijk kapitaal (NCFF)

EIB

25

Investeringsplatform voor het nabuurschapsbeleid (NIP) — EU-faciliteit voor een diepe en brede vrijhandelszone

EIB

26

Risicokapitaalfaciliteit voor de landen van het zuidelijke nabuurschap (gefinancierd in het kader van het NIP)

EIB

27

EU-programma voor handel en concurrentievermogen in Marokko, Tunesië, Egypte en Jordanië (gefinancierd in het kader van het NIP)

EIB

28

Afrikaans investeringsplatform (AIP)

EIB

29

Investeringsfaciliteit voor Centraal-Azië (IFCA)

EIB

30

Aziatische investeringsfaciliteit (AIF)

EIB

31

Investeringsfaciliteit voor Latijns-Amerika (LAIF)

EIB

32

Caribische investeringsfaciliteit (CIF)

EIB

33

Investeringsfaciliteit voor de Stille Oceaan (IFP)

EIB


HOOFDSTUK 3

Resultaten behalen met de EU-begroting

INHOUD

 

Inleiding

3.1

Deel 1 — Wat kunnen we opmaken uit de prestatie-indicatoren van de EU-begroting?

3.2-3.35

Onderdeel A — De-indicatoren wijzen op grote verschillen in hetgeen is verwezenlijkt en matige algemene vooruitgang

3.7-3.20

Rubriek 1a: de indicatoren wijzen op goede vooruitgang bij Erasmus+ en het EFSI en matige vooruitgang bij Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility

3.13

Rubriek 1b: de indicatoren laten voor Cohesie een relatief geringe vooruitgang zien ten gevolge van de late start

3.14

Rubriek 2: op basis van de indicatoren was het niet mogelijk de vooruitgang vast te stellen voor de meeste uitgaven op het gebied van “Natuurlijke hulpbronnen”

3.15

Rubriek 3: volgens de indicatoren voor “Veiligheid en burgerschap” vertonen twee programma's goede vooruitgang, één matige vooruitgang en loopt er één achter

3.16-3.17

Rubriek 4: uit de indicatoren blijkt een algemeen redelijke vooruitgang bij de programma's in het kader van “Europa als wereldspeler”

3.18-3.19

Speciale instrumenten: Onvoldoende informatie over de bereikte voortgang

3.20

Onderdeel B — De indicatoren gaven niet altijd een goed beeld van de werkelijke vooruitgang

3.21-3.35

Veel indicatoren waren niet goed gekozen

3.22-3.27

Voor veel indicatoren kon geen vooruitgang worden berekend

3.28-3.30

Bij sommige programma's was de kwaliteit van de beschikbare gegevens ontoereikend

3.31-3.33

Sommige programma's bevatten streefdoelen die niet voldoende ambitieus zijn

3.34-3.35

Deel 2 — Resultaten van de doelmatigheidscontroles van de Rekenkamer: belangrijkste conclusies en aanbevelingen

3.36-3.71

Inleiding

3.36

Rubriek 1a “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid” en rubriek 1b “Economische, sociale en territoriale cohesie”

3.37-3.49

Rubriek 2 “Natuurlijke hulpbronnen”

3.50-3.52

Rubriek 3 “Veiligheid en burgerschap” en rubriek 4 “Europa als wereldspeler”

3.53-3.61

Rubriek 5 “Administratie”

3.62-3.64

Verslagen over de “functionerende eengemaakte markt en duurzame monetaire unie”

3.65-3.71

Deel 3 — Follow-up van aanbevelingen

3.72-3.78

We hebben de uitvoering van alle aanbevelingen van 2015 aan de Commissie geanalyseerd

3.73-3.74

Op welke wijze is de Commissie ingegaan op onze aanbevelingen?

3.75-3.78

Conclusies en aanbevelingen

3.79-3.85

Conclusies

3.79-3.83

Aanbevelingen

3.84-3.85

Bijlage 3.1 —

Lijst van programma's in onze steekproef

 

Bijlage 3.2 —

Aanbevelingen van 2018 aan de lidstaten

 

Bijlage 3.3 —

Gedetailleerde stand van zaken van de aanbevelingen van 2015, opgesplitst naar verslag

 

Bijlage 3.4 —

Verwezenlijkte verbeteringen en resterende tekortkomingen van gedeeltelijk uitgevoerde aanbevelingen, opgesplitst naar verslag

 

Bijlage 3.5 —

Follow-up van eerdere aanbevelingen voor kwesties in verband met het prestatiekader

 

Inleiding

 
 

3.1.

Elk jaar analyseren we in dit hoofdstuk een aantal aspecten in verband met de prestaties: de resultaten die zijn behaald met de EU-begroting, die de Commissie in samenwerking met de lidstaten uitvoert (1). Dit jaar hebben we bijzondere aandacht geschonken aan:

  • 1) 
    wat we kunnen opmaken uit de prestatie-indicatoren voor de EU-begroting;
  • 2) 
    de belangrijkste resultaten van onze speciale verslagen over prestaties uit 2018;
  • 3) 
    de uitvoering van onze aanbevelingen in onze speciale verslagen die werden gepubliceerd in 2015.

Deel 1 — Wat kunnen we opmaken uit de prestatie-indicatoren van de EU-begroting?

 
 

3.2.

De afgelopen twee jaar hebben we de aanpak door de Commissie van verslaglegging over prestaties naast goede praktijken gelegd. We hebben ook bekeken of de Commissie de prestatiegegevens op passende wijze bij haar besluitvorming had gebruikt. Dit jaar hebben we door de Commissie bekendgemaakte prestatiegegevens geanalyseerd. We hebben in het bijzonder de prestatie-indicatoren geanalyseerd:

  • i) 
    in de programmaverklaringen bij de ontwerpbegroting voor 2019 (2);
  • ii) 
    in het prestatieoverzicht van de programma’s in het kader van de EU-begroting voor de periode 2014-2020, dat voor het eerst in mei 2018 is gepubliceerd (3).
 

3.3.

In het prestatieoverzicht worden aan elk programma twee bladzijden gewijd. Een halve bladzijde daarvan bevat een samenvatting van de algemene en specifieke doelstellingen en de geboekte vooruitgang voor een aantal indicatoren. Waarom juist die indicatoren zijn gekozen, wordt echter niet goed uitgelegd. De publicatie van het prestatieoverzicht betekent een grote stap vooruit en toont aan dat de Commissie lezersvriendelijke verslagen wil opstellen. Volgens de Commissie is het prestatieoverzicht een uittreksel uit de programmaverklaringen bij de ontwerpbegroting voor 2019. Het is opgesteld om alle uitgavenprogramma’s van de EU (2014-2020) op een beknopte en uniforme manier te presenteren, uit te leggen wat elk programma inhoudt en hoe het aan de EU-burgers ten goede moet komen, informatie te bieden over de staat van uitvoering ervan, het prestatiekader voor elk programma voor te stellen en belangrijke resultaten die recentelijk met elk programma zijn behaald onder de aandacht te brengen.

 

3.4.

De programmaverklaringen vormen samen een 557 bladzijden tellend document dat niet erg lezersvriendelijk is. Dit document bevat geen overzicht van hoe goed de 60 programma’s in het MFK voor 2014-2020 presteren.

 

3.5.

Voor onze analyse hebben we 22 van de 60 uitgavenprogramma’s geselecteerd, namelijk de vier programma’s waarvoor de hoogste uitgaven zijn gepland in elk van de vijf rubrieken van het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020, plus twee programma’s voor speciale instrumenten. De 22 geselecteerde programma’s vertegenwoordigen 97 % van de financiële programmering voor de periode van zeven jaar (zie bijlage 3.1 voor een lijst van de betrokken programma’s).

 

3.6.

In onderdeel A geven we een samenvatting op geaggregeerd niveau van de informatie die uit de prestatie-indicatoren van de EU-begroting blijkt. Bij de interpretatie van deze analyse moet rekening worden gehouden met de beperkingen van de informatie afkomstig van de prestatie-indicatoren van de EU-begroting, die we beschrijven in onderdeel B.

Onderdeel A — De-indicatoren wijzen op grote verschillen in hetgeen is verwezenlijkt en matige algemene vooruitgang

 
 

3.7.

Het is een hele uitdaging om hetgeen is verwezenlijkt in het kader van de prioriteiten, beleidsmaatregelen en programma’s van de EU te meten. Soms is het moeilijk een onderscheid te maken tussen het effect van de EU-begroting en dat van de nationale begrotingen of externe factoren. Doeltreffende prestatiemonitoring is echter van essentieel belang om inzicht te krijgen in de toestand, opkomende problemen vast te stellen en empirisch onderbouwde besluiten te kunnen nemen om behoorlijke prestaties te waarborgen.

 

3.8.

We hebben onze beoordeling hoofdzakelijk gericht op de kwantitatieve informatie die bleek uit de prestatie-indicatoren. Zoals wij opmerkten in het Jaarverslag 2016 (4) verstrekt de Commissie geen informatie over de betrouwbaarheid van de onderliggende gegevens in de programmaverklaringen.

 

3.9.

Voor elk gecontroleerd programma verstrekken we twee sets prestatiegegevens:

  • — 
    de vooruitgang die is geboekt ten opzichte van de uitgangswaarde (5) in de richting van het streefdoel op basis van de gegevens in de programmaverklaringen. Dit is een veelgebruikte methode die gemakkelijk te berekenen is (6). De Commissie heeft naar deze methode verwezen in haar richtsnoeren voor betere regelgeving, waarin wordt gesteld dat het verwachte belang van impact moet worden beoordeeld uit een oogpunt van veranderingen ten opzichte van de uitgangswaarde (7);
  • — 
    berekende vooruitgang vanaf nul in de richting van het streefdoel, zoals opgenomen in het prestatieoverzicht van de Commissie (8). Die cijfers verschillen van die van het eerste streepje hierboven omdat zij zijn gebaseerd op een door de Commissie gemaakte selectie van indicatoren en voor de berekening ervan het laatste werkelijke resultaat doorgaans werd gedeeld door de streefwaarde zonder rekening te houden met de uitgangswaarde. Zij bevatten ook percentageprognoses voor vooruitgang richting het streefdoel die veel hoger zijn voor twee programma’s: het Cohesiefonds (CF) en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). Dat verklaart het merendeel van de verschillen tussen onze berekeningen op basis van de programmaverklaringen en die op basis van het prestatieoverzicht in het algemeen.

In kader 3.1 worden de verschillen tussen de twee berekeningsmethoden duidelijk.

 

Kader 3.1

Verschillende manieren om vooruitgang te berekenen

 
   

Uitgangswaarde

Werkelijk resultaat

Streefdoel

Vooruitgang

Vooruitgang %

 
 

Vooruitgang berekend van de uitgangswaarde in de richting van het streefdoel

40

70

100

30

30/(100-40)=50 %

 
 

Vooruitgang berekend van nul in de richting van het streefdoel

40

70

100

70

70/100=70 %

 

Bron:

ERK.

 

3.10.

De vooruitgang ten opzichte van de uitgangspercentages zijn de gemiddelden van alle indicatoren van een programma waarvoor de nodige gegevens beschikbaar waren in de programmaverklaringen. Volgens ons bieden dergelijke gemiddelden nuttige indicatoren voor de programmaprestaties indien alle programma-indicatoren van de vereiste kwaliteit zijn. Bij het prestatieoverzicht van de Commissie hebben we de gemiddelde vooruitgang berekend voor de geselecteerde indicatoren. We hebben ook gewogen gemiddelden voor elke MFK-rubriek berekend op basis van de financiële programmering voor 2014-2020 voor beide soorten vooruitgangsindicatoren. We wijzen erop dat die informatie beperkingen kan vertonen en dat het voor een volledig beeld van de prestaties beter is ze aan te vullen met kwalitatieve informatie.

 

3.11.

De beschikbaarheid van de prestatiegegevens was verschillend afhankelijk van de beheerswijze van het programma. Bij programma’s onder direct beheer van de Commissie waren de meest recente gegevens doorgaans van eind 2017. Bij programma’s onder gedeeld beheer waren de meest recente, door de lidstaten verstrekte gegevens doorgaans van eind 2016. De gegevens bij programma’s onder indirect beheer dateerden hoofdzakelijk uit 2017 of 2016, maar in sommige gevallen uit 2015 of nog eerder. Algemeen genomen, dateerden de meest recente beschikbare gegevens voor onze steekproef in 42 % van de gevallen uit 2016 en in 48 % van de gevallen uit 2017.

 

3.12.

De verwachte vooruitgang van de prestatie-indicatoren tussen 2014 en 2020 verloopt in de meeste gevallen weliswaar niet lineair, maar zou in 2016 43 % en in 2017 57 % hebben bedragen als dit wel het geval was geweest (9). Globaal genomen wijzen de door de Commissie ter beschikking gestelde gegevens op grote verschillen in hetgeen is verwezenlijkt in het kader van de programma’s, met over het geheel genomen een matige vooruitgang (zie kader 3.2 ).

Kader 3.2

Totale steekproef van 22 programma’s — Vooruitgang volgens de prestatie-indicatoren van de EU-begroting

 
 

MFK-rubriek

Aantal indicatoren

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel, berekend met verschillende methodologieën (zie paragraaf 3.9)

 
 

Totaal

Meetbare vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde

op basis van de programmaverklaringen

op basis van het prestatieoverzicht

 
 

1A — Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid

147

57

46 %

71 %

 
 

1B — Economische, sociale en territoriale cohesie

87

60

31 %

40 %

 
 

2 — Natuurlijke hulpbronnen

105

54

31 %

51 %

 
 

3 — Veiligheid en burgerschap

74

48

49 %

64 %

 
 

4 — Europa als wereldspeler

65

49

49 %

68 %

 
 

Speciale instrumenten

2

1

100 %

100 %

 
 

Totaal

480

269

     

NB:

Door een gebrek aan gegevens is er bij de berekeningen van de gewogen gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel geen rekening gehouden met het ELGF en het SFEU (noch bij de berekening op basis van de programmaverklaringen, noch bij die op basis van het prestatieoverzicht).

Bron:

ERK.

Rubriek 1a: de indicatoren wijzen op goede vooruitgang bij Erasmus+ en het EFSI en matige vooruitgang bij Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility

 
 

3.13.

We hebben de indicatoren van 4 van de 23 programma’s van MFK-rubriek 1A “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid” geanalyseerd (zie ook hoofdstuk 5):

  • — 
    De bij het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (Horizon 2020) gemeten vooruitgang was matig met 40 % (zie kader 3.3 ). Het prestatieoverzicht van de Commissie gaf een positiever beeld van de geboekte vooruitgang. Op basis van de zeven indicatoren die door de Commissie in haar prestatieoverzicht waren opgenomen, berekenden we een gemiddelde vooruitgang in richting van het streefdoel met 73 %.
  • — 
    Het was niet mogelijk om de vooruitgang van de Connecting Europe Facility (CEF) te meten voor 31 van de 44 indicatoren wegens ontbrekende gegevens. De overige indicatoren vertoonden een matige vooruitgang van 37 %. De cijfers uit het prestatieoverzicht vertegenwoordigen alleen het totaalbedrag van de subsidieovereenkomsten, m.a.w. de absorptie van de begroting in plaats van prestaties.
  • — 
    Volgens het prestatieoverzicht van de Commissie bedroeg de vooruitgang in het EU-programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport (Erasmus+) 100 %. Bij deze meting werden de werkelijke resultaten echter vergeleken met de mijlpaal van 2017 en niet met het streefdoel voor 2020. De vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde van 69 % is gebaseerd op de 26 indicatoren waarvoor deze kon worden berekend.
  • — 
    Het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) heeft als streefdoel om uiterlijk in 2020 500 miljard EUR aan investeringen te mobiliseren. Het werkelijke bedrag voor 2017 was 256,3 miljard EUR. In het prestatieoverzicht werden de resultaten vergeleken met het streefdoel voor midden 2018 van 315 miljard EUR, dat oorspronkelijk was vastgesteld voor de eerste drie jaar van het bestaan van het fonds. Op basis van de zes in het prestatieoverzicht geselecteerde indicatoren waren de tussentijdse streefdoelen voor 2017 volledig bereikt (10).

Kader 3.3

MFK-rubriek 1a — Vooruitgang volgens de prestatie-indicatoren van de EU-begroting

 
 

Programma

Aantal indicatoren

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel, berekend met verschillende methodologieën (zie paragraaf 3.9)

 
 

Totaal

Meetbare vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde

op basis van de programmaverklaringen

op basis van het prestatieoverzicht

 
 

Horizon 2020

52

13

40 %

73 %

 
 

CEF

44

13

37 %

23 %

 
 

Erasmus+

38

26

69 %

100 %

 
 

EFSI

13

5

82 %

100 %

 
 

Totaal

147

57

     
 

Gewogen gemiddelde

   

46 %

71 %

 

Bron:

ERK.

Rubriek 1b: de indicatoren laten voor Cohesie een relatief geringe vooruitgang zien ten gevolge van de late start

 
 

3.14.

Terwijl de vooruitgang ten opzichte van het uitgangspercentage (31 %) vrij gering was, vertoonde het op basis van het prestatieoverzicht van de Commissie door ons berekende cijfer (40 %) matige vooruitgang voor MFK-rubriek 1B “Economische, sociale en territoriale cohesie” wanneer rekening werd gehouden met prognoses in plaats van werkelijke gegevens. Deze resultaten zijn hoofdzakelijk te wijten aan de laattijdige vaststelling van wetgeving en de daaropvolgende vertraging in de uitvoering van de cohesieprogramma’s, met name het CF, het EFRO en het Europees Sociaal Fonds (ESF). Deze rubriek omvat vier programma’s (zie ook hoofdstuk 6), die allemaal deel uitmaakten van onze steekproef:

  • — 
    De indicatoren voor het CF en het EFRO lieten weinig vooruitgang zien, mede doordat alleen de resultaten van volledig uitgevoerde concrete acties (11) waren meegedeeld. Zelfs met inbegrip van prognoses, waarvan de bron niet wordt toegelicht, vertoonde het op basis van het prestatieoverzicht van de Commissie door ons berekende cijfer slechts een matige vooruitgang van 35 % voor het CF en van 34 % voor het EFRO (zie kader 3.4 ).
  • — 
    Voor het ESF kon de vooruitgang ten opzichte van het uitgangspercentage van 75 % alleen worden berekend op basis van 3 van de 13 indicatoren. Het door ons op basis van het prestatieoverzicht van de Commissie berekende cijfer (12) was lager, namelijk 55 %.
  • — 
    Bij het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen wees onze berekening op een matige vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde van 39 % voor de enige specifieke doelstellingsindicator die het “aantal mensen dat steun ontvangt uit het fonds” meet. Ons totale voortgangspercentage van 50 % was hoger omdat de enige algemene doelstellingsindicator betreffende het “aantal mensen dat risico loopt op armoede en sociale uitsluiting” een vooruitgang met 61 % liet zien.

Kader 3.4

MFK-rubriek 1b — Vooruitgang volgens de prestatie-indicatoren van de EU-begroting

 
 

Programma

Aantal indicatoren

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel, berekend met verschillende methodologieën (zie paragraaf 3.9)

 
 

Totaal

Meetbare vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde

op basis van de programmaverklaringen

op basis van het prestatieoverzicht

 
 

EFRO

50

42

13 %

34 %

 
 

ESF

13

3

75 %

55 %

 
 

CF

22

13

26 %

35 %

 
 

Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen

2

2

50 %

100 %

 
 

Totaal

87

60

     
 

Gewogen gemiddelde

   

31 %

40 %

 

Bron:

ERK.

Rubriek 2: op basis van de indicatoren was het niet mogelijk de vooruitgang vast te stellen voor de meeste uitgaven op het gebied van “Natuurlijke hulpbronnen”

 
 

3.15.

De gewogen gemiddelde vooruitgang voor rubriek 2 “Natuurlijke hulpbronnen”, gebaseerd op onze steekproef, bedroeg 31 % (zie kader 3.5 ) — de geringste vooruitgang van alle MFK-rubrieken, samen met MFK-rubriek 1b. De EU voert haar beleid onder MFK-rubriek 2 uit door middel van vijf programma’s (zie ook hoofdstuk 7). Onze steekproef bestreek de vier grootste hiervan:

  • — 
    Bij het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) konden wij, hoofdzakelijk door een gebrek aan kwantitatieve streefdoelen, slechts voor een van de 27 indicatoren uit de programmaverklaring de vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde berekenen. De enige indicator in kwestie — “Percentage van uitgaven (ELGF + Elfpo) met statistieken of 100 %-controles” — volstaat niet om een representatief beeld te bieden van hetgeen met het programma is verwezenlijkt. Het ELGF is goed voor vier vijfde van de uitgaven van rubriek 2.
  • — 
    Bij het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) bedroeg de vooruitgang 28 %, gebaseerd op 24 indicatoren. In de meeste gevallen had dit cijfer louter betrekking op hetgeen in het eerste jaar van uitvoering is verwezenlijkt. De meest recente gegevens dateerden van 2016 en de overgrote meerderheid van de programma’s voor plattelandsontwikkeling waarmee de lidstaten en regio’s het Elfpo uitvoeren, was in 2015 van start gegaan. De vooruitgang was beter bij de tien indicatoren die de Commissie voor haar prestatieoverzicht had geselecteerd.
  • — 
    Bij het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) konden we de vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde voor meer dan de helft van de indicatoren berekenen. Bij het EFMZV was het resultaat 58 % (gebaseerd op 8 van de 15 indicatoren) en bij het LIFE-programma 77 % (gebaseerd op 21 van de 33 indicatoren).

Kader 3.5

MFK-rubriek 2 — Vooruitgang volgens de prestatie-indicatoren van de EU-begroting

 
 

Programma

Aantal indicatoren

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel, berekend met verschillende methodologieën (zie paragraaf 3.9)

 
 

Totaal

Meetbare vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde

op basis van de programmaverklaringen

op basis van het prestatieoverzicht

 
 

ELGF

27

1

N.v.t.

N.v.t.

 
 

Elfpo

30

24

28 %

51 %

 
 

EFMZV

15

8

58 %

33 %

 
 

LIFE

33

21

77 %

89 %

 
 

Totaal

105

54

     
 

Gewogen gemiddelde zonder het ELGF

   

31 %

51 %

 

NB:

Door een gebrek aan gegevens is er bij de berekeningen van de gewogen gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel geen rekening gehouden met het ELGF (noch bij de berekening op basis van de programmaverklaringen, noch bij die op basis van het prestatieoverzicht).

Bron:

ERK.

Rubriek 3: volgens de indicatoren voor “Veiligheid en burgerschap” vertonen twee programma’s goede vooruitgang, één matige vooruitgang en loopt er één achter

 
 

3.16.

We hebben vier van de elf programma’s in MFK-rubriek 3 “Veiligheid en burgerschap” (zie ook hoofdstuk 8) uitgekozen: het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid, het programma Levensmiddelen en diervoeders, en het programma Creatief Europa. De gewogen gemiddelde vooruitgang voor al die programma’s samen ten opzichte van de uitgangswaarde was globaal genomen redelijk met 49 % (zie kader 3.6 ).

 

3.17.

Uit de gemiddelde vooruitgang, wanneer deze kon worden berekend op basis van gegevens uit 2017, kon worden opgemaakt dat zowel het Fonds voor asiel, migratie en integratie (53 %) als het Fonds voor interne veiligheid (56 %) op koers lagen. Het programma Creatief Europa vertoonde een matige vooruitgang van 41 %, terwijl het programma voor levensmiddelen en diervoeders achter leek te lopen met een vooruitgang van 20 %.

Kader 3.6

MFK-rubriek 3 — Vooruitgang volgens de prestatie-indicatoren van de EU-begroting

 
 

Programma

Aantal indicatoren

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel, berekend met verschillende methodologieën (zie paragraaf 3.9)

 
 

Totaal

Meetbare vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde

op basis van de programmaverklaringen

op basis van het prestatieoverzicht

 
 

Fonds voor asiel, migratie en integratie

23

20

53 %

60 %

 
 

Fonds voor interne veiligheid

20

19

56 %

55 %

 
 

Levensmiddelen en diervoeders

7

2

20 %

81 %

 
 

Programma Creatief Europa

24

7

41 %

84 %

 
 

Totaal

74

48

     
 

Gewogen gemiddelde

   

49 %

64 %

 

Bron:

ERK.

Rubriek 4: uit de indicatoren blijkt een algemeen redelijke vooruitgang bij de programma’s in het kader van “Europa als wereldspeler”

 
 

3.18.

We hebben 4 van de 15 programma’s in MFK-rubriek 4 “Europa als wereldspeler” geanalyseerd: het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) en humanitaire hulp (zie ook hoofdstuk 9). De gewogen gemiddelde vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde was globaal genomen redelijk met 49 % (voor de 49 — van in totaal 65 — indicatoren waarvoor deze kon worden berekend — zie kader 3.7 ).

 

3.19.

Voor alle programma’s, met uitzondering van het DCI, was de in het prestatieoverzicht van de Commissie gerapporteerde vooruitgang beduidend groter. Dit is toe te schrijven aan de keuze van de indicatoren. Bij het DCI berekende de Commissie de vooruitgang in de richting van het streefdoel bij wijze van uitzondering ten opzichte van de uitgangswaarde, zonder in het prestatieoverzicht uit te leggen waarom die methode was gebruikt.

Kader 3.7

MFK-rubriek 4 — Vooruitgang volgens de prestatie-indicatoren van de EU-begroting

 
 

Programma

Aantal indicatoren

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel, berekend met verschillende methodologieën (zie paragraaf 3.9)

 
 

Totaal

Meetbare vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde

op basis van de programmaverklaringen

op basis van het prestatieoverzicht

 
 

DCI

11

11

50 %

31 %

 
 

ENI

24

18

46 %

79 %

 
 

IPA II

19

11

41 %

94 %

 
 

Humanitaire hulp

11

9

67 %

93 %

 
 

Totaal

65

49

     
 

Gewogen gemiddelde

   

49 %

68 %

 

Bron:

ERK.

Speciale instrumenten: Onvoldoende informatie over de bereikte voortgang

 
 

3.20.

In de programmaverklaringen staat dat de streefdoelen bij twee speciale instrumenten van het MFK voor 2014-2020 zijn bereikt, maar dit wordt niet gestaafd met bewijsmateriaal:

  • — 
    Bij het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) was de Commissie van oordeel dat het streefdoel voor 2017 was bereikt, omdat de combinatie van maatregelen iedereen bestreek die door een crisissituatie was getroffen. De informatie over de werkelijke resultaten in de programmaverklaringen van mei 2018 had echter slechts betrekking op vier van de tien in 2017 ontvangen steunaanvragen.
  • — 
    Dankzij het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) zou 57 % van de ontslagen werknemers opnieuw aan de slag zijn, wat hoger is dan het streefdoel van 50 %. In de wetgeving (13) was echter een andere doelstelling opgenomen, namelijk dat “begunstigden […] zo spoedig mogelijk […] duurzaam werk vinden”.

Kader 3.8

Speciale instrumenten — Vooruitgang volgens de prestatie-indicatoren van de EU-begroting

 
 

Programma

Aantal indicatoren

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel, berekend met verschillende methodologieën (zie paragraaf 3.9)

 
 

Totaal

Meetbare vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde

op basis van de programmaverklaringen

op basis van het prestatieoverzicht

 
 

SFEU

1

0

N.v.t.

N.v.t.

 
 

EFG

1

1

100 %

100 %

 
 

Totaal

2

1

     
 

Gewogen gemiddelde zonder het SFEU

   

100 %

100 %

 

NB:

Door een gebrek aan gegevens is er bij de berekeningen van de gewogen gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel geen rekening gehouden met het SFEU (noch bij de berekening op basis van de programmaverklaringen, noch bij die op basis van het prestatieoverzicht).

Bron:

ERK.

Onderdeel B — De indicatoren gaven niet altijd een goed beeld van de werkelijke vooruitgang

 
 

3.21.

In dit onderdeel gaan we in op tekortkomingen die we hebben vastgesteld in de door de Commissie verstrekte prestatiegegevens. In de rechtshandelingen die ten grondslag liggen aan de programma’s voor het MFK voor 2014-2020, is vastgesteld over welke prestatie-indicatoren de Commissie verslag moet uitbrengen.

Veel indicatoren waren niet goed gekozen

De indicatoren waren grotendeels gericht op input en output in plaats van op resultaat en impact

 
 

3.22.

Prestatiemonitoring vereist dat de input, output, resultaten en impact van programma’s worden gemonitord (zie tabel 3.1 ). Input- en outputindicatoren zijn belangrijk voor het dagelijks beheer van openbare uitgavenprogramma’s. Resultaat- en impactindicatoren zijn nuttiger om vooruitgang in de richting van de programmadoelstellingen te beoordelen en zijn bijgevolg relevanter voor prestatieverslagen op hoog niveau, zoals de programmaverklaringen.

Tabel 3.1

Input, output, resultaat en impact

 
   

Definitie van indicator

Goede voorbeelden van indicatoren uit de programmaverklaringen

 
 

Input

Financiële, personele en materiële middelen die worden ingezet voor de uitvoering van het programma

  • — 
    Totale investeringen in energiebesparing en -efficiëntie (Elfpo)
  • — 
    % van de totale rechtstreekse betalingen die ontkoppeld zijn (ELGF)
  • — 
    Omvang van de investeringen in projecten van gemeenschappelijk belang (CEF)
 
 

Output (14)

Hetgeen de maatregel specifiek moet opleveren

  • — 
    Aantal maatregelen ter ondersteuning van de uitvoering van het zevende milieuactieprogramma (LIFE)
  • — 
    Totale lengte van nieuwe of verbeterde tram- en metrolijnen (EFRO)
  • — 
    Aantal aan het programma deelnemende scholieren, studenten en stagiairs, uitgesplitst naar land, sector, actie en geslacht (Erasmus+)
 
 

Resultaat

De onmiddellijke effecten van de maatregel in het bijzonder met betrekking tot de rechtstreekse adressaten

  • — 
    Aantal gecreëerde banen door middel van ondersteunde Leader-projecten (Elfpo)
  • — 
    Daling van het jaarlijks primair energieverbruik van openbare gebouwen (EFRO)
  • — 
    Octrooiaanvragen en octrooiverleningen voor toekomstige en opkomende technologieën (Horizon 2020)
 
 

Impact

De beoogde uitkomst van de maatregel wat betreft de impact ervan op de bredere economie/maatschappij en niet alleen op degenen die rechtstreeks door de maatregel worden geraakt

  • — 
    Aandeel van de EU-uitvoer van landbouwproducten op de wereldmarkt (ELGF)
  • — 
    Waarde van de aquacultuurproductie in de EU (EFMZV)
  • — 
    Aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindenergieverbruik (CF)
 

Bron:

ERK.

 

3.23.

Uit onze analyse blijkt dat meer dan 60 % van de indicatoren in de programmaverklaringen input- of outputindicatoren waren (15) (zie kader 3.9 ). Deze oververtegenwoordiging van input- en outputindicatoren beperkt de bruikbaarheid van de informatie over de geboekte vooruitgang met betrekking tot het bereiken van de doelstellingen (16).

Kader 3.9

Groot aandeel input- en outputindicatoren

 
 

Bron:

ERK.

Bij sommige prestatie-indicatoren is er geen duidelijk verband met EU-uitgaven

 
 

3.24.

Een van de belangrijkste functies van programmaverklaringen is “voor elk van de uitgavenprogramma’s informatie verstrekken over de vooruitgang op het gebied van programmaprestaties en de bijdrage ervan aan de belangrijkste beleidslijnen en doelstellingen van de EU” (17). Dit doel wordt het best bereikt met resultaat- en impactindicatoren die nauw samenhangen met de programmadoelstellingen en door het desbetreffende EU-programma op een betekenisvolle manier kunnen worden beïnvloed (18).

 

3.25.

We troffen gevallen aan waarin de gebruikte indicatoren nauwelijks relevant waren voor de effecten van de EU-uitgaven (zie tabel 3.2 ). In sommige gevallen werd er zelfs in de programmaverklaringen op gewezen dat de programma’s geen invloed hadden op de indicatoren (19).

Tabel 3.2

Voorbeelden van indicatoren zonder duidelijk verband met EU-uitgaven en -doelstellingen

 
 

Programma

Opgegeven doelstelling

Indicator

Analyse

 
 

Humanitaire hulp

Ad-hocbijstand, noodhulp en bescherming bieden aan mensen in derde landen die het slachtoffer zijn van door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen, om tegemoet te komen aan de humanitaire behoeften die erdoor zijn ontstaan.

Aantal sterfgevallen door natuurrampen

De indicator wordt slechts heel indirect beïnvloed door de uitvoering van het programma

 
 

ELGF

De Commissie een redelijke mate van zekerheid bieden dat de lidstaten beheer- en controlesystemen hebben opgezet om de financiële belangen van de EU te beschermen.

Percentage uitgaven (ELGF+Elfpo) met statistieken of 100 %controles

De doelstelling en de indicator hebben niet rechtstreeks betrekking op de resultaten van het programma

 

Bron:

ERK.

Geen indicator voor bepaalde aspecten van sommige programmadoelstellingen

 
 

3.26.

De programmaverklaringen vertonen een hiërarchische structuur waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen hoger geplaatste “algemene doelstellingen” en lager geplaatste “specifieke doelstellingen” (20). Elke doelstelling (ongeacht of ze algemeen of specifiek is) heeft minstens één en doorgaans meer dan één indicator. De verbanden tussen de algemene en specifieke doelstellingen zijn meestal duidelijk, maar worden in de programmaverklaringen niet uitdrukkelijk aangegeven. Sommige specifieke doelstellingen kunnen aan meer dan één algemene doelstelling worden gekoppeld en omgekeerd.

 

3.27.

Uit onze analyse van de 22 voor beoordeling uitgekozen programmaverklaringen is gebleken dat bepaalde aspecten van de doelstellingen niet door een indicator werden gedekt. Enkele voorbeelden:

  • — 
    CF: specifieke doelstelling 4 (“Bevordering van duurzaam vervoer en opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren”) had zes indicatoren, maar geen enkele daarvan had betrekking op de “opheffing van knelpunten in centrale netwerkinfrastructuren”;
  • — 
    DCI: specifieke doelstelling 1 (“Armoedebestrijding en bevordering van duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling”) had vijf indicatoren, maar geen enkele daarvan had betrekking op “duurzame […] ecologische ontwikkeling”;
  • — 
    EFRO: specifieke doelstelling 9 (“Bevordering van sociale inclusie en bestrijding van armoede en discriminatie”) had vier indicatoren, maar geen enkele daarvan had betrekking op de bestrijding van armoede of discriminatie.

Voor veel indicatoren kon geen vooruitgang worden berekend

 
 

3.28.

In onderdeel A hebben we onze voortgangspercentages voor de verschillende MFK-rubrieken gepresenteerd. Zoals blijkt uit kader 3.10 hieronder, was het bij nagenoeg de helft van de indicatoren in onze steekproef (44 %) echter onmogelijk om dit percentage te berekenen, hoofdzakelijk omdat:

  • — 
    een specifiek, gekwantificeerd streefdoel ontbrak (bijv. streefdoel gedefinieerd als “verhogen”, “behouden” enz.), en/of
  • — 
    de uitgangswaarde niet was vermeld;
  • — 
    er geen gegevens over de geboekte vooruitgang beschikbaar waren;
  • — 
    de uitgangswaarde, de gegevens over de geboekte vooruitgang en het streefdoel niet in dezelfde vorm waren uitgedrukt.

Kader 3.10

De vooruitgang in de richting van het streefdoel kan bij nagenoeg de helft van de indicatoren niet worden berekend

 
 

Bron:

ERK.

 

3.29.

Het ELGF en Horizon 2020 zijn twee voorbeelden van programma’s waarvoor het bij veel indicatoren (respectievelijk 26 van de 27 indicatoren en 39 van de 52 indicatoren) niet mogelijk was het voortgangspercentage te berekenen. Bij het SFEU was er slechts één indicator (21) waarvoor de hoeveelheid gegevens zo groot was dat een berekening van de vooruitgang niet mogelijk was.

 

3.30.

Jaarlijkse mijlpalen ontbraken vaak. Wanneer er mijlpalen beschikbaar waren, maakte de Commissie een voorbehoud bij het gebruik ervan (22), terwijl wij ze belangrijk vinden voor de prestatiemonitoring.

Bij sommige programma’s was de kwaliteit van de beschikbare gegevens ontoereikend

Bij sommige programma’s waren voor veel indicatoren geen gegevens beschikbaar van na 2015 of waren totaal geen gegevens over de geboekte vooruitgang beschikbaar

 
 

3.31.

We hebben gemerkt dat bij sommige programma’s (zie kader 3.11 ) voor meer dan 25 % van de indicatoren geen gegevens van na 2015 beschikbaar waren of dat er totaal geen gegevens over de geboekte vooruitgang beschikbaar waren. We hebben ook gemerkt dat in het prestatiekader bepaalde indicatoren waren opgenomen hoewel bekend was dat de beschikbaarheid van gegevens een probleem vormde (23).

 

3.32.

In zijn aanbeveling over de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 heeft de Raad gewezen op de “noodzaak om bijgewerkte informatie over prestaties op te nemen in de verslaglegging over prestaties betreffende de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de verwezenlijking van de streefdoelen” (24). Ook het Europees Parlement heeft in zijn kwijting voor 2017 de Commissie opgeroepen om “bijgewerkte informatie over prestaties op te nemen in de verslaglegging over prestaties, onder meer in het AMPR, betreffende de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de verwezenlijking van de streefdoelen […]” (25).

Kader 3.11

Geen recente of helemaal geen gegevens voor veel indicatoren

 
 

Bron:

ERK.

Andere problemen met de gegevenskwaliteit

 
 

3.33.

De analyse van de geboekte vooruitgang wordt ook bemoeilijkt door andere problemen met de gegevenskwaliteit, zoals:

  • — 
    grote wijzigingen van de reikwijdte van een indicator, waardoor tegenstrijdigheden ontstaan tussen de uitgangswaarde, de gegevens over de geboekte vooruitgang en het streefdoel, bijvoorbeeld Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), specifieke doelstelling 2, indicator 2 betreffende het “aantal projecten dat door het DCI wordt gefinancierd ter bevordering van de democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten in de door het DCI begunstigde landen”. De codes van het gemeenschappelijk Relex-informatiesysteem (CRIS) die werden gebruikt om gegevens voor deze indicator te verzamelen, werden vanaf 2016 aanzienlijk uitgebreid “om een bredere waaier van onder de indicator vallende sectoren te omvatten”;
  • — 
    verschillende formats voor uitgangswaarden, mijlpalen en gegevens over geboekte vooruitgang, waardoor het onmogelijk is de geboekte vooruitgang te beoordelen, bijvoorbeeld Horizon 2020, specifieke doelstellingen 8-12, indicator 2. De resultaten (aantal octrooiaanvragen) voor deze indicatoren hebben een ander format dan de uitgangswaarde en het streefdoel (het aantal octrooiaanvragen voor 10 miljoen EUR aan financiering);
  • — 
    verouderde uitgangswaarden voor indicatoren, met een onrealistische resultaten bij de “vooruitgang in de richting van het streefdoel” en de “afstand tot het streefdoel” tot gevolg, bijvoorbeeld EFRO, algemene doelstelling 1, indicator 3 betreffende “broeikasgasemissies” (ook gebruikt voor algemene doelstelling 1, indicator 1, van het Cohesiefonds). De uitgangswaarde voor een geplande broeikasgasemissiereductie van 20 % uiterlijk in 2020 is het jaar 1990, maar volgens de programmaverklaringen had er al een reductie van 19,8 % plaatsgevonden voor de start van de programma’s in 2014.

Sommige programma’s bevatten streefdoelen die niet voldoende ambitieus zijn

 
 

3.34.

Een aantal programma’s (17 van de 22 onderzochte programma’s) bevat streefdoelen die volgens ons niet ambitieus zijn. Hoe ambitieus een streefdoel is, kan een kwestie van professionele oordeelsvorming zijn. We hebben de volgende categorieën geïdentificeerd die volgens ons onmiskenbaar ambitieloos zijn:

  • 1) 
    streefdoelen die volledig zijn verwezenlijkt in de eerste jaren van de zevenjarige uitvoeringsperiode van het programma: bijv. het EFMZV, indicator betreffende de “winstgevendheid van de EU-visserijvloot per vlootsegment”, waarbij het streefdoel om een gemiddelde nettowinstmarge van 10-12 % voor de EU-visserijvloot te realiseren, al in 2015 was bereikt;
  • 2) 
    bijzonder lage streefdoelen: bijvoorbeeld het streefdoel bij de indicator van het Cohesiefonds betreffende de “totale lengte van nieuwe spoorlijnen” van 64 km (TEN-T) voor de volledige duur van het programma, m.a.w. ongeveer 9 km per jaar in de hele EU (26);
  • 3) 
    streefdoelen die gelijkwaardig zijn aan de uitgangswaarde of deze sterk benaderen: zo was bij specifieke doelstelling 5 “Industrieel leiderschap” van Horizon 2020 het streefdoel bij de indicator betreffende “octrooiaanvragen en toegekende octrooien in de diverse ontsluitende en industriële technologieën” zelfs lager dan de uitgangswaarde (27).
 

3.35.

Kader 3.12 bevat de programma’s waarbij het aandeel van dergelijke indicatoren met ambitieloze streefdoelen minstens 15 % bedroeg.

Kader 3.12

Veel ambitieloze streefdoelen bij sommige programma’s

 
 

Bron:

ERK.

Deel 2 — Resultaten van de doelmatigheidscontroles van de Rekenkamer: belangrijkste conclusies en aanbevelingen

Inleiding

 
 

3.36.

Elk jaar publiceren we speciale verslagen waarin we onderzoeken in hoeverre de beginselen van goed financieel beheer zijn toegepast bij de uitvoering van de EU-begroting. In 2018 publiceerden we 35 speciale verslagen (28) (29). Deze hadden betrekking op alle MFK-rubrieken (30) en bevatten 380 aanbevelingen over een breed scala aan onderwerpen (zie kader 3.13 ). Uit de gepubliceerde antwoorden op onze verslagen blijkt dat de gecontroleerden 78 % van onze aanbevelingen volledig hebben aanvaard, terwijl dat percentage in 2017 68 % bedroeg (zie kader 3.14 ). De aanbevelingen aan de lidstaten in onze speciale verslagen van 2018 worden in bijlage 3.2 . samengevat.

Kader 3.13

De aanbevelingen bestrijken een brede waaier aan onderwerpen

 
 

Bron:

ERK.

Kader 3.14

Onze gecontroleerden aanvaardden de overgrote meerderheid van onze aanbevelingen

 
 

Bron:

ERK.

Rubriek 1a “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid” en rubriek 1b “Economische, sociale en territoriale cohesie”

 
 

3.37.

In 2018 hebben we twaalf speciale verslagen over deze MFK-rubrieken gepubliceerd (31). We willen de aandacht vestigen op enkele belangrijke conclusies en aanbevelingen van zes van deze verslagen.

  • a) 
    Speciaal verslag nr. 08/2018 — EU-steun voor productieve investeringen in ondernemingen — meer aandacht voor duurzaamheid nodig
 
 

3.38.

We stelden vast dat de gecontroleerde projecten over het algemeen de geplande output hadden opgeleverd, en dat de output in de meeste gevallen nog steeds bestond en werd gebruikt. Maar bij een vijfde ervan hielden de bereikte resultaten geen stand. Onze conclusie was dat dit hoofdzakelijk te wijten was aan het feit dat de Commissie en de nationale/regionale autoriteiten in het beheer op zowel programma- als projectniveau te weinig nadruk hadden gelegd op de duurzaamheid van de resultaten.

 

3.39.

We hebben aanbevolen dat:

  • — 
    de Commissie in het bijzonder aandacht besteedt aan de wijze waarop de lidstaten de duurzaamheid van projectresultaten tijdens het goedkeuringsproces voor operationele programma’s benaderen, en
  • — 
    de lidstaten de selectieprocedures en -criteria verbeteren.
  • b) 
    Speciaal verslag nr. 09/2018 — Publiek-private partnerschappen (PPP’s) in de EU
 
 

3.40.

We stelden vast dat, hoewel PPP’s het potentieel hebben om te zorgen voor een snellere uitvoering van beleid en goede onderhoudsniveaus te waarborgen tijdens de gehele looptijd ervan, de gecontroleerde, door de EU ondersteunde PPP’s niet altijd doeltreffend werden beheerd en geen passende prijs-kwaliteitsverhouding boden. De potentiële voordelen van de gecontroleerde PPP’s werden vaak niet gerealiseerd, aangezien — net zoals bij op traditionele wijze aanbestede projecten — sprake was van vertragingen, kostenstijgingen en onderbenutting van projectresultaten. Daarnaast was er een gebrek aan passende analyses van het potentieel van PPP’s om te zorgen voor een betere prijs-kwaliteitsverhouding, evenals een gebrek aan adequate strategieën inzake het gebruik van PPP’s en aan institutionele en wettelijke kaders.

 

3.41.

We hebben aanbevolen dat de Commissie en de lidstaten geen intensiever en breder gebruik van PPP’s bevorderen voordat de vastgestelde problemen zijn aangepakt.

  • c) 
    Speciaal verslag nr. 12/2018 — Breedband in de EU-lidstaten
 
 

3.42.

We stelden vast dat, hoewel de breedbanddekking over het algemeen in de EU was verbeterd, niet alle vastgestelde streefdoelen voor 2020 zouden worden bereikt. Alle lidstaten hadden wel breedbandstrategieën opgesteld, maar de doelstellingen van de strategieën die we hebben onderzocht, sloten niet altijd aan op de Europa 2020-doelstellingen. Bovendien hadden niet alle bezochte lidstaten voor een passend wet- en regelgevingskader inzake concurrentie tussen aanbieders gezorgd. Ten slotte werden de financieringsbehoeften voor breedbandinfrastructuur in plattelands- en voorstedelijke gebieden niet altijd naar behoren aangepakt.

 

3.43.

We hebben aanbevolen dat:

  • — 
    de lidstaten nieuwe plannen ontwikkelen voor de periode na 2020;
  • — 
    de Commissie de toepassing verduidelijkt van de richtsnoeren inzake staatssteun en de inspanningen van de lidstaten ter bevordering van de concurrentie met betrekking tot breedband ondersteunt, en
  • — 
    de Europese Investeringsbank zijn steun richt op projecten met een kleine en middelgrote omvang in gebieden waar het meest behoefte bestaat aan overheidssteun.
  • d) 
    Speciaal verslag nr. 17/2018 — Absorptie
 
 

3.44.

We stelden vast dat zowel voor de programmeringsperiode 2007-2013 als voor de programmeringsperiode 2014-2020 de laattijdige vaststelling van het wettelijk kader heeft geleid tot de laattijdige vaststelling van de operationele programma’s. Dit had een domino-effect op de start van de besteding van de toegewezen middelen. Hoewel sommige maatregelen van de Commissie de absorptie tijdens de periode 2007-2013 duidelijk verbeterden, werd weinig aandacht besteed aan de resultaten.

 

3.45.

We hebben aanbevolen dat de Commissie:

  • — 
    een tijdschema voorstelt aan de wetgevende autoriteiten om te waarborgen dat aan het begin van de programmeringsperiode kan worden gestart met de uitvoering, en
  • — 
    ervoor zorgt dat de nadruk wordt gelegd op het behalen van resultaten.
  • e) 
    Speciaal verslag nr. 30/2018 — Passagiersrechten
 
 

3.46.

We stelden vast dat in de verordeningen de belangrijkste vormen van openbaar vervoer aan bod komen, wat het EU-kader voor passagiersrechten uniek in de wereld maakt. Veel passagiers zijn echter onvoldoende op de hoogte van hun rechten en krijgen vaak niet waar ze recht op hebben vanwege problemen met de handhaving ervan. Bovendien zijn de basisrechten weliswaar bedoeld om alle passagiers die gebruikmaken van alle vier de vormen van openbaar vervoer te beschermen, maar hangt de mate van bescherming af van de gebruikte vervoerswijze.

 

3.47.

We hebben aanbevolen dat de Commissie:

  • — 
    de samenhang, inzichtelijkheid en doeltreffendheid van het EU-kader voor passagiersrechten verbetert;
  • — 
    actie onderneemt om de lancering van bewustmakingscampagnes door de nationale handhavingsautoriteiten te bevorderen en te coördineren;
  • — 
    in haar voorstellen tot wijziging van de huidige verordeningen inspeelt op de noodzaak om de nationale handhavingsautoriteiten meer instrumenten te bieden om de passagiersrechten te handhaven.
  • f) 
    Speciaal verslag nr. 28/2018 — Horizon 2020
 
 

3.48.

Onze globale conclusie in dit speciaal verslag was dat het merendeel van de door de Commissie getroffen vereenvoudigingsmaatregelen heeft bijgedragen tot de vermindering van de administratieve lasten voor begunstigden in het kader van Horizon 2020, maar dat niet alle maatregelen het gewenste resultaat hebben opgeleverd, zodat er nog steeds ruimte is voor verbetering. De begunstigden hebben behoefte aan meer gebruiksvriendelijke richtsnoeren en instrumenten en de Commissie moet uitgebreider testen of nieuwe financieringsregelingen geschikt en bruikbaar zijn. Stabiliteit van de regels is eveneens van belang; begunstigden zijn in staat zich aan te passen aan complexiteit, maar frequente wijzigingen van de richtsnoeren kunnen leiden tot verwarring en onzekerheid.

 

3.49.

We bevelen aan dat de Commissie:

  • — 
    beter communiceert met aanvragers en begunstigden;
  • — 
    forfaitaire bedragen intensiever test;
  • — 
    een ruimer gebruik van evaluaties van voorstellen in twee stappen verkent;
  • — 
    beloningsvoorwaarden voor deskundige beoordelaars opnieuw onderzoekt;
  • — 
    zorgt voor bredere erkenning van het excellentiekeurmerk;
  • — 
    zorgt voor stabiliteit van de regels en richtsnoeren voor deelnemers;
  • — 
    de kwaliteit van uitbestede audits verbetert;
  • — 
    de instrumenten en richtsnoeren voor kmo’s verder vereenvoudigt.

Rubriek 2 “Natuurlijke hulpbronnen”

 
 

3.50.

Wij hebben acht speciale verslagen gepubliceerd over duurzame groei en natuurlijke hulpbronnen, en over milieu- en klimaatactie. We hebben ook een briefingdocument gepubliceerd over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), gevolgd door Advies nr. 7/2018 over voorstellen voor verordeningen betreffende het GLB voor de periode na 2020.

 

3.51.

In onze speciale verslagen over de verschillende aspecten van het landbouwbeleid hebben we als volgt aanbevelingen geformuleerd om de prestaties van GLB-instrumenten, -financiering en -regelingen te verbeteren:

  • — 
    In Speciaal verslag nr. 05/2018 hebben we erop gewezen dat er synergieën mogelijk waren tussen het beleid inzake hernieuwbare energie en de fondsen ter bevordering van duurzame plattelandsontwikkeling, maar dat deze grotendeels nog niet waren gerealiseerd. Onze aanbevelingen hadden betrekking op de duurzaamheid van het toekomstige beleid voor hernieuwbare energie.
  • — 
    In Speciaal verslag nr. 10/2018 concludeerden we dat de basisbetalingsregeling voor landbouwers weliswaar operationeel op de rails stond, maar dat de impact ervan op vereenvoudiging, doelgerichtheid en de convergentie van steunniveaus beperkt was. We hebben aanbevolen om de voorgestelde inkomenssteunmaatregelen voor landbouwers te koppelen aan passende operationele doelstellingen en uitgangswaarden waarmee de prestaties kunnen worden vergeleken.
  • — 
    In Speciaal verslag nr. 11/2018 werden de nieuwe opties voor de financiering van projecten voor plattelandsontwikkeling onderzocht. Hoewel ze eenvoudiger zijn, zijn ze niet resultaatgericht. Wij hebben aanbevolen dat de Commissie overweegt over te gaan van vergoedingen van kosten naar op resultaten gebaseerde vergoedingen.
 

3.52.

De andere speciale verslagen, die betrekking hadden op beleidsterreinen zoals energie, klimaat, milieu, luchtkwaliteit en dierenwelzijn, bevatten ook aanbevelingen om de prestaties van de EU-begroting te verbeteren door middel van betere synergieën tussen sectoren en een grotere verantwoordingsplicht. Enkele voorbeelden:

  • — 
    het integreren van het luchtkwaliteitsbeleid in ander EU-beleid (Speciaal verslag nr. 23/2018);
  • — 
    het versterken van de verbanden tussen het cross-compliancesysteem en dierenwelzijn (Speciaal verslag nr. 31/2018);
  • — 
    het verbeteren van de samenhang tussen de kaders voor landbouw, klimaat, milieu en onderzoek om de bodem beter te beschermen (Speciaal verslag nr. 33/2018);
  • — 
    het verbeteren van cruciale elementen op het gebied van beheer en verantwoording in het EU-programma voor het op commerciële schaal demonstreren van technologieën voor het milieuveilig afvangen en opslaan van kooldioxide en innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie (Speciaal verslag nr. 24/2018);
  • — 
    het verbeteren van de projectselectie op basis van objectieve en relevante criteria bij projecten ter voorkoming van overstromingen (Speciaal verslag nr. 25/2018) en projecten voor koolstofafvang of innovatieve hernieuwbare energiebronnen (Speciaal verslag nr. 24/2018).

Rubriek 3 “Veiligheid en burgerschap” en rubriek 4 “Europa als wereldspeler”

 
 

3.53.

We hebben acht speciale verslagen gepubliceerd die betrekking hebben op deze MFK-rubrieken. We willen de aandacht vestigen op enkele belangrijke conclusies en aanbevelingen van vier van deze verslagen.

  • a) 
    Speciaal verslag nr. 07/2018 — Turkije
 
 

3.54.

We stelden vast dat de steun over het algemeen goed is opgezet en dat de projecten output hadden opgeleverd. Hoofdzakelijk door een gebrek aan politieke wil en het feit dat de Commissie slechts weinig gebruik had gemaakt van de conditionaliteit, werd met de EU-steun echter onvoldoende ingespeeld op enkele fundamentele behoeften van het land om de rechtsstatelijkheid en het bestuur te verbeteren. Bovendien liep de duurzaamheid van de resultaten vaak gevaar. We waren daarom van oordeel dat de financiering slechts in beperkte mate doeltreffend was.

 

3.55.

We hebben de Commissie, en voor zover van toepassing de Europese Dienst voor extern optreden, aanbevolen om:

  • — 
    de IPA-middelen doelgerichter aan te wenden op gebieden waarop hervormingen al lang hadden moeten plaatsvinden;
  • — 
    de beoordelingen van de sectorale aanpak te verbeteren;
  • — 
    het gebruik van conditionaliteit te verbeteren;
  • — 
    de monitoring van de projectprestaties te verbeteren;
  • — 
    de achterstand te beperken door selectief gebruik te maken van indirect beheer.
  • b) 
    Speciaal verslag nr. 20/2018 — De Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (APSA)
 
 

3.56.

We stelden vast dat de steun van de EU, die werd gefinancierd in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds, weinig effect had gesorteerd en dat het accent ervan moest worden verlegd. Hoewel er een breed strategisch kader werd opgezet, was de EU-steun aan de APSA lange tijd gericht op het bijdragen aan de operationele basiskosten ervan. Door de matige financiële betrokkenheid van de Afrikaanse Unie is de APSA al jarenlang sterk afhankelijk van donorsteun. Ondanks de financiële steun van de EU aan de componenten van de APSA, blijft de capaciteit aanzienlijk variëren en er blijven diverse uitdagingen bestaan.

 

3.57.

We deden de Commissie, en voor zover van toepassing de Europese Dienst voor extern optreden, de aanbevelingen om:

  • — 
    de betrokkenheid van de Afrikaanse Unie bij de APSA te bevorderen zodat zij financieel onafhankelijk kan worden, en het accent van de EU-steun te verleggen van de dekking van operationele kosten naar de uitvoering van maatregelen voor capaciteitsopbouw;
  • — 
    steunmaatregelen consequent resultaatgericht te maken, vertragingen bij aanbestedingen en financiering met terugwerkende kracht te verminderen, het toezicht te verbeteren en op coherente wijze gebruik te maken van financieringsinstrumenten.
  • c) 
    Speciaal verslag nr. 27/2018 — De Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije
 
 

3.58.

We stelden vast dat de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije in moeilijke omstandigheden vlot 3 miljard EUR had gemobiliseerd om snel te reageren op de vluchtelingencrisis. Toch werd de doelstelling om deze respons doeltreffend te coördineren niet volledig verwezenlijkt. De gecontroleerde projecten boden nuttige steun voor vluchtelingen; de output van de meeste projecten is gerealiseerd, maar de helft ervan heeft nog niet tot de verwachte uitkomsten geleid. Verder stelden we vast dat er ruimte is om de doelmatigheid te verbeteren van projecten voor bijstand in contanten. Daarom concludeerden we dat de faciliteit doeltreffender had kunnen zijn en meer waar voor haar geld had kunnen bieden.

 

3.59.

We hebben aanbevolen dat de Commissie:

  • — 
    beter voorziet in de behoeften van vluchtelingen aan gemeentelijke infrastructuur en sociaal-economische steun;
  • — 
    de stroomlijning en complementariteit van de bijstand verbetert door de taken duidelijk onder de verschillende financieringsbronnen te verdelen;
  • — 
    een strategie uitvoert voor de overgang van humanitaire naar ontwikkelingshulp;
  • — 
    de doelmatigheid van projecten voor bijstand in contanten verbetert;
  • — 
    met de Turkse autoriteiten samenwerkt om de operationele omgeving voor internationale ngo’s te verbeteren;
  • — 
    de monitoring van en verslaglegging over de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije uitbreidt.
  • d) 
    Speciaal verslag nr. 32/2018 — EU-trustfonds (EUTF) voor Afrika
 
 

3.60.

We stelden vast dat het EUTF een flexibel instrument is. Gezien de ongekende uitdagingen waarvoor het stond, had de opzet ervan echter gerichter moeten zijn. In vergelijking met traditionele instrumenten werden bij het EUTF voor Afrika projecten weliswaar sneller opgestart, maar ook die projecten hadden te kampen met vergelijkbare uitdagingen die de uitvoering ervan vertraagden. Hoewel de gecontroleerde projecten zich in een beginstadium van uitvoering bevonden, hadden zij de eerste output al opgeleverd.

 

3.61.

We hebben aanbevolen dat de Commissie:

  • — 
    de kwaliteit van de doelstellingen van het EUTF voor Afrika verbetert;
  • — 
    de selectieprocedures voor projecten herziet;
  • — 
    maatregelen neemt om de uitvoering te versnellen;
  • — 
    de monitoring van het EUTF voor Afrika verbetert.

Rubriek 5 “Administratie”

 
 

3.62.

In 2018 hebben wij op dit gebied drie speciale verslagen gepubliceerd. We willen de aandacht vestigen op enkele belangrijke conclusies en aanbevelingen van een van deze verslagen.

  • a) 
    Speciaal verslag nr. 34/2018 — Kantoorruimte van de EU-instellingen
 
 

3.63.

We stelden vast dat de instellingen hun uitgaven voor kantoorruimte doelmatig beheerden, maar dat hun gebouwenstrategieën niet altijd formeel gedocumenteerd waren. De EU-instellingen werkten samen en hanteerden vergelijkbare besluitvormingsbeginselen. De verslaglegging aan de begrotingsautoriteiten liet echter geen vergelijking en geen analyse van de doelmatigheid toe. De financieringsmechanismen van de geanalyseerde grote bouwprojecten waren vaak complex en dit had gevolgen voor de transparantie. De meeste van deze projecten hadden vertraging opgelopen, die in sommige gevallen leidde tot extra kosten.

 

3.64.

We hebben aanbevolen dat de instellingen:

  • — 
    hun gebouwenstrategieën actualiseren en formeel documenteren en de planningsdocumenten regelmatig bijwerken;
  • — 
    de budgettaire transparantie van het gebruik van financieringsmechanismen voor bouwprojecten versterken;
  • — 
    passende beheersprocedures opzetten voor grote bouw- en renovatieprojecten, en
  • — 
    de samenhang van de gegevens en de monitoring van hun gebouwenportefeuilles verbeteren.

Verslagen over de “functionerende eengemaakte markt en duurzame monetaire unie”

 
 

3.65.

Ten slotte publiceerden we vier speciale verslagen op het gebied van een functionerende eengemaakte markt en een duurzame monetaire unie. We willen de aandacht vestigen op enkele belangrijke conclusies en aanbevelingen in drie van deze verslagen.

  • a) 
    Speciaal verslag nr. 02/2018 — De doelmatigheid van de crisisbeheersing voor banken door de ECB
 
 

3.66.

Bij deze controle onderzochten we de doelmatigheid van de crisisbeheersing bij de ECB, een van haar specifieke toezichthoudende taken. De ECB had een kader voor crisisbeheersing vastgesteld. Er was echter sprake van enkele tekortkomingen in de opzet en van tekenen van ondoelmatige uitvoering die moesten worden aangepakt. Er zijn procedures voor het beoordelen van herstelplannen van banken, en de beoordelaars hebben toegang tot nuttige instrumenten en richtsnoeren. De resultaten van de herstelplanbeoordelingen werden echter niet stelselmatig gebruikt voor crisisidentificatie en -respons. De ECB beschikte niet over een systeem van bankspecifieke triggers die elke waarschijnlijke verslechtering van de financiële toestand van een bank kunnen signaleren. Daarnaast waren de systemen en richtsnoeren voor vroegtijdige-interventiebeoordelingen onvoldoende ontwikkeld, moest de rapportage over de kwaliteit van activa van zwakke banken worden verbeterd en de capaciteit daarvoor ter plaatse worden versterkt.

 

3.67.

We hebben aanbevolen dat de ECB:

  • — 
    haar richtsnoeren betreffende vroegtijdige-interventiebeoordelingen verder uitwerkt, met inbegrip van snelle crisisrespons;
  • — 
    een duidelijke reeks indicatoren voor crisisidentificatie en -respons definieert;
  • — 
    de monitoring en het gebruik van herstelplaninformatie verbetert.
  • b) 
    Speciaal verslag nr. 03/2018 — Procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (PMO)
 
 

3.68.

We onderzochten de toepassing door de Europese Commissie van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (PMO), die is gericht op het vaststellen, voorkomen en aanpakken van macro-economische onevenwichtigheden die de economische stabiliteit ongunstig kunnen beïnvloeden. We constateerden dat de Commissie de PMO, hoewel deze over het algemeen goed was ontworpen, niet zodanig uitvoerde dat de doeltreffende preventie en correctie van onevenwichtigheden werd gegarandeerd. Meer algemeen vertoonden de landspecifieke aanbevelingen (LSA’s) van de Commissie meerdere tekortkomingen, vertoonde de indeling van de lidstaten met onevenwichtigheden een gebrek aan transparantie, was de diepgaande analyse van de Commissie weliswaar van goed niveau maar was ze minder zichtbaar geworden, en was het publiek te weinig bekend met de procedure en de gevolgen ervan. Bovendien werd in de procedure de vroegtijdige onderkenning van onevenwichtigheden onvoldoende vergemakkelijkt, omdat daarin indicatoren werden gebruikt die waren gebaseerd op verouderde gegevens en voortschrijdende gemiddelden, waardoor er geen rekening werd gehouden met recente gebeurtenissen.

 

3.69.

We hebben aanbevolen dat de Commissie bepaalde aspecten van haar beheer van de PMO aanzienlijk verbetert en meer gewicht geeft aan de procedure.

  • c) 
    Speciaal verslag nr. 18/2018 — Is de belangrijkste doelstelling van het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact (SGP) behaald?
 
 

3.70.

We stelden vast dat bij meerdere lidstaten met hoge schulden het SGP er niet voor had gezorgd dat zij binnen een redelijke termijn voldoende vooruitgang hadden geboekt in de richting van de middellangetermijndoelstellingen. De Europese Commissie had bij het bepalen van de uitvoeringsregels en het nemen van individuele besluiten in ruime mate gebruikgemaakt van haar beoordelingsbevoegdheden om de aanpassingsvereisten te verlagen.

 

3.71.

We hebben aanbevolen dat de Commissie:

  • — 
    de vereiste aanpassingspercentages in de “matrix van vereisten” wijzigt om de aanpassingsvereisten voor lidstaten met een schuldquote boven de 60 % te verhogen en de cumulatieve effecten aanpakt van toegestane afwijkingen wanneer zij meerdere clausules toestaat;
  • — 
    de huidige toepassing van flexibiliteitsclausules hervormt en daarbij de flexibiliteit beperkt tot de werkelijke begrotingskosten van hervormingen, en ervoor zorgt dat het gebruik van de investeringsclausule in haar huidige vorm wordt gestaakt en hervormd om ervoor zorgen dat alle bijkomende uitgaven als gevolg van de afwijking van het oorspronkelijke traject in de richting van de MTD (d.w.z. in de jaren na toekenning van de marge op grond van de clausule) verband houden met investeringen en leiden tot een toename van de overheidsuitgaven in verhouding tot het bbp;
  • — 
    de samenhang tussen vereisten in het kader van het correctieve en het preventieve deel waarborgt;
  • — 
    duidelijkere vereisten opneemt in de landspecifieke aanbevelingen en de vereisten duidelijker uiteenzet, alsook de risico’s wanneer deze niet tijdig worden nageleefd.

Deel 3 — Follow-up van aanbevelingen

 
 

3.72.

Elk jaar beoordelen we in hoeverre de gecontroleerden actie hebben ondernomen naar aanleiding van onze aanbevelingen. Deze follow-up van onze aanbevelingen is een belangrijke stap in de controlecyclus. Ze geeft ons feedback over de impact van onze werkzaamheden en zet de gecontroleerden ertoe aan onze aanbevelingen uit te voeren.

We hebben de uitvoering van alle aanbevelingen van 2015 aan de Commissie geanalyseerd

 
 

3.73.

In voorgaande jaren hadden we slechts een selectie van de aanbevelingen van drie jaar eerder geanalyseerd. Dit jaar hebben we alle 185 aanbevelingen aan de Commissie in de 25 in 2015 vastgestelde speciale verslagen geanalyseerd. De uitvoering van één aanbeveling werd niet geanalyseerd omdat deze niet meer relevant was. Er is evenmin follow-up verricht met betrekking tot de 48 aanbevelingen aan de lidstaten.

 

3.74.

Voor onze follow-up hebben we controles van stukken verricht en gesprekken gevoerd met personeelsleden van de Commissie. Om een eerlijke en evenwichtige evaluatie te garanderen, hebben wij onze bevindingen daarna aan de Commissie toegezonden en hebben wij bij onze definitieve analyse rekening gehouden met haar antwoorden.

Op welke wijze is de Commissie ingegaan op onze aanbevelingen?

 
 

3.75.

Van de 184 aanbevelingen waaraan follow-up is gegeven, heeft de Commissie er 114 (62 %) volledig uitgevoerd. Zij had 26 (14 %) van de resterende aanbevelingen in de meeste opzichten uitgevoerd, 33 (18 %) in enkele opzichten en de overige 11 (6 %) helemaal niet (zie kader 3.15 ). In bijlage 3.3 wordt een gedetailleerde stand van uitvoering van de aanbevelingen gegeven.

Kader 3.15

Uitvoering van onze aanbevelingen van doelmatigheidscontroles uit 2015

 
 

Bron:

ERK.

 

3.76.

Op sommige gebieden heeft de Commissie onze aanbevelingen bijzonder goed opgevolgd. Bij drie speciale verslagen, betreffende hernieuwbare energie in Oost-Afrika (SV nr. 15/2015), financiële bijstand aan landen die in moeilijkheden verkeren (SV nr. 18/2015), en technische bijstand aan Griekenland (SV nr. 19/2015), zijn alle aanbevelingen volledig uitgevoerd.

 

3.77.

15 aanbevelingen zijn door de Commissie niet aanvaard en 17 zijn gedeeltelijk aanvaard. 10 van de 17 gedeeltelijk aanvaarde aanbevelingen zijn uiteindelijk echter volledig uitgevoerd, terwijl twee van de verworpen aanbevelingen volledig zijn opgevolgd en twee andere in enkele opzichten zijn uitgevoerd.

 

3.78.

Al met al stelden we vast dat onze doelmatigheidscontroles tot verschillende belangrijke verbeteringen hadden geleid, hoewel sommige vastgestelde tekortkomingen bleven bestaan. Bijlage 3.4 bevat een beschrijving van de resterende tekortkomingen bij de gedeeltelijk uitgevoerde aanbevelingen.

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

  • 1) 
    De indicatoren wijzen op grote verschillen in hetgeen is verwezenlijkt en matige algemene vooruitgang (paragrafen 3.7-3.20)
 
 

3.79.

Over het geheel genomen wijzen de gegevens in de programmaverklaringen op matige vooruitgang in de richting van de prestatiedoelstellingen. De vooruitgang werd in sterke mate belemmerd door de laattijdige en trage start van zowel de cohesieprogramma’s als de programma’s voor plattelandsontwikkeling.

  • 2) 
    De indicatoren gaven niet altijd een goed beeld van de werkelijke vooruitgang (paragrafen 3.21-3.35)
 
 

3.80.

Zowel de berekening van de vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde als de door de Commissie in het prestatieoverzicht gemelde vooruitgang moeten om verschillende redenen met de nodige omzichtigheid worden behandeld:

  • a) 
    Veel indicatoren waren niet goed gekozen (paragrafen 3.22-3.27)
    • — 
      De indicatoren waren gericht op input en output in plaats van op resultaat en impact.
    • — 
      Sommige indicatoren maten niet hetgeen er met de EU-begroting was verwezenlijkt.
    • — 
      Er waren geen indicatoren voor bepaalde aspecten van sommige programmadoelstellingen.
  • b) 
    Bij veel indicatoren kon geen vooruitgang worden berekend (paragrafen 3.28-3.30)
    • — 
      Bij nagenoeg de helft van alle indicatoren was het niet mogelijk de vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde te berekenen. Hoewel diverse factoren hierin een rol spelen, is dit hoofdzakelijk te wijten aan het ontbreken van cijfers voor de uitgangswaarden, streefdoelen en/of geboekte vooruitgang.
  • c) 
    Bij sommige programma’s was de kwaliteit van de beschikbare gegevens ontoereikend (paragrafen 3.31-3.33)
    • — 
      Bij sommige programma’s waren voor veel indicatoren geen gegevens beschikbaar van na 2015 of waren totaal geen gegevens over de geboekte vooruitgang beschikbaar.
    • — 
      De analyse van de geboekte vooruitgang werd ook bemoeilijkt door andere problemen met de gegevenskwaliteit.
  • d) 
    Sommige programma’s bevatten streefdoelen die niet voldoende ambitieus zijn (paragrafen 3.34 en 3.35)
    • — 
      Veel programma’s hadden streefdoelen die volgens ons ambitieloos zijn. In zeven programma’s was dat het geval bij minstens 15 % van alle streefdoelen.
 

3.81.

Kader 3.16 geeft een overzicht van onze conclusies inzake de mate waarin de onder a) tot en met d) hierboven genoemde tekortkomingen met name gevolgen hadden voor de programma’s:

  • a) 
    programma’s waarbij het aandeel input- en outputindicatoren meer dan 66 % bedroeg;
  • b) 
    programma’s waarbij de vooruitgang bij meer dan 33 % van de indicatoren niet kon worden gemeten;
  • c) 
    programma’s waarbij bij minstens 25 % van de indicatoren geen gegevens beschikbaar waren van na 2015 of totaal geen gegevens over de geboekte vooruitgang beschikbaar waren;
  • d) 
    programma’s waarbij de streefdoelen bij minstens 15 % van de indicatoren ambitieloos waren.

Hieruit blijkt dat er geen enkel programma in onze steekproef is waarop die tekortkomingen geen invloed hadden.

 

Kader 3.16

Samenvatting van de conclusies

 
 

Beoordeelde programma's en % van de financiële programmering voor 2014-2020 in de steekproef in elk vak

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel: berekening van de ERK (vanaf de uitgangswaarde)

 
 

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel van hoogstens 20 %

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel tussen 20 % en 50 %

Gemiddelde vooruitgang in de richting van het streefdoel van minstens 50 %

 
 

Prestatiekader met geen enkel van de vier vastgestelde tekortkomingen

       
 

Prestatiekader met een van de vier vastgestelde tekortkomingen

EFRO, Levensmiddelen & diervoeders

Elfpo, ENI, IPA II

Erasmus+, Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, Fonds voor asiel, migratie en integratie, Fonds voor interne veiligheid, DCI, Humanitaire hulp, Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

 
 

21 % van de financiële programmering in de steekproef

13 % van de financiële programmering in de steekproef

6 % van de financiële programmering in de steekproef

 
 

Prestatiekader met minstens twee van de vier vastgestelde tekortkomingen

 

Horizon 2020, CEF, CF, Programma Creatief Europa

EFSI, ESF, EFMZV, LIFE

 
 

17 % van de financiële programmering in de steekproef

11 % van de financiëleprogrammering in de steekproef

 

NB

De vooruitgang in de richting van het streefdoel kon niet worden berekend voor het ELGF en het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (32 % van de financiële programmering in de steekproef).

Bron:

ERK.

 

3.82.

In de paragrafen 3.36-3.71 presenteren we de belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit een selectie van de speciale verslagen die we in 2018 publiceerden.

 

3.83.

De follow-up van eerdere aanbevelingen die we dit jaar hebben verricht (zie paragrafen 3.72-3.78) bevestigde dat, net als in eerdere jaren, 76 % van de door ons beoordeelde aanbevelingen volledig of in de meeste opzichten was uitgevoerd. In 18 % van de gevallen waren de aanbevelingen slechts in enkele opzichten uitgevoerd, terwijl belangrijke tekortkomingen bleven bestaan. Slechts 6 % van de aanbevelingen was niet uitgevoerd.

Aanbevelingen

 
 

3.84.

Bijlage 3.5 bevat de bevindingen naar aanleiding van onze follow-upevaluatie van de drie aanbevelingen die we in hoofdstuk 3 van ons Jaarverslag 2015 hebben gedaan. Alle drie waren ze in enkele opzichten uitgevoerd.

 

3.85.

Op basis van onze conclusies voor 2018 doen we de volgende aanbevelingen:

Aanbeveling 3.1 — De Commissie moet bevorderen dat in de programmaverklaringen indicatoren worden opgenomen die:

  • a) 
    door middel van een beter evenwicht tussen input, output, resultaten en impact relevantere informatie verstrekken over hetgeen er met EU-uitgavenprogramma’s is bereikt;
  • b) 
    duidelijk verband houden met de uit EU-uitgavenprogramma’s gefinancierde maatregelen;
  • c) 
    weergeven hetgeen er met de EU-uitgavenprogramma's is bereikt in plaats van de prestaties van de Commissie en andere uitvoeringsorganen, en
  • d) 
    betrekking hebben op de programmadoelstellingen.

Datum van tenuitvoerlegging: publicatie in 2022 van de programmaverklaringen voor de begroting 2023

Aanbeveling 3.2 — Om de vooruitgang vanaf de uitgangswaarde in de richting van het streefdoel te kunnen berekenen, moet de Commissie voor alle programma’s prestatiekaders voorstellen waarbij de prestatie-indicatoren onderstaande kenmerken vertonen. Indien de Commissie van mening is dat dit voor een specifieke indicator niet zinvol is, moet zij haar keuze in de programmaverklaringen toelichten.

  • a) 
    kwantitatieve uitgangswaarden, met vermelding van het jaartal van de uitgangswaarde;
  • b) 
    kwantitatieve mijlpalen;
  • c) 
    kwantitatieve streefdoelen, met vermelding van het jaartal voor het streefdoel;
  • d) 
    gegevens van het vereiste kwaliteitsniveau zodat de vooruitgang vanaf de uitgangswaarde in de richting van het streefdoel gemakkelijk kan worden berekend.

Datum van tenuitvoerlegging: publicatie in 2022 van de programmaverklaringen voor de begroting 2023

Aanbeveling 3.3 — De Commissie moet proberen tijdig prestatiegegevens te ontvangen voor alle prestatie-indicatoren, bijvoorbeeld door nieuwe rapportage-instrumenten in te voeren op onlineplatforms.

Datum voor de uitvoering: start van het project in 2021

Aanbeveling 3.4 — De Commissie moet de voorgestelde streefdoelen documenteren zodat de begrotingsautoriteit kan beoordelen hoe ambitieus ze zijn. Dit betekent dat voor alle indicatoren in de uitgavenprogramma’s streefdoelen moeten worden voorgesteld.

Datum van tenuitvoerlegging: publicatie in 2022 van de programmaverklaringen voor de begroting 2023

Aanbeveling 3.5 — De Commissie moet het prestatieoverzicht van de programma’s verder verbeteren, met name door:

  • a) 
    een en dezelfde methode te gebruiken om de geboekte vooruitgang vanaf de uitgangswaarde in de richting van het streefdoel te berekenen. Indien de Commissie van mening is dat dit voor een specifieke indicator niet haalbaar is, moet zij haar aanpak in de programmaverklaring toelichten;
  • b) 
    uit te leggen op basis waarvan de prestatie-indicatoren voor elk programma zijn gekozen.

Datum voor de uitvoering: publicatie van het prestatieoverzicht van de programma’s in 2021

 

  • (1) 
    Artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de EU.
  • (2) 
    Zie “Draft General Budget of the European Union for the financial year 2019 — Working document — Part I — programme statements of operational expenditure” — COM(2018) 600 — mei 2018.
  • (3) 
    Zie “EU Budget 2014-2020 Programmes’ Performance Overview — Extract from programme statements of operational expenditure Draft Budget 2019” — COM(2018)600 — mei 2018.
  • (4) 
    Opmerking: In aanbeveling 5 van hoofdstuk 3 van het Jaarverslag 2016 (paragraaf 3.77) hebben wij de Commissie verzocht “in de belangrijkste verslagen over de prestaties aan [te geven] of naar haar weten de kwaliteit van de verstrekte prestatiegegevens toereikend is”.
  • (5) 
    De uitgangswaarden hingen af van de beschikbaarheid van informatie, maar waren in beginsel de gegevens die op 1 januari 2014 over het desbetreffende aspect van het programma beschikbaar waren.
  • (6) 
    Zie bijvoorbeeld “Measuring distance to the Sustainable Development Goal (SDG) targets — An assessment of where OECD countries stand” — juni 2017 — OESO— blz. 15 — tabel 3. “Pros and cons of different normalisation procedures”.
  • (7) 
    Zie “Commission Staff Working Document — Better Regulation Guidelines” — SWD(2017) 350 Final — 7.7.2017 — blz. 26.
  • (8) 
    Zoals uiteengezet in het prestatieoverzicht bij “Methodological note”, blz. 2.
  • (9) 
    Respectievelijk na drie en vier van de zeven jaar.
  • Opmerking: voor de berekening van de vooruitgang ten opzichte van de uitgangswaarde zijn we ervan uitgegaan dat de uitgangswaarde voor de indicatoren gelijk was aan nul, hoewel die informatie niet in de programmaverklaringen was opgenomen.
  • Er wordt aan een wijziging van de desbetreffende wetgeving gewerkt zodat ook over gedeeltelijk uitgevoerde concrete acties verslag kan worden uitgebracht.
  • Op basis van vijf indicatoren.
  • Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855).
  • Zie voor de definities van “output”, “resultaat” en “impact” artikel 2 van het Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Unie (juli 2018), en blz. 49 van de richtsnoeren voor betere regelgeving (SWD(2017) 350 final).
  • In sommige gevallen verschilde onze rangschikking van indicatoren van de rangschikking die de Commissie heeft gebruikt of die in de desbetreffende EU-wetgeving is vastgesteld.
  • Dit wordt beaamd in de “OECD Best Practices for Performance Budgeting” gepubliceerd door het OESO-directoraat Public Governance, comité Public Governance (GOV/PGC/SBO(2018)7, 23 november 2018). Onder beste praktijk 3 staat onder andere dat de overheid een mix van prestatiemetingen gebruikt waarbij zij een evenwicht probeert te bereiken tussen de noodzaak om beleidsresultaten op langere termijn te meten, en de noodzaak om vooruitgang op kortere termijn te monitoren.
  • COM(2018) 600 — mei 2018: Ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar2019; werkdocument deel 1, programmaverklaringen over de operationele uitgaven, blz. 5.
  • Indien van toepassing, ook door middel van bijbehorend begrotingsneutraal beleid (bijvoorbeeld middels EU-wetgeving).
  • Zo staat in de voetnoot bij twee algemene doelstellingsindicatoren uit het programma voor humanitaire hulp (aantal sterfgevallen door natuurrampen zoals opgenomen in de EM-DAT-databank en aantal landen met een zeer hoog risico op rampen in de INFORM-index) dat er rekening mee gehouden moet worden dat de jaarlijkse resultaten en evolutie van deze indicator in heel grote mate afhangen van externe factoren waarop de Commissie helemaal geen invloed heeft, en dat de specifieke bijdrage van humanitaire hulp aan de evolutie van deze indicator moeilijk te beoordelen is.
  • Alle programma’s hadden specifieke doelstellingen. Sommige programma’s hadden echter geen algemene doelstellingen.
  • Het aantal mensen dat hulp heeft gekregen om een crisissituatie te boven te komen wanneer die van invloed was op hun leefomstandigheden.
  • Bij de prestatietabellen in bijlage 11 bij het JAV van DG REGIO wordt er bijvoorbeeld op gewezen dat er wat betreft de cijfers betreffende mijlpalen in die tabellen rekening mee moet worden gehouden dat zij louter indicatieve ramingen zijn die niet mogen worden gebruikt om ondermaatse prestaties vast te stellen.
  • Bijvoorbeeld bij het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), specifieke doelstelling 1, indicator 2 betreffende het aandeel van de leerlingen dat in de eerste klas start en het laatste jaar van het lager onderwijs bereikt, opgesplitst naar geslacht, wordt in de voetnoot vermeld dat er echter moet worden opgemerkt dat deze indicator nog niet beschikbaar is, omdat de methodologie nog niet bepaald is en er geen gegevens zijn, en dat het nog 3 tot 5 jaar zal duren voordat deze indicator kan worden gebruikt volgens de Unesco, die een voortrekkersrol vervult met betrekking tot de SDG-indicatoren inzake onderwijs.
  • “Aanbeveling van de Raad betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017”, hoofdstuk 3, paragraaf 3.
  • “Kwijting 2017: algemene begroting van de Europese Unie — Commissie en uitvoerende agentschappen” P8_TA(2019)0242 paragraaf 236.
  • Terwijl het hele netwerk in de EU meer dan 138 000 km spoorlijnen telt.
  • De uitgangswaarde en het streefdoel bedroegen respectievelijk 3,2 en 3,0 octrooiaanvragen per 10 miljoen EUR aan financiering.
  • https://www.eca.europa.eu
  • In 2018 hebben wij ook negen producten op basis van evaluaties gepubliceerd: twee overzichten, zes briefingdocumenten en één snelle evaluatie.
  • 1a (“Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid”), 1b (“Economische, sociale en territoriale cohesie”), 2 (“Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen”), 3 (“Veiligheid en burgerschap”), 4 (“Europa als wereldspeler”), 5 (“Administratie”).
  • NB: de speciale verslagen over milieu- en klimaatactie van de EU zijn opgenomen in rubriek 2 hieronder.

BIJLAGE 3.1

LIJST VAN PROGRAMMA’S IN ONZE STEEKPROEF

 

MFK-rubriek

Acroniem

Programmanaam

1a

CEF

Connecting Europe Facility

1a

EFSI

Europees Fonds voor strategische investeringen

1a

Erasmus+

Programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport

1a

Horizon 2020

Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie

1b

CF

Cohesiefonds

1b

EFRO

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling

1b

ESF

Europees Sociaal Fonds

1b

Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen

2

Elfpo

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling

2

ELGF

Europees Landbouwgarantiefonds

2

EFMZV

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

2

LIFE

Programma voor het milieu en klimaatactie

3

Fonds voor asiel, migratie en integratie

3

Programma Creatief Europa

3

Levensmiddelen en diervoeders

3

Fonds voor interne veiligheid

4

DCI

Instrument voor ontwikkelingssamenwerking

4

ENI

Europees nabuurschapsinstrument

4

IPA II

Instrument voor pretoetredingssteun

4

Humanitaire hulp

Speciale instrumenten

EFG

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

Speciale instrumenten

SFEU

Solidariteitsfonds van de Europese Unie

Bron:

ERK.

BIJLAGE 3.2

AANBEVELINGEN VAN 2018 AAN DE LIDSTATEN

 

SV-nummer

Titel van het SV

Nummer en gebied/samenvatting van de aanbeveling aan de lidstaten

5/2018

Hernieuwbare energie voor duurzame plattelandsontwikkeling: aanzienlijke synergieën mogelijk, waarvan de meeste echter niet zijn gerealiseerd

  • 1. 
    “Rural proofing” (plattelandstoets) voor toekomstig beleid inzake hernieuwbare energie (bij het ontwerpen van toekomstige beleid inzake hernieuwbare energie rekening houden met de omstandigheden en behoeften van de plattelandsbevolking en -economie)
  • 5. 
    Betere projectselectie waarbij rekening wordt gehouden met de toegevoegde waarde voor plattelandsgebieden en de levensvatbaarheid van een project

Opmerking: aanbeveling 1 was gericht tot de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, en aanbeveling 5 tot de Commissie met de lidstaten.

6/2018

Vrij verkeer van werknemers — de fundamentele vrijheid is gewaarborgd, maar de mobiliteit van werknemers zou gebaat zijn bij een doelgerichter inzet van EU-middelen

  • 1. 
    • a) 
      Meet in hoeverre EU-burgers bekend zijn met de bestaande instrumenten voor het verstrekken van informatie over het vrije verkeer van werknemers en het melden van discriminatie
  • 3. 
    Verbeter de verzameling en het gebruik van gegevens over patronen en stromen in de arbeidsmobiliteit en over onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt
  • 5. 
    Verbeter de monitoring van de doeltreffendheid van de Eures-as van het EaSI, in het bijzonder met betrekking tot de geslaagde arbeidsbemiddelingspogingen

Opmerking: aanbevelingen 1, onder a), 3 en 5 onder b), zijn zowel tot de Commissie als de lidstaten gericht

  • 6. 
    Pak de beperkingen van het Eures-portaal voor arbeidsmobiliteit aan

8/2018

EU-steun voor productieve investeringen in ondernemingen — meer aandacht voor duurzaamheid nodig

  • 1. 
    • a) 
      De duurzaamheid van de resultaten bevorderen
  • 2. 
    Tijdens de selectieprocedures rekening houden met duurzaamheid
  • 3. 
    Duurzaamheid benadrukken bij monitoring en verslaglegging
  • 4. 
    Rekening houden met duurzaamheid tijdens de evaluaties

Opmerking: aanbeveling 4 is zowel tot de Commissie als de lidstaten gericht

  • 5. 
    • b) 
      Duidelijk omschreven corrigerende maatregelen op consistente wijze toepassen

9/2018

Publiek-private partnerschappen in de EU: algemeen voorkomende tekortkomingen en beperkte voordelen

  • 1. 
    Bevorder geen intensiever en breder gebruik van PPP’s voordat de vastgestelde problemen zijn aangepakt en de volgende aanbevelingen op succesvolle wijze zijn uitgevoerd

Opmerking: aanbeveling 1 is zowel tot de Commissie als de lidstaten gericht

  • 2. 
    Beperk de financiële gevolgen van vertragingen en nieuwe onderhandelingen voor de kosten van PPP’s die worden gedragen door de publieke partner
  • 3. 
    • a) 
      Baseer de keuze voor de PPP-optie op deugdelijke vergelijkende analyses ten aanzien van de beste aanbestedingsoptie
  • 4. 
    • a) 
      Bepaal duidelijke beleidslijnen en strategieën voor PPP
  • 5. 
    • b) 
      Verbeter het EU-kader voor een betere doeltreffendheid van PPP-projecten

12/2018

Breedband in de EU-lidstaten: hoewel er vooruitgang is geboekt, zullen niet alle Europa 2020-streefdoelen worden gehaald

  • 2. 
    Strategische planning (de lidstaten moeten herziene plannen ontwikkelen om te laten zien hoe zij de streefdoelen op hoog niveau voor breedband na 2020 willen bereiken)
  • 4. 
    Regelgevingskader (de lidstaten moeten het mandaat van hun nationale regelgevende instanties opnieuw bekijken in het licht van het herziene EU-wetgevingskader voor telecommunicatie)

21/2018

Selectie en monitoring van EFRO- en ESF-projecten zijn in de periode 2014-2020 nog steeds hoofdzakelijk outputgericht

  • 1. 
    Resultaatgerichte selectie (de lidstaten voorzien in selectiecriteria die van begunstigden vereisen dat zij ten minste één echte resultaatindicator vaststellen, en nemen een beoordeling van deze verwachte resultaten en indicatoren op in het beoordelingsverslag voor de aanvragen …)
  • 2. 
    • a) 
      Resultaatgerichte monitoring (de lidstaten moeten gekwantificeerde resultaatindicatoren in de subsidieovereenkomst opnemen die bijdragen tot de op OP-niveau vastgestelde resultaatindicatoren)

33/2018

Bestrijding van woestijnvorming in de EU: een groeiende bedreiging waartegen meer moet worden ondernomen

  • 1. 
    Aanbeveling gericht tot “de Commissie, in samenwerking met de lidstaten”; Inzicht in bodemdegradatie en woestijnvorming in de EU

Bron:

ERK.

BIJLAGE 3.3

GEDETAILLEERDE STAND VAN ZAKEN VAN DE AANBEVELINGEN VAN 2015, OPGESPLITST NAAR VERSLAG

 

SV

Titel verslag

Nr.

Paragraaf in SV

Volledig uitgevoerd

In de meeste opzichten uitgevoerd

In enkele opzichten uitgevoerd

Niet uitgevoerd

Kon niet worden nagegaan

Niet langer relevant

SV nr. 1/2015

Binnenvaart in Europa: het vervoersaandeel en de bevaarbaarheid zijn sinds 2001 niet aanzienlijk verbeterd

1

Par. 52 Aanbev. 1, onder a)

       

x

 

2

Par. 52 Aanbev. 1, onder b)

   

x

     

3

Par. 54 Aanbev. 2, onder a)

   

x

     

4

Par. 54 Aanbev. 2, onder b)

   

x

     

5

Par. 54 Aanbev. 2, onder c)

       

x

 

SV nr. 2/2015

EU-financiering van stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallaties in het Donaubekken: verdere inspanningen zijn nodig om de lidstaten te helpen bij het verwezenlijken van de doelstellingen van het EU-afvalwaterbeleid

1

Par. 108 Aanbev. 1, onder a)

     

x

   

2

Par. 108 Aanbev. 1, onder b)

x

         

3

Par. 108 Aanbev. 1, onder c)

x

         

4

Par. 108 Aanbev. 1, onder d)

x

         

5

Par. 108 Aanbev. 1, onder e)

x

         

6

Par. 110 Aanbev. 2, onder a)

   

x

     

7

Par. 110 Aanbev. 2, onder b)

x

         

8

Par. 115 Aanbev. 3, onder a)

     

x

   

9

Par. 115 Aanbev. 3, onder b)

     

x

   

10

Par. 115 Aanbev. 3, onder c)

 

x

       

11

Par. 115 Aanbev. 3, onder d)

   

x

     

12

Par. 115 Aanbev. 3, onder e)

x

         

13

Par. 117 Aanbev. 4, onder a)

     

x

   

14

Par. 117 Aanbev. 4, onder b)

 

x

       

15

Par. 119 Aanbev. 5, onder a)

x

         

16

Par. 119 Aanbev. 5, onder b)

     

x

   

SV nr. 3/2015

De EU-jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet

1

Par. 89 Aanbev. 1

       

x

 

2

Par. 90 Aanbev. 2

x

         

3

Par. 91 Aanbev. 3

x

         

SV nr. 4/2015

Technische bijstand: welke bijdrage heeftdeze geleverd tot landbouw en plattelandsontwikkeling?

1

Par. 90 Aanbev. 1

 

x

       

2

Par. 90 Aanbev. 2

     

x

   

3

Par. 90 Aanbev. 3

x

         

4

Par. 93 Aanbev. 4

   

x

     

SV nr. 5/2015

Zijn financiële instrumenten een succesvol en veelbelovend instrument op het gebied van plattelandsontwikkeling?

1

Par. 98 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 99 Aanbev. 2

x

         

3

Par. 100 Aanbev. 3

 

x

       

4

Par. 101 Aanbev. 4

x

         

5

Par. 102 Aanbev. 5

       

x

 

6

Par. 103 Aanbev. 6

         

x

SV nr. 06/2015

De integriteit en de uitvoering van de EU-ETS

1

Par. 91 Aanbev. 1, onder a)

   

x

     

2

Par. 91 Aanbev. 1, onder b)

x

         

3

Par. 91 Aanbev. 1, onder c)

x

         

4

Par. 92 Aanbev. 2

   

x

     

5

Par. 93 Aanbev. 3, onder a)

   

x

     

6

Par. 93 Aanbev. 3, onder b)

 

x

       

7

Par. 93 Aanbev. 3, onder c)

x

         

8

Par. 93 Aanbev. 3, onder d)

       

x

 

9

Par. 93 Aanbev. 3, onder e)

       

x

 

10

Par. 94 Aanbev. 4, onder a)

x

         

11

Par. 94 Aanbev. 4, onder b)

x

         

12

Par. 94 Aanbev. 4, onder c)

       

x

 

13

Par. 94 Aanbev. 4, onder d)

       

x

 

14

Par. 94 Aanbev. 4, onder e)

       

x

 

15

Par; 94 Aanbev. 4, onder f)

       

x

 

16

Par. 96 Aanbev. 5, onder a)

x

         

17

Par. 96 Aanbev. 5, onder b)

x

         
   

18

Par. 96 Aanbev. 5, onder c)

       

x

 

19

Par. 97 Aanbev. 6, onder a)

x

         

20

Par. 97 Aanbev. 6, onder b)

       

x

 

21

Par. 97 Aanbev. 6, onder c)

       

x

 

SV nr. 7/2015

De politiemissie van de EU in Afghanistan: gemengde resultaten (EDEO)

1

Par. 81 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 85 Aanbev. 2, onder a)

   

x

     

3

Par. 85 Aanbev. 2, onder b)

x

         

4

Par. 85 Aanbev. 2, onder c)

x

         

5

Par. 86 Aanbev. 3, onder a)

x

         

6

Par. 86 Aanbev. 3, onder b)

   

x

     

7

Par. 86 Aanbev. 3, onder c)

x

         

8

Par. 86 Aanbev. 3, onder d)

   

x

     

9

Par. 86 Aanbev. 3, onder e)

   

x

     

10

Par. 86 Aanbev. 3, onder f)

   

x

     

11

Par. 87 Aanbev. 4

       

x

 

12

Par. 88 Aanbev. 5, onder a)

   

x

     

13

Par. 88 Aanbev. 5, onder b)

 

x

       

SV nr. 08/2015

Voorziet de financiële steun van de EU behoorlijk in de behoeften van micro-ondernemers?

1

Par. 68 Aanbev. 1

 

x

       

2

Par. 68 Aanbev. 2

x

         

3

Par. 69 Aanbev. 3

 

x

       

4

Par. 72 Aanbev. 4

     

x

   

SV nr. 9/2015

EU-steun voor de strijd tegen foltering en voor de afschaffing van de doodstraf

1

Par. 54 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 55 Aanbev. 2

x

         

3

Par. 55 Aanbev. 3

x

         

4

Par. 55 Aanbev. 4

     

x

   

5

Par. 56 Aanbev. 5

x

         

6

Par. 56 Aanbev. 6

     

x

   

SV nr. 10/2015

Er moet meer worden gedaan om de problemen met openbare aanbesteding bij EU-cohesie-uitgaven aan te pakken

1

Par. 99 Aanbev. 1, onder a)

 

x

       

2

Par. 99 Aanbev. 1, onder b)

       

x

 

3

Par. 100 Aanbev. 2

     

x

   

4

Par. 101 Aanbev. 3

x

         

5

Par. 104 Aanbev. 4

x

         

6

Par. 102 Aanbev. 5

 

x

       

7

Par. 105 Aanbev. 6, onder a)

   

x

     

8

Par. 105 Aanbev. 6, onder b)

       

x

 

SV nr. 11/2015

Worden de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij goed beheerd door de Commissie?

1

Par. 90 Aanbev. 1, onder a)

x

         

2

Par. 90 Aanbev. 1, onder b)

   

x

     

3

Par. 90 Aanbev. 1, onder c)

x

         

4

Par. 90 Aanbev. 1, onder d)

x

         

5

Par. 90 Aanbev. 1, onder e)

x

         

6

Par. 93 Aanbev. 2, onder a)

   

x

     

7

Par. 93 Aanbev. 2, onder b)

x

         

8

Par. 93 Aanbev. 2, onder c)

x

         

9

Par. 95 Aanbev. 3, onder a)

x

         

10

Par. 95 Aanbev. 3, onder b)

x

         

11

Par. 95 Aanbev. 3, onder c)

x

         

SV nr. 12/2015

De prioriteit van de EU om een op kennis gebaseerde plattelandseconomie te bevorderen wordt nadelig beïnvloed door slecht beheer van de maatregelen voor kennisoverdracht en adviesverlening

1

Par. 94 Aanbev. 1, onder a)

       

x

 

2

Par. 94 Aanbev. 1, onder b)

 

x

       

3

Par. 94 Aanbev. 1, onder c)

       

x

 

4

Par. 94 Aanbev. 1, onder d)

 

x

       

5

Par. 96 Aanbev. 2, onder a)

       

x

 

6

Par. 96 Aanbev. 2, onder b)

 

x

       

7

Par. 98 Aanbev. 3, onder a)

 

x

       

8

Par. 98 Aanbev. 3, onder b)

 

x

       
   

9

Par. 100 Aanbev. 4, onder a)

       

x

 

10

Par. 100 Aanbev. 4, onder b)

   

x

     

11

Par. 102 Aanbev. 5

 

x

       

SV nr. 13/2015

De EU-steun voor houtproducerende landen in het kader van het FLEGT-actieplan

1

Par. 58 Aanbev. 1

 

x

       

2

Par. 58 Aanbev. 2

x

         

3

Par. 58 Aanbev. 3

x

         

4

Par. 58 Aanbev. 4

x

         

5

Par. 59 Aanbev. 5

 

x

       

6

Par. 59 Aanbev. 6

x

         

SV nr. 14/2015

Biedt de ACS-Investeringsfaciliteit toegevoegde waarde? (EIB)

1

Par. 40 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 41 Aanbev. 2

x

         

SV nr. 15/2015

De steun uit de ACS-EU-Energiefaciliteit voor hernieuwbare energie in Oost-Afrika

1

Par. 42 Aanbev. 1, onder i)

x

         

2

Par. 42 Aanbev. 1, onder ii)

x

         

3

Par. 43 Aanbev. 2, onder i)

x

         

4

Par. 43 Aanbev. 2, onder ii)

x

         

5

Par. 43 Aanbev. 2, onder iii)

x

         

6

Par. 43 Aanbev. 2, onder iv)

x

         

7

Par. 43 Aanbev. 2, onder v)

x

         

8

Par. 44 Aanbev. 3, onder i)

x

         

9

Par. 44 Aanbev. 3, onder ii)

x

         

SV nr. 16/2015

Verbetering van de energievoorzieningszekerheid door ontwikkeling van de interne energiemarkt: meer inspanningen nodig

1

Par. 115 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 116 Aanbev. 2, onder a)

       

x

 

3

Par. 116 Aanbev. 2, onder b)

x

         

4

Par. 117 Aanbev. 3

 

x

       

5

Par. 118 Aanbev. 4

x

         

6

Par. 121 Aanbev. 5, onder a)

x

         

7

Par. 121 Aanbev. 5, onder b)

x

         
   

8

Par. 122 Aanbev. 6, onder a)

x

         

9

Par. 122 Aanbev. 6, onder b)

x

         

10

Par. 122 Aanbev. 6, onder c)

x

         

11

Par. 123 Aanbev. 7, onder a)

x

         

12

Par. 123 Aanbev. 7, onder b)

   

x

     

13

Par. 123 Aanbev. 7, onder c)

 

x

       

14

Par. 125 Aanbev. 8

 

x

       

15

Par. 126 Aanbev. 9

   

x

     

SV nr. 17/2015

Steun van de Commissie voor jongerenactieteams: heroriëntatie van ESF-middelen verwezenlijkt, maar onvoldoende aandacht voor resultaten

1

Par. 81 Aanbev. 1

       

x

 

2

Par. 84 Aanbev. 2, onder a)

 

x

       

3

Par. 84 Aanbev. 2, onder b)

   

x

     

4

Par. 84 Aanbev. 2, onder c)

   

x

     

5

Par. 84 Aanbev. 2, onder d)

x

         

6

Par. 86 Aanbev. 3

 

x

       

SV nr. 18/2015

Financiële bijstand aan landen die in moeilijkheden verkeren

1

Par. 182 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 183 Aanbev. 2

x

         

3

Par. 184 Aanbev. 3

x

         

4

Par. 189 Aanbev. 4

x

         

5

Par. 190 Aanbev. 5

x

         

6

Par. 191 Aanbev. 6

x

         

7

Par. 192 Aanbev. 7

x

         

8

Par. 194 Aanbev. 8

x

         

9

Par. 204 Aanbev. 9

x

         

SV nr. 19/2015

Meer aandacht voor resultaten nodig om de verlening van technische bijstand aan Griekenland te verbeteren

1

Par. 75 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 76 Aanbev. 2

x

         

3

Par. 76 Aanbev. 3

x

         

4

Par. 76 Aanbev. 4

x

         

5

Par. 76 Aanbev. 5

x

         

6

Par. 78 Aanbev. 6

x

         

7

Par. 78 Aanbev. 7

x

         

SV nr. 20/2015

De kosteneffectiviteit van EU-steun inzake plattelandsontwikkeling voor niet-productieve investeringen in de landbouw

1

Par. 74 Aanbev. 1, onder a)

   

x

     

2

Par. 74 Aanbev. 1, onder b)

       

x

 

3

Par. 75 Aanbev. 2, onder a)

       

x

 

4

Par. 75 Aanbev. 2, onder b)

x

         

5

Par. 77 Aanbev. 3, onder a)

   

x

     

6

Par. 77 Aanbev. 3, onder b)

       

x

 

7

Par. 80 Aanbev. 4, onder a)

       

x

 

8

Par. 80 Aanbev. 4, onder b)

x

         

9

Par. 80 Aanbev. 4, onder c)

       

x

 

10

Par. 80 Aanbev. 4, onder d)

x

         

11

Par. 80 Aanbev. 4, onder e)

x

         

12

Par. 81 Aanbev. 5, onder a)

       

x

 

13

Par. 81 Aanbev. 5, onder b)

x

         

SV nr. 21/2015

Onderzoek van de risico's van een resultaatgerichte aanpak van EU-ontwikkelings- en samenwerkingsactiviteiten

1

Par. 83 Aanbev. 1

 

x

       

2

Par. 83 Aanbev. 2

 

x

       

3

Par. 83 Aanbev. 3

x

         

4

Par. 83 Aanbev. 4

x

         

5

Par. 83 Aanbev. 5

x

         

SV nr. 22/2015

Het EU-toezicht op ratingbureaus — een solide opzet, maar nog niet volledig doeltreffend (ESMA)

1

Par. 110 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 110 Aanbev. 2

x

         

3

Par. 110 Aanbev. 3

x

         

4

Par. 110 Aanbev. 4

x

         

5

Par. 110 Aanbev. 5

x

         

6

Par. 110 Aanbev. 6

   

x

     

7

Par. 110 Aanbev. 7

   

x

     

8

Par. 110 Aanbev. 8

x

         

SV nr. 23/2015

Waterkwaliteit in het Donaubekken: vooruitgang in de uitvoering van de kaderrichtlijn water, maar nog wel een lange weg te gaan

1

Par. 172 Aanbev. 1, onder a)

x

         

2

Par. 172 Aanbev. 1, onder b)

x

         

3

Par. 172 Aanbev. 1, onder c)

x

         

4

Par. 172 Aanbev. 1, onder d)

       

x

 

5

Par. 172 Aanbev. 1, onder e)

       

x

 

6

Par. 172 Aanbev. 1, onder f)

       

x

 

7

Par. 182 Aanbev. 2, onder a)

x

         

8

Par. 182 Aanbev. 2, onder b)

       

x

 

9

Par. 182 Aanbev. 2, onder c)

       

x

 

10

Par. 182 Aanbev. 2, onder d)

       

x

 

11

Par. 191 Aanbev. 3, onder a)

x

         

12

Par. 191 Aanbev. 3, onder b)

   

x

     

13

Par. 191 Aanbev. 3, onder c)

x

         

14

Par. 191 Aanbev. 3, onder d)

   

x

     

15

Par. 191 Aanbev. 3, onder e)

   

x

     

16

Par. 191 Aanbev. 3, onder f)

       

x

 

17

Par. 191 Aanbev. 3, onder g)

       

x

 

SV nr. 24/2015

De aanpak van intracommunautaire btw-fraude: er zijn meer maatregelen nodig

1

Par. 113 Aanbev. 1

x

         

2

Par. 114 Aanbev. 2

       

x

 

3

Par. 114 Aanbev. 3

x

         

4

Par. 115 Aanbev. 4, onder a)

x

         

5

Par. 115 Aanbev. 4, onder b)

x

         

6

Par. 115 Aanbev. 4, onder c)

x

         

7

Par. 115 Aanbev. 4, onder d)

x

         

8

Par. 115 Aanbev. 4, onder e)

x

         

9

Par. 116 Aanbev. 5

       

x

 

10

Par. 116 Aanbev. 6

     

x

   

11

Par. 117 Aanbev. 7

     

x

   

12

Par. 118 Aanbev. 8

x

         

13

Par. 118 Aanbev. 9

       

x

 

14

Par. 118 Aanbev. 10

       

x

 

15

Par. 119 Aanbev. 11

       

x

 

16

Par. 120 Aanbev. 12

x

         

17

Par. 121 Aanbev. 13

x

         

18

Par. 122 Aanbev. 14

       

x

 

SV nr. 25/2015

EU-steun voor plattelandsinfrastructuur: potentieel om aanzienlijk grotere kosteneffectiviteit te bereiken

1

Par. 101 Aanbev. 1, onder a)

       

x

 

2

Par. 101 Aanbev. 1, onder b)

   

x

     

3

Par. 101 Aanbev. 1, onder c)

       

x

 

4

Par. 101 Aanbev. 1, onder d)

   

x

     

5

Par. 106 Aanbev. 2, onder a)

       

x

 

6

Par. 106 Aanbev. 2, onder b)

 

x

       

7

Par. 106 Aanbev. 2, onder c)

       

x

 
   

8

Par. 106 Aanbev. 2, onder d)

       

x

 

9

Par. 109 Aanbev. 3, onder a)

   

x

     

10

Par. 109 Aanbev. 3, onder b)

       

x

 

BIJLAGE 3.4

VERWEZENLIJKTE VERBETERINGEN EN RESTERENDE TEKORTKOMINGEN VAN GEDEELTELIJK UITGEVOERDE AANBEVELINGEN, OPGESPLITST NAAR VERSLAG

 

SV

Titel verslag

Nr.

Paragraaf in SV

Definitieve beoordeling ERK

Verbeteringen

Tekortkomingen

SV nr. 1/2015

Binnenvaart in Europa: het vervoersaandeel en de bevaarbaarheid zijn sinds 2001 niet aanzienlijk verbeterd

2

Par. 52 Aanbev. 1, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

In de gunningscriteria voor de CEF-oproepen, ook deze die voorrang geven aan binnenvaart, wordt verwezen naar de relevantie, maturiteit, impact en kwaliteit van de voorgestelde acties.

Met betrekking tot de ESI-fondsen is er geen sprake van verbeteringen. De Commissie kan de lidstaten niet dwingen projecten te selecteren die relevanter of reeds verder gevorderd zijn. De Commissie richt haar financiering niet op projecten waarbij reeds vergevorderde plannen bestaan voor het wegwerken van knelpunten.

3

Par. 54 Aanbev. 2, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie verricht momenteel studies naar het potentieel van vervoer over het water. De jaarlijkse werkplannen van de kernnetwerkcoördinatoren bevatten informatie over de mogelijke voordelen van vervoer over de binnenwateren.

Er is geen bewijs dat de lidstaten doeltreffende inspanningen leveren om de coördinatie te verbeteren.

4

Par. 54 Aanbev. 2, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

De jaarlijkse werkplannen van de kernnetwerkcoördinatoren worden samen met de lidstaten afgerond. In die plannen wordt rekening gehouden met de meest recente informatie die de lidstaten en de belanghebbenden hebben verstrekt, en met de resultaten van de meest recente oproepen tot het indienen van voorstellen.

Er is geen bewijs dat de Commissie en de lidstaten afspraken hebben gemaakt over specifieke en haalbare doelstellingen en gedetailleerde mijlpalen voor het wegwerken van knelpunten in de corridors, dat de coördinatie tussen de verschillende lidstaten doeltreffend verloopt en dat de aangenomen jaarlijkse werkplannen van de kernnetwerkcoördinatoren afdwingbaar zijn.

SV nr. 2/2015

EU-financiering van stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallaties in het Donaubekken: verdere inspanningen zijn nodig om de lidstaten te helpen bij het verwezenlijken van de doelstellingen van het EU-afvalwaterbeleid

6

Par. 110 Aanbev. 2, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

Voor agglomeraties met meer dan 2 000 i.e. wordt in de nieuwe rapportagemodellen overeenkomstig artikel 17 van de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater informatie verstrekt over geplande investeringen om aan de regelgeving te voldoen.

Voor agglomeraties met minder dan 2 000 i.e. is die informatie niet verzameld.

10

Par. 115 Aanbev. 3, onder c)

In de meeste opzichten uitgevoerd

Er is een specifieke studie uitgevoerd. De daaruit voortvloeiende aanbevelingen worden momenteel bekeken in het kader van de evaluatie van de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater.

DG ENV heeft nog geen uitspraak gedaan over onze aanbeveling om het meten van overstortingen verplicht te maken.

11

Par. 115 Aanbev. 3, onder d)

In enkele opzichten uitgevoerd

De kwaliteit van de kosten-batenanalyses is verbeterd waardoor het in sommige gevallen mogelijk is geweest iets te doen aan de te grote afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Het risico op te grote afvalwaterzuiveringsinstallaties blijft bestaan.

14

Par. 117 Aanbev. 4, onder b)

In de meeste opzichten uitgevoerd

In maart 2016 heeft de Commissie het voorstel voor een verordening inzake bemestingsproducten aangenomen.

De herziene verordening inzake bemestingsproducten is nog niet vastgesteld. De opname van zuiveringsslib in de lijst van bemestingsproducten hangt af van de resultaten van een lopende technische studie.

SV nr. 4/2015

Technische bijstand: welke bijdrage heeft deze geleverd tot landbouw en plattelandsontwikkeling?

1

Par. 90 Aanbev. 1

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft de aanbeveling formeel uitgevoerd. Om de reikwijdte en de toepassing van de technische bijstand te verduidelijken, heeft de Commissie richtsnoeren voor de lidstaten gepubliceerd. Met het oog op de monitoring van de uitvoering door de lidstaten is de Commissie (zoals we hadden aanbevolen) in de rapportagetabel onderscheid gaan maken tussen administratieve en andere kosten om het gebruik door de lidstaten van de technische bijstand (met uitzondering van NPN's) te monitoren.

Opstelling van richtsnoeren voor de lidstaten over de reikwijdte en de subsidiabele kosten van de technische bijstand. De Commissie heeft in de monitoringtabel van de technische bijstand het aanbevolen onderscheid ingevoerd tussen administratieve en andere kosten.

De meerwaarde van de maatregelen die naar aanleiding van de aanbeveling zijn genomen, is twijfelachtig.

Hoewel de Commissie aanbeveling 1 (verduidelijken en monitoren) heeft uitgevoerd, heeft zij hiermee niets veranderd aan onze onderliggende bevinding in het verslag dat een groot deel van de uitgaven van de lidstaten voor technische bijstand “in feite gelijk staat aan begrotingssteun”. Het gebruik van technische bijstand voor algemene administratieve kosten is volgens de EU-verordeningen niet verboden en wordt dus door de Commissie toegestaan. In het kader van de monitoring kunnen een correcte beoordeling van deze kosten en een vergelijking tussen de lidstaten nuttig zijn om vast te stellen welke beste/slechtste praktijken in de richtsnoeren en aanbevelingen aan de lidstaten moeten worden opgenomen.

4

Par. 93 Aanbev. 4

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft aan alle lidstaten aanbevolen een passend prestatiekader met SMART-doelstellingen op te zetten om de bijdrage van de technische bijstand aan het beleid, te beoordelen.

Volgens de controle-informatie die voor de controleurs beschikbaar was, heeft de Commissie onvoldoende gedaan om op Commissieniveau een prestatiekader op te zetten. De Commissie heeft de lidstaten, door middel van de aanbeveling in haar brieven met opmerkingen voor de goedkeuring van het programma voor plattelandsontwikkeling voor 2014-2020, aangespoord om passende indicatoren voor technische bijstand vast te stellen, maar heeft hen daartoe niet verplicht. We konden van de Commissie geen informatie krijgen over de staat van uitvoering van het prestatiekader op het niveau van de lidstaten. Er was slechts een heel klein deel van de vereiste monitoringgegevens beschikbaar en de beschikbare gegevens zijn niet gebruikt in de praktijk. De indicatoren voor NPN en voor de andere kosten (waaronder technische bijstand voor capaciteitsopbouw) zijn niet evenwichtig, gezien de relatieve omvang van de uitgaven voor deze posten.

SV nr. 5/2015

Zijn financiële instrumenten een succesvol en veelbelovend instrument op het gebied van plattelandsontwikkeling?

3

Par. 100 Aanbev. 3

In de meeste opzichten uitgevoerd

Betere afstemming van de hefboomwerking op specifieke doelgroepen bij plattelandsontwikkeling en een standaardhefboomwerking van vijf in de nieuwe AGRI-garantiefaciliteit van het EIF (elke euro die wordt geïnvesteerd door het EU-fonds, levert een totale investering van 5 EUR op). Grotere renouvelleringseffecten gekoppeld aan een strenger beheer van de fondsen en minder overkapitalisatie.

De Commissie heeft geen precieze streefdoelen voor renouvelleringseffecten vastgesteld. De werkelijke impact van een strenger beheer van de fondsen op de renouvelleringseffecten blijft een vraagteken.

SV nr. 6/2015

De integriteit en de uitvoering van de EU-ETS

1

Par. 91 Aanbev. 1, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

Een taskforce grondstoffenderivaten met leden van de ESMA (Europese Autoriteit voor effecten en markten) en de Commissie, DG FISMA, is in mei 2019 verdere activiteiten aan het ontplooien. In het kader van de tussentijdse evaluatie van de MiFID-regelgeving begin 2020 zal de Commissie opnieuw beoordelen wat de potentiële risico’s zijn in verband met de vrijstellingen van MiFID II voor compliance traders en kleinere marktdeelnemers.

De resultaten van de risicobeoordeling en de potentiële corrigerende maatregelen zijn nog niet bekend.

4

Par. 92 Aanbev. 2

In enkele opzichten uitgevoerd

De studie die de basis zal vormen voor de beoordeling van de juridische status van de ETS, is afgerond en goedgekeurd in december 2018. Met behulp van deze studie kan de Commissie analyseren hoe zij moet reageren.

De Commissie heeft de juridische status van emissierechten en de voor- of nadelen daarvan nog steeds niet geanalyseerd. Bijgevolg weet de Commissie niet of actie moet worden ondernomen en zo ja, welke mogelijkheden er dan zijn.

5

Par. 93 Aanbev. 3, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

De MiFID II- en MAR-regelgeving zijn van toepassing, waardoor alle emissierechten financiële instrumenten worden. Hierdoor worden verslaglegging en gegevensverzameling verplicht, wat de controle van transacties van emissierechten gemakkelijker maakt. Het feit dat de meeste lidstaten de btw-verleggingsregeling toepassen, verlaagt het risico op btw-fraude.

We wachten nog op de analyse en reactie (corrigerende maatregelen) van de Commissie op het MiFID II-pakket dat van toepassing is geworden. Er is bovendien nog steeds onvoldoende grensoverschrijdende coördinatie.

6

Par. 93 Aanbev. 3, onder b)

In de meeste opzichten uitgevoerd

Verbeterd controlekader in MiFID II en voorstel voor een nieuwe registerverordening. De Commissie heeft gezorgd voor betere en systematische uitwisseling van informatie, richtsnoeren en coördinatie voor de lidstaten.

Het MiFID II-pakket is nu van toepassing en de resultaten ervan moeten worden beoordeeld. De Commissie heeft de nieuwe registerverordening vastgesteld en zal deze na een periode van onderzoek van de wetgeving tot 12 mei 2019 in het Publicatieblad van de EU publiceren. Deze wordt van toepassing vanaf 2021 en kan pas dan worden beoordeeld.

SV nr. 7/2015

De politiemissie van de EU in Afghanistan: gemengde resultaten (EDEO)

2

Par. 85 Aanbev. 2, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

Bewijs van opleidingsprogramma's voor internationale arbeidscontractanten en gedetacheerde personeelsleden voorafgaand aan hun inzet.

Geen bewijs van concrete cursussen. Geen landspecifieke elementen. Geen bewijs van aan de inzet voorafgaande opleidingen voor plaatselijke personeelsleden.

6

Par. 86 Aanbev. 3, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

Dankzij specifieke opleiding is het missiepersoneel zich beter bewust van de plaatselijke cultuur.

Uit de beschikbare controle-informatie blijkt niet dat de aanbeveling voor plaatselijke opleiders en cursisten is uitgevoerd.

8

Par. 86 Aanbev. 3, onder d)

In enkele opzichten uitgevoerd

de gecontroleerde heeft beperkt bewijs geleverd van behoeftenanalyses op het gebied van mentoring.

Er zijn geen bewijzen gevonden van mentordossiers, -mijlpalen en -logboeken.

9

Par. 86 Aanbev. 3, onder e)

In enkele opzichten uitgevoerd

Vertrekkend personeel moet schriftelijke overdrachtinformatie opstellen, met specifieke richtsnoeren voor diverse doelgroepen en specifieke situaties.

In de ondersteunende documentatie zijn geen specifieke richtsnoeren voor mentors in verband met de overdrachten gevonden.

10

Par. 86 Aanbev. 3, onder f)

In enkele opzichten uitgevoerd

De EDEO heeft een betere aanpak ingevoerd om de verbanden tussen de uitvoeringsplannen van de missie (MIP's, mission implementation plans) en de operationele planning/monitoring te versterken.

De controleurs hebben geen specifieke instructies voor/bewijzen van synergieën met mentoringactiviteiten en een duidelijke koppeling van projectdoelstellingen met de MIP-mijlpalen gevonden.

12

Par. 88 Aanbev. 5, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

Zowel de Commissie als de EDEO hebben hun richtsnoeren in verband met de risico's verbonden aan de afsluiting van missies verbeterd. Bepaalde elementen van een gestandaardiseerde centrale ondersteuning door het hoofdkantoor worden voorbereid of zijn al gedeeltelijk operationeel, bijvoorbeeld het missieondersteuningsplatform.

Er is nog geen gemeenschappelijke en alomvattende EDEO-/Commissiestrategie uitgewerkt met betrekking tot de inkrimping en afsluiting van GVDB-missies. De tekortkoming dat de plannen voor de afsluiting van een missie slechts drie maanden voor het einde van de operationele fase van het mandaat moeten worden ingediend, is niet verholpen. In de beschikbare richtsnoeren wordt niet uitgebreid ingegaan op de verschillende risico's die aan het proces van inkrimping en afsluiting zijn verbonden.

13

Par. 88 Aanbev. 5, onder b)

In de meeste opzichten uitgevoerd

Betere ondersteuning door het hoofdkantoor: missieondersteuningsplatform, IT-systeem voor enterprise resource planning, gestandaardiseerde inventaris-/boekhoudsystemen, Warehouse II-project om betere mogelijkheden te bieden: allemaal leveren ze schaalvoordelen op enz.

De controleurs hebben geen specifieke instructies/controle-informatie gevonden over de vraag hoe de ophoping van activa en de bijbehorende blootstelling aan financiële risico's kunnen worden vermeden. Zij hebben evenmin voorbeelden gevonden van tijdige centrale instructies/controle-informatie van de EDEO en de Commissie aan de GVDB-missies om de ophoping van activa te voorkomen.

SV nr. 8/2015

Voorziet de financiële steun van de EU behoorlijk in de behoeften van micro-ondernemers?

1

Par. 68 Aanbev. 1

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft richtsnoeren uitgebracht over de ex-antebeoordeling van operationele programma's, de ex-antevoorwaarden en thematische doelstellingen. Zij heeft ook afzonderlijke gedetailleerde richtsnoeren verstrekt voor de ex-antebeoordelingen van financieringsinstrumenten.

Aangezien er geen specifieke indicator voor micro-ondernemers bestaat, is er voor de periode 2014-2020 nog steeds geen informatie beschikbaar over de omvang van de subsidieverlening aan micro-ondernemers.

3

Par. 69 Aanbev. 3

In de meeste opzichten uitgevoerd

De vereisten voor het opzetten van financieringsinstrumenten voor de periode 2014-2020 omvatten passende maatregelen om specifieke lacunes in de markt vast te stellen en passende instrumenten uit te werken.

Door als adviseur aan de toezichtcomités deel te nemen, kan de Commissie aanbevelingen doen over de selectiecriteria voor concrete acties en alle andere kwesties die relevant zijn voor de uitvoering van het programma.

In verband met subsidieregelingen moet de Commissie, om de aanbeveling doeltreffend uit te voeren, de subsidiabiliteitscriteria herzien die in de toezichtcomités zijn besproken, en echt gebruikmaken van de mogelijkheid om waar nodig aanbevelingen te doen.

SV nr. 10/2015

Er moet meer worden gedaan om de problemen met openbare aanbesteding bij EU-cohesie-uitgaven aan te pakken

1

Par. 99 Aanbev. 1, onder a)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft de indeling in categorieën in het beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS) bijgewerkt zodat het nu 26 subcategorieën voor aanbestedingsfouten bevat. Daarnaast wordt nu de laatste hand gelegd aan de voorbereidingen voor de invoering van het analyse-instrument. Zodra de gewenste dashboards met succes zijn getest, zal het instrument aan alle gebruikers ter beschikking worden gesteld. De databank is al geanalyseerd en de resultaten van deze analyses zijn aan de nationale overheden toegezonden.

Momenteel bevat slechts ongeveer een vierde van de gevallen in het IMS gedetailleerde informatie over de subcategorie. Dat zal verbeteren naarmate nieuwe zaken worden geregistreerd en oude zaken worden afgesloten. De werkzaamheden voor het analyse-instrument en de interfaces tussen het IMS en de databanken van de lidstaten zijn al goed opgeschoten, maar moeten nog worden afgerond.

6

Par. 102 Aanbev. 5

In de meeste opzichten uitgevoerd

Bij sommige inbreukprocedures en onderbrekingen van betalingen zijn systematische aanbestedingsproblemen vastgesteld. De Commissie moet de betalingen blijven onderbreken en opschorten wanneer ernstige tekortkomingen bij de openbare aanbestedingen dit rechtvaardigen.

De controles van de wettigheid en regelmatigheid door de Commissie moeten leiden tot netto financiële correcties voor aanbestedingsfouten wanneer ernstige systematische tekortkomingen niet worden opgemerkt en gecorrigeerd door de lidstaten voordat zij de rekeningen overleggen. De Commissie is in 2018 begonnen met het uitvoeren van nalevingsgerichte controles.

7

Par. 105 Aanbev. 6, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

Betere uitvoering van de e-aanbestedingsfases in de lidstaten. Zij zijn goed op weg om de door de richtlijn opgelegde deadlines te halen.

Andere e-aanbestedingsfases moeten nog worden uitgevoerd zoals bepaald door de richtlijn (e-facturatie uiterlijk in april 2019).

De Commissie moet alle lidstaten ertoe aansporen actief mee te werken aan en gebruik te maken van de Arachne-databank.

SV nr. 11/2015

Worden de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij goed beheerd door de Commissie?

2

Par. 90 Aanbev. 1, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

De diensten van de Commissie bevorderen vergelijkbare technische bepalingen in FPA's op regionaal niveau.

Gezien het gebrek aan gedocumenteerde regionale strategieën moet de Commissie nog vooruitgang boeken in het vaststellen en documenteren van regionale strategieën.

6

Par. 93 Aanbev. 2, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

DG MARE heeft maatregelen genomen om de vergunningsprocedure te vereenvoudigen, onder andere door middel van rechtstreekse communicatie met het niet-EU-partnerland.

De huidige procedures om de vergunningsprocedure te monitoren vertonen echter nog steeds tekortkomingen. Er moet verder vooruitgang worden geboekt wat betreft de monitoring en follow-up van de vergunningsprocedure door de Commissie.

SV nr. 12/2015

De prioriteit van de EU om een op kennis gebaseerde plattelandseconomie te bevorderen wordt nadelig beïnvloed door slecht beheer van de maatregelen voor kennisoverdracht en adviesverlening

2

Par. 94 Aanbev. 1, onder b)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De richtsnoeren voor maatregel 1 zijn bijgewerkt met een paragraaf over de analyse van de opleidingsbehoeften.

De wijze waarop terugkerende analyses van de opleidingsbehoeften moeten worden uitgevoerd, wordt in de richtsnoeren niet gedetailleerd genoeg uiteengezet.

4

Par. 94 Aanbev. 1, onder d)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft de richtsnoeren voor maatregel 2 bijgewerkt met een specifieke paragraaf over de noodzaak voor de lidstaten om adviesdiensten op te zetten.

De Commissie controleert in de toezichtcomités en via de jaarlijkse evaluatievergaderingen niet of de lidstaten voldoen aan de verplichting om adviesdiensten op te zetten.

6

Par. 96 Aanbev. 2, onder b)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De richtsnoeren voor maatregel 2 en openbare aanbestedingen zijn bijgewerkt met informatie over interne levering.

Het toezicht van de Commissie op de procedures van de lidstaten zoals vereist in onze aanbeveling, is ontoereikend.

   

7

Par. 98 Aanbev. 3, onder a)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De aanbeveling aan de Commissie om strenger te controleren op de redelijkheid van kosten is uitgevoerd, en de aanbeveling dat de Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om voor de beheersautoriteiten doeltreffende controlesystemen te voorzien, met name wat betreft de risico's van fraude en de redelijkheid van projectkosten, is in de meeste opzichten uitgevoerd. De nieuwe checklists van DG AGRI om de naleving te testen, die sinds begin 2018 worden gebruikt, hebben gezorgd voor een strengere controle van de redelijkheid van kosten.

Bovendien heeft de Commissie voor de lidstaten het volgende document opgesteld: “Guidance Document on Control and Penalty rules in Rural Development”; bijlage 1 daarvan bevat de checklist zoals we hadden aanbevolen, voor de beoordeling van de opzet van controlesystemen in verband met de risico's die verbonden zijn aan de kosten van projecten voor plattelandsontwikkeling.

De Commissie heeft weinig bewijs geleverd van aanvullende opleidingen voor de beheersautoriteiten over de redelijkheid van kosten wanneer geen gebruik wordt gemaakt van SCO's. Hoewel ze enkele doelstellingen gemeen hebben, zijn controles van de redelijkheid van kosten en het gebruik van SCO's twee verschillende zaken. Vereenvoudigde kostenopties hebben slechts betrekking op een klein deel van de totale uitgaven voor plattelandsontwikkeling (zie Speciaal verslag nr. 11/2018) en dus blijft het noodzakelijk dat de beheersautoriteiten de redelijkheid van kosten beoordelen. (De Commissie heeft geen nieuwe voorbeelden van goede praktijken bij administratieve procedures ter beoordeling van de redelijkheid van kosten op het ENPO-platform geplaatst)

8

Par. 98 Aanbev. 3, onder b)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft diverse maatregelen genomen, waaronder de invoering en goedkeuring van partnerschapsovereenkomsten, en hanteert een strengere aanpak om de complementariteit van de EU-middelen in de programmeringsperiode 2014-2020 te waarborgen dan in de vorige.

De gespreksonderwerpen van de interdepartementale groepen zijn algemeen van aard en bestrijken geen individuele programmamaatregelen. Bovendien zijn in ons verslag (Speciaal verslag nr. 16/2017) tekortkomingen vastgesteld die gevolgen hebben voor de partnerschapsovereenkomsten en de programma's voor plattelandsontwikkeling wat betreft sectoroverschrijdende complementariteit en synergieën.

10

Par. 100 Aanbev. 4, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

De richtsnoeren voor maatregel 1 “Kennisoverdracht en voorlichtingsacties”zijn bijgewerkt met een paragraaf over de analyse van de opleidingsbehoeften.

De bijgewerkte richtsnoeren voor maatregel 1 vormen geen duidelijke leidraad voor de uitvoering van feedbackprocedures door de lidstaten. Hoewel het voorbeeld van standaardmethodologie uit ons verslag ook op evaluaties van opleidingsprogramma's van toepassing is, wordt dit in de richtsnoeren niet vermeld waardoor men kan veronderstellen dat de methodologie alleen voor behoeftenanalyses bestemd is.

   

11

Par. 102 Aanbev. 5

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie is gestart met conformiteitscontroles op het gebied van kennis en innovatie.

Meerdere geplande controles zijn in de praktijk niet uitgevoerd; een mogelijke reden hiervoor is de lage score in de risicoanalyse.

Onze controleurs erkennen dat DG AGRI is begonnen met het uitvoeren van conformiteitscontroles op het gebied van kennisoverdracht en innovatie na de publicatie van ons Speciaal verslag over dat onderwerp. Volgens het meerjarig werkprogramma van DG AGRI voor 2016-2018 (blz. 49) is het gebrek aan controles vóór SV nr. 12/2015 echter te wijten aan de lage uitgaven tijdens de programmeringsperiode 2007-2013.

We hebben geen enkele garantie dat het risicoprofiel van de maatregelen voor kennisoverdracht en advies in die mate is verhoogd als de Commissie in haar antwoord beweert.

SV nr. 13/2015

De EU-steun voor houtproducerende landen in het kader van het FLEGT-actieplan

1

Par. 58 Aanbev. 1

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft een algemeen FLEGT-werkplan (Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw) voor 2018-2022 opgesteld, inclusief activiteiten met deadlines (streefjaren), verantwoordelijke (Europese Commissie en/of de lidstaten) en verwachte resultaten.

De Europese Commissie heeft een overeenkomst gesloten met een externe organisatie (CIFOR). Hierdoor moet het mogelijk zijn een alomvattend actieplan en een monitoring- en evaluatiesysteem met indicatoren, streefdoelen en uitgangswaarden op te stellen.

De Commissie is een databank van FLEGT-verwezenlijkingen aan het opbouwen, om de vorderingen bij te houden van de landen die een vrijwillige partnerschapsovereenkomst zijn aangegaan.

Het werkplan heeft betrekking op de periode 2018-2022 in plaats van 2016-2020. Die verschuiving heeft een impact op de monitoring van en de verslaglegging over het FLEGT-programma (zie aanbeveling 5).

Het ontwerpwerkplan is nog niet formeel bindend voor de Commissie omdat de nodige goedkeuringen ontbreken.

Er is evenmin voorzien in een specifieke begroting voor de uitvoering ervan, wat prestatiemonitoring en verantwoording lastiger maakt.

5

Par. 59 Aanbev. 5

In de meeste opzichten uitgevoerd

Het werkplan, dat als basis zal dienen voor de vereiste verslaglegging, is opgesteld. In 2016 is een evaluatie van FLEGT verricht, een goed alternatief voor een louter voortgangsverslag.

De Commissie is voornemens het volgende voortgangsverslag in 2019 op te stellen. Dit moet betrekking hebben op de activiteiten van het werkplan, dat de belangrijkste verslagleggingselementen bevat waarom we in onze aanbeveling vragen.

Tot op heden ontbreken alle nodige goedkeuringen voor het werkplan. De deadline voor het voortgangsverslag van 2018 is niet gehaald.

SV nr. 16/2015

Verbetering van de energievoorzieningszekerheid door ontwikkeling van de interne energiemarkt: meer inspanningen nodig

4

Par. 117 Aanbev. 3

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft vooruitgang geboekt in de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het rechtskader.

Het is nog niet volledig ten uitvoer gelegd. De ondoelmatige marktwerking moet nog worden verholpen.

12

Par. 123 Aanbev. 7, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie gebruikt instrumenten om de energiemarkten te modelleren en de methoden voor kosten-batenanalyses verbeteren voortdurend.

De Commissie heeft de aanbeveling gedeeltelijk aanvaard en uitgevoerd. Het intern creëren van analytische en modelleringscapaciteit zou aanzienlijke gevolgen voor de middelen van de Commissie dan wel ACER kunnen hebben.

13

Par. 123 Aanbev. 7, onder c)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie werkt samen met ENTSB-E’s en ENTSB-G’s opdat de behoeftenanalyse als input kan dienen voor infrastructuurplanning in verband met de interne energiemarkt in de EU.

Het nieuwe model dat door de ENTSB's moet worden ingediend, moet nog worden goedgekeurd.

14

Par. 125 Aanbev. 8

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft haar planningsprocedures, en meer in het bijzonder de prioritering en financiering van projecten van gemeenschappelijk belang, verfijnd.

Het nieuwe model dat door de ENTSB's moet worden ingediend, moet nog worden goedgekeurd.

15

Par. 126 Aanbev. 9

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft het onderliggende idee van de aanbeveling overgenomen.

De Commissie heeft geen wetgevingsvoorstellen opgesteld.

SV nr. 17/2015

Steun van de Commissie voor jongerenactieteams: heroriëntatie van ESF-middelen verwezenlijkt, maar onvoldoende aandacht voor resultaten

2

Par. 84 Aanbev. 2, onder a)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De vereiste om het beoogde effect uiteen te zetten in termen van verwachte doeltreffendheid ten aanzien van de EU- en OP-doelstellingen is opgenomen in het rechtskader van de ESI-fondsen (zie artikel 30 van de GB-verordening).

Tekortkomingen bij de naleving van de vereiste om de verwachte impact van de veranderingen op de EU-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te onderbouwen.

3

Par. 84 Aanbev. 2, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

De checklist documenteert de conclusies van de beoordeling van OP-wijzigingen (incl. de bijdrage van het OP aan de Europa 2020-strategie en de totstandbrenging van economische, sociale en territoriale cohesie, verwachte resultaten, indicatoren en prestatiekader).

De checklist documenteerde de analyse van de redelijkheid van de bijkomende resultaten niet.

4

Par. 84 Aanbev. 2, onder c)

In enkele opzichten uitgevoerd

Over de herprogrammering/herbestemming van middelen wordt gerapporteerd in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen (JUV's).

Over de bereikte en verwachte doeltreffendheid in verband met de OP-wijzigingen wordt ontoereikend gerapporteerd in de JUV's.

6

Par. 86 Aanbev. 3

In de meeste opzichten uitgevoerd

De checklists documenteren de consistentie- en aannemelijkheidscontroles die de Commissie uitvoert op de gegevens die in de JUV's worden gerapporteerd. Controles van de betrouwbaarheid van de prestatiegegevens staan gepland.

Geen bewijs van systematische betrouwbaarheidscontroles van de JUV-gegevens of van informatie die naar aanleiding van ad-hocverzoeken wordt ontvangen.

SV nr. 20/2015

De kosteneffectiviteit van EU-steun inzake plattelandsontwikkeling voor niet-productieve investeringen in de landbouw

1

Par. 74 Aanbev. 1, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft technische richtsnoeren over het jaarlijks uitvoeringsverslag opgesteld. Bovendien helpt de Commissie de lidstaten bij hun rapportage in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen via de vergaderingen van het toezichtcomité.

Aan de uitvoering van de aanbeveling dat de Commissie haar monitoring moet uitvoeren aan de hand van de jaarlijkse uitvoeringsverslagen van de lidstaten wordt nog gewerkt. De uitvoering hiervan kan pas na de tussentijdse evaluatie van 2019 worden gecontroleerd.

5

Par. 77 Aanbev. 3, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft richtsnoeren opgesteld om de lidstaten ertoe aan te sporen bijkomende resultaatindicatoren vast te stellen.

Aangezien de richtsnoeren niet bindend noch verplichtend zijn voor de lidstaten, kan de Commissie geen “garanties bieden”over de mate waarin de lidstaten de richtsnoeren hebben gevolgd en bijkomende specifieke indicatoren hebben vastgesteld. In hoeverre de maatregelen van de Commissie hebben gezorgd voor de aanbevolen monitoring of beoordeling van de NPI-bijdrage tijdens de evaluaties voor de programmeringsperiode 2014-2020 kan slechts worden beoordeeld vanaf de verbeterde JUV-evaluaties van 2019.

SV nr. 21/2015

Onderzoek van de risico's van een resultaatgerichte aanpak van EU-ontwikkelings- en samenwerkingsactiviteiten

1

Par. 83 Aanbev. 1

In de meeste opzichten uitgevoerd

Er is in oktober 2018 een werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “A Revised EU International Cooperation and Development Results Framework in line with the Sustainable Development Goals of the 2030 Agenda for Sustainable Development and the New European Consensus on Development”— SWD(2018)444 — gepubliceerd, waarvan een bijlage specifiek is gewijd aan terminologie in verband met resultaten.

Een praktische gids voor het beheer van EU-interventies op het gebied van internationale samenwerking, met fiches die tot doel hebben sleutelbegrippen en terminologie in verband met resultaten te verduidelijken, was ten tijde van de follow-up nog niet beschikbaar. Bovendien bevatten de belangrijkste methodologische documenten nog steeds voorbeelden van inconsistent terminologiegebruik. Zo bevatte een diagram in de toolbox van de Commissie voor beoordelaars van EU-ontwikkelingsactiviteiten nog steeds definities die niet consistent waren met de terminologie die voor het resultatenkader is aangenomen. In sommige actiedocumenten ontbreken bovendien nog steeds streefdoelen en uitgangswaarden.

2

Par. 83 Aanbev. 2

In de meeste opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft diverse maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke koppeling wordt gemaakt tussen acties en verwachte resultaten, met inbegrip van horizontale aspecten, met name instructies en een model voor het invullen van actiedocumenten en bepalingen in het handboek voor resultaatgeoriënteerd toezicht.

sommige richtsnoeren moeten nog worden aangevuld, met inbegrip van een praktische gids voor het beheer van EU-maatregelen op het gebied van internationale samenwerking.

SV nr. 22/2015

Het EU-toezicht op ratingbureaus — een solide opzet, maar nog niet volledig doeltreffend (ESMA)

6

Par. 110 Aanbev. 6

In enkele opzichten uitgevoerd

ESMA heeft haar Vragen & Antwoorden over de toepassing van de CRA-verordening bijgewerkt door een nieuw deel (Deel V) toe te voegen over de openbaarmaking en presentatie van ratings.

Afronding van de lopende raadpleging en publicatie van een eindverslag met het oog op de opstelling van richtsnoeren inzake openbaarmakingsvoorschriften voor ratings.

7

Par. 110 Aanbev. 7

In enkele opzichten uitgevoerd

Integratie van het Cerep-systeem in het Radar-rapportagesysteem. Tijdens die integratie heeft ESMA de gegevens op ratingniveau in beide systemen geëvalueerd en vastgestelde inconsistenties gecorrigeerd, waardoor de gegevenskwaliteit is verbeterd.

Ondanks de inspanningen van ESMA tot nu toe om de informatie-inhoud in het Cerep-systeem te verbeteren, is de volgende informatie nog steeds niet beschikbaar: gemiddelde wanbetalingsgraden, gemiddelde overgangsmatricen, downloads van meerdere zoekopdrachten, informatie over en uitleg bij correcties van vroegere fouten in gerapporteerde gegevens, informatie over wijzigingen van methodologieën.

SV nr. 23/2015

Waterkwaliteit in het Donaubekken: vooruitgang in de uitvoering van de kaderrichtlijn water, maar nog wel een lange weg te gaan

12

Par. 191 Aanbev. 3, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie blijft de minimumvereisten beoordelen door het bestaan en de relevantie ervan te bekijken en beoordeelt het bestaan en de toereikendheid van de GLMC-normen.

De Commissie aanvaardde deze aanbeveling niet.

14

Par. 191 Aanbev. 3, onder d)

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft mogelijkheden voor stroomlijning vastgesteld.

De Commissie heeft al concrete stappen gezet om deze aanbeveling uit te voeren en moet daarmee doorgaan in het volgende verslagleggingsproces op grond van de nitraatrichtlijn (2020) en de kaderrichtlijn water (2022).

15

Par. 191 Aanbev. 3, onder e)

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie is aanbevelingen aan het opstellen die zij voornemens is aan meerdere lidstaten toe te zenden over de opname van milieukosten en kosten van hulpbronnen in de kostenterugwinning in het volgende uitvoeringsverslag.

In het kader van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie hebben de lidstaten onlangs afgesproken om een technisch verslag op te stellen tot vaststelling van de methoden die nu worden gebruikt voor de terugwinning van kosten van waterdiensten in overeenstemming met de vereisten van artikel 9 van de kaderrichtlijn water (o.a. op het gebied van diffuse verontreiniging). De gegevens- en informatiebehoeften op dit terrein moeten worden nagegaan. Er zal een ad-hoctaakgroep inzake economie worden opgericht om deze taak onder leiding van de strategische coördinatiegroep uit te voeren. Deze taak zal naar verwachting eind 2020 uitgevoerd zijn (zie het werkprogramma 2019-2021 in het kader van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie).

SV nr. 25/2015

EU-steun voor plattelandsinfrastructuur: potentieel om aanzienlijk grotere kosteneffectiviteit te bereiken

2

Par. 101 Aanbev. 1, onder b)

In enkele opzichten uitgevoerd

Zoals aanbevolen heeft de Commissie het gebruik van beste praktijken ter beperking van het risico op het buitenkanseffect bevorderd door ervoor te zorgen dat de programma's voor plattelandsontwikkeling doeltreffende regelingen inzake complementariteit bevatten. Voorafgaand aan de goedkeuring van de programma's voor plattelandsontwikkeling van de lidstaten heeft DG AGRI opmerkingen voor verbeteringen toegezonden aan de beheersautoriteiten met de vraag om er rekening mee te houden in latere versies.

De Commissie heeft geen specifieke richtsnoeren opgesteld over de wijze waarop het risico op het buitenkanseffect kan worden beperkt of waarop kan worden voorkomen dat andere middelen eenvoudigweg door POP-middelen worden vervangen. Er is geen bewijs geleverd dat het buitenkanseffect daadwerkelijk is beperkt bij de programma's voor 2017-2020. DG AGRI is voornemens om hiervan een eerste beoordeling te verrichten op basis van de tussentijdse evaluatie van 2019. De Commissie kan niet bewijzen dat het risico dat nationale middelen worden vervangen door Elfpo-middelen, is beperkt.

4

Par. 101 Aanbev. 1, onder d)

In enkele opzichten uitgevoerd

DG AGRI onderzoekt de regelingen ter waarborging van de complementariteit tussen de EU-fondsen beter dankzij de extra aandacht die hieraan wordt besteed, en de nieuwe partnerschapsovereenkomsten. DG AGRI denkt dat de eerste conclusies van de beoordeling van doeltreffendheid daarvan zullen kunnen worden getrokken vanaf de tussentijdse evaluatie van de programma's in 2019, zoals we hebben aanbevolen.

Het is nog niet bekend hoe doeltreffend de regelingen ter waarborging van de complementariteit tussen de verschillende EU-fondsen van de huidige programmeringsperiode zijn. De jaarlijkse uitvoeringsverslagen zullen pas later in 2019 beschikbaar komen. In ons Speciaal verslag nr. 16/2017 zijn tekortkomingen vastgesteld die gevolgen hebben voor de partnerschapsovereenkomsten en de programma's voor plattelandsontwikkeling wat betreft sectoroverschrijdende complementariteit en synergieën.

6

Par. 106 Aanbev. 2, onder b)

In de meeste opzichten uitgevoerd

De aanbeveling aan de Commissie om strenger te controleren op de redelijkheid van kosten is uitgevoerd, en de aanbeveling dat de Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om voor de beheersautoriteiten doeltreffende controlesystemen te voorzien, met name wat betreft de risico's van fraude en de redelijkheid van projectkosten, is in de meeste opzichten uitgevoerd. De nieuwe checklists van DG AGRI om de naleving te testen, die sinds begin 2018 worden gebruikt, hebben gezorgd voor een strengere controle van de redelijkheid van kosten. Bovendien heeft de Commissie voor de lidstaten het volgende document opgesteld: “Guidance Document on Control and Penalty rules in Rural Development”; bijlage 1 daarvan bevat de checklist zoals we hadden aanbevolen, voor de beoordeling van de opzet van controlesystemen in verband met de risico's verbonden aan de kostprijs van projecten voor plattelandsontwikkeling.

De Commissie heeft sinds onze follow-up van 2017 geen verder bewijs geleverd van aanvullende opleidingen voor de beheersautoriteiten over de redelijkheid van kosten. De Commissie heeft geen nieuwe voorbeelden van goede administratieve praktijken voor het beoordelen van de redelijkheid van kosten op het ENPO-platform geplaatst.

   

9

Par. 109 Aanbev. 3, onder a)

In enkele opzichten uitgevoerd

De Commissie heeft aan de beheersautoriteiten richtsnoeren gegeven over de evaluatie van de programma's voor plattelandsontwikkeling via de website van het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling en zijn Evaluatiehelpdesk.

De gegevensverzameling die noodzakelijk is om de prestatie-indicatoren en programmaresultaten te kunnen beoordelen, is nog steeds ontoereikend. Volgens het antwoord van de Commissie op de follow-upcontrole is de Commissie voornemens in 2019 informatie te beoordelen aan de hand waarvan conclusies over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de bestede middelen kunnen worden getrokken tijdens de in het GMEK geplande evaluaties.

BIJLAGE 3.5

FOLLOW-UP VAN EERDERE AANBEVELINGEN VOOR KWESTIES IN VERBAND MET HET PRESTATIEKADER

 

Jaar

Aanbeveling van de ERK

Door de ERK verrichte analyse van de geboekte vooruitgang

Volledig uitgevoerd

In uitvoering

Niet uitgevoerd

Niet van toepassing

Ontoereikend bewijs

In de meeste opzichten

In enkele opzichten

2015

Aanbeveling 1: De Commissie moet de doelstellingen op hoog niveau uit de Horizon 2020-wetgeving vertalen in operationele doelstellingen op het niveau van het werkprogramma, zodat deze doeltreffend kunnen worden gebruikt om prestaties aan te sturen, door de beoordeling van de prestaties van werkprogramma’s en oproepen.

   

x

     

Aanbeveling 2: De Commissie moet verder verduidelijken wat de koppelingen zijn tussen de Europa 2020-strategie (2010-2020), het meerjarig financieel kader (2014-2020), de prioriteiten van de Commissie (2015-2019), bijvoorbeeld door middel van het proces van strategische planning en verslaglegging (2016-2020). Hierdoor zouden de monitoring- en verslagleggingsregelingen worden verbeterd en zou de Commissie in staat worden gesteld om doeltreffend te rapporteren over de door de EU-begroting geleverde bijdrage tot de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.

   

x

     

Aanbeveling 3: De Commissie zou de termen input, output, resultaat en impact bij al haar activiteiten consequent en in overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving moeten gebruiken.

   

x

     

Bron:

ERK.


HOOFDSTUK 4

Ontvangsten

INHOUD

 

Inleiding

4.1-4.4

Korte beschrijving van de ontvangsten

4.2-4.3

Reikwijdte en aanpak van de controle

4.4

Regelmatigheid van de verrichtingen

4.5

Onderzoek van elementen van internebeheersingssystemen en jaarlijkse activiteitenverslagen

4.6-4.22

Tekortkomingen in het beheer van de TEM door de lidstaten

4.7-4.10

Tekortkomingen in de verificaties door de Commissie van de TEM-overzichten van de lidstaten

4.11-4.13

Het aantal punten van voorbehoud inzake bni en btw blijft over het geheel genomen ongewijzigd, terwijl het aantal openstaande punten inzake TEM is toegenomen

4.14-4.15

We constateerden vertragingen bij de follow-up en afsluiting van openstaande punten inzake TEM door de Commissie

4.16

De Commissie verwacht haar meerjarige verificatiecyclus met betrekking tot het bni in 2019 af te sluiten maar zal de impact van de globalisering op nationale rekeningen tot 2024 blijven beoordelen

4.17-4.20

Jaarlijkse activiteitenverslagen en andere governanceregelingen

4.21-4.22

Conclusies en aanbevelingen

4.23-4.25

Conclusie

4.23

Aanbevelingen

4.24-4.25

Bijlage 4.1 —

Resultaten van de toetsing van verrichtingen voor ontvangsten

 

Bijlage 4.2 —

Aantal hangende punten van voorbehoud inzake bni en btw, en aantal openstaande punten inzake TEM per lidstaat op 31.12.2018

 

Bijlage 4.3 —

Follow-up van eerdere aanbevelingen voor ontvangsten

 

Inleiding

 
 

4.1.

Dit hoofdstuk betreft onze bevindingen voor ontvangsten, die de eigen middelen en andere ontvangsten omvatten. In kader 4.1 zijn de ontvangsten in 2018 uitgesplitst.

Kader 4.1

Ontvangsten — Uitsplitsing 2018

 

Totale ontvangsten in 2018 (1) 159,3 miljard EUR

  • (1) 
    Dit bedrag betreft de feitelijke begrotingsontvangsten van de EU. Het bedrag van 163,1 miljard EUR in de staat van de financiële resultaten is op transactiebasis berekend.

Bron:

Geconsolideerde rekeningen 2018 van de Europese Unie.

Korte beschrijving van de ontvangsten

 
 

4.2.

De meeste ontvangsten (90 %) zijn afkomstig uit de drie categorieën eigen middelen:

  • a) 
    De eigen middelen bni (bruto nationaal inkomen ) zijn goed voor 66 % van de ontvangsten van de EU en worden gebruikt om de EU-begroting in evenwicht te brengen nadat de ontvangsten uit alle overige bronnen zijn berekend. Elke lidstaat draagt evenredig bij op basis van zijn bni (1).
  • b) 
    De traditionele eigen middelen (TEM) zijn goed voor 13 % van de ontvangsten van de EU. Het betreft hoofdzakelijk douanerechten die worden geheven op import. Deze worden geïnd door de lidstaten. 80 % van het totaalbedrag wordt gestort in de EU-begroting en de resterende 20 % wordt door de lidstaten ingehouden ter dekking van inningskosten.
  • c) 
    De eigen middelen btw (belasting over de toegevoegde waarde ) zijn goed voor 11 % van de ontvangsten van de EU. Bijdragen in het kader van deze eigen middelen worden berekend door de toepassing van een uniform percentage (2) op geharmoniseerde btw-grondslagen van de lidstaten.
 

4.3.

De ontvangsten omvatten ook bedragen die uit andere bronnen zijn ontvangen. De belangrijkste van deze bronnen betreffen bijdragen en terugbetalingen op grond van EU-overeenkomsten en -programma’s (3) (8 % van de ontvangsten van de EU).

Reikwijdte en aanpak van de controle

 
 

4.4.

We hebben zekerheid verkregen voor ons controleoordeel over de ontvangsten door geselecteerde essentiële systemen te beoordelen en dit aan te vullen met een toetsing van verrichtingen, waarbij we de in bijlage 1.1 uiteengezette controleaanpak en -methoden hebben toegepast. We onderzochten het volgende voor de ontvangsten in 2018:

  • a) 
    een steekproef van 55 invorderingsopdrachten van de Commissie (4) die zo is opgezet dat deze representatief is voor alle ontvangstenbronnen;
  • b) 
    de systemen van de Commissie voor:
    • i) 
      het waarborgen dat de bni- en btw-gegevens van de lidstaten adequaat zijn als grondslag voor het berekenen van eigenmiddelenbijdragen, en voor het berekenen en innen van deze bijdragen (5);
    • ii) 
      het beheren van de TEM, het verifiëren van de betrouwbaarheid van de rapportage door de lidstaten en het waarborgen dat de lidstaten doeltreffende systemen hebben voor het innen, rapporteren en ter beschikking stellen van de juiste bedragen aan TEM;
    • iii) 
      het beheren van boeten en sancties;
    • iv) 
      het berekenen van de bedragen die het resultaat zijn van de toepassing van correctiemechanismen;
  • c) 
    de systemen voor de TEM-boekhouding (6) in drie geselecteerde lidstaten (Italië, Frankrijk en Spanje) (7);
  • d) 
    de betrouwbaarheid van de informatie over de regelmatigheid in de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG Begroting en Eurostat.

Regelmatigheid van de verrichtingen

 
 

4.5.

Dit deel bevat onze opmerkingen over de regelmatigheid van de verrichtingen. We hebben onze conclusie over de regelmatigheid van de onderliggende ontvangstenverrichtingen bij de EU-rekeningen gebaseerd op onze beoordeling van de systemen van de Commissie voor het berekenen en innen van ontvangsten (8) en ons onderzoek van een steekproef van 55 invorderingsopdrachten; geen daarvan vertoonde kwantificeerbare fouten. Bijlage 4.1 biedt een overzicht van de resultaten van de toetsing van verrichtingen.

Onderzoek van elementen van internebeheersingssystemen en jaarlijkse activiteitenverslagen

 
 

4.6.

Zoals toegelicht in paragraaf 4.4, selecteerden en onderzochten we een aantal systemen. De hiernavolgende opmerkingen doen niets af aan ons algehele oordeel over de regelmatigheid van de EU-ontvangsten (zie hoofdstuk 1). Zij vestigen echter wel de aandacht op tekortkomingen die significant zijn voor afzonderlijke categorieën eigen middelen of op gebieden waarop de berekening en inning van ontvangsten verbeterd kan worden.

Tekortkomingen in het beheer van de TEM door de lidstaten

 
 

4.7.

Elke lidstaat stuurt de Commissie een maandelijks overzicht van de door hem geïnde douanerechten toe (de A-boekhouding) en een kwartaaloverzicht van de vastgestelde rechten die nog niet zijn geïnd (de B-boekhouding). De betrouwbaarheid van deze overzichten is van essentieel belang voor de berekening van de TEM.

 

4.8.

We analyseerden de wijze waarop de A- en de B-boekhouding worden opgesteld in Italië, Frankrijk en Spanje, alsmede de procedures voor het innen van de TEM-bedragen die verschuldigd zijn aan de EU-begroting.

 

4.9.

We stelden geen significante problemen vast bij de opstelling van de maandelijkse overzichten van douanerechten die worden geheven in Italië of Frankrijk. In Spanje troffen we echter tekortkomingen aan in de controlesystemen voor het samenstellen van deze overzichten (zie kader 4.2 ).

Kader 4.2

Tekortkomingen in TEM-controlesystemen in Spanje

 

We constateerden dat er onvoldoende toezicht werd gehouden op wijzigingen die werden aangebracht in het TEM-boekhoudsysteem van Spanje. Het overzicht van de A-boekhouding voor mei 2018 van het land bevatte een boeking waarmee de aan de EU-begroting beschikbaar gestelde bedragen met een half miljoen euro werd verlaagd. De nationale autoriteiten van Spanje verklaarden dat een rekenplichtige deze post handmatig had geboekt om een automatische boeking van het boekhoudsysteem in 2008 te compenseren. Er was echter geen bewijs dat zijn leidinggevenden deze boeking hadden goedgekeurd.

Na de zaak te hebben onderzocht, concludeerden de Spaanse autoriteiten dat de verlaging in mei 2018 niet had mogen worden ingevoerd en corrigeerden ze deze fout. Hieruit blijken tekortkomingen in de controlesystemen, waarmee had moeten worden voorkomen dat deze boeking überhaupt werd gedaan.

 

4.10.

In de drie lidstaten die wij bezochten, stelden wij gebreken vast in het beheer van de vastgestelde, maar nog niet geïnde rechten. Deze betroffen met name vertragingen bij dwanginvordering van douaneschulden en laattijdige boeking of afschrijving van schulden in het boekhoudsysteem (9). Wij troffen in voorgaande jaren soortgelijke gebreken aan in andere lidstaten (10). De Commissie blijft bij haar inspecties ook gebreken in verband met de B-boekhouding ontdekken en rapporteren. We hebben eerder aanbevelingen gedaan (11) met betrekking tot de B-boekhouding, maar deze zijn nog niet volledig uitgevoerd.

Tekortkomingen in de verificaties door de Commissie van de TEM-overzichten van de lidstaten

 
 

4.11.

We onderzochten de systemen van de Commissie voor het verifiëren van de betrouwbaarheid van de rapportage door de lidstaten en het waarborgen dat de lidstaten doeltreffende systemen hebben voor het innen, rapporteren en ter beschikking stellen van het juiste bedrag aan TEM. Wij richtten ons op de jaarlijkse inspecties van de Commissie in de lidstaten en de consistentiecontroles met betrekking tot de overzichten van de A- en de B-boekhouding.

 

4.12.

We stelden vast dat het inspectieprogramma 2018 van de Commissie niet voldoende was onderbouwd door een gestructureerde en gedocumenteerde risicobeoordeling, dat de lidstaten hierin niet waren gerangschikt naar risiconiveau en dat de impact en de waarschijnlijkheid van risico’s niet werden weergegeven. Daarom konden we niet bevestigen dat de inspecties de terreinen met de grootste risico’s naar behoren afdekten.

 

4.13.

Daarnaast merkten we op dat de Commissie na ontvangst van de maandelijkse of driemaandelijkse TEM-overzichten geen systematische analyse van ongebruikelijke wijzigingen in de overzichten verrichtte en ook geen relevante informatie verzamelde over de redenen voor deze wijzigingen.

Het aantal punten van voorbehoud inzake bni en btw blijft over het geheel genomen ongewijzigd, terwijl het aantal openstaande punten inzake TEM is toegenomen

 
 

4.14.

Wanneer de Commissie gevallen van potentiële niet-inachtneming van de eigenmiddelenverordeningen (12) ontdekt in de door de lidstaten verstrekte gegevens, laat zij de gegevens open voor mogelijke aanpassingen totdat zij overtuigd is dat deze gegevens conform de verordeningen zijn. Als deze gevallen bni of btw betreffen, heet de procedure “een voorbehoud maken”; in het geval van TEM heet de procedure “een openstaand punt aanmaken”. De Commissie bepaalt de impact van de punten van voorbehoud en openstaande punten op de EU-begroting nadat zij de nodige informatie heeft verkregen van de lidstaten.

 

4.15.

Kader 4.2 bevat een overzicht van de hangende punten van voorbehoud en openstaande punten die voortvloeien uit de verificaties en inspecties door de Commissie. In totaal bleef het aantal punten van voorbehoud inzake bni (13) en btw vergelijkbaar met vorig jaar, terwijl het aantal openstaande punten in verband met de TEM steeg met 14 %.

We constateerden vertragingen bij de follow-up en afsluiting van openstaande punten inzake TEM door de Commissie

 
 

4.16.

Uit ons onderzoek van geselecteerde openstaande punten inzake TEM met financiële impact bleek enige vertraging bij de follow-up en afsluiting van deze punten door de Commissie. Daarnaast merkten we op dat 27 % van de openstaande punten al meer dan vijf jaar openstond.

De Commissie verwacht haar meerjarige verificatiecyclus met betrekking tot het bni in 2019 af te sluiten maar zal de impact van de globalisering op nationale rekeningen tot 2024 blijven beoordelen

 
 

4.17.

De Commissie bleef haar meerjarige bni-verificaties in de lidstaten uitvoeren en zij verwacht deze eind 2019 te hebben afgerond. Bij deze verificaties wordt onderzocht of de procedures die de lidstaten volgen voor het opstellen van hun nationale rekeningen, in overeenstemming zijn met ESR 2010 (14), en of de bni-gegevens vergelijkbaar, betrouwbaar en volledig zijn (15).

 

4.18.

In 2018 maakte de Commissie een algemeen voorbehoud met betrekking tot de schatting van het bni van Frankrijk. Zij deed dit — bij wijze van uitzondering — omdat Frankrijk ontoereikende informatie had verstrekt over de opstelling van zijn bni (zie  kader 4.3 ). Het gebrek aan toereikende informatie van Frankrijk belemmert de tijdige afronding van de verificatiecyclus van de Commissie en verhoogt het risico dat de bijdragen van het land in een later stadium moeten worden gecorrigeerd. Het kan ook invloed hebben op de berekening van de bijdragen van de andere lidstaten.

Kader 4.3

De Commissie trad snel op om de financiële belangen van de EU te beschermen door een algemeen voorbehoud te maken met betrekking tot de bni-gegevens van Frankrijk

 

De Commissie gaat de vergelijkbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid na van de gegevens die de lidstaten gebruiken om hun bni te bepalen met het oog op de berekening van de bijdragen van de eigen middelen. Dit omvat de verificatie van de bni-overzichten van de lidstaten. Deze overzichten bevatten een beschrijving van de gegevensbronnen en van de methoden die worden gehanteerd voor het schatten van het bni.

De kwaliteit van het oorspronkelijke bni-overzicht van Frankrijk was ontoereikend uit het oogpunt van vorm, inhoud en gedetailleerdheid. Daarom kon de Commissie haar verificatie niet uitvoeren volgens het tijdschema dat zij met de lidstaten had afgesproken. De Commissie gebruikte de Franse bni-gegevens om de bijdrage van het land te berekenen, maar maakte toch een algemeen voorbehoud bij deze gegevens vanwege haar twijfels over de kwaliteit ervan. De Commissie maakt in uitzonderlijke gevallen gebruik van deze categorie van punten van voorbehoud wanneer zij van mening is dat er een significant risico bestaat dat de financiële belangen van de EU niet beschermd worden.

 

4.19.

In ons Jaarverslag 2016 rapporteerden wij dat het nodig is dat de Commissie extra werk verzet om de potentiële gevolgen van de globalisering voor bni-gegevens na te gaan (16). In 2018 bleef zij samen met de lidstaten werken aan de ontwikkeling van een methodologie om de gevolgen van de globalisering voor de compilatie van bni-gegevens te beoordelen, met name met betrekking tot de hervestiging van grote multinationals.

 

4.20.

De Commissie en de lidstaten kwamen overeen dat de noodzakelijke verbeteringen uiterlijk eind 2024 moesten zijn doorgevoerd. Dit impliceert dat de Commissie aan het einde van de verificatiecyclus punten van voorbehoud met betrekking tot globalisering zal moeten maken om te zorgen dat de bni-gegevens van de lidstaten eventueel nog aangepast kunnen worden wat betreft hun schattingen van multinationale activiteiten.

Jaarlijkse activiteitenverslagen en andere governanceregelingen

 
 

4.21.

De informatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen 2018 die werden gepubliceerd door DG Begroting en Eurostat, bevestigt onze opmerkingen en conclusies. Voor het derde jaar op rij maakte DG Begroting een voorbehoud inzake de waarde van de door het VK geïnde TEM omdat het land had nagelaten om douanerechten die waren ontweken als gevolg van ondergewaardeerde importen van textiel en schoeisel uit China ter beschikking van de EU-begroting te stellen. We merken op dat de reikwijdte van het voorbehoud dit jaar zo is uitgebreid dat mogelijke TEM-verliezen van andere lidstaten als gevolg van bovengenoemde onderwaardering, die nog niet geraamd zijn, er ook onder vallen.

 

4.22.

In ons Jaarverslag 2017 (17) maakten we melding van de inbreukprocedure (18) die tegen het Verenigd Koninkrijk was ingeleid omdat het geen adequate maatregelen had genomen om het risico op douanefraude door onderwaardering te beperken. In 2018 stuurde de Commissie het Verenigd Koninkrijk een met redenen omkleed advies en berekende zij dat de totale verliezen (hoofdsom en rente) voor de EU-begroting 2,8 miljard EUR bedroegen (19). In maart 2019 legde de Commissie de zaak voor aan het Hof van Justitie.

Conclusies en aanbevelingen

Conclusie

 
 

4.23.

Over het geheel genomen wijst de controle-informatie erop dat de ontvangsten geen materieel foutenpercentage vertoonden. De door ons onderzochte ontvangstengerelateerde systemen waren over het geheel genomen doeltreffend. De belangrijkste interne TEM-controles die we bij de Commissie en in bepaalde lidstaten hebben beoordeeld, waren gedeeltelijk doeltreffend (zie de paragrafen 4.7-4.13).

Aanbevelingen

 
 

4.24.

Bijlage 4.3 bevat de bevindingen van onze follow-upevaluatie van de vijf aanbevelingen die wij in ons Jaarverslag 2015 hebben gedaan. De Commissie had één aanbeveling in enkele opzichten en drie in de meeste opzichten uitgevoerd en één aanbeveling was volledig uitgevoerd.

 

4.25.

Op basis van deze beoordeling en onze bevindingen en conclusies voor 2018 doen wij de volgende aanbevelingen aan de Commissie.

Aanbeveling 4.1

Gebruik een meer gestructureerde en beter gedocumenteerde risicobeoordeling bij de TEM-inspectieplanning, inclusief een analyse van het risiconiveau voor elke lidstaat en van de risico’s die verband houden met het opstellen van de A- en de B-boekhouding (zie paragraaf 4.12).

Tijdpad: eind 2020.

Aanbeveling 4.2

Verruim de reikwijdte van de maandelijkse en driemaandelijkse controles van de TEM-overzichten van de A- en de B-boekhouding door een diepgaandere analyse van de ongebruikelijke wijzigingen te verrichten om te waarborgen dat er snel wordt gereageerd op mogelijke anomalieën (zie de paragrafen 4.9 en 4.13).

Tijdpad: eind 2020.

 

  • (1) 
    De aanvankelijke bijdrage wordt berekend op basis van geraamde bni-gegevens. De verschillen tussen het geraamde en het uiteindelijke bni worden in navolgende jaren bijgewerkt en beïnvloeden niet het totale geïnde bedrag, maar wel de verdeling van eigen middelen over de lidstaten.
  • (2) 
    Voor Duitsland, Nederland en Zweden geldt een verlaagd btw-afroepingspercentage van 0,15 %; voor de andere lidstaten is dit 0,3 %.
  • (3) 
    Deze bestaan voornamelijk uit ontvangsten met betrekking tot het ELGF en het Elfpo (met name de goedkeuring van de rekeningen en onregelmatigheden), de deelname van niet-EU-landen aan onderzoeksprogramma’s en andere bijdragen en terugbetalingen aan EU-programma’s en -activiteiten.
  • (4) 
    Een invorderingsopdracht is een document waarin de Commissie bedragen boekt die aan haar moeten worden voldaan.
  • (5) 
    Wij zijn uitgegaan van de overeengekomen bni-gegevens en de door de lidstaten opgestelde geharmoniseerde btw-grondslag. Wij hebben de statistieken en gegevens die door de Commissie en lidstaten werden verstrekt, niet rechtstreeks getoetst.
  • (6) 
    Voor onze controle werd gebruikgemaakt van gegevens van de TEM-boekhoudsystemen van de bezochte lidstaten. Niet-aangegeven importen of importen die aan douanetoezicht waren ontsnapt, konden niet door ons worden gecontroleerd.
  • (7) 
    Deze drie lidstaten werden geselecteerd op basis van de omvang van hun TEM-bijdrage en onze risicobeoordeling.
  • (8) 
    Zie paragraaf 12 van bijlage 1.1 .
  • (9) 
    We stelden geen materiële impact vast op de van de lidstaten te innen bedragen die in de geconsolideerde jaarrekening van de EU zijn vermeld.
  • Zie paragraaf 4.15 van ons Jaarverslag 2017, paragraaf 4.15 van ons Jaarverslag 2016, paragraaf 4.18 van ons Jaarverslag 2015, paragraaf 4.22 van ons Jaarverslag 2014, paragraaf 2.16 van ons Jaarverslag 2013 en de paragrafen 2.32 en 2.33 van ons Jaarverslag 2012.
  • Zie bijlage 4.3 , de aanbevelingen 2 en 3.
  • Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39) en Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad van 26 mei 2014 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen in de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 29).
  • Er zijn twee hoofdcategorieën van punten van voorbehoud inzake bni: specifiek en algemeen. Specifieke punten van voorbehoud zijn onderverdeeld in verrichtingsspecifieke, horizontale of processpecifieke punten van voorbehoud. Deze paragraaf heeft betrekking op verrichtingsspecifieke punten van voorbehoud. Eind 2018 stonden er geen horizontale punten van voorbehoud open. Er gelden processpecifieke punten van voorbehoud voor alle lidstaten om te waarborgen dat zij gedurende de verificatiecyclus de resultaten van het werk van de Commissie in aanmerking nemen bij het berekenen van hun eigen middelen bni vanaf 2010. Zie voor algemene punten van voorbehoud paragraaf 4.18.
  • ESR 2010 (Europees systeem van nationale en regionale rekeningen) is het internationaal compatibele EU-kader voor financiële verslaglegging. Het wordt gebruikt om een systematische en gedetailleerde beschrijving van een economie te geven. Zie Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).
  • Zie artikel 5 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad van 15 juli 2003 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen (“bni-verordening”) (PB L 181 van 19.7.2003, blz. 1). Deze werd vervangen door Verordening (EU) 2019/516 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen en tot intrekking van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad (“bni-verordening”) (PB L 91 van 29.3.2019, blz. 19) (zie met name artikel 5, lid 2).
  • Zie de paragrafen 4.10-4.13 en 4.23 van ons Jaarverslag 2016.
  • Zie paragraaf 4.17 van ons Jaarverslag 2017.
  • Dit is de voornaamste handhavingsmaatregel die de Commissie kan nemen wanneer lidstaten het EU-recht niet toepassen.
  • De vorderingen op het VK bedragen in totaal 3,5 miljard EUR, met inbegrip van deze inbreukprocedure. Dit is opgenomen in de geconsolideerde rekeningen 2018 van de EU als deel van het van de lidstaten te innen bedrag.

BIJLAGE 4.1

RESULTATEN VAN DE TOETSING VAN VERRICHTINGEN VOOR ONTVANGSTEN

 
 

2018

2017

OMVANG EN STRUCTUUR VAN DE STEEKPROEF

Totaal verrichtingen:

55

55

GESCHATTE IMPACT VAN KWANTIFICEERBARE FOUTEN

Geschat foutenpercentage

Bevat geen materiële fouten

Bevat geen materiële fouten

BIJLAGE 4.2

AANTAL HANGENDE PUNTEN VAN VOORBEHOUD INZAKE BNI EN BTW, EN AANTAL OPENSTAANDE PUNTEN INZAKE TEM PER LIDSTAAT OP 31.12.2018

 
 

“Openstaande punten” inzake TEM

Punten van voorbehoud inzake btw

Punten van voorbehoud inzake bni

TOTAAL 31.12.2018

402

96

9

TOTAAL 31.12.2017

354

92

7

Bron: Europese Rekenkamer (1).

 

  • (1) 
    De aantallen voor punten van voorbehoud inzake bni betreffen uitsluitend de verrichtingsspecifieke punten van voorbehoud (en de samenstelling van specifieke onderdelen van de nationale rekeningen van een bepaalde lidstaat). Ook zijn er voor alle lidstaten uitstaande bni-processpecifieke punten van voorbehoud, die betrekking hebben op de samenstelling van gegevens vanaf 2010 (behalve voor Kroatië, waar zij de periode vanaf 2013 bestrijken), en één algemeen voorbehoud voor Frankrijk (zie paragraaf 4.18).

BIJLAGE 4.3

FOLLOW-UP VAN EERDERE AANBEVELINGEN VOOR ONTVANGSTEN

 

Jaar

Aanbeveling van de Rekenkamer

Door de ERK verrichte analyse van de geboekte vooruitgang

Volledig uitgevoerd

In uitvoering

Niet uitgevoerd

Niet van toepassing

Ontoereikend bewijs

In de meeste opzichten

In enkele opzichten

2015

De Commissie moet:

aanbeveling 1: de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat economische actoren in alle lidstaten gelijk worden behandeld wat betreft de verjaringstermijn voor de mededeling van een schuld na een controle na douaneafhandeling;

 

X

       

aanbeveling 2: richtsnoeren verstrekken aan de lidstaten om hun beheer van de in de B-boekhouding opgenomen posten te verbeteren;

 

X

       

aanbeveling 3: ervoor zorgen dat de lidstaten de geïnde bedragen van de B-boekhouding juist opgeven en ter beschikking stellen;

 

X

       

aanbeveling 4: voor zover mogelijk de invordering van douaneschulden door de lidstaten vergemakkelijken wanneer de debiteuren niet in een EU-lidstaat zijn gevestigd;

   

X

     

aanbeveling 5: de controles van de berekeningen van de EER-/EVA-bijdragen en de correctiemechanismen verbeteren.

X

         

Opmerkingen over onze analyse van de geboekte vooruitgang:

Aanbeveling 1: De Commissie heeft een voorstel voor een richtlijn betreffende het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en douanesancties gedaan (dat nog niet is goedgekeurd door de Raad) en overwoog om een onderzoek te verrichten in alle lidstaten om waar nodig een juridisch onderzoek te starten.

Aanbeveling 2: De Commissie heeft meerdere voorlichtingsactiviteiten ondernomen en twee richtsnoerdocumenten uitgebracht die bijdragen tot de verbetering van het beheer van de B-boekhouding door de lidstaten. Naar onze mening zou de Commissie echter meer praktische richtsnoeren kunnen verstrekken over het invullen van de verschillende kolommen van de overzichten van de A- en de B-boekhouding (overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU, Euratom) 2018/194 van de Commissie van 8 februari 2018) (zie paragraaf 4.10).

Aanbeveling 3: De inconsistenties tussen de overzichten van de A- en de B-boekhouding van sommige lidstaten zijn weggewerkt. Bij één lidstaat blijft dit probleem bestaan, maar in mindere mate dan in voorgaande jaren. De Commissie geeft aan dat zij hieraan follow-up zal blijven geven totdat het probleem is opgelost (zie paragraaf 4.10).

Aanbeveling 4: Met de inwerkingtreding van het douanewetboek van de Unie in 2016 zijn er mogelijkheden bijgekomen om de verzameling van relevante gegevens te waarborgen. Met deze verbeteringen is het probleem echter niet volledig opgelost. De Commissie beoordeelt momenteel in hoeverre de problemen die wij hebben geconstateerd met betrekking tot de invordering van douaneschulden, doeltreffend kunnen worden aangepakt met de bepalingen van het douanewetboek van de Unie. Deze werkzaamheden lopen nog.

Aanbeveling 5: De Commissie verbeterde en versterkte de procedures en checklists voor de berekeningen van de bijdragen van de Europese Economische Ruimte (EER)/Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) en die in het kader van de correctiemechanismen.

 

HOOFDSTUK 5

Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid

INHOUD

 

Inleiding

5.1-5.8

Korte beschrijving van “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid”

5.2-5.6

Reikwijdte en aanpak van de controle

5.7-5.8

Deel 1: Regelmatigheid van de verrichtingen

5.9-5.36

Een aanzienlijk aantal van de vastgestelde kwantificeerbare fouten betrof niet-subsidiabele personeelskosten

5.16-5.17

Regelmatig voorkomende fouten bij andere directe kosten

5.18

Particuliere entiteiten, met name kmo's en nieuwkomers, maken vaker fouten

5.19

De meeste niet-kwantificeerbare fouten betroffen tijdregistratie en vertragingen in de verdeling van middelen

5.20-5.21

Horizon 2020: kosten van grote onderzoeksinfrastructuur — Moeizame verificatieprocedures vooraf met weinig impact op het voorkomen van fouten

5.22

Erasmus+: verschillen tussen de nationale en EU-regels

5.23

Erasmus+: er zijn meer verbeteringen nodig voor subsidiebeheer binnen het EACEA

5.24-5.26

De jaarlijkse activiteitenverslagen geven een getrouwe beoordeling van het financieel beheer

5.27-5.30

Beoordeling van de door de gecontroleerde verschafte informatie over de regelmatigheid

5.31-5.36

Conclusies en aanbevelingen

5.37-5.40

Conclusie

5.37-5.38

Aanbevelingen

5.39-5.40

Deel 2: Prestatieaspecten van onderzoek en innovatie

5.41-5.43

Met de meeste projecten werden de verwachte outputs en resultaten bereikt

5.43

Bijlage 5.1 —

Resultaten van de toetsing van verrichtingen voor “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid”

 

Bijlage 5.2 —

Follow-up van eerdere aanbevelingen voor “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid”

 

Inleiding

 
 

5.1.

Dit hoofdstuk bevat onze bevindingen voor MFK-subrubriek 1a “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid”. kader 5.1 geeft een overzicht van de kernactiviteiten en de uitgaven in deze subrubriek voor 2018.

Kader 5.1

MFK-subrubriek „Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid” — Uitsplitsing 2018

 
  • (1) 
    Overeenkomstig de geharmoniseerde definitie van onderliggende verrichtingen (zie voor nadere gegevens bijlage 1.1 , paragraaf 13).

Bron:

Geconsolideerde rekeningen 2018 van de Europese Unie.

Korte beschrijving van “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid”

 
 

5.2.

De programma’s die worden gefinancierd door uitgaven die zijn toegewezen aan deze begrotingssubrubriek staan centraal in het Europese project en hebben als doel een inclusieve samenleving en groei te stimuleren en werkgelegenheid in de EU te creëren.

 

5.3.

Dit beleidsterrein omvat uitgaven voor onderzoek en innovatie, onderwijs en opleiding, trans-Europese netwerken op het gebied van energie, vervoer en telecommunicatie, ruimtevaartprogramma’s en de ontwikkeling van ondernemingen. De belangrijkste programma’s die in het kader van deze subrubriek worden gefinancierd, zijn het zevende kaderprogramma (KP7) (1) en Horizon 2020 (2) (H2020) op het gebied van onderzoek en innovatie en Erasmus+ op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport.

 

5.4.

Het omvat ook grote infrastructuurprojecten, zoals de ruimtevaartprogramma’s Galileo (het wereldwijde satellietnavigatiesysteem van de EU) en Egnos (European geostationary navigation overlay service — het Europees overlaysysteem voor geostationaire navigatie); de EU-bijdrage aan de internationale thermonucleaire experimentele reactor en de Connecting Europe Facility (CEF).

 

5.5.

De meeste uitgaven voor deze programma’s worden rechtstreeks beheerd door de Commissie en verricht in de vorm van subsidies aan particuliere of publieke begunstigden die deelnemen aan projecten. De Commissie verstrekt voorschotten aan begunstigden na de ondertekening van een subsidieovereenkomst of financieringsbesluit en vergoedt de door de EU gefinancierde kosten die de begunstigden declareren, waarop de Commissie eventuele betaalde voorschotten in mindering brengt. In het geval van Erasmus+ beheren nationale agentschappen voornamelijk de uitgaven namens de Commissie (ongeveer 80 % van de subsidies) en beheert het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) de overige 20 %.

 

5.6.

Het voornaamste risico voor de regelmatigheid van de verrichtingen is dat de begunstigden niet-subsidiabele kosten declareren die niet worden ontdekt of gecorrigeerd vóór de terugbetaling. Dit risico is vooral hoog voor programma’s met ingewikkelde regels voor de vergoeding van subsidiabele uitgaven, zoals de onderzoeksprogramma’s. Deze regels kunnen verkeerd worden uitgelegd door begunstigden, met name door degenen die minder vertrouwd zijn met de regels, zoals kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), begunstigden die voor het eerst deelnemen of deelnemers uit derde landen.

Reikwijdte en aanpak van de controle

 
 

5.7.

In overeenstemming met bijlage 1.1 hebben we een steekproef van 130 verrichtingen onderzocht, waarbij we de in bijlage 1.1 uiteengezette controleaanpak en -methoden hebben toegepast om een specifieke beoordeling te verstrekken. De steekproef was zodanig opgezet dat deze representatief is voor alle soorten uitgaven binnen deze MFK-subrubriek (3). De steekproef bestond uit 81 verrichtingen op het gebied van onderzoek en innovatie (22 in het kader van KP7 en 59 in het kader van H2020) en 49 verrichtingen in het kader van andere programma’s en activiteiten, met name Erasmus+, de CEF en de ruimtevaartprogramma’s. De gecontroleerde begunstigden waren gevestigd in 19 lidstaten en 4 derde landen. Wij hadden tot doel, bij te dragen tot de algemene betrouwbaarheidsverklaring, zoals beschreven in bijlage 1.1 .

 

5.8.

We onderzochten ook het volgende voor “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid” in 2018:

  • — 
    de betrouwbaarheid van de informatie over de regelmatigheid in de jaarlijkse activiteitenverslagen van het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG RTD), het EACEA en het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (Easme), de consistentie van de methodologie voor de raming van risicobedragen, toekomstige correcties en terugvorderingen, en de opname daarvan in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag (AMPR) van de Commissie;
  • — 
    de betrouwbaarheid van de werkzaamheden van de Commissie voor controles achteraf inzake de regelmatigheid van de verrichtingen in het kader van H2020. We verrichtten deze werkzaamheden met het oog op onze strategie die erop gericht is in de toekomst een op een attestopdracht gebaseerde aanpak te hanteren;
  • — 
    voor deel 2 van dit hoofdstuk, de verslaglegging van de Commissie over de prestaties van onderzoeks- en innovatieprojecten.

Deel 1: Regelmatigheid van de verrichtingen

 
 

5.9.

Bijlage 5.1 biedt een overzicht van de resultaten van de toetsing van verrichtingen. Van de 130 onderzochte verrichtingen vertoonden er 54 (41,5 %) fouten. Op basis van de 31 door ons gekwantificeerde fouten schatten wij het foutenpercentage voor het gehele terrein van MFK 1a, met inbegrip van uitgaven met een laag risico, op 2,0 % (4). Dit cijfer is lager dan de afgelopen twee jaar, toen het geschatte foutenpercentage iets meer dan 4 % bedroeg.

 

5.10.

Er moet rekening worden gehouden met de enorme verscheidenheid van de programma’s en de soorten uitgaven die in onze controlepopulatie voor deze subrubriek zijn opgenomen en met de uiteenlopende risiconiveaus, en bijgevolg de foutenpercentages, die hieruit voortvloeien (zie kader 5.2 ).

Kader 5.2

Uitsplitsing van de controlepopulatie voor MFK 1a van 2018

 
 

Bron:

Europese Rekenkamer.

 

5.11.

In kader 5.3 wordt het door ons geschatte foutenpercentage voor 2018 uitgesplitst, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen onderzoek en andere verrichtingen.

Kader 5.3

Uitsplitsing van het geschatte foutenpercentage per soort verrichting en eigenschappen van de fout

 
 

Bron:

Europese Rekenkamer.

 

5.12.

Zoals in voorgaande jaren blijven onderzoeksuitgaven een gebied met een hoger risico en de belangrijkste bron van fouten. Wij stelden kwantificeerbare fouten vast met betrekking tot niet-subsidiabele kosten in 27 van de 81 in de steekproef opgenomen verrichtingen op het gebied van onderzoek en innovatie (8 in het kader van KP7 en 19 in het kader van H2020); deze waren goed voor 94 % van het door ons geschatte foutenpercentage voor deze subrubriek in 2018.

 

5.13.

Dit is het eerste jaar waarin H2020 een groot deel uitmaakte van de onderzoeksprojecten in onze steekproef (meer dan 70 %). Het risico op fouten is gedaald door de met dit programma ingevoerde vereenvoudigingsmaatregelen, met name de vaststelling van een forfaitair bedrag voor indirecte kosten en de mogelijkheid voor begunstigden om vaste jaarlijkse productieve uren toe te passen bij de berekening van het uurtarief. Dit kan hebben bijgedragen tot de daling van het totale foutenpercentage voor deze subrubriek. Ondanks de verbeteringen van het programmaontwerp en de controlestrategie van de Commissie, blijkt echter uit onze resultaten dat de onderzoeksuitgaven alleen nog steeds fouten van materieel belang vertonen. De Commissie schat dat het foutenpercentage van H2020 boven de materialiteitsdrempel van 2 % blijft (zie paragraaf 5.28).

 

5.14.

Bij andere programma’s en activiteiten ontdekten we kwantificeerbare fouten bij 4 van de 49 verrichtingen uit de steekproef. De fouten betroffen projecten in het kader van Erasmus+ en CEF-programma’s en omvatten:

  • a) 
    begunstigden die kosten declareren voor niet-subsidiabele activiteiten of de onjuiste berekening van de mobiliteit van studenten of reiskosten (Erasmus+), of
  • b) 
    de onjuiste berekening van personeelskosten of, in één geval, niet-subsidiabele btw die werd gedeclareerd in de kostenstaat (CEF).
 

5.15.

De Commissie heeft corrigerende maatregelen getroffen die rechtstreekse gevolgen hadden voor vier door ons gecontroleerde verrichtingen. Deze maatregelen hadden weinig impact op onze berekeningen, omdat het door ons geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk daardoor met slechts 0,1 procentpunt daalde. In acht gevallen van kwantificeerbare fouten van de begunstigden bevatte de vergoedingsaanvraag voldoende informatie op basis waarvan de Commissie, de nationale autoriteiten of een onafhankelijke controleur de fouten hadden kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren voordat de uitgaven werden geaccepteerd. Enkele voorbeelden waren de toepassing van een onjuiste methodologie voor de berekening van personeelskosten en de opname van andere niet-subsidiabele kosten in de kostendeclaratie. Indien de Commissie alle beschikbare informatie naar behoren had gebruikt, zou het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 0,3 procentpunt lager zijn geweest.

Een aanzienlijk aantal van de vastgestelde kwantificeerbare fouten betrof niet-subsidiabele personeelskosten

 
 

5.16.

Doordat het financieringsmodel gebaseerd is op de vergoeding van subsidiabele kosten, zijn de regels voor het declareren van personeelskosten ingewikkeld en blijft de berekening van deze kosten een grote bron van fouten in de kostendeclaraties. Hoewel Horizon 2020 over het algemeen eenvoudigere financieringsregels heeft dan KP7, is de methodologie voor het berekenen van personeelskosten in bepaalde opzichten complexer geworden, waardoor het risico op fouten is toegenomen. We maakten deze opmerkingen ook in ons Speciaal verslag nr. 28/2018 (5), waarin we wezen op de moeilijkheden voor begunstigden die sommige veranderingen hadden veroorzaakt.

 

5.17.

Eén met H2020 ingevoerd element dat vaak tot fouten leidt, is de regel dat het jaarlijkse uurtarief van het recentste afgesloten begrotingsjaar moet worden gebruikt voor het declareren van kosten met betrekking tot het daaropvolgende (niet-afgesloten) jaar waarin verslag wordt uitgebracht. Deze regel is moeilijk toe te passen en geeft niet altijd de daadwerkelijke kosten van de begunstigden weer, want hierin wordt geen rekening gehouden met loonsverhogingen van jaar tot jaar.

Regelmatig voorkomende fouten bij andere directe kosten

 
 

5.18.

Het aandeel andere directe kosten in het geschatte foutenpercentage is hoger dan vorig jaar. Sommige fouten hielden verband met uitrustingskosten die ten onrechte volledig in rekening worden gebracht bij EU-projecten. De kosten van grote infrastructuur die sommige begunstigden hebben gedeclareerd, hebben ook bijgedragen tot het geschatte foutenpercentage (meer informatie in paragraaf 5.22). Andere oorzaken van fouten waren niet-subsidiabele btw en de terugbetaling van reiskosten die geen verband hielden met het gecontroleerde EU-project.

Particuliere entiteiten, met name kmo’s en nieuwkomers, maken vaker fouten

 
 

5.19.

Een van de strategieën ter bevordering van Europees onderzoek is het verhogen van de deelname van de particuliere sector, met name startende bedrijven en kmo’s. Met meer dan 50 % van de vastgestelde kwantificeerbare fouten (17 van de 31) was er financiering voor particuliere begunstigden gemoeid, hoewel deze verrichtingen slechts goed waren voor 39 (30 %) van de 130 verrichtingen uit de steekproef. Nieuwkomers en kmo’s vertegenwoordigden ongeveer 10 % van de totale steekproef, maar hun aandeel kwantificeerbare fouten bedroeg 30 %. Een bijzonder vaak voorkomende bron van fouten tijdens onze controles is de onjuiste declaratie van loonkosten door kmo’s. Uit deze resultaten blijkt dat kmo’s en nieuwkomers vaker fouten maken dan andere begunstigden. Ook de controles van de Commissie bevestigden dit patroon. Een voorbeeld is te vinden in kader 5.4 .

Kader 5.4

Meerdere fouten in één declaratie van een kmo

 

Een kmo in de zorgsector van het Verenigd Koninkrijk declareerde 1,1 miljoen EUR aan personeels-, onderaannemings- en andere kosten tijdens de verslagperiode van haar eerste EU-project. Negen van de tien gecontroleerde uitgavenposten bevatten materiële fouten, die tussen de 10 en 36 % vertegenwoordigden van de waarde van de afzonderlijke, getoetste uitgavenposten. De begunstigde hanteerde met name geen methode om personeelskosten te berekenen overeenkomstig de H2020-regels.

De meeste niet-kwantificeerbare fouten betroffen tijdregistratie en vertragingen in de verdeling van middelen

 
 

5.20.

In de 130 verrichtingen uit de steekproef troffen we ook 38 niet-kwantificeerbare fouten aan in verband met gevallen van niet-naleving van financieringsregels (6). Deze gevallen kwamen vaker voor in onderzoeks- en innovatieprojecten en hielden voornamelijk verband met tekortkomingen in de tijdregistratiesystemen van begunstigden, die vaak niet voldoen aan de basisvereisten en dus onvoldoende zekerheid verschaffen over de betrouwbaarheid van de uren die zijn besteed aan gefinancierde projecten.

 

5.21.

Ook troffen we vertragingen aan in de verdeling van EU-middelen door de projectcoördinator onder de andere projectdeelnemers. Hoewel sommige van deze vertragingen begrijpelijk waren, kunnen ze aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor projectdeelnemers, vooral voor kmo’s.

Horizon 2020: kosten van grote onderzoeksinfrastructuur — Moeizame verificatieprocedures vooraf met weinig impact op het voorkomen van fouten

 
 

5.22.

In het kader van H2020 kunnen begunstigden geactiveerde en exploitatiekosten voor grote onderzoeksinfrastructuur (LRI — large research infrastructure) declareren indien zij voldoen aan bepaalde voorwaarden en een positieve beoordeling vooraf van hun kostenberekeningsmethode hebben gekregen van de Commissie. De verificatie vooraf vergt veel tijd en andere middelen, kan tot twee jaar duren en omvat een groot aantal bezoeken door de Commissie aan de gebouwen van de begunstigde. Dit was het geval bij een van de door ons gecontroleerde begunstigden die LRI-kosten had gedeclareerd. Ondanks de uitvoerige verificatie vooraf, stelden we bovendien vast dat er nog steeds fouten optraden bij de toepassing van de methode. In twee van de drie gevallen van LRI-kostendeclaraties troffen we aanzienlijk te hoge declaraties van deze kosten aan die 75 000 EUR (12 % van de LRI-kosten) en 130 000 EUR (30 % van de LRI-kosten) bedroegen vanwege de onjuiste toepassing van de methode.

Erasmus+: verschillen tussen de nationale en EU-regels

 
 

5.23.

Tijdens onze controles merkten we op dat begunstigden van EU-financiering verplicht waren nationale regels te volgen die niet geheel strookten met EU-beginselen (zie kader 5.5 ).

Kader 5.5

Voorbeelden van nationale regels die niet geheel stroken met EU-regels

 

Voorbeeld 1

In het kader van de beroepsonderwijs- en -opleidingsregeling van Erasmus+ hebben personeelsleden die studenten begeleiden op een uitwisseling recht op een dagvergoeding tussen de 90 en 144 EUR voor een verblijf tot 14 dagen en 70 % van dit bedrag bij een langer verblijf. In het kader van vereenvoudigde kostenopties betaalt de EU de vergoeding aan de organisatie die het personeelslid dat de studenten begeleidt, in dienst heeft. In Slovenië is in de nationale regels echter een bedrag van 44 EUR per dag vastgesteld voor de dagvergoedingen (enkel voor maaltijden) die wij controleerden. Dit is aanzienlijk minder, zelfs met inbegrip van de betaalde bedragen voor accommodatie, dan de rechten die aan de begunstigde organisatie worden uitbetaald uit de begroting van Erasmus+.

Voorbeeld 2

In Slowakije controleerden we een Erasmus+-project dat werd uitgevoerd in een school waarvan de begroting gekoppeld is aan een hoger regionaal orgaan. We constateerden dat wanneer de school de Erasmus+-financiering van het nationale agentschap ontvangt, ze verplicht is de middelen over te schrijven naar het hogere regionaal orgaan om te voldoen aan de nationale financiële regels van openbare instanties. Enkele dagen later krijgt ze de middelen terug wanneer ze aan de school zijn toegewezen voor het Erasmus+-project. Deze financiële overdrachten tussen de school en het regionaal orgaan zijn onnodig voor de projectuitvoering en kunnen financiële en uitvoeringsrisico’s inhouden.

Erasmus+: er zijn meer verbeteringen nodig voor subsidiebeheer binnen het EACEA

 
 

5.24.

In 2017 bracht de dienst Interne Audit van de Europese Commissie (DIA) verslag uit over subsidiebeheer in fase 1 met betrekking tot Erasmus+ en Creatief Europa (van de oproep tot de ondertekening van contracten). In 2018 startte hij een follow-up en concludeerde hij dat zijn controleaanbevelingen adequaat en doeltreffend zijn uitgevoerd.

 

5.25.

In 2018 controleerde de DIA vervolgens het subsidiebeheer in fase 2 (van projectmonitoring tot betaling). Dit leidde tot vier opmerkingen en aanbevelingen: één “kritieke” (functioneren van de internebeheersingssystemen), twee “zeer belangrijke” en één “belangrijke”. Op basis van een beperkte follow-upcontrole is de DIA van oordeel dat de onderliggende risico’s deels zijn beperkt nadat het EACEA onmiddellijke maatregelen heeft getroffen. Bijgevolg heeft de DIA de aanbeveling verlaagd van “kritiek” naar “zeer belangrijk”. Alle aanbevelingen blijven openstaan, hoewel ze nog worden uitgevoerd en er geen enkele al had moeten zijn uitgevoerd.

 

5.26.

Zoals vermeld in het jaarlijks activiteitenverslag (JAV) 2018 van het EACEA en bevestigd in ons onderzoek, erkent het Agentschap dat er belangrijke verbeteringen nodig zijn met betrekking tot het functioneren van zijn internebeheersingssysteem, wat voor het tweede jaar op rij aanleiding geeft tot een voorbehoud inzake het internebeheersingssysteem.

De jaarlijkse activiteitenverslagen geven een getrouwe beoordeling van het financieel beheer

 
 

5.27.

In de jaarlijkse activiteitenverslagen die we hebben bestudeerd (7), werd een getrouwe beoordeling gegeven van het financieel beheer door de DG’s en agentschappen wat betreft de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. De verstrekte informatie heeft over het algemeen onze bevindingen en conclusies bevestigd.

 

5.28.

Evenals in voorgaande jaren bevatten de verslagen van alle DG’s die onderzoeks- en innovatie-uitgaven uitvoeren, een voorbehoud met betrekking tot de betalingen ter vergoeding van de kostendeclaraties in het kader van KP7, omdat het restfoutenpercentage meer dan 2 % bedraagt (8). In het geval van Horizon 2020 heeft de Commissie op basis van haar eigen controles een verwacht representatief foutenpercentage van 3,32 % en een restfoutenpercentage van 2,22 % gemeld.

 

5.29.

De Commissie heeft een procedure vastgesteld om ervoor te zorgen dat systematische fouten van begunstigden die in een controle worden ontdekt, worden gecorrigeerd in lopende projecten. Wat betreft het KP7-programma, werd de procedure toegepast bij 3 932 gevallen van 6 821 projecten van DG RTD met mogelijke systematische fouten. Bijgevolg bedroeg de uitvoeringsgraad voor het corrigeren van systematische fouten slechts 57,6 % eind 2018. Dit is lager dan de verwachte uitvoeringsgraad in dit stadium en verhoogt het risico op niet-inning.

 

5.30.

We merken ook op dat eind 2018 DG RTD 26 aanbevelingen van de DIA had openstaan, waarvan er negen al hadden moeten zijn uitgevoerd. Geen enkele aanbeveling die al had moeten zijn uitgevoerd, was ingedeeld als “zeer belangrijk”. Eén “zeer belangrijke” openstaande aanbeveling die de DIA recentelijk heeft gedaan, heeft betrekking op de monitoring van de naleving door de begunstigden van de contractuele verplichtingen en verslagleggingsvereisten inzake de verspreiding en benutting van projectresultaten. Behoorlijke verspreiding en benutting dragen bij tot de algehele doeltreffendheid van onderzoeks- en innovatiefinanciering. We constateerden dat er in de projectbeoordelingsverslagen vrij regelmatig werd gewezen op problemen in verband met de naleving van deze vereisten. Dit bevestigt dat er op dit gebied meer inspanningen moeten worden geleverd (zie paragraaf 5.43).

Beoordeling van de door de gecontroleerde verschafte informatie over de regelmatigheid

 
 

5.31.

Als onderdeel van onze strategie voor 2018-2020 streven wij ernaar beter gebruik te maken van de door de Commissie verstrekte informatie over de regelmatigheid. De Commissie baseert de berekening van het risicobedrag bij betaling op de resultaten van haar controlewerkzaamheden achteraf. Wat H2020 betreft, selecteerden we een steekproef van twintig voor 1 mei 2018 afgesloten controledossiers uit de eerste gemeenschappelijke representatieve steekproef van de Commissie. Wij hadden tot doel zowel controles die zijn uitgevoerd door de Commissie als door gecontracteerde externe controleurs op te nemen en vast te stellen of we konden vertrouwen op de resultaten. We selecteerden 5 willekeurige controles die zijn uitgevoerd door de gemeenschappelijke auditdienst (GAD) (9) en 15 controles waarvoor externe controleurs zijn gecontracteerd: 5 voor elk van de 3 particuliere accountantskantoren die controles verrichten in opdracht van de Commissie. We hebben de resultaten van deze werkzaamheden niet opgenomen in onze toetsing van verrichtingen voor uitgaven over 2018.

 

5.32.

In de eerste fase van onze beoordeling onderzochten we de controledossiers (werkdocumenten en ondersteunende documentatie) bij de GAD en bij de particuliere accountantskantoren. Op basis van dit onderzoek stelden we elf controles vast waarvoor we bijkomende controleprocedures moesten uitvoeren, voornamelijk omdat we aanvullende ondersteunende documentatie moesten verkrijgen en/of vanwege discrepanties in de werkdocumenten, waardoor wij de controleconclusies niet konden bevestigen. We voerden deze bijkomende controleprocedures uit door middel van controles van stukken (in drie gevallen vroegen we aanvullende documenten van de begunstigden) of een controlebezoek aan de begunstigde (acht gevallen).

 

5.33.

Deze bijkomende controleprocedures brachten tekortkomingen aan het licht in de documentatie, de consistentie van de steekproef, de verslaglegging en de kwaliteit van de controleprocedures in sommige onderzochte dossiers. Zo troffen we niet-subsidiabele bedragen aan die de controleurs niet hadden ontdekt omdat ze onvoldoende hadden getoetst tijdens hun controle en fouten in de berekening van de gedeclareerde personeelskosten. Alhoewel de financiële impact niet van materieel belang was in sommige gevallen, konden we in tien (10) van de twintig controledossiers uit de steekproef niet vertrouwen op de controleconclusies. Daarom kunnen we momenteel de resultaten van de controlewerkzaamheden van de Commissie niet gebruiken.

 

5.34.

Hiernaast stelden we een probleem vast in verband met de methode voor het berekenen van het foutenpercentage voor H2020. Het doel van de controles achteraf is een maximale dekking van de aanvaarde kosten, maar ze hebben zelden betrekking op alle kosten. Het foutenpercentage wordt berekend als een aandeel van alle aanvaarde kosten in plaats van het daadwerkelijk gecontroleerde bedrag. Dit betekent dat de noemer in de foutenberekening hoger is, waardoor het foutenpercentage te laag is. Indien de fouten die werden aangetroffen, systematisch zijn, wordt de fout geëxtrapoleerd en dit compenseert deels het bovengenoemde te lage percentage. Aangezien niet-systematische fouten niet worden geëxtrapoleerd, blijft het totale foutenpercentage echter te laag. Het kan niet worden gekwantificeerd in hoeverre het foutenpercentage te laag is opgegeven. Het is dus onmogelijk te bepalen of deze te lage opgave een significante impact heeft.

 

5.35.

Als gevolg hiervan zullen we in 2019 nog een cyclus van evaluaties uitvoeren van recentere controles die zijn afgesloten sinds onze oorspronkelijke selectie zodat we een grotere populatie van controle-informatie kunnen verkrijgen waarop we onze beoordeling kunnen baseren. Hierdoor zullen we ook rekening kunnen houden met daaropvolgende verbeteringen in vergelijking met de in 2018 onderzochte controles, die zijn verricht aan het begin van het H2020-programma.

 

5.36.

We evalueerden ook de informatie in het AMPR van de Commissie van 2018 in verband met het geschatte risico bij betaling voor de beleidsterreinen die onder MFK-subrubriek 1a vallen. De Commissie berekent niet één enkel percentage voor de hele subrubriek, maar twee afzonderlijke percentages — een voor onderzoek, industrie, ruimtevaart, energie en vervoer (1,9 %) en een ander voor ander intern beleid (0,7 %). Op basis van de cijfers van de Commissie berekenden we dat het percentage voor MFK 1a als geheel 1,6 % zou zijn. Dit percentage valt binnen de marge van onze eigen schatting van het foutenpercentage. Naar onze mening is het echter te laag vanwege het methodologische probleem dat in paragraaf 5.34 hierboven werd beschreven.

Conclusies en aanbevelingen

Conclusie

 
 

5.37.

Over het geheel genomen wijst de controle-informatie die wij hebben verkregen en gepresenteerd in dit hoofdstuk erop dat de uitgaven voor “Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid” gelijk waren aan de materialiteitsdrempel. Voor deze MFK-subrubriek wees onze toetsing van verrichtingen uit dat het totale geschatte foutenpercentage 2,0 % bedroeg (zie bijlage 5.1 ). Uit onze resultaten blijkt echter dat onderzoeksuitgaven een gebied met een hoger risico en de belangrijkste bron van fouten blijven.

 

5.38.

Het in het AMPR uiteengezette risicobedrag bij betaling valt binnen de marge van onze schatting van het foutenpercentage (zie paragraaf 5.36).

Aanbevelingen

 
 

5.39.

Bijlage 5.2 bevat de bevindingen naar aanleiding van onze follow-upevaluatie van de vier aanbevelingen die wij in ons Jaarverslag 2015 hebben gedaan en de vier die we in ons Jaarverslag 2017 hebben gedaan met eind 2018 als de termijn voor uitvoering. De Commissie heeft vier aanbevelingen volledig en vier andere in de meeste opzichten uitgevoerd.

 

5.40.

Op basis van deze beoordeling en onze bevindingen en conclusies voor 2018 doen wij de volgende aanbevelingen aan de Commissie:

Aanbeveling 5.1

Verricht gerichtere controles van kostendeclaraties van kmo’s en nieuwkomers en verbeter de voorlichtingscampagne over financieringsregels, die moet zijn gericht op deze belangrijke begunstigden.

Streefdatum voor de uitvoering: 2020.

Aanbeveling 5.2

Wat betreft het volgende kaderprogramma voor onderzoek, vereenvoudig de regels voor de berekening van personeelskosten nog meer, beoordeel de toegevoegde waarde van het mechanisme voor kosten van grote onderzoeksinfrastructuur en onderzoek hoe de methode ervan kan worden verbeterd.

Streefdatum voor de uitvoering: eind 2020.

Aanbeveling 5.3

Wat betreft H2020, geef gevolg aan de opmerkingen die we maakten in het kader van onze evaluatie van de controles achteraf met betrekking tot de documentatie, de consistentie van de steekproef, de verslaglegging en de kwaliteit van de controleprocedures.

Streefdatum voor de uitvoering: medio 2020.

Aanbeveling 5.4

Geef onmiddellijk gevolg aan de bevindingen van de dienst Interne Audit van de Commissie met betrekking tot:

  • — 
    de internebeheersingssystemen van het EACEA inzake het subsidiebeheerproces voor Erasmus+;
  • — 
    de monitoring van de naleving van de contractuele verplichtingen en verslagleggingsvereisten inzake de verspreiding en benutting bij onderzoeks- en innovatieprojecten.

Streefdatum voor de uitvoering: medio 2020.

Deel 2: Prestatieaspecten van onderzoek en innovatie

 
 

5.41.

Wij beoordeelden de verslaglegging van de Commissie over de doelmatigheid van vijftig van de in de steekproef opgenomen onderzoeks- en innovatieprojecten (11). 21 van deze projecten waren al afgerond. Wij hebben de kwaliteit van het verrichte onderzoek of de impact van de projecten wat betreft de verwezenlijking van de beleidsdoelstelling om onderzoek en innovatie te verbeteren, niet rechtstreeks beoordeeld.

 

5.42.

Voor elk project hebben we het beoordelingsverslag geëvalueerd dat door de projectfunctionaris van de Commissie wordt ingevuld in het kader van de controles die vóór de vergoeding van de gedeclareerde kosten worden uitgevoerd. We namen nota van de conclusie van de projectfunctionaris over de vraag of:

  • — 
    de gemelde vooruitgang met betrekking tot outputs en resultaten in overeenstemming was met de in de subsidieovereenkomst vastgelegde doelstellingen;
  • — 
    de kosten die aan het project werden toegerekend, redelijk waren in het licht van de gemelde vooruitgang;
  • — 
    de outputs en resultaten van het project waren verspreid in overeenstemming met de vereisten van de subsidieovereenkomst.

Met de meeste projecten werden de verwachte outputs en resultaten bereikt

 
 

5.43.

Volgens de verslagen van de Commissie hadden de meeste projecten hun verwachte output en resultaten bereikt. Uit de verslagen van de Commissie bleek echter ook dat verschillende projecten te lijden hadden onder kwesties die afbreuk deden aan hun prestaties:

  • — 
    in tien gevallen was de gemelde vooruitgang slechts gedeeltelijk in overeenstemming met de doelstellingen die met de Commissie waren overeengekomen en in twee gevallen was deze niet in overeenstemming met deze doelstellingen;
  • — 
    in drie gevallen was de Commissie van oordeel dat de gemelde kosten niet redelijk waren gezien de gerealiseerde vooruitgang;
  • — 
    in tien gevallen waren de outputs en resultaten van de projecten slechts gedeeltelijk verspreid. In twee gevallen hadden er helemaal geen verspreidingsactiviteiten plaatsgevonden.

  • (1) 
    Het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (2007-2013).
  • (2) 
    Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie 2014-2020 (Horizon 2020).
  • (3) 
    Deze steekproef was verdeeld in twee belangrijke strata op basis van onze beoordeling van het risico voor de regelmatigheid. Het eerste stratum omvatte risicovolle gebieden (met name KP7 en H2020) met een verhoogde controledekking en andere risicovolle gebieden (zoals de CEF). Het tweede stratum had betrekking op uitgaven met een laag risico, zoals administratieve uitgaven en de ruimtevaartprogramma’s.
  • (4) 
    Onze berekening van het foutenpercentage is gebaseerd op een representatieve steekproef. Het genoemde cijfer is de beste schatting. Wij hebben 95 % zekerheid dat het geschatte foutenpercentage in de populatie tussen 0,7 % en 3,2 % ligt (de onderste, respectievelijk de bovenste foutengrens).
  • (5) 
    Speciaal verslag nr. 28/2018 “Het merendeel van de in het kader van Horizon 2020 ingevoerde vereenvoudigingsmaatregelen heeft het gemakkelijker gemaakt voor begunstigden, maar er is nog steeds ruimte voor verbetering”.
  • (6) 
    15 verrichtingen bevatten zowel kwantificeerbare als niet-kwantificeerbare fouten.
  • (7) 
    Directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG RTD), het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) en het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (Easme).
  • (8) 
    De Commissie meldt een meerjarig representatief foutenpercentage in het kader van KP7-uitgaven van 5,26 %. Ze meldt enkel restfoutenpercentages van elk betrokken DG, die variëren, maar altijd meer dan 2 % zijn.
  • (9) 
    De gemeenschappelijke auditdienst (GAD) voor uitgaven in het kader van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (Horizon 2020) bij de Europese Commissie die wordt verzorgd door DG RTD.
  • Bij twee van deze gevallen, die projecten in het kader van fase I van het kmo-instrument betroffen, vertrouwt de GAD enkel op controleprocedures vooraf die andere diensten van de Commissie hebben verricht.
  • We hebben de prestaties beoordeeld van samenwerkingsprojecten waarbij meerdere deelnemers waren betrokken en verrichtingen zoals de mobiliteitsbetalingen aan afzonderlijke onderzoekers uitgesloten.

BIJLAGE 5.1

RESULTATEN VAN DE TOETSING VAN VERRICHTINGEN VOOR “CONCURRENTIEVERMOGEN VOOR GROEI EN WERKGELEGENHEID”

 
 

2018

2017

OMVANG EN STRUCTUUR VAN DE STEEKPROEF

Totaal verrichtingen:

130

130

GESCHATTE IMPACT VAN KWANTIFICEERBARE FOUTEN

   

Geschat foutenpercentage

2,0  %

4,2  %

 

Bovenste foutengrens (UEL)

3,2  %

 
 

Onderste foutengrens (LEL)

0,7  %

 

BIJLAGE 5.2

FOLLOW-UP VAN EERDERE AANBEVELINGEN VOOR “CONCURRENTIEVERMOGEN VOOR GROEI EN WERKGELEGENHEID”

 

Jaar

Aanbeveling van de Rekenkamer

Door de ERK verrichte analyse van de geboekte vooruitgang

Volledig uitgevoerd

In uitvoering

Niet uitgevoerd

Niet van toepassing

Ontoereikend bewijs

In de meeste opzichten

In enkele opzichten

2015

Aanbeveling 1:

De Commissie, de nationale instanties en de onafhankelijke controleurs moeten alle beschikbare en relevante informatie benutten om fouten te voorkomen of ze te ontdekken en corrigeren vóór de terugbetaling.

 

X

       

Aanbeveling 2:

De Commissie moet aan de begunstigden richtsnoeren verstrekken over de specifieke verschillen tussen Horizon 2020 en KP7 en soortgelijke programma’s.

X

         

Aanbeveling 3:

De Commissie moet gemeenschappelijke richtsnoeren verstrekken aan de organen die de uitgaven voor onderzoek en innovatie uitvoeren, ter waarborging van een consistente behandeling van de begunstigden bij de toepassing van controleaanbevelingen met betrekking tot de terugvordering van niet-subsidiabele kosten.

X

         

Aanbeveling 4:

De Commissie moet nauwlettend toezien op de uitvoering van de geëxtrapoleerde correcties op basis van haar controles achteraf van vergoede kosten uit hoofde van KP7.

 

X

       

2017

Eind 2018 moet de Commissie:

Aanbeveling 1:

wat Horizon 2020 betreft, de regels inzake personeelskosten verder verduidelijken, de methode voor personeelskosten herzien en de lijst van problemen in bepaalde landen vervolledigen;

 

X

       

Aanbeveling 2:

wat de CEF betreft, de mate van bekendheid met de subsidiabiliteitsregels bij de begunstigden verbeteren, met name door een duidelijk onderscheid te maken tussen een uitvoeringscontract en een onderaannemingscontract;

 

X

       

Aanbeveling 3:

de tekortkomingen snel aanpakken die de DIA heeft vastgesteld:

  • — 
    in het Erasmus+-subsidiebeheerproces van het EACEA;
  • — 
    in de monitoring van onderzoeks- en innovatieprojecten.

X

         

HOOFDSTUK 6

Economische, sociale en territoriale cohesie

INHOUD

 

Inleiding

6.1-6.12

Korte beschrijving van “Economische, sociale en territoriale cohesie”

6.2-6.6

Beleidsdoelstellingen en uitgaveninstrumenten

6.2

Uitvoering en controle- en zekerheidskader

6.3-6.6

Reikwijdte en aanpak van de controle

6.7-6.12

Deel 1 — Regelmatigheid van de verrichtingen

6.13-6.70

Resultaten van onze evaluatie van verrichtingen en herhaling van controles

6.14-6.40

Niet-subsidiabele uitgaven en projecten

6.19-6.24

Inbreuk op de internemarktregels

6.25-6.32

Niet-naleving van regels met betrekking tot het gebruik van financieringsinstrumenten

6.33-6.38

Ongerechtvaardigde inhouding van EU-middelen die bestemd waren voor begunstigden leidde tot te late betalingen

6.39-6.40

Onze beoordeling van het werk van auditautoriteiten

6.41-6.50

Het werk van de Commissie om zekerheid te verschaffen en haar verslaglegging over het restfoutenpercentage in haar jaarlijkse activiteitenverslagen

6.51-6.70

Zekerheid voor de programmeringsperiode 2014-2020

6.51-6.64

Afsluitingsregelingen

6.65-6.70

Conclusies en aanbevelingen

6.71-6.77

Conclusie

6.71-6.75

Aanbevelingen

6.76-6.77

Deel 2 — Beoordeling van projectprestaties

6.78-6.88

Bijlage 6.1 —

Resultaten van de toetsing van verrichtingen

 

Bijlage 6.2 —

Informatie over EU-maatregelen in de lidstaten

 

Bijlage 6.3 —

Follow-up van eerdere aanbevelingen

 

Inleiding

 
 

6.1.

In dit hoofdstuk worden onze bevindingen voor de MFK-subrubriek 1b “Economische, sociale en territoriale cohesie” gepresenteerd. De door ons gecontroleerde betalingen hebben betrekking op de afsluiting van de programmeringsperiode 2007-2013 en de uitvoering van de programmeringsperiode 2014-2020. Kader 6.1 geeft een overzicht van de kernactiviteiten en de uitgaven in deze subrubriek voor 2018. Zie paragraaf 6.7 voor nadere bijzonderheden over de controlepopulatie voor 2018.

Kader 6.1

MFK-subrubriek 1b “Economische, sociale en territoriale cohesie” — Uitsplitsing voor 2018

 
  • (1) 
    Het bedrag van 47,4 miljard EUR bestaat uit jaarlijkse voorschotten en tussentijdse betalingen voor de programmeringsperiode 2014-2020 die niet waren opgenomen in de onderliggende rekeningen bij de zekerheidspakketten die de Commissie in 2018 aanvaardde. Overeenkomstig de geharmoniseerde definitie van onderliggende verrichtingen (zie voor nadere gegevens bijlage 1.1 , paragraaf 13) worden deze betalingen als voorfinanciering beschouwd en maken zij daarom geen deel uit van onze controlepopulatie voor het Jaarverslag 2018.

Bron:

Geconsolideerde rekeningen 2018 van de EU.

Korte beschrijving van “Economische, sociale en territoriale cohesie”

Beleidsdoelstellingen en uitgaveninstrumenten

 
 

6.2.

De bestedingen in het kader van deze subrubriek zijn erop gericht om het verschil in ontwikkelingsniveau tussen de verschillende lidstaten en regio’s van de EU terug te dringen en het concurrentievermogen van alle regio’s te versterken (1). Deze doelstellingen worden nagestreefd met behulp van de volgende fondsen/instrumenten:

  • — 
    het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), dat is gericht op het ongedaan maken van de grootste regionale onevenwichtigheden door middel van financiële steun voor investeringen in infrastructuur en productieve investeringen ter bevordering van de werkgelegenheid, vooral ten behoeve van ondernemingen;
  • — 
    het Cohesiefonds (CF), dat ter bevordering van duurzame ontwikkeling projecten op het gebied van milieu en vervoer financiert in lidstaten met een bni per hoofd van de bevolking dat lager is dan 90 % van het EU-gemiddelde;
  • — 
    het Europees Sociaal Fonds (ESF), dat gericht is op het bevorderen van een hoog niveau van werkgelegenheid en het scheppen van meer en betere banen, onder andere door middel van maatregelen in het kader van het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (Youth Employment Initiative — YEI) voor regio’s met een hoge jeugdwerkloosheid;
  • — 
    andere kleinere regelingen, zoals het Europees nabuurschapsinstrument, het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), en een bijdrage aan de Connecting Europe Facility.

Uitvoering en controle- en zekerheidskader

 
 

6.3.

De lidstaten dienen over het algemeen aan het begin van elke programmeringsperiode meerjarige operationele programma’s (OP’s) in voor de hele duur van een MFK. Nadat de Commissie deze OP’s heeft goedgekeurd, wordt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van elk OP gedeeld door de Commissie (2) en de desbetreffende lidstaat. Begunstigden ontvangen vergoedingen via de autoriteiten in de lidstaten, waarbij de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten van concrete acties die in overeenstemming met de voorwaarden van het OP zijn goedgekeurd, uit de EU-begroting worden gecofinancierd.

 

6.4.

Het herziene controle- en zekerheidskader voor de programmeringsperiode 2014-2020 moet ervoor zorgen dat het restfoutenpercentage (3) voor deze vergoedingen aan OP’s onder de in de verordening bepaalde materialiteitsdrempel van 2 % blijft (4). De belangrijkste elementen van het herziene controle- en zekerheidskader zijn:

  • — 
    De werkzaamheden die auditautoriteiten verrichten ten aanzien van in de jaarrekening opgenomen uitgaven. Deze werkzaamheden monden uit in een jaarlijks controleverslag dat als onderdeel van de “zekerheidspakketten” (5) van de lidstaten wordt ingediend bij de Commissie. In dit verslag wordt het restfoutenpercentage voor het OP (of groep van OP’s) bekendgemaakt en is een controleoordeel opgenomen over de regelmatigheid van de gedeclareerde uitgaven en over de doeltreffende werking van de beheers- en controlesystemen.
  • — 
    De jaarlijkse aanvaarding van de rekeningen. Met het oog hierop verricht de Commissie hoofdzakelijk administratieve controles van de volledigheid en juistheid van de rekeningen voordat zij deze aanvaardt en het bedrag van 10 % vrijgeeft dat eerder als garantie was ingehouden (6).
  • — 
    Vervolgens verricht de Commissie controles van stukken ten aanzien van ieder zekerheidspakket alsmede regelmatigheidscontroles in de lidstaten. De Commissie voert deze controles uit om zich een oordeel te kunnen vormen over de door de auditautoriteiten gerapporteerde restfoutenpercentages en deze te kunnen valideren. Zij publiceert deze in haar jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) voor het volgende jaar.
 

6.5.

Het proces dat vóór de afsluiting van OP’s van de programmeringsperiode 2007-2013 moet worden doorlopen, is vergelijkbaar met het proces dat in paragraaf 6.4 wordt beschreven en dat de beoordeling van de zekerheidspakketten in de programmeringsperiode 2014-2020 omvat.

 

6.6.

Wij hebben het controle- en zekerheidskader in detail in ons Jaarverslag 2017 beschreven (7). Zie ook figuur 6.1 hieronder.

Figuur 6.1

Controle- en zekerheidskader voor de programmeringsperiode 2014-2020

 
 

Bron:

ERK.

Reikwijdte en aanpak van de controle

 
 

6.7.

In 2018 aanvaardde de Commissie rekeningen met uitgaven voor 248 van de 419 goedgekeurde OP’s (ongeveer 11,9 miljard EUR). Deze rekeningen waren afkomstig uit 202 zekerheidspakketten die door alle 28 lidstaten waren ingediend voor de programmeringsperiode 2014-2020. Daarnaast sloot de Commissie 217 OP’s (ongeveer 11,7 miljard EUR) uit de programmeringsperiode 2007-2013 (gedeeltelijk) af (8). Onze controlepopulatie (ongeveer 23,6 miljard EUR) bestond uit de uitgaven die waren opgenomen in deze zekerheidspakketten voor het boekjaar 2016/2017 (periode 2014-2020) en de uitgaven die waren gecertificeerd door certificerende instanties en die ten grondslag lagen aan de eindcontroleverslagen van de auditautoriteiten voor 2007-2013.

 

6.8.

Wij hadden tot doel bij te dragen tot de algemene betrouwbaarheidsverklaring, zoals beschreven in bijlage 1.1 . Door rekening te houden met de kenmerken van het controle- en zekerheidskader voor dit uitgaventerrein wilden wij ook beoordelen in hoeverre op het werk van de auditautoriteiten en de Commissie kan worden vertrouwd. Wij deden dit om in de toekomst eventueel meer gebruik van hun werk te maken en om in dat verband na te gaan waar verdere verbeteringen nodig zijn.

 

6.9.

Voor deel 1 van dit hoofdstuk, dat gericht is op regelmatigheid, en waarbij we de in bijlage 1.1 uiteengezette controleaanpak en -methoden hebben toegepast, hebben wij het volgende onderzocht voor “Economische, sociale en territoriale cohesie” in 2018:

  • a) 
    een steekproef van 220 verrichtingen die statistisch representatief is voor alle soorten uitgaven binnen de MFK-subrubriek 1b die de auditautoriteiten al eerder hadden gecontroleerd;
  • b) 
    het door de auditautoriteiten verrichte werk om de informatie in de 24 zekerheids-/afsluitingspakketten te valideren, mede gebruikmakend van de steekproef van 220 verrichtingen;
  • c) 
    de controlewerkzaamheden van de Commissie, na de aanvaarding van de rekeningen, om aspecten met betrekking tot de regelmatigheid van de zekerheidspakketten 2014-2020 te controleren;
  • d) 
    de werkzaamheden van de Commissie bij de evaluatie en validatie van de in de zekerheids-/afsluitingspakketten voor 2018 gerapporteerde foutenpercentages. We hebben ook gekeken naar de relevantie en betrouwbaarheid van de informatie over de regelmatigheid in de JAV’s van DG REGIO en DG EMPL, en de opname daarvan in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag (AMPR) van de Commissie.
 

6.10.

De steekproef werd in twee fasen getrokken. Eerst selecteerden we 24 zekerheids-/afsluitingspakketten (15 uit de programmeringsperiode 2014-2020 en 9 uit de programmeringsperiode 2007-2013) die betrekking hadden op 53 van de 465 OP’s waarvoor de Commissie in 2018 een verrekening uit de EU-begroting had verricht. Binnen deze OP’s selecteerden we vervolgens verrichtingen die de auditautoriteiten al eerder hadden gecontroleerd. Bijlage 6.2 bevat een uitsplitsing van de gecontroleerde steekproef per lidstaat.

 

6.11.

Onze controlewerkzaamheden van dit jaar waren dezelfde als die welke we in detail beschreven hebben in ons Jaarverslag 2017 (9).

 

6.12.

Voor deel 2 van dit hoofdstuk beoordeelden we de systemen van de lidstaten voor het meten en rapporteren van de prestaties. We controleerden ook of het werk van de auditautoriteiten en de Commissie de toereikendheid en betrouwbaarheid van prestatiegegevens waarborgt. Wanneer wij de controles van fysiek voltooide concrete acties overdeden, beoordeelden we ook in hoeverre de autoriteiten rapporteerden dat zij de streefdoelen die voor output- en resultaatindicatoren waren gesteld, hadden behaald.

Deel 1 — Regelmatigheid van de verrichtingen

 
 

6.13.

Dit gedeelte van het hoofdstuk omvat drie subonderdelen. Het eerste daarvan heeft betrekking op onze toetsing van de steekproef van 220 verrichtingen die we dit jaar hebben genomen om inzicht te geven in de voornaamste bronnen van fouten en materiaal voor de algehele betrouwbaarheidsverklaring. In het tweede subonderdeel wordt onze beoordeling van het werk van de auditautoriteiten behandeld, en in het derde komen de werkzaamheden van de Commissie aan de orde. De resultaten van alle subonderdelen bieden ons een basis om conclusies te trekken over de regelmatigheidsinformatie die is vervat in de JAV’s van de twee verantwoordelijke DG’s en in het AMPR van de Commissie.

Resultaten van onze evaluatie van verrichtingen en herhaling van controles

 
 

6.14.

Bijlage 6.1 bevat een overzicht van de resultaten van onze toetsing van verrichtingen. In de 220 door ons onderzochte verrichtingen hebben we 36 fouten vastgesteld en gekwantificeerd die niet door de auditautoriteiten waren ontdekt. Rekening houdend met de zestig eerder door auditautoriteiten aangetroffen fouten en door programma-autoriteiten toegepaste correcties (ter waarde van in totaal 314 miljoen EUR voor beide programmeringsperioden tezamen) schatten we het foutenpercentage op 5,0 % (10). De hoeveelheid en de impact van de fouten die we hebben aangetroffen voor verrichtingen in de periode 2014-2020, waren groter dan die voor de verrichtingen die verband hielden met de afsluiting van de periode 2007-2013.

 

6.15.

Voor de 220 verrichtingen in onze steekproef hadden auditautoriteiten 60 kwantificeerbare fouten in de zekerheids-/afsluitingspakketten gemeld; deze betroffen met name niet-subsidiabele kosten (37) en openbare aanbestedingen (18) (11), gevolgd door het ontbreken van essentiële bewijsstukken (3).

 

6.16.

De lidstaten hebben financiële correcties toegepast, waarbij ze deze fouten waar nodig extrapoleerden, om de restfoutenpercentages te verlagen tot onder de materialiteitsdrempel van 2 %.

 

6.17.

Kader 6.2 bevat een uitsplitsing van de door ons aangetroffen fouten per categorie. Het bevat ook de uitsplitsing naar entiteit die alle vastgestelde fouten ontdekte, d.w.z. met inbegrip van de fouten die de auditautoriteiten rapporteerden voor de verrichtingen die we onderzochten. Niet-subsidiabele kosten droegen het meest bij tot het door ons geschatte foutenpercentage, gevolgd door niet-naleving van de staatssteun- en aanbestedingsregels. In de paragrafen 6.19-6.40 wordt meer informatie over deze fouten gegeven.

Kader 6.2

“Economische, sociale en territoriale cohesie” — Uitsplitsing van de fouten

 
 

Bron:

ERK.

 

6.18.

Het aantal ontdekte fouten en de impact ervan tonen aan dat er nog steeds sprake is van tekortkomingen met betrekking tot de regelmatigheid van de door de beheersautoriteiten gedeclareerde uitgaven. Deze bevinding bevestigt de resultaten van de nalevingsgerichte controles van de Commissie in 2018, waarbij er in 5 van de 26 gevallen aanzienlijke tekortkomingen werden geconstateerd met betrekking tot fundamentele eis 4 betreffende adequate beheersverificaties.

Niet-subsidiabele uitgaven en projecten

 
 

6.19.

Bij het declareren van uitgaven bij de Commissie certificeren de autoriteiten van de lidstaten dat deze werden gemaakt overeenkomstig een aantal specifieke bepalingen die zijn vastgelegd in EU- of nationale regels, en dat de steun werd toegekend aan begunstigden of concrete acties die voldeden aan de subsidiabiliteitsvereisten van het OP.

 

6.20.

Niet-subsidiabele uitgaven en projecten vormen de belangrijkste bron van fouten voor zowel het EFRO/CF als het ESF. In 7 % van de door ons onderzochte verrichtingen stelden wij vast dat de projecten niet voldeden aan de door de EU of de lidstaat vastgestelde subsidiabiliteitsregels. Deze fouten vertegenwoordigen 44 % van alle kwantificeerbare fouten, ofwel ongeveer 1,9 procentpunt van het geschatte foutenpercentage.

 

6.21.

De belangrijkste oorzaken van niet-subsidiabele uitgaven waren projectactiviteiten of -deelnemers die niet aan de subsidiabiliteitsregels voldeden. Dit was het geval bij de helft van de concrete acties waarbij wij niet-subsidiabele uitgaven aantroffen, en deze waren goed voor 21 % van het geschatte foutenpercentage.

 

6.22.

Volgens de EU-regels komen btw-uitgaven alleen in aanmerking voor cofinanciering indien deze volgens de nationale btw-wetgeving niet-terugvorderbaar zijn. Net zoals verleden jaar troffen we elf projecten in het kader van vier OP’s aan waarin overheidsorganen terugvorderbare btw hadden gedeclareerd als subsidiabele uitgaven. Zoals gemeld in ons vorige jaarverslag deden acht van deze fouten zich in Polen voor. In al deze gevallen hadden de auditautoriteiten de subsidiabiliteitsregels onjuist geïnterpreteerd en geen onregelmatigheid gerapporteerd. We hebben deze acht fouten niet gekwantificeerd omdat de Commissie financiële correcties heeft toegepast. In onze snelle evaluatie inzake btw (12) verstrekten wij meer informatie over dit onderwerp en legden wij uit dat de vergoeding van btw regelmatig een bron van fouten is omdat de regels vaak niet consequent worden toegepast.

Vereenvoudigingsmaatregelen kunnen onregelmatigheden voorkomen

 
 

6.23.

Vaak wordt de complexiteit voor begunstigden veroorzaakt doordat nationale subsidiabiliteitscriteria verder gaan dan wat is voorgeschreven door de EU-wetgeving (13). Drie door ons ontdekte fouten hadden kunnen worden vermeden als de autoriteiten van de lidstaten minder complexe nationale subsidiabiliteitsvoorwaarden hadden geformuleerd (zie het voorbeeld in kader 6.3 ).

Kader 6.3

Complexe nationale susidiabiliteitsvoorwaarden — Een voorbeeld

 

In de subsidiabiliteitsregels voor een Pools OP was de voorwaarde opgenomen dat geen EU-subsidie mag worden gebruikt als een andere entiteit dezelfde soort bedrijfsactiviteit op dezelfde locatie uitvoert. Dit vereiste, dat verder gaat dan wat in de EU-verordeningen is vastgesteld, werd in de subsidieovereenkomst herhaald.

Omdat één begunstigde, een jurist, zijn bedrijf op dezelfde locatie als een andere juridische onderneming opzette, kwam het project niet voor cofinanciering in aanmerking.

Ook in Duitsland troffen wij complexe nationale subsidiabiliteitsvoorwaarden aan.

 

6.24.

Eén vereenvoudigingsmaatregel daarentegen die de administratieve belasting voor begunstigden kan verminderen, is het gebruik van vereenvoudigde kostenopties (simplified cost options — SCO’s). Bij onze controles van verrichtingen waarbij SCO’s worden gebruikt, merkten wij dat deze minder foutgevoelig waren, maar we constateren dat er in gevallen waar dit passend zou kunnen zijn nog steeds in beperkte mate gebruik wordt gemaakt van SCO’s.

Inbreuk op de internemarktregels

 
 

6.25.

Dit jaar hebben wij 16 inbreuken op de internemarktregels vastgesteld, waarvan wij er 8 kwantificeerden. De belangrijkste inbreuken in 2018 hadden betrekking op overheidsopdrachten of staatssteun.

Ondanks veel correcties blijven overheidsopdrachten een belangrijke bron van fouten

 
 

6.26.

Aanbestedingsprocedures zijn een essentieel instrument om openbare middelen op zuinige en doeltreffende wijze te besteden en om de interne markt tot stand te brengen. Dit jaar onderzochten wij 129 procedures voor werken, leveringen en diensten. De overgrote meerderheid van deze procedures had betrekking op projecten die werden gecofinancierd via EFRO-/CF-OP’s, die vatbaarder zijn voor fouten.

 

6.27.

Gedurende hun werkzaamheden ontdekten de auditautoriteiten in de door ons onderzochte verrichtingen 18 gevallen van niet-naleving van aanbestedingsregels, zoals het ontbreken van een oproep tot het indienen van inschrijvingen, onjuiste toepassing van de selectiecriteria en tekortkomingen in het bestek. De autoriteiten legden stelselmatig forfaitaire correcties op variërend van 5 % tot 100 %, zoals bepaald in de richtsnoeren van de Commissie (14).

 

6.28.

Bij negen aanbestedingsprocedures constateerden we gevallen van niet-naleving van de EU- en/of nationale aanbestedingsregels die de auditautoriteiten niet hadden ontdekt (zie kader 6.4 ). De meeste door ons ontdekte fouten hadden betrekking op contracten waarvan de waarde boven de EU-drempels uitkwam (15). Twee betroffen ernstige inbreuken die de mededinging zonder rechtvaardiging beperkten, en wij hebben deze gevallen gerapporteerd als kwantificeerbare fouten. Ze vertegenwoordigden 6 % van alle door ons aangetroffen kwantificeerbare fouten, ofwel ongeveer 0,7 procentpunt van het geschatte foutenpercentage. Andere fouten betreffende aanbestedingen omvatten niet-naleving van de bekendmakings- en transparantievereisten.

Kader 6.4

Voorbeeld van een inbreuk op het gebied van openbare aanbesteding

 

Tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 gunde een begunstigde overheidsinstantie in Italië een contract met een looptijd van drie jaar aan een particuliere onderneming. De overeengekomen diensten omvatten de monitoring, het beheer, de verslaglegging en de uitvoering van correcties. In overeenstemming met de voorwaarden van de aankondiging van de opdracht verlengde de begunstigde vervolgens de contractperiode met drie jaar. Toen de tweede termijn afliep, benaderde de begunstigde de contractant voor aanvullende diensten en ondertekende deze een nieuw contract voor nog eens 15 maanden. De bijkomende diensten waren voorzienbaar, en konden door andere ondernemingen op de markt worden geleverd. Door het gunnen van de bijkomende diensten zonder een aanbestedingsprocedure kwamen de kosten niet in aanmerking voor EU-cofinanciering.

De auditautoriteit meende ten onrechte dat de aanpak van de begunstigde niet onregelmatig was.

Wij troffen een ander geval van onregelmatige aanbesteding aan in Hongarije.

Vier projecten waren niet-subsidiabel vanwege een inbreuk op de regels inzake staatssteun

 
 

6.29.

Staatssteun is, tenzij deze onder een “de minimis”-plafond blijft, in beginsel onverenigbaar met de interne markt omdat zij het handelsverkeer tussen de lidstaten zou kunnen verstoren. Er bestaan echter uitzonderingen op deze regel, met name als het project valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening (General Block Exemption Regulation — GBER) (16). Lidstaten moeten andere gevallen van staatssteun melden, zodat de Commissie kan beoordelen of deze verenigbaar zijn.

 

6.30.

Dit jaar hebben wij bij zeven EFRO-projecten in Spanje, Frankrijk en Portugal vastgesteld dat er inbreuk was gemaakt op de EU-regels voor staatssteun. We zijn van mening dat vijf van deze projecten, allemaal in Portugal, minder of geen overheidsfinanciering van de EU en/of de lidstaat hadden mogen verkrijgen. Deze fouten maken ongeveer 1,6 procentpunt van het geschatte foutenpercentage uit.

 

6.31.

Drie van deze vijf gekwantificeerde bevindingen op het gebied van staatssteun betreffen het gebrek aan een stimulerend effect en wijzen op een systematische tekortkoming. De EU-regels zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat staatssteun alleen mag worden verleend als hiermee activiteiten worden gesubsidieerd die anders niet zouden zijn uitgevoerd. Voor regelingen die onder de GBER vallen, wordt automatisch van dit “stimulerend effect” uitgegaan als de werkzaamheden na de datum van de financieringsaanvraag van start gaan (17).

 

6.32.

De Commissie had eerder vastgesteld dat verscheidene concrete acties deze fout vertoonden. De beheersautoriteit van het desbetreffende OP sloot concrete acties waarbij de Commissie dit soort fouten ontdekte uit van de rekeningen (18). Zowel de Commissie als de beheersautoriteiten wisten dat dit een systematisch probleem was. Hoewel de lidstaat zijn nationale regels heeft aangepast om te zorgen voor consistentie met de EU-regels en om verdere onregelmatigheden te voorkomen, heeft geen enkele partij toereikende corrigerende maatregelen getroffen om deze fouten in de rekeningen 2016/2017 weg te werken of de potentiële impact te compenseren door middel van een overeenkomstige financiële correctie. De Commissie aanvaardde de rekeningen na de wijzigingen van de regels.

Niet-naleving van regels met betrekking tot het gebruik van financieringsinstrumenten

Onregelmatige uitbetalingen in het kader van financieringsinstrumenten droegen minder bij aan het geschatte foutenpercentage dan in 2017

 
 

6.33.

Tot aan het einde van het boekjaar 2016/2017 was 2,9 miljard EUR aan voorschotten betaald aan financieringsinstrumenten, waarvan 2,3 miljard EUR tussen 1 juli 2016 en 30 juni 2017 werd gedeclareerd (17 % van het totale bedrag dat aan EU cofinanciering was betaald). Tijdens het boekjaar 2016/2017 werd 1,3 miljard EUR (43 %) aan eindontvangers uitbetaald.

 

6.34.

Onze controle had betrekking op stortingen in vijf financieringsinstrumenten (twee van de programmeringsperiode 2014-2020 en drie van 2007-2013). We onderzochten dertig garanties en honderd leningen voor deze vijf instrumenten op het niveau van de financieel intermediair. Dit jaar troffen wij 14 gevallen aan van niet-subsidiabele uitbetalingen aan eindontvangers met betrekking tot drie van de door ons onderzochte instrumenten. Deze betroffen niet-subsidiabele leningen of niet-subsidiabele eindontvangers en geannuleerde uitbetalingen die de lidstaten ten onrechte als betaald hadden geregistreerd. Omdat het aandeel van financieringsinstrumenten in de controlepopulatie in 2018 veel lager is dan in 2017, droegen deze fouten in mindere mate bij tot het geschatte foutenpercentage voor 2018 (19).

 

6.35.

Informatie over de prestaties van een financieringsinstrument en het feitelijk gebruik van middelen (d.w.z. subsidiabele uitgaven bij afsluiting) is gebaseerd op door de lidstaten gerapporteerde gegevens. Ondanks de aanzienlijke inspanningen van de Commissie in de afgelopen jaren om de kwaliteit van de gegevens te verbeteren, treffen we nog steeds onjuistheden aan in de uitvoeringsverslagen. In 2018 was dit het geval bij twee van de vijf door ons onderzochte financieringsinstrumenten (voor elke periode één). In één geval rapporteerde de fondsbeheerder twee geannuleerde leningen als uitbetalingen, wat tot niet-subsidiabele uitgaven leidde.

Tekortkomingen in controleregelingen voor door de EIB-groep beheerde financieringsinstrumenten zijn aangepakt maar nog niet geheel opgelost

 
 

6.36.

In 2017 wezen wij op de behoefte aan aanzienlijke verbeteringen in de controleregelingen voor financieringsinstrumenten die door de EIB-groep worden beheerd en benadrukten wij dat auditautoriteiten geen wettelijk recht hebben om verificaties ter plaatse te verrichten om zekerheid te verkrijgen over de regelmatigheid op het niveau van de financieel intermediair. De Commissie aanvaardde onze aanbeveling in dit opzicht en was van oordeel dat deze zou worden opgevolgd door middel van de inwerkingtreding van de Omnibusverordening.

 

6.37.

Gezien de ernst van de kwestie en de horizontale impact ervan op alle financieringsinstrumenten die door de EIB-groep worden beheerd, hebben wij follow-up gegeven aan onze aanbevelingen van vorig jaar.

 

6.38.

In de Omnibusverordening werd voor auditautoriteiten een nieuw vereiste (20) toegevoegd inzake het verrichten van systeemcontroles en controles van concrete acties met betrekking tot financieringsinstrumenten op het niveau van de financieel intermediairs, met inbegrip van door de EIB-groep beheerde financieringsinstrumenten. In de definitieve goedgekeurde tekst worden programma’s in het kader van het kmo-initiatief die vóór 2 augustus 2018 werden opgezet, uitgesloten. Omdat alle zes de tot dusver goedgekeurde, in het kader van het kmo-initiatief ingestelde, programma’s vóór deze datum werden opgezet, zijn er nog geen adequate controleregelingen voor elk daarvan ingesteld.

Ongerechtvaardigde inhouding van EU-middelen die bestemd waren voor begunstigden leidde tot te late betalingen

 
 

6.39.

Volgens de EU-regels moeten de autoriteiten van de lidstaten normaal gesproken uiterlijk negentig dagen nadat de begunstigde een betalingsverzoek heeft ingediend de volledige overheidsbijdrage (inclusief EU-steun) aan de begunstigden betalen, tenzij er sprake is van bepaalde voorwaarden voor het onderbreken van betalingen (21). In twee lidstaten hadden beheersautoriteiten deze regel niet in acht genomen bij 6 van de 220 door ons onderzochte verrichtingen.

 

6.40.

In vier gevallen in Duitsland ontving één enkele begunstigde het volledige bedrag pas nadat de rekeningen van 2016/2017 naar de Commissie waren gestuurd (acht maanden na het einde van het boekjaar). In twee gevallen stonden bedragen ten tijde van de controle zelfs nog uit. In Frankrijk en Duitsland is deze praktijk tot op zekere hoogte bedoeld om de gevolgen te compenseren van de inhouding van 10 % door de Commissie totdat de rekeningen zijn aanvaard, door onrechtmatig hetzelfde percentage van vergoedingen aan begunstigden in te houden.

Onze beoordeling van het werk van auditautoriteiten

 
 

6.41.

Het werk van de auditautoriteiten vormt een kritiek gedeelte van het zekerheids- en controlekader voor de cohesie-uitgaven. Onze doorlichting van hun werk maakt deel uit van een proces dat zou kunnen betekenen dat wij in de toekomst meer gebruik zullen maken van het zekerheidsmodel van de Commissie. Wij beoordeelden dit jaar het werk van 15 van de 126 auditautoriteiten.

 

6.42.

Bij alle zekerheids- en afsluitingspakketten die we onderzochten, hadden de auditautoriteiten een restfoutenpercentage gerapporteerd van minder dan 2 %. Fouten die niet door de auditautoriteiten werden ontdekt of gecorrigeerd, beïnvloeden deze percentages. Naar aanleiding van haar eigen werk rapporteerde de Commissie een restfoutenpercentage dat hoger was dan 2 % voor vier zekerheidspakketten in onze steekproef. De bijkomende fouten die we hebben vastgesteld in onze steekproef van verrichtingen die waren onderzocht door auditautoriteiten in 24 zekerheids-/afsluitingspakketten, verschaften ons voldoende bewijs om te kunnen concluderen dat het restpercentage voor nog 4 van de 15 zekerheidspakketten voor de periode 2014-2020 en 1 van de 9 afsluitingspakketten voor de periode 2007-2013 boven de 2 % lag.

 

6.43.

In 2018 rapporteerden de auditautoriteiten voor het eerst fouten met gebruikmaking van een gemeenschappelijke tussen de Commissie en de lidstaten overeengekomen typologie (22). Kader 6.5 toont de verhouding tussen de soorten fouten die het vaakst door auditautoriteiten worden gerapporteerd en de bijkomende fouten die het vaakst door de Commissie en door ons worden ontdekt. Het resultaat wijst uit dat de meest voorkomende soorten onregelmatigheden voor elk controleorgaan niet-subsidiabele uitgaven en aanbesteding betreffen. Het toont echter ook aan dat, ondanks de vele door de auditautoriteiten ontdekte onregelmatigheden, de door ons onderzochte projecten nog steeds fouten bevatten die in een vroeger stadium door geen van de interne controle-instanties werden opgespoord of gecorrigeerd (paragraaf 6.32 bevat een voorbeeld hiervan).

Kader 6.5

Soorten fouten die het vaakst door controleorganen worden ontdekt

 
 

Bron:

ERK.

Tekortkomingen in sommige steekproefnemingen door auditautoriteiten hadden een negatief effect op de representativiteit

 
 

6.44.

Ten gevolge van het grote aantal concrete acties dat door elk OP was gecofinancierd, moeten de auditautoriteiten steekproeven trekken om zich een oordeel te vormen over de subsidiabiliteit van de uitgaven. Om betrouwbare resultaten te produceren, moeten steekproeven representatief zijn voor de gecontroleerde populatie en, als algemene regel, zijn gebaseerd op een statistisch geldige methode (23). We hebben de steekproefmethode gecontroleerd voor de 24 zekerheids-/afsluitingspakketten die we hebben onderzocht.

 

6.45.

In 6 van de 24 pakketten (4 hiervan voor 2014-2020) stelden we gebreken vast zoals steekproeven van ontoereikende omvang, oververtegenwoordiging van bepaalde concrete acties en onjuist gebruik van steekproefparameters. Twee van deze tekortkomingen hadden tot op zekere hoogte een negatieve invloed op de representativiteit van de steekproeven en dus ook op de betrouwbaarheid van de gerapporteerde restfoutenpercentages. In kader 6.6 geven wij een voorbeeld.

Kader 6.6

Tekortkoming in de steekproefneming

 

DG EMPL stelde tekortkomingen vast in de steekproefmethode die voor een Duits OP werd gebruikt, en wees erop dat één maatregel sterk was oververtegenwoordigd in de steekproef gezien het gewicht ervan in de populatie als geheel. Wij zijn het hiermee eens en zijn van mening dat de representativiteit van de steekproef voor de gedeclareerde uitgaven negatief is beïnvloed door de gehanteerde aanpak.

Ondanks verbeteringen blijven er tekortkomingen bestaan in de wijze waarop auditautoriteiten hun werk documenteren

 
 

6.46.

Op grond van de internationale controlenormen moeten controleurs hun controles documenteren, met duidelijke verwijzingen naar alle documenten die het meest relevant zijn voor de gecontroleerde uitgaven. Op die manier kunnen ze verantwoording afleggen voor hun werk en kunnen ze interne en externe evaluatoren helpen bij het formuleren van conclusies over de toereikendheid van de controles. Onvoldoende of ongeschikte vragen of antwoorden in controlelijsten verhogen het risico dat niet-subsidiabele uitgaven niet worden ontdekt. Dit risico neemt verder toe indien de auditautoriteit beperkt toegang heeft tot de onderliggende documentatie, zoals we vaststelden in een geval waarin de ingewikkelde aanbestedingsregels van een internationale organisatie moesten worden toegepast.

 

6.47.

Voor 156 van de 220 verrichtingen in de steekproef (71 %) konden we conclusies trekken op basis van onze doorlichting van het werk van de auditautoriteiten. Bij 64 verrichtingen (29 %) stelden we tekortkomingen vast met betrekking tot de reikwijdte, kwaliteit en/of documentatie van dat werk, waardoor we de overeenkomstige controleprocedures moesten overdoen. De tekortkomingen betroffen 14 van de 24 door ons onderzochte zekerheids-/afsluitingspakketten. Voor 48 van deze verrichtingen (22 % van het totaal) hielden de tekortkomingen in dat we een bezoek moesten brengen aan de begunstigde. Bij 24 van de 64 verrichtingen (in 13 zekerheids-/afsluitingspakketten) waarvoor we een controle overdeden, hebben we kwantificeerbare fouten vastgesteld die niet eerder door de auditautoriteit waren ontdekt.

 

6.48.

Onze resultaten laten een verbetering zien ten opzichte van vorig jaar, toen we meer dan de helft van alle controleprocedures, waarvan een derde op de locatie van de begunstigde, moesten overdoen. Wij hebben ook goede praktijken aangetroffen wat betreft de documentatie door de auditautoriteiten van hun werk (zie kader 6.7 ).

Kader 6.7

Goede praktijken in het werk van een auditautoriteit

 

De controlelijsten van de Litouwse auditautoriteit voor de programmeringsperiode 2014-2020 lichten de reikwijdte van de controle uitgebreid toe. De controlelijsten moeten door de controleurs worden ingevuld om te beschrijven wat is gedaan en om meer informatie te geven over de gecontroleerde posten. Als gevolg daarvan konden wij, als extern beoordelaar, met de door ons beoordeelde controlelijsten onze eigen conclusies trekken die bijna geheel op deze documentatie waren gebaseerd.

De onjuiste behandeling van fouten door vier auditautoriteiten was van invloed op de foutenpercentages die zij meldden

 
 

6.49.

De juiste berekening en de betrouwbaarheid van restfoutenpercentages hangen onder meer af van de manier waarop ontdekte fouten vervolgens worden behandeld.

 

6.50.

Bij zeven verrichtingen stelden wij vast dat, hoewel de auditautoriteit een onregelmatigheid had ontdekt, zij deze informatie niet op de juiste wijze had gebruikt bij de berekening van het foutenpercentage (zie de categorie “andere” in kader 6.2 ). Voorbeelden hiervan, waaronder het onjuist berekenen van de fout, of zelfs het in het geheel niet rapporteren van de onregelmatigheid, leidden ertoe dat de auditautoriteit het foutenpercentage voor de desbetreffende verrichtingen onderschatte, wat ook bijdroeg tot het door ons geschatte foutenpercentage.

Het werk van de Commissie om zekerheid te verschaffen en haar verslaglegging over het restfoutenpercentage in haar jaarlijkse activiteitenverslagen

Zekerheid voor de programmeringsperiode 2014-2020

 
 

6.51.

De JAV’s zijn voor de Commissie het belangrijkste middel om te rapporteren of er redelijke zekerheid bestaat dat met de controleprocedures van de lidstaten de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven kan worden waarborgen.

De Commissie heeft inspanningen geleverd ter verbetering van haar regelingen inzake rapportage over regelmatigheid

 
 

6.52.

Vorig jaar wezen wij erop dat de verslagleggingsvereisten voor de JAV’s nog niet voldoende waren aangepast aan het controle- en zekerheidskader 2014-2020 (24). In haar JAV’s voor 2018 actualiseerde de Commissie haar essentiële prestatie-indicator (key performance indicator, KPI) inzake regelmatigheid en berekende een restfoutenpercentage voor het boekjaar 2016/2017. De KPI omvat uitgaven waarvoor de Commissie van de auditautoriteiten, en op basis van haar eigen werkzaamheden ten aanzien van de regelmatigheid, de noodzakelijke zekerheid zou kunnen verkrijgen. De KPI neutraliseert ook de impact van voorschotten die aan financieringsinstrumenten zijn betaald.

 

6.53.

De gerapporteerde KPI was voor beide DG’s lager dan 2 %. Omdat de controleresultaten voor verschillende OP’s nog werden besproken (zie paragraaf 6.64), rapporteerden beide DG’s ook restfoutenpercentages voor het ongunstigste scenario die boven de materialiteitsdrempel van 2 % lagen (25).

 

6.54.

De respectieve directeuren-generaal gaven een betrouwbaarheidsverklaring af voor de uitgaven die in 2018 waren gedaan. Hiervoor schatten de DG’s het risicobedrag met gebruikmaking van het bevestigde restfoutenpercentage voor het boekjaar 2016/2017 of, indien dit hoger was, het percentage dat door de auditautoriteiten voor het boekjaar 2017/2018 werd gerapporteerd. Waar geen zekerheidspakket voor het boekjaar 2016/2017 was ingediend, werd het restfoutenpercentage van 2 % of, indien dit hoger was, het gerapporteerde restfoutenpercentage voor 2017/2018 gebruikt.

 

6.55.

Zoals voorgeschreven in het Financieel Reglement omvatten de cijfers voor 2018 uitgaven die nog niet de volledige controlecyclus hebben doorlopen (26). Pas vanaf 2020 is dit niet langer het geval.

 

6.56.

De Commissie gebruikte de geschatte risicobedragen van de twee DG’s om informatie te verschaffen over “Economische, sociale en territoriale cohesie” in het AMPR 2018. Derhalve rapporteerde zij een totaal risicobedrag bij betaling van 1,7 %, dat was berekend over de relevante uitgaven van 2018 (zie ook de paragrafen 6.54 en 6.55) (27). Naar ons oordeel is dit een onderschatting van het onregelmatigheidspercentage.

 

6.57.

In kader 6.8 geven we een overzicht van de restpercentages voor het boekjaar 2016/2017 die, en het geschatte risico voor de relevante uitgaven van 2018 dat in de JAV’s 2018 zijn gerapporteerd voor de programmeringsperiode 2014-2020.

Kader 6.8

Overzicht van de informatie in de JAV’s over de programmeringsperiode 2014-2020

 
 

Bron:

ERK, gebaseerd op de JAV’s voor 2018 van DG REGIO en DG EMPL.

Nalevingsgerichte controles helpen de Commissie om de regelmatigheid van de uitgaven te beoordelen, maar het restfoutenpercentage dat als KPI wordt gerapporteerd, kan enkel als minimum worden beschouwd

 
 

6.58.

De Commissie voert nalevingsgerichte controles uit waarin zij de betrouwbaarheid van het werk van de auditautoriteiten onderzoekt en beoordeelt. De doelstelling is om redelijke zekerheid te verkrijgen dat geen ernstige tekortkomingen in beheers- en controlesystemen niet opgespoord of niet gemeld en daarom niet gecorrigeerd worden zodra de rekeningen bij de Commissie zijn ingediend.

 

6.59.

De Commissie selecteert OP’s voor haar nalevingsgerichte controles op basis van een jaarlijkse risicobeoordeling. Er wordt prioriteit gegeven aan programma’s met een hoge risicoscore, waarbij de kans op materiële fouten dus groot is.

 

6.60.

In 2018 verrichtte de Commissie voor de 202 zekerheidspakketten voor het boekjaar 2016/2017 26 nalevingsgerichte controles. Deze controles hadden betrekking op 193 concrete acties (waarbij er 4 bezoeken aan begunstigden werden afgelegd) en 25 zekerheidspakketten in 13 lidstaten. We evalueerden acht van de controles van de Commissie in acht lidstaten.

 

6.61.

In de ontwerpverslagen over 21 (81 %) van haar 26 nalevingsgerichte controles kwam de Commissie tot het oordeel dat het foutenpercentage dat in het jaarlijks controleverslag van de auditautoriteit werd vermeld, was onderschat. Veertien (54 %) van deze controles leidden tot een foutenpercentage dat hoger was dan 2 %.

 

6.62.

De op risico gebaseerde aanpak die de Commissie gebruikt om OP’s te selecteren, is niet zo opgezet dat die een totaal restpercentage oplevert dat als KPI wordt gerapporteerd. De Commissie kan de resultaten van haar nalevingsgerichte controles niet projecteren naar OP’s waarvoor zij slechts een controle van stukken heeft verricht. De OP’s die niet zijn geselecteerd voor een nalevingsgerichte controle houden een inherent risico op niet-ontdekte fouten in. Het totale restfoutenpercentage van de Commissie dat als KPI is weergegeven, moet daarom als minimumpercentage worden beschouwd.

 

6.63.

Wanneer de Commissie een OP voor een nalevingsgerichte controle selecteert, wordt in haar procedures bepaald dat controles van concrete acties kunnen worden geselecteerd voor herhaling van de controle waarbij willekeurige steekproefneming, een op risico gebaseerde aanpak of een combinatie van deze twee wordt gebruikt. De Commissie extrapoleert echter in geen geval haar controleresultaten. Het herberekende foutenpercentage voor het OP, dat bijdraagt tot de KPI, is dus ook slechts een minimum.

 

6.64.

In haar antwoord op ons Jaarverslag 2017 (28) gaf de Commissie aan dat ze haar werk inzake de regelmatigheid van de uitgaven binnen negen maanden wilde afronden. Van de acht nalevingsgerichte controles die wij onderzochten, was er in mei 2019 slechts één afgerond. De fouten die de Commissie vaststelde en de restfoutenpercentages die zij presenteerde, kunnen nog veranderen na een contradictoire procedure met de lidstaten met betrekking tot kwesties zoals de resultaten van aanvullende verificaties die de auditautoriteiten moesten uitvoeren. In de JAV’s 2018 verklaren de DG’s dat er in volgende jaren aanvullende werkzaamheden kunnen worden verricht om de betrouwbaarheid van de restfoutenpercentages te beoordelen. Dit betekent dat de conclusie van de Commissie voor het boekjaar 2016/2017 nog niet definitief is.

Afsluitingsregelingen

Periode 2007-2013

 
 

6.65.

Voor de programmeringsperiode 2007-2013 hadden de lidstaten tot 31 maart 2017 (29) de tijd om afsluitingspakketten bij de Commissie in te dienen. Tot eind 2018 had de Commissie voor 358 van de 440 OP’s nog te betalen EU-vastleggingen afgewikkeld.

 

6.66.

In 2018 sloot de Commissie alleen OP’s (gedeeltelijk) af waarvoor zij de zekerheid had dat het restfoutenpercentage onder de materialiteitsdrempel lag. In een van de negen afsluitingspakketten die wij onderzochten, ontdekten wij echter bijkomende fouten die het restfoutenpercentage voor de niet-betwiste uitgaven materieel beïnvloedden (het door ons herberekende percentage is hoger dan 2 %).

 

6.67.

In één Hongaars afsluitingspakket stelde de Commissie meerdere kwesties vast die niet konden worden opgelost. We stelden vast dat zij de impact van de mogelijke onregelmatigheden niet op consistente wijze behandelde. Het risico bestaat dat het definitieve saldo onregelmatige bedragen omvat.

Periode 2014-2020

 
 

6.68.

Met het controle- en zekerheidskader dat is opgezet voor de programmeringsperiode 2014-2020 wordt beoogd de afsluiting van OP’s te vereenvoudigen door een procedure voor het jaarlijkse onderzoek en de jaarlijkse aanvaarding van rekeningen in te voeren waarbij rekening wordt gehouden met regelmatigheidsaspecten. In de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen worden specifieke taken toegewezen aan elke programma-autoriteit in de lidstaten en aan de Commissie in het proces van de opstelling van de jaarrekeningen en de controle en validering van de financiële informatie die wordt verstrekt in de zekerheidspakketten, waaronder een beoordeling van de betrouwbaarheid van de restfoutenpercentages. Tegelijkertijd is de bewaartermijn voor documenten op grond van artikel 148 van de verordening voornamelijk voor kleine concrete acties korter dan tijdens de programmeringsperiode 2007-2013.

 

6.69.

De verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen schrijft voor dat elke lidstaat voor de afsluiting van de OP’s voor 2014-2020 een eindverslag moet indienen voor de uitvoering van elk OP, maar er is niet duidelijk genoeg gespecificeerd wat daarin moet staan en wanneer dit verslag moet worden ingediend. Daarnaast wordt in de meeste bepalingen die betrekking hebben op de afsluiting van de programma’s voor 2014-2020 de definitieve beoordeling van de subsidiabiliteit van kosten die voor bepaalde concrete acties zijn gedeclareerd, uitgesteld tot een later stadium, gewoonlijk de afsluiting. Dit is het geval voor investeringen in het kader van financieringsinstrumenten, de verrekening van staatssteunvoorschotten, de definitieve beoordeling van inkomstengenererende projecten, de behandeling van niet-functionerende projecten enz.

 

6.70.

Anders dan bij de beoordeling van de jaarrekeningen wordt in de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen niet beschreven welke rol elke betrokkene bij dit proces heeft, noch welke werkzaamheden moeten worden verricht om de impact van mogelijke niet-subsidiabele kosten op de restpercentages voor de desbetreffende jaren opnieuw te beoordelen en, indien nodig, aan te passen. Deze aspecten moeten op tijd worden verduidelijkt, zodat de lidstaten weten wat de Commissie van hen verwacht in het kader van de afsluiting van de programma’s voor 2014-2020. Indien hierover enige onduidelijkheid bestaat, kan dat ook van invloed zijn op het vermogen van de lidstaten om de noodzakelijke controles te verrichten om te waarborgen dat het restfoutenpercentage voor de definitieve subsidiabele uitgaven bij de afsluiting van elk OP onder de 2 % ligt, aangezien de bewaartermijn voor de terbeschikkingstelling van documenten kan zijn verstreken als sommige taken helemaal worden uitgesteld tot het einde van het programma (eind 2025).

Conclusies en aanbevelingen

Conclusie

 
 

6.71.

Over het geheel genomen wijst de door ons verkregen controle-informatie die wij hebben gepresenteerd in dit hoofdstuk erop dat het geschatte foutenpercentage bij de uitgaven voor “Economische, sociale en territoriale cohesie” van materieel belang was (zie de paragrafen 6.14-6.40). Voor deze MFK-subrubriek wees onze toetsing van verrichtingen uit dat het totale geschatte foutenpercentage 5,0 % bedroeg (zie bijlage 6.1 ).

 

6.72.

De gebreken die wij aantroffen in het werk van diverse auditautoriteiten dat door onze steekproef werd bestreken (zie de paragrafen 6.41-6.50) beperkt momenteel het vertrouwen dat in dat werk kan worden gesteld.

 

6.73.

Hierdoor en vanwege de problemen die we hebben vastgesteld in het eigen werk van de Commissie (zie de paragrafen 6.51-6.70), zijn de in de JAV’s van de Commissie gepresenteerde restfoutenpercentages voor het boekjaar 2016/2017 (KPI) onderschat en kunnen wij er momenteel niet op vertrouwen. Als gevolg van de bijkomende fouten die we hebben vastgesteld, lag het herberekende percentage voor acht van de vijftien zekerheidspakketten voor de periode 2014-2020 en een van de negen afsluitingspakketten voor 2007-2013 boven de materialiteitsdrempel van 2 %.

 

6.74.

In het AMPR presenteert de Commissie een geschat risico bij betaling voor “Economische, sociale en territoriale cohesie”. Dit percentage heeft echter betrekking op uitgaven die nog niet de volledige controlecyclus hebben doorlopen (dat wil zeggen dat de Commissie nog geen zekerheid heeft gekregen van de auditautoriteiten en door middel van haar eigen controlewerkzaamheden) en die niet dezelfde zijn als de uitgaven die wij hebben gecontroleerd. Daarom kunnen we niet vertrouwen op dit percentage.

 

6.75.

Het nieuwe controle- en zekerheidskader werd ontworpen om te waarborgen dat de jaarlijkse restfoutenpercentages onder de 2 % blijven. Uit onze controle komt echter naar voren dat verdere verbeteringen noodzakelijk zijn, met name ten aanzien van de uitvoering van het kader door beheersautoriteiten, auditautoriteiten en de Commissie.

Aanbevelingen

 
 

6.76.

Bijlage 6.3 bevat de bevindingen naar aanleiding van onze follow-upevaluatie van de vijf aanbevelingen die wij in ons Jaarverslag 2015 hebben gedaan, en de vier aanbevelingen in ons Jaarverslag 2017 waarvoor een onmiddellijk optreden noodzakelijk was. De Commissie had twee aanbevelingen volledig uitgevoerd, vier in de meeste en één in sommige opzichten uitgevoerd, en aan twee was helemaal geen gevolg gegeven. Wij zijn van oordeel dat de aanbevelingen 1, 2, 4(ii) en 6 van vorig jaar, met betrekking tot kwesties die wij dit jaar opnieuw aantroffen, nog altijd geldig zijn.

 

6.77.

Op basis van deze beoordeling en onze bevindingen en conclusies voor 2018 doen wij de volgende aanbevelingen aan de Commissie:

Aanbeveling 6.1 — Controleregelingen voor in het kader van het kmo-initiatief ingestelde programma’s

Ervoor zorgen:

  • a) 
    dat regelmatige controles op het niveau van de financieel intermediairs worden uitgevoerd door de auditautoriteit of een door de EIB-groep geselecteerde controleur, gebaseerd op een representatieve steekproef van uitbetalingen aan eindontvangers;
  • b) 
    dat, indien dergelijke controles ontoereikend waren, passende controlemaatregelen worden ontwikkeld en uitgevoerd om de mogelijkheid van materiële onregelmatige uitgaven bij de afsluiting te voorkomen.

Streefdatum voor de uitvoering: direct

Aanbeveling 6.2 — Onregelmatige inhouding van betalingen

De nodige stappen zetten om te zorgen dat de controlelijsten die worden gebruikt door beheers- en auditautoriteiten, verificaties omvatten van de naleving van artikel 132 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, dat bepaalt dat begunstigden uiterlijk negentig dagen na de datum waarop de desbetreffende betalingsaanvraag is ingediend, het verschuldigde totale bedrag aan subsidiabele uitgaven dienen te ontvangen. Indien van toepassing, passende aanbevelingen doen aan programma-autoriteiten en hen aansporen om in de toekomst juiste praktijken toe te passen.

Streefdatum voor de uitvoering: direct

Aanbeveling 6.3 — Afsluitingsregelingen 2014-2020

Tekortkomingen aanpakken en ervoor zorgen dat programma’s niet kunnen worden afgesloten met onregelmatige uitgaven van materieel belang. De Commissie moet:

  • a) 
    de belangrijkste risico’s identificeren die van invloed kunnen zijn op de regelmatige afsluiting van programma’s;
  • b) 
    waar van toepassing, richtsnoeren ontwikkelen inzake de regelingen voor de afsluiting die adequate en tijdige corrigerende maatregelen omvatten.

Streefdatum voor uitvoering: a) mei 2020 en b) december 2022

Deel 2 — Beoordeling van projectprestaties

 
 

6.78.

Voor 208 verrichtingen die wij dit jaar onderzochten (exclusief financieringsinstrumenten en acties in het kader van het FEAD-OP) beoordeelden wij aspecten van het prestatiesysteem (met name of de OP’s waren voorzien van output- en resultaatindicatoren die relevant waren voor de doelstellingen ervan, en of de in de projectdocumenten gespecificeerde output- en resultaatindicatoren (30) overeenkwamen met de OP-doelstellingen voor elke prioritaire as). We gingen ook na of lidstaten een database hadden opgezet met informatie over prestaties op projectniveau en in hoeverre auditautoriteiten de betrouwbaarheid van die informatie controleerden.

 

6.79.

Wij hebben 26 controles van concrete acties, die ten tijde van onze controle fysiek waren voltooid, opnieuw verricht. We beoordeelden de prestaties van deze concrete acties, d.w.z. of de autoriteiten rapporteerden dat de streefdoelen voor elke indicator waren behaald en doelstellingen van deze acties waren bereikt.

Resultaatindicatoren zijn niet altijd een integrerend deel van het ontwerp van prestatiesystemen op projectniveau

 
 

6.80.

De EU-verordeningen die voor dit uitgaventerrein relevant zijn, vereisen dat begunstigden de outputs omschrijven en daarover rapporteren. De lidstaten hebben ook de mogelijkheid om resultaatindicatoren vast te stellen die de projectresultaten koppelen aan de overeenkomstige indicatoren voor de prioritaire as van het OP. Het vaststellen van resultaatindicatoren is, wanneer dat mogelijk en zinvol is, een goede praktijk omdat dit de autoriteiten in staat stelt de specifieke bijdrage van het project aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de overeenkomstige prioritaire as van het OP te meten.

 

6.81.

Onze bevindingen op dit gebied zijn vergelijkbaar met die van voorgaande jaren. Wij hebben een aantal tekortkomingen ontdekt in de wijze waarop de autoriteiten van de lidstaten hun prestatie-indicatoren hadden vastgesteld op OP- en projectniveau.

 

6.82.

In 110 gevallen hadden de autoriteiten geen resultaat- of geen outputindicatoren op projectniveau vastgesteld, en in drie gevallen hadden ze helemaal geen indicatoren of streefwaarden om de prestaties op projectniveau te meten. In deze omstandigheden kan niet worden bepaald of deze projecten een bijdrage hebben geleverd tot de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van het programma. Van deze gevallen hebben er 41 betrekking op de periode 2007-2013. Onze bevindingen zijn samengevat in kader 6.9 .

Kader 6.9

Beoordeling van aspecten van prestatiesystemen

 
 

Bron:

ERK.

 

6.83.

Bij 5 van de 205 projecten waar de lidstaten een outputindicator, een resultaatindicator of beide hadden gedefinieerd, bestond er geen verband tussen deze indicatoren en de OP-doelstellingen.

Lidstaten hebben monitoringsystemen opgezet om informatie over prestaties te registreren

 
 

6.84.

In alle 14 lidstaten die we voor 2018 hebben onderzocht, waren er monitoringssystemen opgezet. Zij waren ook in alle lidstaten operationeel, behalve in Slovenië, waar het systeem pas in 2019 volledig operationeel werd.

 

6.85.

In de periode 2014-2020 moeten de auditautoriteiten de betrouwbaarheid van de prestatiegegevens onderzoeken. We hebben vastgesteld dat zij tijdens hun controles van concrete acties over het algemeen controles van de projectprestaties uitvoeren. In Polen en Portugal concludeerden wij echter dat de auditautoriteit haar verificaties tot outputdoelstellingen had beperkt.

 

6.86.

In 2018 voerde de Commissie controles uit om zekerheid te verkrijgen dat de lidstaten betrouwbare gegevens over indicatoren rapporteren. Zij concludeerde dat er, ondanks het bestaan van IT-systemen voor de monitoring van prestatiegegevens, nog steeds materiële tekortkomingen bestaan die de betrouwbaarheid van de gegevens in gevaar brengen.

De prestatiedoelstellingen van voltooide projecten waren niet altijd volledig behaald

 
 

6.87.

We stelden vast dat 17 van de 26 voltooide projecten waarvoor we onderzochten of de doelstellingen waren verwezenlijkt, zowel resultaat- als outputindicatoren hadden. Deze waren bij zes projecten (23 %) gerapporteerd als volledig bereikt en bij elf (42 %) als gedeeltelijk bereikt.

 

6.88.

We stelden vast dat bij vier (16 %) van de negen projecten waarvoor alleen een output-of een resultaatindicator was vastgesteld, deze als volledig bereikt was gerapporteerd. Bij de overige vijf projecten (19 %) konden we vanwege een gebrek aan relevante informatie de verwezenlijking van de prestatiedoelstellingen niet beoordelen.


  • (2) 
    DG Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO) en DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie (DG EMPL).
  • (3) 
    In haar JAV’s gebruikt de Commissie de term “restrisicopercentage” in verband met de afsluiting van de programmeringsperiode 2007-2013 en de term “totaal restfoutenpercentage” met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2020. In dit hoofdstuk gebruiken we voor beide begrippen de term “restfoutenpercentage(s)”.
  • (4) 
    Artikel 28, lid 11, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen) (PB L 138 van 13.5.2014, blz. 5).
  • (5) 
    Zekerheidspakketten bestaan uit een beheersverklaring, een jaarlijkse samenvatting, de gecertificeerde jaarrekeningen, een jaarlijks controleverslag en een controleoordeel.
  • (6) 
    Artikel 130 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. 1303/2013) beperkt de vergoeding van tussentijdse betalingen tot 90 %. De overige 10 % wordt vrijgegeven na de aanvaarding van de rekeningen.
  • (7) 
    Paragrafen 6.5-6.15.
  • (8) 
    Als kwesties met materiële impact open blijven staan, dan verrekent de Commissie alleen het niet-betwiste bedrag. Het saldo wordt verrekend en het OP afgesloten zodra alle openstaande kwesties zijn opgelost.
  • (9) 
    Paragrafen 6.21-6.23.
  • Onze berekening van het foutenpercentage is gebaseerd op een representatieve steekproef. Het genoemde cijfer is de beste schatting. Wij hebben 95 % zekerheid dat het geschatte foutenpercentage in de populatie tussen 2,5 % en 7,5 % ligt (de onderste, respectievelijk de bovenste foutengrens).
  • Eén verrichting kan meer dan één soort fout bevatten.
  • Snelle evaluatie Vergoeding van btw op cohesiegebied — een foutgevoelig en suboptimaal gebruik van EU-middelen, november 2018 (https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/RCR-VAT/RCR-VAT_NL.pdf).
  • De vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid na 2020, mei 2018, paragraaf 23. (https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/BRP_Cohesion_simplification/Briefing_paper_Cohesion_simplification_NL.pdf).
  • Besluit C(2013) 9527 final van de Commissie van 19.12.2013 betreffende de vaststelling en goedkeuring van richtsnoeren voor de bepaling van door de Commissie te verrichten financiële correcties voor uitgaven die in gedeeld beheer door de Unie zijn gefinancierd, in geval van niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten.
  • Zoals omschreven in artikel 4 van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
  • Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).
  • Artikel 6 van de GBER.
  • Overeenkomstig artikel 137, lid 2, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen.
  • Paragraaf 6.30 en kader 6.4 van ons Jaarverslag 2017.
  • Artikel 272, lid 14.
  • Artikel 132 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen.
  • Zie blz. 68 van het JAV 2018 van DG REGIO en blz. 56 van het JAV 2018 van DG EMPL.
  • Artikel 127 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen.
  • Paragrafen 6.55-6.57 en aanbeveling 4 van het Jaarverslag 2017.
  • Zie voetnoot 12 van het JAV van DG REGIO en voetnoot 38 van het JAV van DG EMPL.
  • Zie aanbeveling 4, onder i), van het Jaarverslag 2017.
  • Dit cijfer is berekend voor alle beheerswijzen en omvat uitgaven uit de programmeringsperioden 2007-2013 en 2014-2020.
  • Zie het antwoord van de Commissie op paragraaf 6.67 van ons Jaarverslag 2017.
  • Met uitzondering van Kroatië.
  • Projectaanvragen, subsidieovereenkomsten, contracten en/of cofinancieringsbesluiten.

BIJLAGE 6.1

RESULTATEN VAN DE TOETSING VAN VERRICHTINGEN

 
 

2018

2017

OMVANG EN STRUCTUUR VAN DE STEEKPROEF

Totaalaantal verrichtingen

220

217

GESCHATTE IMPACT VAN KWANTIFICEERBARE FOUTEN

 

Geschat foutenpercentage

5,0 %

3,0 %

 

Bovenste foutengrens

 

7,5 %

 
 

Onderste foutengrens

 

2,5 %

 

BIJLAGE 6.2

INFORMATIE OVER EU-MAATREGELEN IN DE LIDSTATEN

Een uitsplitsing van onze steekproef, geselecteerd uit OP’s waarvoor de Commissie in 2018 een verrekening had verricht, en het aantal door ons geconstateerde kwantificeerbare fouten per lidstaat. (De getallen in de cirkels zijn de gedeclareerde uitgaven, in miljoen EUR)

 
 

Bronnen:

Kaartachtergrond ©OpenStreetMap-bijdragers aan wie een vergunning is verleend in het kader van de Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.0 license (CC BY-SA).

BIJLAGE 6.3

FOLLOW-UP VAN EERDERE AANBEVELINGEN

E = DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie; R = DG Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling; X = Gemeenschappelijke beoordeling voor beide DG’s

 

Jaar

Aanbeveling van de ERK

Door de ERK verrichte analyse van de geboekte vooruitgang

Volledig uitgevoerd

In uitvoering

Niet uitgevoerd

Niet van toepassing in het huidige kader

Ontoereikend bewijs

In de meeste opzichten

In enkele opzichten

2015

Aanbeveling 1: de Commissie moet de opzet en het uitvoeringsmechanisme voor de ESI-fondsen grondig herzien bij het opstellen van haar wetgevingsvoorstel voor de volgende programmeringsperiode, waarbij zij ook rekening houdt met de suggesties van de groep op hoog niveau inzake vereenvoudiging;

(streefdatum voor de uitvoering: eindresultaten voordat de Commissie haar voorstel presenteert voor de periode na 2020)

 

X (1)

       

Aanbeveling 2: de Commissie moet gebruikmaken van de tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 opgedane ervaring en verslag uitbrengen over een gerichte analyse van de nationale subsidiabiliteitsregels voor de programmeringsperiode 2014-2020. Op basis van het bovengenoemde dient zij richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten over de wijze waarop de regels kunnen worden vereenvoudigd en onnodig complexe en/of belastende voorschriften die geen toegevoegde waarde bieden ten aanzien van de met het beleid beoogde resultaten (“overregulering”) kunnen worden vermeden, in het bijzonder wanneer die leiden tot aanzienlijke en/of steeds terugkerende fouten;

(streefdatum voor de uitvoering: eind 2018)

 

X (2)

       

Aanbeveling 3: de Commissie dient een wetgevingsvoorstel in te dienen bij de Raad en het Parlement om Verordening (EG) nr. 1083/2006 aan de hand van een wetshandeling van gelijke juridische waarde te wijzigen voor wat de verlenging van de subsidiabiliteitsperiode voor financieringsinstrumenten onder gedeeld beheer betreft. De verordening moet worden gewijzigd om de lidstaten rechtszekerheid te bieden;

(streefdatum voor de uitvoering: direct)

     

X (3)

   

Aanbeveling 4: voor de programmeringsperiode 2014-2020 moet de Commissie het begrip “terugvorderbare btw” voor de lidstaten verduidelijken, met name met betrekking tot publieke begunstigden, om uiteenlopende interpretaties van de term “niet-terugvorderbare” btw en een suboptimaal gebruik van EU-middelen te voorkomen;

(streefdatum voor de uitvoering: medio 2017)

X

         

Aanbeveling 5: de Commissie moet ervoor zorgen dat alle uitgaven met betrekking tot de EFRO- en ESF-financieringsinstrumenten voor de programmeringsperiode 2007-2013 vroeg genoeg in de verklaringen van afsluiting worden opgenomen om de auditautoriteiten in staat te stellen hun controles uit te voeren. Bovendien moet de Commissie alle lidstaten die financieringsinstrumenten ten uitvoer hebben gelegd, aansporen om specifieke controles te verrichten inzake de uitvoering van deze instrumenten met het oog op de afsluiting;

(streefdatum voor de uitvoering: direct)

X

         

2017

Aanbeveling 1: de Commissie moet ervoor zorgen dat de controleregelingen voor door het EIF beheerde financieringsinstrumenten toereikend zijn op het niveau van de financieel intermediairs. Wanneer de EIB/het EIF gebruikmaakt van overeengekomen procedures met externe controleurs, zou de Commissie de minimumvoorwaarden van dergelijke contracten moeten vaststellen met het oog op de noodzaak om zekerheid te verschaffen, met name de verplichting om voldoende controlewerkzaamheden te verrichten op het niveau van de lidstaat;

(Datum van uitvoering: direct)

 

X (4)

       

Aanbeveling 2: de Commissie moet voorstellen doen voor wetgevingswijzigingen voor het financieel kader na 2020 die vergoeding van btw aan overheidsorganen uit EU-fondsen uitsluiten; (Datum van uitvoering: vóór de goedkeuring van het wetgevingskader van na 2020)

(Datum van uitvoering: vóór de goedkeuring van het wetgevingskader van na 2020)

     

X (5)

   

Aanbeveling 3: de Commissie moet de tekortkomingen verhelpen die wij hebben vastgesteld in de verificatie van het door de auditautoriteiten verrichte werk in het kader van de regelmatigheidscontroles van de Commissie;

(Datum van uitvoering: direct)

 

X (6)

       

Aanbeveling 6: de Commissie moet voldoende regelmatigheidscontroles uitvoeren om conclusies te kunnen trekken over de doeltreffendheid van het werk van de auditautoriteiten en om uiterlijk in de JAV’s die zij in het jaar volgend op het jaar van aanvaarding van de rekeningen publiceert, redelijke zekerheid over de regelmatigheid van uitgaven te kunnen verkrijgen.

(Datum van uitvoering: direct)

   

X (7)

     

  • (1) 
    Ondanks de vereenvoudigingsinspanningen van de Commissie omvat de ontwerpverordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de volgende programmeringsperiode elementen die een risico vormen voor de naleving van de regels en goed financieel beheer, waarop wij wijzen in ons Advies nr. 6/2018 over het voorstel van de Commissie van 29 mei 2018 voor een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (COM(2018) 375 final) en in ons briefingdocument over het leveren van prestaties in het cohesiebeleid van juni 2019.
  • (2) 
    De Commissie heeft geen verslag uitgebracht over een gerichte analyse van de nationale subsidiabiliteitsregels. Zij biedt de lidstaten echter wel richtsnoeren en rapporteert over gevallen van overregulering die worden vastgesteld tijdens controles.
  • (3) 
    De Commissie aanvaardde deze aanbeveling niet.
  • (4) 
    Zie de paragrafen 6.36-6.38.
  • (5) 
    De Commissie deed een alternatief voorstel om btw in aanmerking te laten komen voor projecten met totale kosten lager dan 5 miljoen EUR. Om de in onze snelle evaluatie over btw uiteengezette redenen verhelpt dit het probleem niet.
  • (6) 
    Zie de paragrafen 6.58-6.64.
  • (7) 
    De Commissie slaagde er slechts in om een van de acht controles binnen negen maanden af te ronden. Zie paragraaf 6.64.
 

HOOFDSTUK 7

Natuurlijke hulpbronnen

INHOUD

 

Inleiding

7.1-7.7

Korte beschrijving van “Natuurlijke hulpbronnen”

7.3-7.5

Reikwijdte en aanpak van de controle

7.6-7.7

Deel 1: Regelmatigheid van de verrichtingen

7.8-7.36

De rechtstreekse betalingen als geheel vertoonden geen fouten van materieel belang

7.11-7.18

De meeste door ons getoetste rechtstreekse betalingen vertoonden geen fouten

7.13-7.15

Het geïntegreerd beheers- en controlesysteem beperkt het foutenpercentage bij rechtstreekse betalingen

7.16-7.18

Andere uitgaventerreinen: complexe subsidiabiliteitsvoorwaarden verhogen het risico op fouten

7.19-7.26

Plattelandsontwikkeling

7.20-7.24

Marktmaatregelen

7.25

Visserij, het milieu en klimaatactie

7.26

Jaarlijkse activiteitenverslagen en andere governanceregelingen

7.27-7.36

De verslaglegging door DG AGRI over de regelmatigheid van GLB-uitgaven

7.27-7.35

Jaarlijks activiteitenverslag van DG CLIMA

7.36

Conclusie en aanbevelingen

7.37-7.40

Conclusie

7.37-7.38

Aanbevelingen

7.39-7.40

Deel 2: Prestaties

7.41-7.64

Prestatiebeoordeling van plattelandsontwikkelingsmaatregelen

7.43-7.48

De meeste maatregelen hadden de verwachte output opgeleverd

7.45

De lidstaten controleerden de redelijkheid van de kosten, maar maakten weinig gebruik van vereenvoudigde kostenopties

7.46-7.48

Het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader van het GLB

7.49-7.64

Tekortkomingen in de resultaatindicatoren voor uitgaven voor plattelandsontwikkeling

7.52-7.60

Vergelijkbare tekortkomingen bij resultaatindicatoren met betrekking tot rechtstreekse betalingen

7.61-7.64

Conclusie en aanbevelingen

7.65-7.66

Conclusie

7.65-7.66

Aanbevelingen

 

Bijlage 7.1 —

Resultaten van de toetsing van verrichtingen voor “Natuurlijke hulpbronnen”

 

Bijlage 7.2 —

Informatie over EU-maatregelen in de lidstaten of regio’s

 

Bijlage 7.3 —

Follow-up van eerdere aanbevelingen

 

Inleiding

 
 

7.1.

Dit hoofdstuk bevat onze bevindingen voor de MFK-rubriek “Natuurlijke hulpbronnen”. Kader 7.1  geeft een overzicht van de kernactiviteiten en de uitgaven in deze rubriek voor 2018.

Kader 7.1

MFK-rubriek 2 Natuurlijke hulpbronnen — Uitsplitsing 2018

 

Uitsplitsing betalingen:

Betalingen en controlepopulatie:

  • (1) 
    Overeenkomstig de geharmoniseerde definitie van onderliggende verrichtingen (zie voor nadere gegevens bijlage 1.1 , paragraaf 13).

Bron:

Geconsolideerde rekeningen 2018 van de Europese Unie.

 

7.2.

In deel 1 van dit hoofdstuk worden onze bevindingen met betrekking tot de regelmatigheid uiteengezet. In deel 2 van het hoofdstuk, dat is gericht op prestaties, onderzoeken we i) de prestaties van een steekproef van plattelandsontwikkelingsmaatregelen, en ii) de manier waarop de Commissie en de lidstaten de doelmatigheid van uitgaven voor landbouw en plattelandsontwikkeling meten en hierover verslag uitbrengen door middel van het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader (1).

Korte beschrijving van “Natuurlijke hulpbronnen”

 
 

7.3.

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is goed voor 98 % van de uitgaven voor “Natuurlijke hulpbronnen”. De drie algemene in EU-wetgeving vastgelegde doelstellingen voor het GLB zijn (2):

  • a) 
    rendabele voedselproductie, met de klemtoon op landbouwinkomen, productiviteit van de landbouw en prijsstabiliteit;
  • b) 
    duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie, met de klemtoon op uitstoot van broeikasgassen, biodiversiteit, bodem en water;
  • c) 
    evenwichtige territoriale ontwikkeling.
 

7.4.

De Commissie, in het bijzonder directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling (DG AGRI), deelt het beheer van het GLB met betaalorganen in de lidstaten. Sinds 2015 moeten onafhankelijke certificerende instanties in de lidstaten volgens de EU-wetgeving een jaarlijks oordeel geven over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven van de betaalorganen. GLB-uitgaven vallen uiteen in drie grote categorieën:

  • — 
    rechtstreekse betalingen aan landbouwers, die volledig worden gefinancierd uit de EU-begroting;
  • — 
    marktmaatregelen op landbouwgebied, die ook volledig worden gefinancierd uit de EU-begroting, met uitzondering van bepaalde maatregelen die worden gecofinancierd door de lidstaten, zoals verkoopbevorderende maatregelen en de schoolregelingen voor fruit, groente en melk;
  • — 
    de plattelandsontwikkelingsprogramma’s van de lidstaten, die worden gecofinancierd uit de EU-begroting.
 

7.5.

Deze MFK-rubriek heeft ook betrekking op de EU-uitgaven voor het gemeenschappelijk visserijbeleid en op een deel van de EU-uitgaven voor milieu en klimaatactie.

Reikwijdte en aanpak van de controle

 
 

7.6.

Voor deel 1 van dit hoofdstuk over de regelmatigheid van de verrichtingen hebben we in overeenstemming met paragraaf 11 van bijlage 1.1 een steekproef van 251 verrichtingen (3) onderzocht, waarbij we de in bijlage 1.1 uiteengezette controleaanpak en -methodenhebben toegepast. De steekproef was zodanig opgezet dat deze representatief is voor alle soorten uitgaven binnen deze MFK-rubriek. De steekproef omvatte verrichtingen uit 22 lidstaten (4). Wij hadden tot doel, bij te dragen tot de algemene betrouwbaarheidsverklaring, zoals beschreven in bijlage 1.1 . We onderzochten ook het volgende voor “Natuurlijke hulpbronnen” in 2018:

  • a) 
    de informatie over de regelmatigheid in de jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) van DG AGRI en directoraat-generaal Klimaat (DG CLIMA), de consistentie van de methodologie voor de raming van risicobedragen, en de opname daarvan in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag (AMPR) van de Commissie;
  • b) 
    geselecteerde systemen die betrekking hadden op belangrijke elementen van het internecontrolekader van de Commissie voor het GLB: de controlegegevens en -statistieken van de betaalorganen; de werkzaamheden van de certificerende instanties; de controles van DG AGRI van de werkzaamheden van de certificerende instanties; de controles van DG AGRI in de lidstaten en zijn berekeningen van de foutenpercentages die zijn gepubliceerd in zijn JAV.
 

7.7.

Voor deel 2 van dit hoofdstuk, dat gericht is op prestaties, hebben wij het volgende onderzocht:

  • a) 
    de uitvoering en kosten van de plattelandsontwikkelingsmaatregelen uit de steekproef;
  • b) 
    de prestatiemeting en -verslaglegging van de Commissie en de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader van het GLB.

Deel 1: Regelmatigheid van de verrichtingen

 
 

7.8.

Bijlage 7.1 biedt een overzicht van de resultaten van de toetsing van verrichtingen. Van de 251 onderzochte verrichtingen vertoonden er 193 (77 %) geen fouten. Op basis van de 46 door ons gekwantificeerde fouten (5) schatten wij het foutenpercentage voor “Natuurlijke hulpbronnen” op 2,4 % (6).

 

7.9.

Kader 7.2 bevat een uitsplitsing van het door ons geschatte foutenpercentage voor 2018. Fouten met betrekking tot niet-subsidiabele begunstigden, activiteiten of gedeclareerde kosten zijn goed voor meer dan een derde van het door ons geschatte foutenpercentage van 2,4 %.

Kader 7.2

De grootste foutencategorie betrof niet-subsidiabele begunstigden, activiteiten of gedeclareerde kosten

 
 

Bron:

ERK.

 

7.10.

De Commissie en de autoriteiten van de lidstaten hadden corrigerende maatregelen getroffen die rechtstreekse gevolgen hadden voor 53 van de verrichtingen uit onze steekproef. Deze maatregelen waren van belang voor onze berekeningen, omdat ons geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk daardoor met 0,6 procentpunt daalde. In twaalf gevallen van gekwantificeerde fouten beschikten de nationale autoriteiten over voldoende informatie om deze te kunnen voorkomen, of te kunnen opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd. Indien de nationale autoriteiten alle beschikbare informatie op de juiste wijze hadden gebruikt, zou het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 0,6 procentpunt lager zijn geweest.

De rechtstreekse betalingen als geheel vertoonden geen fouten van materieel belang

 
 

7.11.

Onze werkzaamheden bevestigen de conclusie dat de rechtstreekse betalingen als geheel geen fouten van materieel belang vertoonden. Deze maken 72 % uit van de uitgaven onder de MFK-rubriek Natuurlijke hulpbronnen.

 

7.12.

Vier belangrijke regelingen in het kader van het ELGF zijn goed voor 92 % van alle rechtstreekse betalingen:

  • a) 
    twee regelingen die voorzagen in ontkoppelde inkomenssteun (7) op basis van de door de landbouwer opgegeven oppervlakte landbouwgrond: de “basisbetalingsregeling” (16,3 miljard EUR in 2018) en de “regeling inzake een enkele areaalbetaling” (4,2 miljard EUR in 2018);
  • b) 
    een betaling ter ondersteuning van landbouwpraktijken die bevorderlijk zijn voor het klimaat en het milieu, gewoonlijk “vergroeningsbetaling” genoemd (11,7 miljard EUR in 2018);
  • c) 
    gekoppelde steun, gerelateerd aan specifieke soorten landbouwproducten (bijv. rund- en kalfsvlees, melk of eiwithoudende gewassen) (5,9 miljard EUR in 2018).

De meeste door ons getoetste rechtstreekse betalingen vertoonden geen fouten

 
 

7.13.

Wij hebben 95 rechtstreekse betalingen getoetst, waarbij alle belangrijke regelingen werden gedekt. We bezochten 50 landbouwbedrijven om te controleren of de begunstigden de regels hadden nageleefd, maar hebben de overige 45 niet bezocht, waarvan we voldoende bewijs van naleving van de regels hadden verkregen door middel van satellietbeelden, samen met orthofoto’s en door de betaalorganen verstrekte documentatie.

 

7.14.

We stelden vast dat 77 verrichtingen geen fouten vertoonden. Rechtstreekse betalingen aan landbouwers zijn op rechten gebaseerd: begunstigden ontvangen betalingen indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Bij dergelijke betalingen is het risico op fouten kleiner indien de daaraan verbonden voorwaarden niet te complex zijn (zie de paragrafen 1.16 en 1.18).

 

7.15.

We ontdekten in elf gevallen betalingen die iets te hoog waren (minder dan 5 %), voornamelijk omdat landbouwers in hun steunaanvragen een te hoog aantal subsidiabele hectaren of dieren hadden opgegeven, maar dit had geen invloed op onze positieve conclusie over rechtstreekse betalingen. Wij troffen fouten aan van meer dan 5 % van het onderzochte bedrag bij twee rechtstreekse betalingen, waaronder één geval waarin de fout meer dan 20 % bedroeg. Voor vijf betalingen ontdekten we problemen met betrekking tot niet-naleving zonder financiële impact.

Het geïntegreerd beheers- en controlesysteem beperkt het foutenpercentage bij rechtstreekse betalingen

 
 

7.16.

Het belangrijkste beheersinstrument voor rechtstreekse betalingen is het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) (8), waarvan het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) deel uitmaakt. Het GBCS verbindt databanken van bedrijven, aanvragen en landbouwarealen die de betaalorganen gebruiken om administratieve kruiscontroles van alle steunaanvragen te verrichten. Het LPIS is een geografisch informatiesysteem met verzamelingen ruimtelijke gegevens uit verschillende bronnen die samen een register vormen van alle landbouwarealen in de lidstaten.

 

7.17.

Onze bevindingen bevestigen dat het LPIS een bijzonder significante bijdrage levert tot de voorkoming en vermindering van foutenpercentages (9). Zoals we eerder hebben opgemerkt, hebben de actieplannen van de lidstaten, onder het toezicht van de Commissie, de betrouwbaarheid verbeterd van de gegevens over de subsidiabiliteit van de in het LPIS opgenomen arealen (10).

 

7.18.

De invoering van de geospatiale steunaanvraag (11) in het GBCS, waardoor landbouwers betalingsaanvragen online kunnen indienen, en het feit dat betaalorganen nu voorafgaande kruiscontroles van de steunaanvragen van landbouwers verrichten, hebben ook bijgedragen tot de daling van het foutenpercentage bij rechtstreekse betalingen (12).

Andere uitgaventerreinen: complexe subsidiabiliteitsvoorwaarden verhogen het risico op fouten

 
 

7.19.

We toetsten 136 verrichtingen voor plattelandsontwikkeling, 14 marktmaatregelen en 6 verrichtingen die we trokken uit uitgaven op het gebied van visserij, milieu en klimaatactie. De meeste uitgaven op dit terrein betreffen uitgaven in het kader van vergoedingen en zijn onderworpen aan complexe subsidiabiliteitsvoorwaarden die het risico op fouten verhogen (zie de paragrafen 1.16, 1.19 en 1.20). Bijlage 7.2 biedt een uitsplitsing per lidstaat van de resultaten van de toetsing van verrichtingen.

Plattelandsontwikkeling

 
 

7.20.

De Commissie heeft 118 nationale en regionale plattelandsontwikkelingsprogramma’s goedgekeurd in de lidstaten voor 2014-2020 (13). Deze programma’s omvatten 20 maatregelen en 67 submaatregelen die kunnen worden ondergebracht in twee grote categorieën van uitgaven:

  • a) 
    steun aan investeringsprojecten ter ondersteuning van sociale en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden;
  • b) 
    betalingen op basis van landbouwarealen of aantallen dieren.
 

7.21.

Voor de maatregelen en submaatregelen gelden specifieke uitvoeringsregels en over het algemeen complexe subsidiabiliteitsvoorwaarden. Onze toetsing van verrichtingen had betrekking op 16 maatregelen in het kader van 30 programma’s in 18 lidstaten.

 

7.22.

Van de 136 verrichtingen voor plattelandsontwikkeling die we toetsten, vertoonden er 104 geen fouten en vertoonden er 20 fouten van minder dan 20 % van het onderzochte bedrag. In zes gevallen hebben we fouten vastgesteld met een impact van 20 % of meer. Voor zes betalingen ontdekten we problemen met betrekking tot niet-naleving zonder financiële impact.

 

7.23.

We onderzochten 66 betalingen aan investeringsprojecten, zoals de modernisering van landbouwbedrijven, projecten voor bedrijfsontwikkeling en steun voor basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden. We kwantificeerden elf fouten, waaronder drie gevallen waarin de begunstigden niet aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden hadden voldaan (zie kader 7.3 ) en zeven projecten met niet-subsidiabele gedeclareerde kosten. Bij de resterende verrichting stelden we een fout vast als gevolg van niet-naleving van regels voor de toekenning van subsidies.

Kader 7.3

Sommige begunstigden voldeden niet aan de subsidiabiliteitsregels voor investeringen in landbouwbedrijven en projecten voor bedrijfsontwikkeling

In Polen diende een begunstigde, samen met familieleden, een gezamenlijke steunaanvraag in voor de bouw van een varkensstal met een capaciteit van tot wel zeshonderd zeugen. Elke medebegunstigde vroeg het maximale steunbedrag aan, dat ongeveer 215 000 EUR bedroeg. Aangezien de maatregel tot doel had de ontwikkeling van kleine en middelgrote landbouwbedrijven te ondersteunen, was in de subsidiabiliteitsvoorwaarden bepaald dat de bedrijven van de aanvragers geen economische omvang van meer dan 250 000 EUR en geen areaal van meer dan 300 hectaren mochten hebben. De begunstigden beweerden onafhankelijke bedrijven te exploiteren. We stelden vast dat zij aandelen bezaten in een familiebedrijf dat op dezelfde locatie operationeel was. Wanneer rekening wordt gehouden met het aandeel van de begunstigde in het familiebedrijf, overschreed zijn bedrijf de maximale economische omvang. Eerder hadden we grote subsidiabiliteitsfouten aangetroffen in meerdere lidstaten waarbij begunstigden betrokken waren die niet voldeden aan de voorwaarden voor steun aan kleine en middelgrote ondernemingen (14)

In Estland ontving een begunstigde een startpremie als jonge landbouwer die een landbouwbedrijf opzet. In de subsidiabiliteitsregels is bepaald dat alle leden van de raad van bestuur jonge landbouwers moeten zijn om te waarborgen dat jonge landbouwers het bedrijf in handen houden gedurende de periode waarin het bedrijf wordt opgezet. Na de uitkering van de eerste tranche van de steun, maar nog steeds binnen de opstartperiode, nam de raad van bestuur een tweede bestuurslid aan dat geen jonge landbouwer was. Vanaf dat moment was de begunstigde niet meer subsidiabel. De Estse autoriteiten keerden een tweede tranche uit zonder de inbreuk op de subsidiabiliteitsvoorwaarden op te merken.

In Italië troffen we nog een niet-subsidiabele begunstigde aan die een startpremie had ontvangen als jonge landbouwer. Deze fout was opgetreden om een soortgelijke reden als beschreven in het Estse geval hierboven. De Italiaanse autoriteiten hebben besloten de betaling terug te vorderen naar aanleiding van ons controlebezoek.

 

7.24.

We onderzochten zeventig verrichtingen op basis van de door landbouwers opgegeven arealen of aantallen dieren, zoals betalingen voor het nakomen van agromilieu- en klimaatverbintenissen, compensatiebetalingen aan landbouwers in gebieden met natuurlijke beperkingen of betalingen voor biologische landbouw. Hierbij troffen we 14 gevallen aan van te hoog opgegeven subsidiabele arealen of aantallen dieren, hoewel er bij 10 minder dan 5 % te veel was opgegeven. Ook troffen we één geval aan waarbij het betaalorgaan de steun onjuist had berekend.

Marktmaatregelen

 
 

7.25.

Marktmaatregelen op landbouwgebied vormen een aantal uiteenlopende regelingen waarop diverse subsidiabiliteitsvoorwaarden van toepassing zijn. Onder de 14 verrichtingen uit de steekproef troffen we 3 gevallen aan waarbij betaalorganen niet-subsidiabele kosten hadden terugbetaald en één geval van niet-naleving van aanbestedingsregels.

Visserij, het milieu en klimaatactie

 
 

7.26.

De selectiecriteria en subsidiabiliteitsvereisten voor projecten op de beleidsterreinen visserij, milieu en klimaatactie variëren ook. Onder de zes door ons onderzochte verrichtingen troffen we drie projecten aan die niet voldeden aan alle subsidiabiliteitsvoorwaarden en daardoor impact hadden op ons foutenpercentage.

Jaarlijkse activiteitenverslagen en andere governanceregelingen

De verslaglegging door DG AGRI over de regelmatigheid van GLB-uitgaven

 
 

7.27.

GLB-betalingen worden gecontroleerd door middel van het GBCS (zie de paragrafen 7.16-7.18 met betrekking tot rechtstreekse betalingen) en andere controlesystemen (zie kader 7.4 ). De directeurs van alle 76 betaalorganen doen DG AGRI een jaarlijkse beheersverklaring toekomen over de doeltreffendheid van hun controlesystemen, die vergezeld gaat van een verslag over de administratieve controles en controles ter plaatse van het betaalorgaan (“controlestatistieken”). Om extra zekerheid te bieden zijn de certificerende instanties sinds 2015 verplicht om voor elk betaalorgaan een jaarlijks oordeel te geven over de wettigheid en de regelmatigheid van de uitgaven waarvoor de lidstaten om vergoeding verzoeken (15).

Kader 7.4

Zekerheidsmodel voor het GLB 2014-2020

 
 

Bron:

ERK.

 

7.28.

DG AGRI gebruikt de nationale controlestatistieken die het van de betaalorganen ontvangt. Het brengt ook aanpassingen aan die zijn gebaseerd op de resultaten van de controles door de certificerende instanties en op zijn eigen controles en professionele oordeelsvorming, om uit te komen op de aangepaste foutenpercentages voor rechtstreekse betalingen, maatregelen voor plattelandsontwikkeling en marktmaatregelen. Vervolgens trekt het de geraamde (16) toekomstige financiële correcties en terugvorderingen af van dit cijfer om een definitief risicobedrag te berekenen (zie kader 7.5 ).

Kader 7.5

Informatie van DG AGRI over de regelmatigheid

 
 

Bron:

ERK.

 

7.29.

We onderzochten de verslagen van DG AGRI van zijn 18 evaluatiebezoeken aan certificerende instanties in 2018 en evalueerden voor 5 betaalorganen (17):

  • — 
    de controles door DG AGRI en door de certificerende instanties van de controlestatistieken;
  • — 
    de berekening door DG AGRI van het aangepaste foutenpercentage.
 

7.30.

Ook onderzochten we de algemene berekening door DG AGRI van het aangepaste foutenpercentage voor het GLB, de raming van toekomstige correcties en terugvorderingen en de berekening van het definitieve risicobedrag dat het DG in zijn JAV heeft gepresenteerd.

DG AGRI heeft zijn methodologie consistent toegepast

 
 

7.31.

DG AGRI heeft zijn methodologie consistent toegepast bij zijn evaluatie van de controlestatistieken van de betaalorganen, zijn bezoeken aan certificerende instanties en de presentatie van de informatie over de regelmatigheid in zijn JAV. De recente veranderingen van het controlehandboek van DG AGRI zijn in overeenstemming met onze aanbevelingen (18) en die van de dienst Interne Audit van de Commissie (19).

Tijdens zijn evaluatiebezoeken heeft DG AGRI tekortkomingen vastgesteld in de werkzaamheden van de certificerende instanties

 
 

7.32.

In 2018 heeft DG AGRI 18 evaluatiebezoeken gebracht aan 17 certificerende instanties en stelde het diverse problemen vast, waaronder de volgende:

  • — 
    de steekproefmethode van negen certificerende instanties was niet volledig in overeenstemming met de richtsnoeren van de Commissie, en voor drie ervan stelde de Commissie vast dat hierdoor de representativiteit van de steekproeven van de certificerende instanties werd ondermijnd;
  • — 
    negen certificerende instanties, waaronder acht van het streepje hierboven, hadden de subsidiabiliteitsvoorwaarden of landbouwverbintenissen onvoldoende gecontroleerd.
 

7.33.

De afgelopen vier jaar (2015-2018) heeft DG AGRI evaluatiebezoeken afgelegd die geselecteerde categorieën uitgaven omvatten bij ongeveer 80 % van de certificerende instanties en concludeerde het dat het in ongeveer een vierde van de gevallen volledig op hun werkzaamheden kon vertrouwen. Ons overzicht van de resultaten van de 18 in 2018 uitgevoerde evaluatiebezoeken is opgenomen in kader 7.6 . Zoals we vorig jaar opmerkten, moeten de werkzaamheden van de certificerende instanties verder worden verbeterd indien de Commissie hun werkzaamheden wil gebruiken als haar primaire bron van zekerheid over de regelmatigheid van de GLB-uitgaven (20).

Kader 7.6

Overzicht van de resultaten van de door DG AGRI afgelegde evaluatiebezoeken die geselecteerde categorieën omvatten van de in 2018 door de certificerende instanties gecontroleerde uitgaven

 
 

Bron:

ERK, gebaseerd op evaluaties van DG AGRI.

Forfaitaire aanpassingen van de door de lidstaten gemelde foutenpercentages vormen een aanzienlijk deel van de gepubliceerde foutenpercentages van DG AGRI

 
 

7.34.

De lidstaten meldden een totaal foutenpercentage van circa 1 % (21) voor GLB-uitgaven als geheel op basis van de controlestatistieken van hun betaalorganen. Wij onderzochten de aanpassingen van de foutenpercentages van de lidstaten door DG AGRI (zie paragraaf 7.28). Evenals in voorgaande jaren baseerde DG AGRI de meeste van zijn aanpassingen op zijn eigen controles van de systemen en uitgaven van de betaalorganen. DG AGRI berekent de meerderheid van deze aanpassingen als forfaitaire bedragen, die het belang en de omvang van de tekortkomingen in de controlesystemen die het had vastgesteld, tot uitdrukking moesten brengen.

 

7.35.

DG AGRI schat in zijn JAV het risicobedrag bij betaling op ongeveer 2,1 % voor GLB-uitgaven als geheel en op ongeveer 1,8 % voor rechtstreekse betalingen. De Commissie presenteert deze resultaten ook in haar AMPR.

Jaarlijks activiteitenverslag van DG CLIMA

 
 

7.36.

We onderzochten het JAV van DG CLIMA. Het verslag was opgesteld overeenkomstig de interne instructies van de Commissie. Omdat we geen steekproef hebben genomen van verrichtingen op het gebied van klimaatactie in 2018, kunnen we geen controleresultaten vergelijken met de informatie over de regelmatigheid van de door DG CLIMA gemelde uitgaven.

Conclusie en aanbevelingen

Conclusie

 
 

7.37.

Over het geheel genomen wijst de door ons verkregen controle-informatie die wij hebben gepresenteerd in dit hoofdstuk erop dat het geschatte foutenpercentage bij de uitgaven voor “Natuurlijke hulpbronnen” van materieel belang was. Voor “Natuurlijke hulpbronnen” als geheel wees onze toetsing van verrichtingen uit dat het totale foutenpercentage 2,4 % bedroeg (zie bijlage 7.1 ). Uit onze resultaten blijkt echter dat de rechtstreekse ELGF-betalingen, die goed zijn voor 72 % van de uitgaven in het kader van deze MFK-rubriek, geen materieel foutenpercentage vertoonden.

 

7.38.

De schatting van de Commissie van de risicobedragen bij betaling voor GLB-uitgaven en rechtstreekse betalingen in haar AMPR (zie paragraaf 7.35) komt overeen met onze conclusie.

Aanbevelingen

 
 

7.39.

Bijlage 7.3 bevat de bevindingen naar aanleiding van onze follow-upevaluatie van de zes aanbevelingen die wij in ons Jaarverslag 2015 hebben gedaan. De Commissie heeft deze aanbevelingen volledig uitgevoerd.

 

7.40.

In ons Jaarverslag 2017 hebben we de Commissie aanbevelingen gedaan met een streefdatum voor de uitvoering van eind 2019. Deze hadden betrekking op maatregelen van de lidstaten om de oorzaken van de fouten en de kwaliteit van het werk van de certificerende instanties aan te pakken. Deze aanbevelingen zijn ook relevant voor de bevindingen en conclusies van dit jaar en wij zullen hier te zijner tijd follow-up aan geven.

Deel 2: Prestaties

 
 

7.41.

In 2018 publiceerden we acht speciale verslagen over uitgaven in verband met het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. In speciale verslagen over het GLB werden hernieuwbare energie in plattelandsgebieden, de basisbetalingsregeling, de mogelijkheden voor de financiering van projecten voor plattelandsontwikkeling en dierenwelzijn onderzocht. Ook publiceerden we verslagen over luchtverontreiniging, koolstofafvang en -opslag, de preventie van overstromingen, en woestijnvorming. Daarnaast publiceerden we een briefingdocument over de toekomst van het GLB en een advies over de wetgevingsvoorstellen voor het GLB na 2020 (zie de paragrafen 3.50-3.52).

 

7.42.

Tijdens onze toetsing van de regelmatigheid van de verrichtingen in 2018 onderzochten we:

  • a) 
    de uitvoering en kosten van de plattelandsontwikkelingsmaatregelen uit de steekproef, met bijzondere aandacht voor output;
  • b) 
    de prestatiemeting en -verslaglegging van de Commissie en de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader van het GLB, met bijzondere aandacht voor de resultaten van de maatregelen.

Prestatiebeoordeling van plattelandsontwikkelingsmaatregelen

 
 

7.43.

Wij evalueerden een steekproef van 113 plattelandsontwikkelingsmaatregelen (22) in 18 lidstaten in het kader van 13 maatregelen, waaronder:

  • — 
    compensatiebetalingen aan landbouwers die agromilieu- en klimaatverbintenissen aangaan of hun bedrijf uitoefenen in gebieden met natuurlijke beperkingen;
  • — 
    steun voor de modernisering van landbouwbedrijven, zoals de aanleg van gebouwen of de aankoop van nieuwe uitrusting;
  • — 
    de verstrekking van een startpremie aan jonge landbouwers;
  • — 
    steun voor basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden.
 

7.44.

Wij beoordeelden of:

  • — 
    de maatregelen de verwachte output hadden opgeleverd;
  • — 
    de lidstaten de redelijkheid van de gedeclareerde kosten in verband met investeringsprojecten hadden gecontroleerd;
  • — 
    er passend gebruik was gemaakt van vereenvoudigde kostenopties.

De meeste maatregelen hadden de verwachte output opgeleverd

 
 

7.45.

Ten tijde van onze controle waren 103 van de 113 door ons onderzochte maatregelen afgerond. In de tien gevallen waarin de maatregelen niet de geplande output hadden opgeleverd, waren de investeringen niet gedaan in overeenstemming met de toepasselijke regels en specificaties of hadden de begunstigden een te hoog subsidiabel landbouwareaal opgegeven.

De lidstaten controleerden de redelijkheid van de kosten, maar maakten weinig gebruik van vereenvoudigde kostenopties

 
 

7.46.

In 47 van de 49 projecten voor investeringen in landbouwbedrijven en voor bedrijfsontwikkeling die wij hebben onderzocht, hadden de lidstaten procedures ingesteld om te verifiëren of de gedeclareerde kosten redelijk waren, zoals een aanbestedingsprocedure, gebruikmaking van referentiekosten of vergelijking van offertes. In een van deze gevallen waren de vastgestelde procedures echter niet naar behoren gevolgd.

 

7.47.

Eerder hebben we erop gewezen dat bij sommige projecten de administratie dankzij vereenvoudigde kostenopties mogelijk kan worden vereenvoudigd en de kosten onder controle kunnen worden gehouden (23). Dit is met name het geval bij maatregelen die acties omvatten met soortgelijke activiteiten en uitgaven (24).

 

7.48.

Bij 3 van de 49 projecten gebruikten de lidstaten vereenvoudigde kostenopties, zoals forfaitaire bedragen of vaste percentages (zie het voorbeeld in kader 7.7 ). Bij nog eens 16 projecten hadden de nationale autoriteiten, ten minste voor bepaalde kosten, vereenvoudigde kostenopties kunnen gebruiken. In ons Speciaal verslag nr. 11/2018 hebben we de Commissie aanbevelingen gedaan die waren gericht op de bevordering van het passend gebruik van vereenvoudigde kostenopties.

Kader 7.7

Voorbeeld van het gebruik van vereenvoudigde kostenopties

 

In Finland werden de indirecte kosten van een lokaal ontwikkelingsproject door middel van vaste percentages gefinancierd uit de EU-begroting. De nationale autoriteiten stelden vooraf de categorieën indirecte kosten vast en berekenden de financiering als vast percentage van de bijbehorende rechtstreekse kosten van het project.

Het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader van het GLB

 
 

7.49.

Het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader (GMEK) van het GLB is een reeks regels, procedures en indicatoren met als doel een uitgebreide regelmatige beoordeling te bieden van de vooruitgang, doeltreffendheid en doelmatigheid van iedere maatregel aan de hand van de doelstellingen van het GLB (25). De indicatoren zijn opgezet om: a) het door middel van de GLB-maatregel geleverde product te beschrijven (outputindicatoren), b) de teweeggebrachte onmiddellijke veranderingen te meten (resultaatindicatoren), en c) de gevolgen op lange termijn van een maatregel aan te tonen met betrekking tot de bijdrage ervan tot de algemene doelstellingen van het GLB (impactindicatoren) (26). De Commissie en de lidstaten moeten volgens het GMEK evaluaties uitvoeren op basis van een meerjarig actieplan (27).

 

7.50.

Wij evalueerden de indicatoren met betrekking tot 113 betalingen voor plattelandsontwikkeling en 95 rechtstreekse betalingen, waarbij we rekening hebben gehouden met de definities in kader 7.8 . We hebben ons gericht op de resultaatindicatoren, die een rechtstreeks verband moeten houden met de maatregelen. Dit onderzoek vormde een aanvulling op onze werkzaamheden over het gebruik van prestatie-indicatoren op programmaniveau, waarover we verslag uitbrengen in hoofdstuk 3 .

Kader 7.8

Definities van input, output, resultaat en impact

 
 

Bron:

ERK.

 

7.51.

We hebben rekening gehouden met onze eerdere bevindingen over het GMEK (28). Eerder hadden we opgemerkt dat het monitoring- en evaluatiesysteem informatie moet verschaffen over de gebieden waarop uitgaven al dan niet doeltreffend en doelmatig zijn. In het bijzonder moeten de rechtstreekse en onmiddellijke effecten van maatregelen blijken uit de resultaatindicatoren, namelijk wat de uitgaven daadwerkelijk hebben bereikt (29).

Tekortkomingen in de resultaatindicatoren voor uitgaven voor plattelandsontwikkeling

 
 

7.52.

Eerder hebben we gemeld dat plattelandsontwikkelingsmaatregelen mogelijk niet de beoogde resultaten opleveren, ondanks het behalen van de overeengekomen materiële output (30). Dit jaar hebben we opnieuw meerdere tekortkomingen aangetroffen in het gebruik van resultaatindicatoren bij uitgaven voor plattelandsontwikkeling, hoewel we constateerden dat de meeste maatregelen de verwachte output hadden opgeleverd (zie paragraaf 7.45). De resultaten van onze evaluatie zijn samengevat in kader 7.9 en beschreven in de paragrafen hieronder.

Kader 7.9

Tekortkomingen in de meting van en verslaglegging over prestaties bij uitgaven voor plattelandsontwikkeling

 
 

Bron:

ERK.

GMEK-resultaatindicatoren bestrijken niet alle uitgaven voor plattelandsontwikkeling

 
 

7.53.

We stelden vast dat 35 van de 113 plattelandsontwikkelingsmaatregelen die we hebben onderzocht, geen relevante resultaatindicator bevatten waarmee de onmiddellijke en rechtstreekse effecten van de maatregelen konden worden gemeten (zie kader 7.10 ). Dit was het geval voor maatregel 13 (“betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen”) en voor vijf andere submaatregelen (31).

 

7.54.

We constateerden dat bij 15 van de 35 projecten zonder een GMEK-resultaatindicator de lidstaten de hiaat in de verslaglegging hebben gedicht door hun eigen nationale indicatoren vast te stellen (zie kader 7.10 ).

Kader 7.10

20 van de 113 projecten voor plattelandsontwikkeling (18 %) werden niet gemonitord voor resultaten

 
 

Bron:

ERK.

Beperkte informatie over de bijdrage van de uitgaven tot het aandachtsgebied

 
 

7.55.

Bij 5 van de 14 onderzochte aandachtsgebieden bestond er geen duidelijk verband tussen de doelstellingen ervan en de onderliggende resultaatindicatoren. Als gevolg hiervan is er beperkte informatie over de vraag of de ondersteunde maatregelen hebben bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen.

 

7.56.

Zo was aandachtsgebied 2B opgezet om “de instap van goedgeschoolde landbouwers in de landbouwsector en de generatievernieuwing te faciliteren”. De meeste uitgaven in het kader van dit aandachtsgebied zijn betalingen van startpremies aan jonge landbouwers. De enige resultaatindicator is “het percentage landbouwbedrijven met ondersteund(e) bedrijfsontwikkelingsplan/investeringen voor jonge landbouwers”. Deze indicator biedt weinig informatie over de vaardigheden van landbouwers die de landbouwsector betreden en het daadwerkelijke percentage generatievernieuwing.

 

7.57.

We troffen drie gevallen aan waarbij de subsidiabiliteitscriteria voor de selectie van maatregelen geen verband hielden met de bijbehorende prestatie-indicatoren (zie de voorbeelden in kader 7.11 ). Deze maatregelen hebben dus niet bijgedragen tot de doelstellingen van het aandachtsgebied.

Kader 7.11

Projecten die geen verband houden met de doelstellingen van het aandachtsgebied

 

In Duitsland werd een project uitgevoerd voor het ophogen van een oever ter preventie van overstromingen om een middeleeuws stadsdistrict te beschermen en werd dit gemeld in het kader van aandachtsgebied 3B “het steunen van risicopreventie en -beheer op het niveau van het landbouwbedrijf”. De bijbehorende resultaatindicator was “het percentage landbouwbedrijven dat deelneemt aan regelingen inzake risicobeheer”.

De Zweedse autoriteiten meldden steun voor evenementen ter bevordering en marketing van landbouwactiviteiten als steun die bijdraagt tot aandachtsgebied 4B “het verbeteren van het waterbeheer”. De resultaatindicator voor dit aandachtsgebied was “het percentage landbouwgrond onder beheerscontracten ter verbetering van het waterbeheer”.

De meeste resultaatindicatoren hebben beperkingen en hiaten

 
 

7.58.

Er zijn weinig resultaatindicatoren waarmee de rechtstreekse effecten van steun worden gemeten. In feite werd met 17 van de 25 resultaatindicatoren voor plattelandsontwikkeling het niveau van de verleende steun gemeten en niet of de steun doeltreffend had bijgedragen tot het aandachtsgebied (32).

 

7.59.

Sommige resultaatindicatoren zijn onnauwkeurig. Een van de indicatoren die zijn opgezet om de effecten van maatregel 7 (“basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden”) te meten is “het percentage van de plattelandsbevolking dat profiteert van verbeterde diensten/infrastructuur”. “Bevolking” wordt gedefinieerd als de “omvang van de bevolking in het gebied (bijv. een gemeente, een groep gemeenten…) die profiteert van de dienst/infrastructuur”. In dergelijke gevallen kunnen de lidstaten de volledige bevolking van de gemeente waar een maatregel is uitgevoerd melden, ongeacht het werkelijke aantal gebruikers dat profiteert van de maatregel. We hadden dit probleem reeds vastgesteld met betrekking tot de voorgaande programmeringsperiode (2007-2013) (33).

 

7.60.

Bij zes van de resultaatindicatoren wordt gebruikgemaakt van steekproefenquêtes naar afgeronde acties met betrekking tot het aandachtsgebied. De methodologie voor de berekening ervan is gebaseerd op algemene richtsnoeren die de Commissie had uitgebracht toen de projectuitvoering reeds was gestart.

Vergelijkbare tekortkomingen bij resultaatindicatoren met betrekking tot rechtstreekse betalingen

 
 

7.61.

Ons onderzoek van de steekproef van rechtstreekse betalingen heeft de belangrijkste tekortkomingen in de prestatiemonitoring ervan bevestigd waarover wij verslag hebben uitgebracht in twee speciale verslagen, namelijk nr. 01/2016: “Is het systeem van de Commissie voor prestatiemeting met betrekking tot de inkomens van landbouwers goed opgezet en gebaseerd op degelijke gegevens?” en nr. 10/2017: “EU-steun voor jonge landbouwers moet doelgerichter worden toegewezen om doeltreffende generatievernieuwing te bevorderen”.

 

7.62.

Een van de doelstellingen van rechtstreekse betalingen aan jonge landbouwers is de “verbetering van het concurrentievermogen van de landbouw”. Er bestaat echter geen duidelijk verband tussen de inhoud van de betalingen en de onderliggende resultaatindicatoren, aangezien hiermee “de toegevoegde waarde voor primaire producenten in de voedingsketen”, “EU-landbouwhandel” en “EU-grondstofprijzen in vergelijking met wereldprijzen” worden gemeten (34).

 

7.63.

We hebben eerder verslag uitgebracht over de doelmatigheid van de vergroeningsbetalingen (35). Wij hadden vastgesteld dat de resultaatindicator van de Commissie waarmee het “aandeel van areaal waarop vergroeningspraktijken worden toegepast” werd gemeten weinig nut had voor de monitoring van de met vergroening behaalde resultaten.

 

7.64.

Naar aanleiding van droogten in 2017 en 2018 stonden sommige lidstaten toe dat landbouwers grond die was bestemd als “ecologisch aandachtsgebied” (36) (voornamelijk braakliggend land) gebruikten voor productie. De lidstaten brachten verslag uit over output en resultaten op basis van de aanvankelijk vastgestelde ecologische aandachtsgebieden van de landbouwers in plaats van het daadwerkelijke gebruik van de grond. Dit had een negatieve invloed op de betrouwbaarheid van de output- en resultaatindicatoren met betrekking tot vergroeningsbetalingen.

Conclusie en aanbevelingen

Conclusie

 
 

7.65.

De meeste afgeronde plattelandsontwikkelingsmaatregelen die wij hadden onderzocht, hadden de verwachte output opgeleverd. Hoewel de lidstaten doorgaans procedures volgden die gericht waren op het verifiëren of projectkosten redelijk waren, maakten ze weinig gebruik van vereenvoudigde kostenopties.

 

7.66.

Wij hebben meerdere tekortkomingen vastgesteld in de manier waarop de Commissie en de lidstaten de GMEK-resultaatindicatoren toepasten om de doelmatigheid van uitgaven voor landbouw en plattelandsontwikkeling van de huidige programmeringsperiode 2014-2020 te meten en hierover verslag uit te brengen. In het voorstel om voor de periode na 2020 een prestatiegericht uitvoeringssysteem voor het GLB in te voeren, stelde de Commissie gemeenschappelijke output-, resultaat- en impactindicatoren vast (37). In ons Advies nr. 7/2018 over het voorstel stelden wij vast dat, hoewel wij ingenomen zijn met de overstap naar een prestatiegericht model, deze indicatoren nog niet volledig waren uitgewerkt (38) en maakten wij specifieke opmerkingen bij de voorgestelde indicatoren (39).

Aanbevelingen

Aanbeveling 7.1 — Pak de tekortkomingen aan in de prestatiemeting en -verslaglegging in het kader van het GLB

Voor de periode na 2020 moet de Commissie rekening houden met de tekortkomingen die wij hebben vastgesteld in het huidige kader om ervoor te zorgen dat de resultaatindicatoren de effecten van maatregelen naar behoren meten en dat zij duidelijk verband houden met de bijbehorende interventies en beleidsdoelstellingen (zie de paragrafen 7.52-7.64).

Streefdatum voor uitvoering: 2020

 

  • (1) 
    Artikel 110, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).
  • (2) 
    Artikel 110, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.
  • (3) 
    De steekproef bestond uit 95 rechtstreekse betalingen, 14 marktmaatregelen, 136 betalingen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma’s en 6 betalingen voor visserij, milieu en klimaatactie.
  • (4) 
    België, Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Cyprus, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. De steekproef omvatte ook drie verrichtingen onder direct beheer.
  • (5) 
    We troffen ook twaalf gevallen aan van niet-naleving zonder financiële impact.
  • (6) 
    Onze berekening van het foutenpercentage is gebaseerd op een representatieve steekproef. Het genoemde cijfer is de beste schatting. Wij hebben 95 % zekerheid dat het geschatte foutenpercentage in de populatie tussen 1,2 % en 3,6 % ligt (de onderste, respectievelijk de bovenste foutengrens).
  • (7) 
    Ontkoppelde steunbetalingen worden verricht voor alle subsidiabele landbouwgrond, ongeacht of die wordt benut voor productie.
  • (8) 
    https://ec.europa.eu/agriculture/direct-support/iacs_en
  • (9) 
    Zie paragraaf 7.17 van ons Jaarverslag 2015, paragraaf 7.13 van ons Jaarverslag 2016 en paragraaf 7.16 van ons Jaarverslag 2017.
  • Zie paragraaf 7.17 van ons Jaarverslag 2015.
  • Zie de paragrafen 7.46-7.55 van ons Jaarverslag 2017.
  • Zie paragraaf 7.15 van ons Jaarverslag 2016 en paragraaf 7.16 van ons Jaarverslag 2017.
  • Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).
  • Zie paragraaf 7.26 van ons Jaarverslag 2016.
  • Zie ook ons Speciaal verslag nr. 07/2017: “De nieuwe rol van de certificerende instanties bij GLB-uitgaven: een goede stap naar een single audit-model maar nog aanzienlijke tekortkomingen op te lossen”.
  • DG AGRI hanteert een aangepast voortschrijdend gemiddelde van financiële correcties en terugvorderingen om zijn corrigerend vermogen te schatten.
  • Spanje (Andalusië en Aragon), Italië (AGREA), Polen en het Verenigd Koninkrijk (Schotland).
  • In paragraaf 7.67 (aanbeveling 5) van ons Jaarverslag 2015 hebben we de Commissie aanbevolen “het controlehandboek van DG AGRI bij te werken door daarin gedetailleerde controleprocedures en documentatievereisten op te nemen voor de verificatie van de door de lidstaten verstrekte gegevens, welke worden gebruikt voor de berekening van financiële correcties”.
  • Naar aanleiding van zijn controle in 2017 betreffende de controlestrategie van DG AGRI voor het GLB 2014-2020 heeft de dienst Interne Audit aanbevolen dat DG AGRI zijn procedure voor de berekening van financiële correcties versterkt en waar nodig het controlehandboek actualiseert.
  • Zie paragraaf 7.37 van ons Jaarverslag 2017.
  • Elk jaar moeten de lidstaten uiterlijk op 15 juli twee reeksen statistische gegevens indienen bij DG AGRI: controlegegevens (een uitgebreide databank die alle begunstigden bevat die aanvragen hebben ingediend, waarbij wordt aangegeven of er bij hen administratieve controles of controles ter plaatse zijn verricht, met vermelding van de resultaten van deze controles) en controlestatistieken (samengevatte resultaten van de controles in het kader van de belangrijkste begrotingsonderdelen).
  • Van de 136 verrichtingen voor plattelandsontwikkeling uit onze steekproef hebben we de 113 maatregelen bekeken die zijn goedgekeurd in het kader van de huidige programmeringsperiode (2014-2020).
  • Zie paragraaf 7.63 van ons Jaarverslag 2017.
  • Zie paragraaf 56 van Speciaal verslag nr. 11/2018: “Nieuwe opties voor de financiering van projecten voor plattelandsontwikkeling: eenvoudiger, maar niet resultaatgericht”.
  • https://ec.europa.eu/info/food-farming-fisheries/key-policies/common-agricultural-policy/cap-glance/cmef_en
  • Speciaal verslag nr. 01/2016: “Is het systeem van de Commissie voor prestatiemeting met betrekking tot de inkomens van landbouwers goed opgezet en gebaseerd op degelijke gegevens?”.
  • De lidstaten moesten de eerste evaluaties voor de periode 2014-2020 eind juni 2019 indienen.
  • Met name in ons Speciaal verslag nr. 12/2013: “Kunnen de Commissie en de lidstaten aantonen dat het aan plattelandsontwikkelingsbeleid toegewezen EU-budget goed besteed is?“; Speciaal verslag nr. 12/2015: “De prioriteit van de EU om een op kennis gebaseerde plattelandseconomie te bevorderen wordt nadelig beïnvloed door slecht beheer van de maatregelen voor kennisoverdracht en adviesverlening”; Speciaal verslag nr. 01/2016: “Is het systeem van de Commissie voor prestatiemeting met betrekking tot de inkomens van landbouwers goed opgezet en gebaseerd op degelijke gegevens?“; Speciaal verslag nr. 10/2017: “EU-steun voor jonge landbouwers moet doelgerichter worden toegewezen om doeltreffende generatievernieuwing te bevorderen”; Speciaal verslag nr. 16/2017: “Programmering van plattelandsontwikkeling: minder complexiteit nodig en meer aandacht voor resultaten”.
  • Speciaal verslag nr. 12/2013: “Kunnen de Commissie en de lidstaten aantonen dat het aan plattelandsontwikkelingsbeleid toegewezen EU-budget goed besteed is?”
  • Zie paragraaf 79 van Speciaal verslag nr. 25/2015: “EU-steun voor plattelandsinfrastructuur: potentieel om aanzienlijk grotere kosteneffectiviteit te bereiken”.
  • 1.2 (“demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties”), 4.2 (“investeringen in de verwerking/afzet en/of ontwikkeling van landbouwproducten”), 4.3 (“investeringen in infrastructuur in verband met de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de land- en bosbouw”), 8.3 (“de preventie van schade aan bossen door bosbranden en natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen”) en 19.4 (“steun voor lopende kosten en dynamisering”).
  • Het “percentage landbouwbedrijven met POP-steun voor investeringen in herstructurering of modernisering” is bijvoorbeeld het totale aantal landbouwbedrijven dat steun ontving voor investeringen in herstructurering en/of modernisering in het kader van maatregel 4, gedeeld door het totaalaantal landbouwbedrijven in het referentiejaar.
  • Zie paragraaf 81 van ons Speciaal verslag nr. 25/2015: “EU-steun voor plattelandsinfrastructuur: potentieel om aanzienlijk grotere kosteneffectiviteit te bereiken”.
  • Zie de paragrafen 71 en 90 van ons Speciaal verslag nr. 10/2017: “EU-steun voor jonge landbouwers moet doelgerichter worden toegewezen om doeltreffende generatievernieuwing te bevorderen”.
  • Zie de paragrafen 7.43-7.54 van ons Jaarverslag 2016 en de paragrafen 26-33 van ons Speciaal verslag nr. 21/2017: “Vergroening: een complexere inkomenssteunregeling, die vanuit milieuoogpunt nog niet doeltreffend is”.
  • Landbouwers met cultuurgrond van meer dan 15 hectaren moeten ervoor zorgen dat ten minste 5 % hiervan een ecologisch aandachtsgebied is dat bestemd is voor ecologisch gunstige elementen, zoals braakliggend land of hagen en bomen.
  • Zie bijlage I bij COM(2018) 392: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad.
  • Advies nr. 7/2018, paragraaf 70.
  • Advies nr. 7/2018, bijlage I.

BIJLAGE 7.1

RESULTATEN VAN DE TOETSING VAN VERRICHTINGEN VOOR “NATUURLIJKE HULPBRONNEN”

 
 

2018

2017

OMVANG EN STRUCTUUR VAN DE STEEKPROEF

Rechtstreekse betalingen

95

121

Marktmaatregelen, plattelandsontwikkeling, visserij, milieu en klimaatactie

156

109

Totaal aan verrichtingen voor “Natuurlijke hulpbronnen”

251

230

GESCHATTE IMPACT VAN KWANTIFICEERBARE FOUTEN

Geschat foutenpercentage: “Natuurlijke hulpbronnen”

2,4 %

2,4 %

 

Bovenste foutengrens (UEL)

3,6 %

 
 

Onderste foutengrens (LEL)

1,2 %

 

BIJLAGE 7.2

INFORMATIE OVER EU-MAATREGELEN IN DE LIDSTATEN OF REGIO’S

OVERZICHT VAN DE RESULTATEN VAN DE TOETSING VAN VERRICHTINGEN VOOR ELKE LIDSTAAT VOOR MARKTMAATREGELEN, PLATTELANDSONTWIKKELING, VISSERIJ, MILIEU EN KLIMAATACTIE (1)

Bron: ERK.

 

  • (1) 
    Met uitzondering van de drie onderzochte verrichtingen onder direct beheer.

BIJLAGE 7.3

FOLLOW-UP VAN EERDERE AANBEVELINGEN

 

Jaar

Aanbeveling van de Rekenkamer

Door de Rekenkamer verrichte analyse van de geboekte vooruitgang

Volledig uitgevoerd

In uitvoering

Niet uitgevoerd

Niet langer van toepassing

Ontoereikend bewijs

In de meeste opzichten

In enkele opzichten

2015

7.67. Naar aanleiding van deze beoordeling en de bevindingen en conclusies voor 2015 bevelen wij de Commissie aan om voor het ELGF:

           

Aanbeveling 1: haar inspanningen voort te zetten om follow-up te geven aan gevallen waarin de nationale wetgeving niet in overeenstemming is met de EU-wetgeving, met inbegrip van alle haar ter beschikking staande rechtsmiddelen, met name opschorting van betalingen;

X

         

Aanbeveling 2: de resultaten van de door de lidstaten verrichte LPIS-kwaliteitsbeoordelingen jaarlijks te monitoren, en te controleren of alle lidstaten met negatieve beoordelingen daadwerkelijk de nodige corrigerende maatregelen nemen;

X

         

voor plattelandsontwikkeling:

           

Aanbeveling 3: te zorgen dat alle actieplannen van de lidstaten voor de aanpak van fouten bij plattelandsontwikkeling doeltreffende maatregelen omvatten inzake overheidsopdrachten;

X

         

voor het ELGF en plattelandsontwikkeling:

           

Aanbeveling 4: te monitoren of de certificerende instanties hun werkzaamheden en methodologie verbeteren ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven, en dit actief te ondersteunen, zodat zij betrouwbare informatie aanleveren voor de raming door de Commissie van het aangepaste foutenpercentage;

X

         

Aanbeveling 5: het controlehandboek van DG AGRI bij te werken door daarin gedetailleerde controleprocedures en documentatievereisten op te nemen voor de verificatie van de door de lidstaten verstrekte gegevens die worden gebruikt voor de berekening van financiële correcties;

X

         

voor visserij:

           

Aanbeveling 5: te zorgen dat de conformiteitscontroles van DG MARE meer in overeenstemming zijn met de internationale controlestandaarden.

X

         

HOOFDSTUK 8

Veiligheid en burgerschap

INHOUD

 

Inleiding

8.1-8.5

Korte beschrijving van de MFK-rubriek

8.2-8.4

Reikwijdte en aanpak van de controle

8.5

Deel 1: Regelmatigheid van de verrichtingen

8.6-8.17

Onderzoek van de geselecteerde systemen

8.8-8.16

Gedeeld beheer AMIF en het ISF

8.8-8.10

Direct/indirect beheer AMIF en het ISF

8.11-8.13

Programma Levensmiddelen en diervoeders

8.14-8.16

Jaarlijkse activiteitenverslagen en andere governanceregelingen

8.17

Conclusies en aanbevelingen

8.18

Deel 2: Prestaties

8.19-8.20

Inleiding

 
 

8.1.

Dit hoofdstuk bevat onze bevindingen voor MFK-rubriek “Veiligheid en burgerschap”. Kader 8.1 geeft een overzicht van de kernactiviteiten en de uitgaven in deze rubriek voor 2018.

Kader 8.1

MFK-rubriek “Veiligheid en burgerschap” — Uitsplitsing 2018

 

Uitsplitsing betalingen:

Betalingen en controlepopulatie:

  • (1) 
    Gegevens omvatten uitgaven aan consumenten, justitie, rechten, gelijkheid en burgerschap.
  • (2) 
    Voorschotten en verrekeningen zijn in overeenstemming met de geharmoniseerde definitie van onderliggende verrichtingen (zie voor nadere gegevens bijlage 1.1 , paragraaf 13).

Bron:

Geconsolideerde rekeningen 2018 van de Europese Unie.

Korte beschrijving van de MFK-rubriek

 
 

8.2.

Onder deze rubriek vallen verschillende beleidsterreinen die als gemeenschappelijk doel hebben het concept EU-burgerschap te versterken door een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen tot stand te brengen.

 

8.3.

Zoals weergegeven in kader 8.1 , is migratie en veiligheid het belangrijkste uitgaventerrein. De meeste uitgaven zijn bijgevolg afkomstig van twee fondsen: het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) (1) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF) (2). Het beheer van de meeste AMIF- en ISF-middelen wordt gedeeld tussen de lidstaten en DG Migratie en Binnenlandse Zaken (DG HOME) van de Commissie. De doelstelling van het AMIF is bij te dragen tot het doeltreffend beheer van migratiestromen en de totstandbrenging van een gemeenschappelijke benadering van asiel en immigratie door de EU. Het ISF is erop gericht in de EU een hoog veiligheidsniveau te bewerkstelligen. Het beschikt over twee instrumenten (3): ISF Grenzen en visa, en ISF Politie. Het eerste ondersteunt maatregelen voor een geharmoniseerd grensbeheer en de ontwikkeling van een gemeenschappelijk visumbeleid en het tweede is gericht op samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties en op de verbetering van de capaciteit om aan veiligheid gerelateerde risico's en crises te beheren.

 

8.4.

Een ander aanzienlijk deel van de begrotingsrubriek wordt gebruikt voor de financiering van 13 gedecentraliseerde agentschappen (4) die zich bezighouden met de uitvoering van de belangrijkste prioriteiten van de EU op het gebied van migratie en veiligheid, justitiële samenwerking en gezondheid. Daarna volgt het programma Levensmiddelen en diervoeders, dat de gezondheid van mensen, dieren en planten in alle schakels van de voedselketen wil waarborgen, en het programma Creatief Europa, het EU-kaderprogramma waarmee de culturele en de audiovisuele sector wordt ondersteund. Tot slot dekt de begroting een aantal programma’s die gericht zijn op de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstelling van het terrein veiligheid en burgerschap; dit zijn programma’s op het gebied van justitie, consumenten, en rechten, gelijkheid en burgerschap.

Reikwijdte en aanpak van de controle

 
 

8.5.

We onderzochten een steekproef van 18 verrichtingen, die zodanig was opgezet dat deze ons hielp ons een beeld te vormen van de uitgaven uit de begroting als geheel, maar niet representatief hoefde te zijn voor alle soorten uitgaven in het kader van deze MFK-rubriek (d.w.z. dat we het totale foutenpercentage dat op deze rubriek van invloed is niet geschat hebben), waarbij we de in bijlage 1.1 uiteengezette controleaanpak en -methoden hebben toegepast. Deze keuze werd ingegeven door het betrekkelijk lage niveau van betalingen voor dit beleidsterrein in 2018 (ongeveer 2 % van het EU-totaal). De steekproef bestond uit zeven verrichtingen onder gedeeld beheer met de lidstaten (5), zes onder direct beheer en twee onder indirect beheer van de Commissie, en drie waarbij voorschotten aan de agentschappen werden verrekend. We onderzochten ook het volgende voor “Veiligheid en burgerschap” in 2018:

  • a) 
    de voornaamste systemen die door DG HOME en de lidstaten worden gebruikt om zekerheid te verschaffen over de regelmatigheid van betalingen uit het AMIF en het ISF, en de systemen die door DG Gezondheid en Voedselveiligheid van de Commissie (DG SANTE) worden gebruikt om zekerheid te verschaffen over de regelmatigheid van betalingen in het kader van het programma Levensmiddelen en diervoeders;
  • b) 
    de betrouwbaarheid van de informatie over de regelmatigheid in de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG HOME en DG SANTE, de consistentie van de methodologie voor de raming van risicobedragen, toekomstige correcties en terugvorderingen;
  • c) 
    voor deel 2 van dit hoofdstuk richtten we ons op prestatie-indicatoren voor het AMIF en het ISF.

Deel 1: Regelmatigheid van de verrichtingen

 
 

8.6.

Drie (17 %) van de achttien door ons onderzochte verrichtingen bevatten fouten, waarvan één kwantificeerbaar was en boven de materialiteitsdrempel van 2 % lag. Dit was een verrichting onder gedeeld beheer in het kader van het AMIF in Spanje (fout van 9,4 %), zoals toegelicht in kader 8.2 . Omdat het niet de bedoeling was dat de steekproef representatief zou zijn voor de uitgaven binnen deze rubriek, hebben we het totale foutenpercentage niet berekend.

Kader 8.2

Bewijsstukken van vertolkingsdiensten waren niet altijd toereikend

 

In Spanje steunt het AMIF de nationale autoriteiten bij de verwerking van asielaanvragen door middel van cofinanciering van vertolkingsdiensten voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Wij controleerden de stukken van een steekproef van tien tolksessies om vast te stellen of er aan de betalingsvoorwaarden was voldaan. We stelden vast dat bij één sessie de documentatie niet overeenstemde met de gedeclareerde uren, niet aangaf hoeveel mensen werden bijgestaan en niet naar behoren was ondertekend door een ambtenaar van de Spaanse asieldienst. De kosten van deze actie waren daarom te hoog opgegeven.

 

8.7.

Wij stelden bovendien vast dat selectie- en toekenningscriteria bij twee verrichtingen verkeerd waren toegepast, één met betrekking tot een subsidie en één met betrekking tot een contract voor de levering van diensten. Niet-naleving van regels voor selectie en openbare aanbestedingen kan mogelijk invloed hebben op de subsidiabiliteit van de gedeclareerde kosten en kan het goed financieel beheer van EU-uitgaven ondermijnen. Dit lichten wij