r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Relatie EU - Verenigd Koninkrijk

De relatie tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie is in de loop der jaren vaak moeizaam geweest. Het Verenigd Koninkrijk koos er op 23 juni 2016 in een referendum dan ook bij meerderheid voor zich terug te trekken uit de EU. Na de voortslepende onderhandelingen met de EU - met als gevolg verschillende malen uitstel - bereikten de EU en het VK op 17 oktober 2019 een brexit-akkoord en verliet het Verenigd Koninkrijk op 31 januari 2020 de EU officieel.

Sinds het begin van de oprichting van de voorlopers van de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Economische Gemeenschap, willen de Britten wel samenwerken met de EU, maar zelden met volle overtuiging. Zelfs als volwaardig lid van de EU (van 1973 t/m 2019) deed het VK niet mee met de euro en diverse beleidsterreinen, met name op het terrein van immigratie en sociale regelgeving. Ook stemmen de Britten in de Raad van Ministers meer dan enig ander land tegen voorstellen voor Europese wetgeving.

Inhoud

1.

Toetreding EU: Meedoen of niet?

De Britten komen er toch bij

Het Verenigd Koninkrijk hield de boot af toen in de jaren vijftig van de twintigste eeuw de Europese samenwerking begon. Alleen op defensiebeleid deed het VK graag mee, als lid van de NAVO, maar met behoud van eigen soevereiniteit.

Toen het land in de jaren zestig alsnog mee wilde doen, blokkeerde de Franse president Charles de Gaulle een Brits lidmaatschap tot tweemaal toe met een veto. Als gevolg daarvan trad het VK pas in 1973 toe tot de Europese Gemeenschap.

Al snel daarna, in 1978, kwam premier Margaret Thatcher aan de macht in het Verenigd Koninkrijk. Zij moest niets hebben van diepere integratie of verdere overdracht van bevoegdheden. Europa was van de lidstaten, zo vond Thatcher. Zij wilde dan ook onder geen beding meedoen aan de voorloper van de Europese Monetaire Unie (EMU). Daarmee zou de ruimte voor het Verenigd Koninkrijk om de koers van het eigen pond te bepalen, worden ingeperkt.

Thatcher was wel groot voorstander van de interne markt en het ontmantelen van handelsbelemmeringen. Mede dankzij Britse steun kon de Europese Commissie midden jaren tachtig aan de slag met een ambitieus programma om de interne markt verder open te breken. Met de daarbij behorende bevoegdheden en besluitvormingsprocedures (voor zaken aangaande de interne markt werd het veto van de lidstaten afgeschaft en vervangen door besluiten met gekwalificeerde meerderheid).

Bevestiging uitzonderingspositie: niet overal aan meedoen

De houding van Thatcher bleek typerend. De Britten deden in eerste instantie niet mee met de eerste stappen naar sociaal beleid in de jaren negentig, en wilden ook niet meedoen met samenwerking op het terrein van immigratie onder het Schengen-verdrag.

Het Verenigd Koninkrijk ondertekende het Verdrag van Maastricht pas nadat het een opt-out clausule had bedongen waarin werd vastgelegd dat het niet aan de EMU hoefde mee te doen. Veel later zijn mede dankzij Britse druk de afspraken over strengere begrotingsregels en Europees toezicht op de nationale overheidsfinanciën buiten de Europese verdragen om in een eigen, apart verdrag vastgelegd.

Zelfs met alle uitzonderingen die voor het VK werden gemaakt bleek goedkeuring van het verdrag door het Britse parlement een lastige aangelegenheid. De toenmalige Britse premier Major overleefde maar net een motie van wantrouwen omdat een deel van zijn eigen partij, de Conservatieven, tegen het verdrag was en bleef.

2.

Roep om een brexit

Heronderhandelingen

De opkomst van de UK Independence Party, UKIP, gaf aan dat het een deel van Britten menens was over de vraag of ze uit de EU wilden stappen. Was de partij eind vorige eeuw nog piepklein, bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004 behaalde de partij 16,1 procent van de stemmen en tien jaar later werd het zelfs de grootste Britse partij in het Europees Parlement. Ook in de nationale verkiezingen werd UKIP een factor van betekenis, en kon het haar roep om een brexit steeds sterker kracht bijzetten.

Belangrijker nog was dat de Conservatieve Partij al langere tijd verdeeld was over de kwestie van het EU-lidmaatschap. Partijleider en premier David Cameron stelde in een speech in 2013 dat het Britse vertrouwen in de Europese Unie flinterdun was. Hij gaf aan dat het VK wilde heronderhandelen over de Europese verdragen.

Kernpunten uit de zogenaamde Bloomberg-speech van Cameron waren minder overdracht van bevoegdheden op het gebied van sociaal beleid en justitie, betere mogelijkheden voor nationale parlementen om meer controle te kunnen uitoefenen, en minder regelgeving. Daarnaast mochten Europese regels de toegang tot de interne markt van niet-eurolanden zeker niet in de weg zitten. De interne markt, de strijd tegen klimaatverandering, het handelsbeleid en de aanpak van terrorisme en georganiseerde misdaad waren voorbeelden van terreinen waar de EU juist meerwaarde had. Cameron wilde niet uit de EU, maar wilde wel het ongenoegen over een aantal zaken, zoals de immigratie van Oost-Europeanen, aanpakken.

In een uitvoerige en veelomvattende serie rapporten van alle departementen uit 2014 werd gekeken naar de impact van de EU op de Britse samenleving. De conclusie was opmerkelijk: het EU-lidmaatschap is goed voor het Verenigd Koninkrijk. Ook de balans tussen Europese en nationale regels en bevoegdheden was goed, een enkele uitzondering daargelaten. Deze 'meest uitvoerige analyse ooit' paste niet in het verhaal dat de Britse regering uitdroeg. Uitgesproken tegenstanders van het Britse lidmaatschap van de EU en de snel opkomende politieke partij UKIP kraakten de uitkomst van de rapporten.

Ondertussen: belofte voor een referendum

In de campagne voor de Britse verkiezingen op 7 mei 2015 was de vraag of er een referendum over het Britse EU-lidmaatschap moest komen een belangrijk thema. Met name UKIP hamerde op het houden van een referendum. Premier David Cameron beloofde zo'n referendum als hij herkozen zou worden. Hij won de verkiezingen en hield woord. Op 9 juni 2015 stemde het Lagerhuis in met het voorstel van Cameron om een referendum te houden over het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk.

Het zette extra druk op de onderhandelingen: Cameron moest een resultaat behalen om de Britse kiezer tevreden te stellen. Zonder akkoord bestond de reële kans dat de Britten tegen lidmaatschap van de EU zouden stemmen.

Onderhandelingen en concessies

In 2015 en 2016 onderhandelden de regering Cameron en de andere lidstaten over het hervormen van de Europese Unie. Tijdens de Europese Raad op 18 en 19 februari 2016 werd een akkoord bereikt over 'een nieuwe regeling voor het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie'. Er werden een aantal afspraken gemaakt:

  • Het moest voor nationale parlementen eenvoudiger worden om wetgeving te vertragen. Als 55 procent van de nationale parlementen oordeelt dat nieuwe wetten niet stroken met het subsidiariteitsbeginsel, moet het wetsontwerp op de agenda van de Raad worden geplaatst voor nadere bespreking.
  • Groot-Brittannië werd uitgesloten van de zinsnede 'an ever closer union', waarmee bevestigd werd dat het Verenigd Koninkrijk niet mee hoefde te doen aan verdere politieke integratie.
  • Als het systeem van sociale zekerheid te zwaar onder druk stond, omdat EU-burgers uit andere lidstaten er een beroep op doen, kon een 'noodremsysteem' worden geactiveerd. Landen konden werknemers in dat geval de eerste vier jaar dat ze in het land werken, bepaalde sociale voorzieningen ontzeggen. Deze noodrem mocht zeven jaar van kracht zijn, zonder verlengingsmogelijkheid.
  • De kinderbijslag voor kinderen die niet in het land wonen waar de ouder werkt, zou worden aangepast. De levensstandaard van het land waar het kind woont is hierin leidend. Alle EU-landen mogen deze maatregel toepassen voor nieuwe gevallen en vanaf 2020 ook voor bestaande gevallen.
  • Landen met de euro als munteenheid zullen rekening houden met het effect van beslissingen op landen die de euro niet hebben. Groot-Brittannië mocht op haar beurt, geen maatregelen treffen die de eurozone kunnen schaden.

Referendum

Het referendum vond plaats op 23 juni 2016, na een felle en harde campagne van voor- en tegenstanders van Brits lidmaatschap van de EU. De Britse kiezers spraken zich met een kleine meerderheid uit tegen het EU-lidmaatschap. In totaal stemde 51,9 procent van de kiezers voor een Brits vertrek. Cameron verbond meteen politieke consequenties aan de stap: hij kondigde zijn aftreden aan. Theresa May verving Cameron als premier van het Verenigd Koninkrijk. Haar belangrijkste taak: het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie leiden. Zij bereikte een akkoord over de brexit met de EU, maar kreeg daarvoor geen steun in haar eigen parlement. May werd opgevolgd door Boris Johnson. Die bereikte enkele aanpassingen in het brexit-akkoord en slaagde erin zijn brexit-voorstel door het Britse parlement te loodsen.

meer over de brexit

3.

Relatie EU en VK na brexit

Wat de EU-lidstaten en het VK na 31 januari 2020 te wachten staat, is nog erg onduidelijk. Op 1 februari 2020 is een overgangsperiode begonnen. Vanaf die dag hebben de Britten geen zeggenschap meer in EU-organen, maar blijven ze wel nog gewoon onderdeel van de Europese interne markt, de douane-unie, en andere samenwerkingsverbanden. Deze transitieperiode loopt in ieder geval tot 31 december 2020 en kan met wederzijdse instemming van de EU en het VK één keer met 2 jaar worden verlengd.

Hoe de relatie precies vorm krijgt hangt af van verdere onderhandelingen tijdens de overgangsfase. Zowel de Britten als de EU willen op veel beleidsterreinen nauw blijven samenwerken en de handelsrelatie zal voor beide partijen een heel belangrijke zijn.

Terug naar boven