r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo Afstudeer hoed man met tas twitter

Eerlijke belastingheffing in de digitale economie

Pierre Moscovici
Bron: European Commission

Snelle digitale ontwikkelingen leiden tot een levendige markt waarin bedrijven digitale diensten aanbieden. De Europese Unie wil graag dat lidstaten hun belastingstelsel gaan afstemmen op de toenemende aanwezigheid van dit soort digitale bedrijven. Omdat deze bedrijven, zoals Facebook en Netflix, zich veel sneller ontwikkelen dan bedrijven met traditionele bedrijfsmodellen, wil de EU digitale bedrijfsvoering apart gaan belasten.

De Europese Commissie heeft twee wetsvoorstellen gedaan met betrekking tot dit onderwerp. Het eerste voorstel betreft het invoeren van een tijdelijke digitaledienstenbelasting (DDB). Het doel van deze wetgeving is om bedrijven te belasten op de plek waar hun waarde wordt gecreëerd. Het tweede voorstel gaat over het belasten van de aanmerkelijke digitale aanwezigheid van bedrijven in een lidstaat door middel van de vennootschapsbelasting. Hoewel het belang van belastingregels voor de digitale economie wordt erkend, is er discussie over de vraag of dat deze kwestie op Europees niveau moet worden aangepakt. Belastingheffing wordt namelijk vaak als exclusieve taak voor de nationale overheid beschouwd.

De twee wetsvoorstellen die de Europese Commissie heeft ingediend zullen naar verwachting in januari 2019 behandeld worden in het Europees Parlement. Het gaat dan om een raadpleging. Belangrijker is echter dat de Raad van de Europese Unie de voorstellen officieel moet goedkeuren. Op 8 september 2018 heeft de Raad al een principeakkoord bereikt over het invoeren van de DDB. De details hiervan worden op dit moment verder uitgewerkt. Dit moet leiden tot een definitief akkoord.

Delen

Inhoud

1.

Het probleem van de huidige belastingregels

Vanwege de snelle ontwikkelingen op het gebied van digitale technologie ontstaan er grote verschillen tussen digitale bedrijven en traditionele bedrijven. Dit heeft onder andere te maken met een verouderd belastingstelsel. Op dit moment is het zo dat bedrijven alleen belasting betalen in het land waar ze een of meerdere kantoren hebben. Digitale bedrijven kunnen echter in meerdere landen actief zijn en omzet genereren zonder daar fysiek aanwezig te zijn. Denk bijvoorbeeld aan Google of Spotify. Bij digitale multinationals is het zo dat 50 procent van de filialen zich in buitenland bevindt. Bij traditionele multinationals is dat 80 procent, volgens cijfers van de Europese Commissie. Met de huidige belastingregels is het dus moeilijk om grip te krijgen op de digitale bedrijfsvoering. Zo is het lastig om vast te stellen hoe een bedrijf winst maakt, en wat de waarde is van zijn digitale bezittingen. Dit heeft ertoe geleid dat digitale bedrijven ondertussen slechts de helft aan belasting betalen vergeleken met wat traditionele bedrijven betalen.

Volgens de Europese Commissie is er een eerlijke en effectieve belastingheffing nodig om optimaal gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden van de digitale markt. Bij een openbare raadpleging van de Commissie gaf meer dan tachtig procent van de respondenten aan dat de huidige internationale belastingregels moeten worden aangepast aan de digitale economie. Omdat deze digitale economie grensoverschrijdend is vindt de Commissie dat een oplossing op Europees niveau gerechtvaardigd is. De Commissie wil graag een stabiel fiscaal kader scheppen zodat bedrijven in een eerlijk en voorspelbaar ondernemingsklimaat gebruik kunnen blijven maken van de nieuwe marktdynamiek die de digitalisering veroorzaakt.

2.

Belastingvoorstellen Europese Commissie

Om het hierboven beschreven probleem op te lossen heeft de Europese Commissie twee wetsvoorstellen ingediend. Het eerste voorstel gaat over het invoeren van een digitaledienstenbelasting (DDB). De Commissie beschrijft dit als een tijdelijke oplossing die kan worden gebruikt om alle bedrijven binnen de Unie, digitaal of niet, gelijke kansen te geven. Omdat het ontwikkelen en implementeren van een algehele oplossing op Unie-niveau veel tijd kan vergen, stelt de Commissie de DDB voor als tijdelijke oplossing. Wanneer iedere lidstaat namelijk zelf maatregelen gaat nemen om de digitale economie te belasten ontstaat er versnippering, wat schade kan toebrengen aan het concurrentievermogen van de EU.

De DDB zou in de hele Unie worden vastgesteld op 3 procent en is van toepassing op inkomsten die worden verworven met de levering van een van de onderstaande diensten:

  • 1. 
    Het plaatsen van advertenties op een digitale toepassing;
  • 2. 
    Het doorspelen van data die over de gebruikers van een digitale toepassing verzameld zijn (bijvoorbeeld van profielen op social media);
  • 3. 
    Het ter beschikking stellen van bemiddelingsdiensten, waardoor gebruikers met elkaar in contact kunnen komen en waardoor ook rechtstreekse levering van goederen of diensten tussen gebruikers kan plaatsvinden (denk aan eBay of Airbnb).

Een bedrijf moet de DDB betalen wanneer er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. 
    Het totale bedrag aan wereldwijde inkomsten van een bedrijf voor het laatste boekjaar is hoger dan 750 miljoen euro
  • 2. 
    Het totale bedrag aan belastbare inkomsten dat een bedrijf in dat boekjaar binnen de EU heeft verworven is hoger dan 50 miljoen euro

Deze drempels zijn ingesteld om met name de grotere bedrijven te belasten. Bedrijven met de omvang om een dergelijke omzet te draaien zouden meer voordeel halen uit het gebruik van digitale netwerken. Bedrijven moeten de DDB betalen in de lidstaat waar de gebruikers van de betreffende digitale dienst(en) zich bevinden. De locatie van de gebruikers wordt bepaald aan de hand van hun IP-adres.

Om tot een algehele oplossing voor het probleem te komen heeft de Europese Commissie nog een tweede wetsvoorstel ingediend. Dit voorstel betreft een richtlijn over het belasten van de aanmerkelijke digitale aanwezigheid van bedrijven in een lidstaat door middel van de vennootschapsbelasting. Deze richtlijn zou lidstaten de mogelijkheid geven om belasting te heffen op winsten die bedrijven binnen hun landsgrenzen maken, zelfs als deze bedrijven daar geen kantoor hebben. De richtlijn zou van toepassing zijn op bedrijven met een aanmerkelijke digitale aanwezigheid binnen een EU-lidstaat.

Aanmerkelijke digitale aanwezigheid houdt in dat de werkzaamheden van een bedrijf voor een groot deel bestaan in de levering van digitale diensten, waarbij er aan een of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. 
    De inkomsten uit de levering van deze digitale diensten binnen een belastingperiode zijn hoger dan 7 miljoen euro;
  • 2. 
    Het aantal gebruikers van een of meer van deze digitale diensten is hoger dan 100.000;
  • 3. 
    Het aantal zakelijke overeenkomsten dat binnen een belastingtijdperiode wordt gesloten voor de levering van een digitale dienst is hoger dan 3000.

De richtlijn stelt voor om bedrijven vennootschapsbelasting te laten betalen in die lidstaten waar ze een aanmerkelijke digitale aanwezigheid hebben. Dit zou gaan gelden voor alle vennootschapsbelastingplichtigen binnen de EU. Wanneer een bedrijf zich buiten de EU bevindt kan het alsnog verplicht worden tot het betalen van belasting over aanmerkelijke digitale aanwezigheid binnen een of meerdere Europese lidstaten. Dit is alleen het geval wanneer het bedrijf gevestigd is in een land dat geen dubbelbelastingverdrag heeft met de EU-lidstaat waar het bedrijf inkomsten genereert.

3.

Nederlandse opstelling

Het Nederlandse kabinet verwelkomt de voorstellen van de Commissie en vindt dat deze bijdragen aan de wereldwijde discussie over belastingheffing in de digitale economie. Het kabinet is echter nog niet overtuigd van de inhoudelijke invulling van de voorstellen, en zou graag willen dat er een nadere analyse wordt gedaan van de impact van het voorgenomen beleid. Hoewel de lidstaten ondertussen een principeakkoord hebben gesloten, reageert de Nederlandse regering nog steeds terughoudend. Nederland wil graag een mondiale aanpak en vindt dat de beoogde Europese wetgeving wereldwijde afspraken niet in de weg mag zitten. Ook is de Nederlandse overheid erg actief in het bestrijden van belastingontwijking en -ontduiking, waar zij op sommige onderdelen verder gaat dan Europese of internationale afspraken vereisen.

In de Tweede Kamer is een meerderheid het erover eens dat de voorstellen niet voldoen aan het beginsel van subsidiariteit. Hoewel het belang van belastingregels voor de digitale economie wordt erkend, vindt de Kamer dat dit een taak is voor de nationale overheid, en dat Europese wetgeving daarover niet nodig is. Ook het feit dat er op dit onderwerp al internationale samenwerking plaatsvindt (bijvoorbeeld in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) brengt de Kamer tot het standpunt dat Europese interventie niet nodig is. De Kamer heeft een officieel subsidiariteitsbezwaar ingediend bij de Europese Commissie. Er is onder de lidstaten echter geen meerderheid om een gele kaart te trekken.

4.

Behandeling van de voorstellen

De wetsvoorstellen worden behandeld in een bijzondere wetgevingsprocedure. Omdat het over belastingheffing gaat willen de lidstaten graag zelf zoveel mogelijk de touwtjes in handen houden. Om die reden mag het Europees Parlement in deze wetgevingsprocedure alleen advies geven. De uiteindelijke beslissing wordt genomen door de Raad van de Europese Unie, waarin de lidstaten in dit geval door hun minister van financiële zaken vertegenwoordigd worden. De Raad moet tot een unaniem oordeel komen. Elke lidstaat heeft dus een veto. Op dit moment liggen de wetsvoorstellen klaar voor het Europees Parlement. Dat zal zich er naar verwachting in januari 2019 over buigen. Op zaterdag 8 september 2018 werd bekend dat de Raad al een principe-akkoord heeft bereikt over het invoeren van de tijdelijke digitaledienstenbelasting. In de maanden hierna worden de details verder uitgewerkt. Beoogd wordt om nog voor het einde van 2018 tot een definitief akkoord te komen binnen de Raad.

Delen

Terug naar boven