r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo Afstudeer hoed man met tas twitter

Oneerlijke Handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen

Tractor op land

Door oneerlijke handelspraktijken in de markt voor voedselvoorziening kunnen met name kleine producenten fors benadeeld worden. Iedere Europese lidstaat neemt zelf in meer of mindere mate maatregelen om oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan. Er is echter geen onderlinge afstemming, wat kan leiden tot oneerlijke concurrentie. De Europese Unie wil graag een oplossing op Europees niveau.

De Europese Commissie heeft in april 2018 een wetsvoorstel ingediend, dat een aantal minimumnormen formuleert die lidstaten moeten hanteren ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken. Dit na aandringen van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.

De commissie-Landbouw van het Europees Parlement heeft het wetsvoorstel op maandag 1 oktober 2018 behandeld en daarbij een aantal amendenten voorgesteld. Het Europees Parlement moet nog plenair over deze amendementen stemmen. De Tweede Kamer heeft in mei 2018 een behandelvoorbehoud gemaakt. Dit betekent dat de minister eerst met de Kamer in gesprek moet voordat zij het Nederlandse standpunt vertegenwoordigt in de Raad. Dit behandelvoorbehoud is ondertussen beëindigd, wat betekent dat er duidelijke afspraken zijn gemaakt tussen minister en Kamer.

Delen

Inhoud

1.

Wat zijn oneerlijke handelspraktijken?

Oneerlijke handelspraktijken benadelen vaak de kleinere (landbouw)producenten in de voedselvoorzieningsketen. Omdat zij meestal weinig alternatieven hebben om hun product bij de consument te brengen, kunnen ze makkelijk gedwongen worden om in te gaan op verzoeken van grotere spelers in de markt. Ook kan het gebeuren dat oneerlijke handelspraktijken zich doorvertalen in prijsverhogingen waar uiteindelijk de kleine producenten de dupe van zijn.

In haar voorstel voor een richtlijn om oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan stelt de Commissie voor dat de lidstaten alle volgende praktijken te verbieden:

  • een afnemer betaalt een leverancier van bederfelijke voedingsproducten later dan dertig dagen na ontvangst van de goederen dan wel factuur;
  • een afnemer annuleert een bestelling van bederfelijke voedingsproducten op zo een korte termijn dat een leverancier niet meer de mogelijkheid heeft om deze producten opnieuw te verkopen;
  • een afnemer wijzigt eenzijdig en met terugwerkende kracht de voorwaarden van de overeenkomst die verband houden met de frequentie, timing of omvang van de levering dan wel de kwaliteitsnormen of prijzen van de voedingsproducten;
  • een leverancier betaalt voor verspilling van voedingsproducten die zich voordoet bij en wordt veroorzaakt door de afnemer

Ook wil de Commissie dat de lidstaten ervoor zorgen dat de volgende handelspraktijken worden verboden wanneer daar geen duidelijke afspraken over zijn gemaakt bij het sluiten van een leveringsovereenkomst:

  • een afnemer retourneert onverkochte voedingsproducten aan de leverancier;
  • een afnemer vraagt een vergoeding aan de leverancier voor de opslag, uitstalling of opname in het assortiment van voedingsproducten van de leverancier;
  • een leverancier betaalt voor de promotie van voedingsproducten die door de afnemer worden verkocht;
  • een leverancier betaalt voor de marketing van voedingsproducten door de afnemer

2.

Hoe wil de EU oneerlijke handelspraktijken bestrijden?

Hierboven is al beschreven welke handelspraktijken de Europese Commissie als oneerlijk beschouwt en daarom graag wil laten verbieden door de lidstaten. In juni 2016 stemde het Europees Parlement in met een resolutie waarin het de Commissie opriep om een voorstel in te dienen met maatregelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken. De Raad vroeg de Commissie in december 2016 om uit te zoeken wat de effecten van dergelijke maatregelen zouden zijn.

In april 2018 diende de Commissie een wetsvoorstel in met betrekking tot deze kwestie. De inhoud van het voorstel is op te delen in drie concrete initiatieven die vooral de kleinere producenten in de voedselvoorzieningsketen moeten beschermen:

  • 1. 
    Het creëren van een gemeenschappelijk wettelijk kader binnen de EU dat een minimum aan beschermingsmaatregelen voorschrijft. Dit komt er op neer dat lidstaten er in ieder geval voor moeten zorgen dat de eerder beschreven handelspraktijken verboden worden. Lidstaten mogen zelf strengere regels hanteren, mits deze in overeenstemming zijn met de regels van de Europese interne markt;
  • 2. 
    Handhaving van deze regels. Iedere lidstaat moet een autoriteit aanwijzen die gaat voorzien in de handhaving van deze beschermingsmaatregelen. Deze autoriteit moet de bevoegdheid krijgen om onderzoek te doen, overtredingen te beëindigen en boetes uit te delen. Daarnaast moet de handhavende autoriteit de mogelijkheid hebben om haar werkwijze openbaar te maken, met het oog op het afschrikkende effect dat daar vanuit kan gaan;
  • 3. 
    Afstemming tussen nationale autoriteiten. De Commissie wil dat de autoriteiten uit de verschillende lidstaten met elkaar gaan samenwerken. Hoewel de lidstaten hiervoor verantwoordelijk zijn wil de Commissie deze samenwerking wel faciliteren door middel van het organiseren van een jaarlijkse vergadering en het beheren van een website die informatie-uitwisseling mogelijk maakt. Daarnaast moeten de autoriteiten hun jaarverslag indienen bij de Commissie.

In haar voorstel schrijft de Commissie dat Europese wetgeving nodig is omdat marktdeelnemers, met name landbouwproducenten, op dit moment onvoldoende beschermd zijn. Niet alle lidstaten nemen maatregelen tegen oneerlijke handelspraktijken, en als deze er wel zijn worden ze niet altijd effectief gehandhaafd. Ook in het feit dat er geen onderlinge afstemming is tussen lidstaten en dus geen stimulans om maatregelen aan te passen ziet de Commissie aanleiding om met Europese wetgeving te komen.

3.

Positie van de Nederlandse overheid

Het Nederlandse kabinet vindt dat in het voorstel van de Commissie de juiste balans is gevonden tussen harmonisatie van wetgeving enerzijds en flexibiliteit voor lidstaten anderzijds. Het kabinet ondersteunt het wetsvoorstel dan ook, hoewel het benadrukt dat er ook in het regeerakkoord speciale aandacht is voor dit onderwerp.

De Tweede Kamer vindt dit een belangrijk onderwerp en heeft bij dit voorstel een behandelvoorbehoud laten vastleggen. Dit betekent dat de vaste Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit graag afspraken met de minister maakt over de onderhandelingen die zij voert in de Raad. De Kamer wil graag met regelmaat op de hoogte worden gehouden over deze onderhandelingen, met name waar het gaat over de lijst van verboden handelspraktijken, de bevoegdheden van de handhavingsautoriteit en het toepassingsgebied van de wetgeving.

Daarnaast wil de Kamer tijdig door de minister geïnformeerd worden wanneer zij in de onderhandelingen moet afwijken van het standpunt van het Nederlandse kabinet, of wanneer er belangrijke wijzigingen plaatsvinden in het wetsvoorstel. Ook wil de Kamer geïnformeerd worden wanneer het erop lijkt dat het wetsvoorstel goedgekeurd wordt.

Wat betreft de inhoud wil de Kamer graag dat de minister nadenkt over eventuele aanvullingen op de lijst van verboden handelspraktijken.

Op dinsdag 25 september 2018 werd het behandelvoorbehoud in de Tweede Kamer beëindigd. Dit betekent dat de hierboven beschreven afspraken tussen minister en Kamer officieel vastgesteld zijn.

4.

Stand van zaken

Het wetsvoorstel wordt behandeld in een gewone wetgevingsprocedure. Dit betekent dat zowel het Europees Parlement als de Raad van de Europese Unie het goed moeten keuren. De commissie-Landbouw van het Europees Parlement heeft het voorstel op 1 oktober 2018 behandeld en een aantal amendementen voorgesteld.

De wetgeving moet volgens het Parlement betrekking hebben op alle spelers in de voedselvoorzieningsketen en niet alleen op de kleinere leveranciers en de grote afnemers. Daarnaast moet de wetgeving niet alleen op voedsel van toepassing zijn maar op alle landbouwproducten en eventueel aanvullende diensten.

Ook wil het Europees Parlement de volgende zaken verbieden:

  • een afnemer betaalt een leverancier van houdbare voedingsproducten later dan 60 dagen na ontvangst van de goederen dan wel factuur
  • een bestelling van bederfelijke voedingsproducten wordt geannuleerd op een termijn korter dan 60 dagen tot de afgesproken leveringsdatum (het voorstel van de commissie bevat geen concrete deadline)
  • een afnemer weigert een contract te tekenen op redelijk verzoek van een leverancier, of een afnemer weigert de leverancier te voorzien van voldoende informatie met betrekking tot de levering van de goederen
  • een afnemer maakt misbruik van vertrouwelijke informatie afkomstig uit de leveringsovereenkomst
  • een afnemer eist compensatie van de leverancier wanneer hij de producten voor minder dan de aankoopprijs moet verkopen, tenzij hier van tevoren afspraken over zijn gemaakt

Tenslotte wil het Europees Parlement graag dat leveranciers klachten zo dicht mogelijk bij huis kunnen indienen, ook al is de oorzaak van de klacht elders in de EU ontstaan.

Het Europees Parlement moet nog plenair stemmen over de amendementen. Wanneer deze worden aangenomen kan ook de Raad zich over het wetsvoorstel inclusief amendementen gaan buigen. De meeste nationale parlementen hebben het voorstel nog in behandeling.

Delen

Terug naar boven