r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

COM - documenten - Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de toepassing van de facultatieve verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten en van het snellereactiemechanisme tegen btw-fraude

Inhoud

1.

Tekst

EUROPESE COMMISSIE

Brussel, 25.5.2018 COM(2018) 298 final

2018/0150 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de toepassing van de facultatieve

verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten

en van het snellereactiemechanisme tegen btw-fraude

NL NL

TOELICHTING

  • 1. 
    ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
  •  
    Motivering en doel van het voorstel

Dit voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het

gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde 1 (hierna "de btwrichtlijn"

genoemd) strekt tot verlenging 1) van de mogelijkheid die de lidstaten hebben de

verleggingsregeling 2 toe te passen om bestaande fraude met leveringen van goederen en

diensten te bestrijden, zoals bepaald in artikel 199 bis, lid 1, van de btw-richtlijn, en 2) van de mogelijkheid gebruik te maken van het snellereactiemechanisme (QRM) om fraude te bestrijden.

Krachtens artikel 199 bis 3 van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten desgewenst gebruikmaken

van de verleggingsregeling voor de betaling van de btw op leveringen van vooraf bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten, met name in het geval van ploffraude in het intracommunautaire handelsverkeer (MTIC).

Als een lidstaat de verleggingsregeling wil toepassen op andere dan de in artikel 199 bis van de btw-richtlijn genoemde leveringen van goederen en diensten, kan een derogatie worden verleend op basis van artikel 395 van de btw-richtlijn om de belastinginning te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking te voorkomen. Een derogatie op basis van dit artikel kan evenwel pas worden goedgekeurd op voorstel van de Commissie en met unanieme instemming van de Raad, een proces dat verschillende maanden in beslag kan nemen (tot maximaal acht maanden overeenkomstig artikel 395 van de btw-richtlijn). Wanneer een lidstaat plots met grootschalige fraude wordt geconfronteerd, kunnen er door de tijd die nodig is om een derogatie op basis van artikel 395 te krijgen,

aanzienlijke btw-inkomsten verloren gaan. Het in artikel 199 ter 4 van de btw-richtlijn

vastgestelde snellereactiemechanisme voorziet in een snellere procedure om lidstaten toe te staan, onder strikte voorwaarden, de verleggingsregeling in te voeren, en biedt zo een adequater en doeltreffender middel om te reageren op plotse en grootschalige fraude.

De in de artikelen 199 bis en 199 ter vastgestelde maatregelen strekken ertoe de lidstaten in staat te stellen de problematiek van de intracommunautaire ploffraude snel aan te pakken: artikel 199 bis voorziet in de mogelijkheid om de verleggingsregeling toe te passen op de in dat artikel genoemde goederenleveringen en diensten en artikel 199 ter voorziet in een snellere procedure om de verleggingsregeling in te voeren in het geval van plotse en

grootschalige fraude. Beide artikelen vervallen op 31 december 2018 5 .

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel

van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

2 Krachtens artikel 193 van de btw-richtlijn is de belastingplichtige die goederen levert of diensten

verricht, in de regel de persoon die tot voldoening van de btw is gehouden. In afwijking van het systeem van gespreide betaling kan op grond van de verleggingsregeling worden toegestaan dat de

(belastingplichtige) ontvanger als de tot voldoening van de btw gehouden persoon wordt aangewezen.

3 Ingevoegd bij Richtlijn 2013/43/EU van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Richtlijn

2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde

fraudegevoelige goederen en diensten (PB L 201 van 26.7.2013, blz. 4).

4 Ingevoerd bij Richtlijn 2013/42/EU van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Richtlijn

2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een snellereactiemechanisme tegen btw-fraude (PB L 201 van 26.7.2013, blz. 1).

5 Zie artikel 2 van Richtlijn 2013/42/EU van de Raad wat het QRM betreft.

Intracommunautaire ploffraude komt voor wanneer een handelaar goederen, die vanuit een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd, door middel van een van de btw vrijgestelde levering verwerft en nadien doorverkoopt, waarbij hij zijn afnemer btw in rekening brengt. Nadat een dergelijke handelaar de btw van zijn afnemer heeft ontvangen, verdwijnt hij voordat hij het verschuldigde bedrag aan de belastingautoriteiten afdraagt. Tegelijkertijd kan de afnemer, die al dan niet te goeder trouw handelt, de door hem aan zijn leverancier betaalde btw aftrekken via zijn btw-aangifte. De facultatieve verleggingsregeling op basis van artikel 199 bis van de btw-richtlijn is een nuttig instrument dat de lidstaten bij wijze van voorzorg kunnen inzetten om deze vorm van fraude op de vooraf omschreven gevoelige gebieden te bestrijden wanneer zij op hun grondgebied wordt gepleegd. Wanneer de handelaar voor de binnenlandse leveringen in kwestie de verleggingsregeling moet toepassen, kan hij geen btw in rekening brengen en zal hij dus ook geen btw van zijn afnemer ontvangen: bijgevolg kan hij niet met de ontvangen btw verdwijnen. Het QRM van artikel 199 ter is een uitzonderingsmaatregel op grond waarvan de lidstaten een tijdelijke verleggingsregeling kunnen invoeren voor leveringen van goederen en diensten in sectoren waarin er plots op grote schaal fraude wordt gepleegd, en die niet in artikel 199 bis van de btw-richtlijn zijn vermeld. Met behulp van dit mechanisme kunnen de lidstaten de periode overbruggen die nodig is om een normale derogatie op grond van artikel 395 van de btw-richtlijn te krijgen.

Zoals de btw-richtlijn verlangt, heeft de Commissie een verslag voorgelegd over de effecten

van de in artikelen 199 bis en 199 ter van de btw-richtlijn 6 vastgestelde mechanismen. Voor

de opstelling van dit verslag zijn de lidstaten uitgenodigd om hun ervaringen met en oordeel over de maatregelen te geven. Om ervoor te zorgen dat er ook rekening wordt gehouden met de feedback van bedrijven, hebben belanghebbenden uit het bedrijfsleven via de btwdeskundigengroep

7 het verzoek gekregen om hun mening te geven. De lidstaten en de

geraadpleegde belanghebbenden beschouwen de verleggingsregeling van artikel 199 bis van de btw-richtlijn over het algemeen als een effectief en efficiënt tijdelijk instrument in de strijd tegen btw-fraude. Wat het QRM in artikel 199 ter van de btw-richtlijn betreft, zijn de meeste lidstaten van mening dat het een nuttig instrument blijft dat bij wijze van voorzorg kan worden ingezet in uitzonderlijke gevallen van btw-fraude, ook al is dat daadwerkelijk nog nooit gebeurd.

De Commissie heeft onlangs twee wetgevingsvoorstellen ingediend die btw-fraude grondiger moeten helpen aanpakken. Het eerste is een voorstel voor administratieve samenwerking en

fraudebestrijding op het gebied van de btw 8 , dat de samenwerking tussen de lidstaten zal

versterken om grensoverschrijdende fraude efficiënt te bestrijden.

Het tweede is een voorstel waarin de pijlers voor een eenvoudiger en fraudebestendiger

definitief btw-stelsel voor de handel binnen de Unie worden uiteengezet 9 . Deze pijlers zullen

in twee stappen worden geïmplementeerd. In eerste instantie zal de Commissie in de eerste

6 Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de effecten van de artikelen

199 bis en 199 ter van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad op de fraudebestrijding (COM(2018) 118/2).

7 De btw-deskundigengroep assisteert en adviseert de Europese Commissie bij btw-aangelegenheden. De

groep bestaat uit op persoonlijke titel benoemde personen met de vereiste deskundigheid op het gebied van btw en organisaties die met name bedrijven en fiscale professionals vertegenwoordigen, die bij het

ontwikkelen en uitvoeren van btw-beleid assistentie kunnen verlenen.

8 Naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU - Tijd om in actie te komen. Gewijzigd voorstel

voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft maatregelen ter versterking van de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over

de toegevoegde waarde (COM(2017) 706 final).

9 Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft

harmonisering en vereenvoudiging van bepaalde regels in het btw-stelsel en tot invoering van het definitieve stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten (COM(2017) 569

final).

helft van 2018 een voorstel presenteren met de nadere bepalingen voor de werking van de definitieve regeling voor goederenleveringen tussen bedrijven (b2b) binnen de Unie.

Deze regeling, die op 1 juli 2022 in werking moet treden, biedt een fundamentele oplossing voor de intracommunautaire ploffraude. Aangezien het de bedoeling is dat leveringen binnen de Unie daadwerkelijk aan btw worden onderworpen, zou een handelaar niet langer goederen, die vanuit een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd, kunnen verwerven met vrijstelling van btw, hetgeen aan de basis lag van de intracommunautaire ploffraude. Alleen betrouwbare belastingplichtigen met de status van gecertificeerde belastingplichtige zouden goederen die vanuit een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd, kunnen verwerven zonder dat de leverancier de btw in rekening brengt.

Uit het bovenstaande blijkt dat de in de artikelen 199 bis en 199 ter van de btw-richtlijn vastgestelde maatregelen als tijdelijke en doelgerichte maatregelen nuttig zijn geweest. Als zij op 31 december 2018 vervallen, zouden de lidstaten een efficiënt instrument verliezen om fraude te bestrijden.

Het is derhalve passend om de in de artikelen 199 bis en 199 ter vastgestelde maatregelen te verlengen tot 30 juni 2022, datum waarop de definitieve regeling voor b2b-goederenleveringen binnen de Unie in werking moet treden.

Overeenkomstig artikel 199 bis, lid 1, van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten de verleggingsregeling voor een minimumperiode van twee jaar toepassen. De eis van een minimumperiode van twee jaar voor de toepassing van de maatregel bleek belemmerend te werken voor enkele lidstaten die de verleggingsregeling in de loop van 2017 wilden invoeren ter bestrijding van een aantal recent ontdekte gevallen van btw-fraude bij leveringen van goederen en/of diensten die in de lijst van artikel 199 bis zijn opgenomen. De betreffende lidstaten moesten hun derogatieverzoek uiteindelijk indienen op basis van artikel 395 van de btw-richtlijn en door de procedure waarin dit artikel voorziet, liep de reactie van de lidstaten op het fraudeprobleem vertraging op. Daarom wordt voorgesteld om de eis van de minimumperiode van twee jaar te schrappen.

  •  
    Samenhang met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel doet geen afbreuk aan het voorstel van de Commissie wat betreft de tijdelijke

toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling 10 , dat lidstaten die bijzonder hard door

fraude worden getroffen, de mogelijkheid zou bieden onder strikte voorwaarden een algemene (en niet sectorspecifieke) verleggingsregeling in te voeren voor binnenlandse leveringen van goederen en diensten. De reikwijdte en de voorwaarden die voor de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling zijn voorgesteld, verschillen van de voorwaarden in de artikelen 199 bis en 199 ter van de btw-richtlijn.

  • 2. 
    RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
  •  
    Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag voor deze richtlijn tot wijziging van de btw-richtlijn is artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Aangezien het voorstel de toepassing van een aantal bepalingen van de btw-richtlijn verlengt, is een wijziging van de btw-richtlijn nodig.

10 Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het

gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven

een bepaalde drempel (COM(2016) 811 final).

  •  
    Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel mag slechts op het niveau van de Unie worden opgetreden wanneer de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

Het doel, namelijk fraude bestrijden door de toepassing van de verleggingsregeling en door de mogelijkheid om het snellereactiemechanisme in te zetten tegen plotse en grootschalige fraude, kan het best worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie en vindt zijn specifieke rechtsgrond in de btw-richtlijn. De verlenging van deze maatregelen vereist daarom een wijziging van de btw-richtlijn.

  •  
    Evenredigheid

Gelet op het facultatieve en tijdelijke karakter van de verlengde maatregelen staat het voorstel in verhouding tot het nagestreefde doel, namelijk de fraude bij bepaalde leveringen van goederen en diensten bestrijden en de lidstaten helpen gevallen van plotse en grootschalige fraude aan te pakken.

  •  
    Keuze van het instrument

Er is gekozen voor een richtlijn tot wijziging van de btw-richtlijn.

  • 3. 
    EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
  •  
    Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft de feedback van de lidstaten en de belanghebbenden opgenomen in haar verslag over de effecten van de artikelen 199 bis en 199 ter van de btw-richtlijn op de fraudebestrijding.

Zoals in het verslag is beschreven, beschouwen de lidstaten de verleggingsregeling in artikel 199 bis van de btw-richtlijn over het algemeen als een zeer effectief en efficiënt instrument in de strijd tegen btw-fraude. Door de invoering van de verleggingsregeling is de fraude in de omschreven sectoren aanzienlijk gedaald of verdwenen. Hetzelfde standpunt komt naar voren in de antwoorden van de geraadpleegde belanghebbenden, die de verleggingsregeling als een efficiënte, tijdelijke maatregel beschouwen om fraude te bestrijden.

Wat het snellereactiemechanisme in artikel 199 ter van de btw-richtlijn betreft, zijn de meeste lidstaten van mening dat het een nuttig instrument blijft dat bij wijze van voorzorg kan worden ingezet in uitzonderlijke gevallen van plotse btw-fraude, ook al is het nog nooit gebruikt.

  •  
    Bijeenbrengen en gebruik van expertise

De btw-deskundigengroep is geraadpleegd over de effecten van de in artikel 199 bis van de btw-richtlijn vastgestelde maatregel. Volgens de feedback wordt de verleggingsregeling voor de leveringen van goederen en diensten in kwestie beschouwd als een efficiënt, tijdelijk instrument om fraude te bestrijden.

In het algemeen zijn er al beoordelingen van de facultatieve verleggingsregeling verricht in

eerdere studies. Uit een recente studie 11 over de beoordeling van de facultatieve

verleggingsregeling blijkt dat de nalevingskosten voor bedrijven met 43 % zouden stijgen. In

de effectbeoordeling bij het voorstel 12 over de tijdelijke toepassing van een veralgemeende

verleggingsregeling is een evaluatie verricht van een algemene verleggingsregeling voor de interne markt, waarbij ook een vergelijking is gemaakt met de sectorale verleggingsregeling. Gelet op de beperkte werkingssfeer en de beperking in de tijd lijkt de doelgerichte verleggingsregeling geen grote nadelige gevolgen te hebben.

  •  
    Effectbeoordeling

Overeenkomstig dit initiatief worden de maatregelen die in de artikelen 199 bis en 199 ter zijn vastgesteld om de lidstaten te helpen btw-fraude te bestrijden, verlengd totdat er een ingrijpendere hervorming van het btw-stelsel is doorgevoerd.

Gelet op de lopende werkzaamheden van de Commissie in verband met het definitieve btwstelsel en het verwachte effect daarvan op de fraudebestrijding heeft het momenteel weinig zin om, naast het recente verslag, nog andere evaluaties te verrichten of de maatregelen te herzien, omdat er alleen maar voorlopige conclusies zouden kunnen worden getrokken, die opnieuw bekeken zouden moeten worden nadat het definitieve stelsel in werking is getreden.

  • 4. 
    GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel zal geen negatieve gevolgen voor de begroting van de Unie hebben.

  • 5. 
    OVERIGE ELEMENTEN

Het voorstel is in de tijd beperkt.

11 EY, 2014.

12 Effectbeoordeling bij het voorstel betreffende de tijdelijke toepassing van een veralgemeende

verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel (SWD(2016) 457).

2018/0150 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de toepassing van de facultatieve

verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten

en van het snellereactiemechanisme tegen btw-fraude

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement 1 ,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 2 ,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

  • (1) 
    Belastingfraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) leidt tot een aanzienlijke derving van begrotingsinkomsten en heeft een effect op de werking van de interne markt.
  • (2) 
    Op grond van artikel 199 bis van Richtlijn 2006/112/EG 3 van de Raad kunnen de

lidstaten bepalen dat de btw ter zake van de in dit artikel genoemde goederenleveringen en diensten moet worden voldaan door de belastingplichtige aan wie de prestatie wordt geleverd (verleggingsregeling), teneinde snel te kunnen optreden tegen het probleem van ploffraude in het intracommunautaire verkeer. De lidstaten kunnen dit mechanisme toepassen tot en met 31 december 2018, voor een

minimumperiode van twee jaar.

  • (3) 
    De bijzondere maatregel van het snellereactiemechanisme (hierna "QRM" genoemd) die in artikel 199 ter van Richtlijn 2006/112/EG is vastgesteld, biedt de lidstaten een versnelde procedure waarmee zij de verleggingsregeling kunnen invoeren voor specifieke leveringen van goederen en diensten, teneinde plotse en grootschalige btwfraude die tot aanzienlijke en onherstelbare financiële verliezen zou kunnen leiden, te

bestrijden. In overeenstemming met artikel 3 van Richtlijn 2013/42/EU 4 van de Raad

1 PB C van , blz. .

2 PB C van , blz. .

3 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel

van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

4 Richtlijn 2013/42/EU van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG

betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een snellereactiemechanisme tegen btw-fraude (PB L 201 van 26.7.2013, blz. 1).

mogen de lidstaten de bijzondere QRM-maatregel toepassen tot en met 31 december

2018.

  • (4) 
    Op 8 maart 2018 heeft de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag 5

    voorgelegd over de effecten van de in de artikelen 199 bis en 199 ter van Richtlijn

    2006/112/EG bedoelde mechanismen op de fraudebestrijding.

  • (5) 
    Volgens dit verslag beschouwen de lidstaten en de belanghebbenden de verleggingsregeling van artikel 199 bis van Richtlijn 2006/112/EG over het algemeen als een effectief en efficiënt tijdelijk instrument om btw-fraude in de genoemde sectoren te bestrijden of fraude te voorkomen. De eis van een minimumperiode van twee jaar voor de toepassing van de maatregel, die is opgenomen in artikel 199 bis, lid 1, bleek belemmerend te werken voor enkele lidstaten die de verleggingsregeling wilden invoeren maar niet aan deze voorwaarde voldeden. Daarom wordt de eis van de minimumperiode van twee jaar geschrapt.
  • (6) 
    Wat de bijzondere QRM-maatregel als bedoeld in artikel 199 ter van Richtlijn 2006/112/EG betreft, zijn de lidstaten van mening dat hij dient te worden behouden als een nuttig instrument dat bij wijze van voorzorg kan worden ingezet in uitzonderlijke gevallen van btw-fraude, ook al is er nog nooit gebruik van gemaakt.
  • (7) 
    Gelet op de bevindingen en conclusies van het verslag zijn de maatregelen als bedoeld in de artikelen 199 bis en 199 ter van Richtlijn 2006/112/EG nuttig gebleken als tijdelijke en doelgerichte maatregelen om btw-fraude te bestrijden. Deze maatregelen vervallen normaal op 31 december 2018, waardoor de lidstaten een efficiënt instrument om btw-fraude te bestrijden, zouden verliezen. Het is derhalve passend om de toepassing van deze maatregelen gedurende een beperkte tijd te verlengen, namelijk tot de beoogde inwerkingtreding van het definitieve btw-stelsel.
  • (8) 
    Richtlijn 2006/112/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2006/112/EG wordt als volgt gewijzigd:

  • (1) 
    in artikel 199 bis, lid 1, wordt de aanhef vervangen door:

    "De lidstaten kunnen tot en met 30 juni 2022 bepalen dat de btw moet worden voldaan door de belastingplichtige voor wie de volgende goederenleveringen of diensten worden verricht:";

  • (2) 
    artikel 199 ter wordt vervangen door:

"Artikel 199 ter

  • 1. 
    Een lidstaat kan, in gevallen van dwingende urgentie en overeenkomstig leden 2 en 3, de ontvanger als de tot voldoening van de btw gehouden persoon voor specifieke leveringen van goederen en diensten aanwijzen, in afwijking van artikel 193 en als een bijzondere maatregel in het kader van het snellereactiemechanisme (QRM) tegen

5 Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de effecten van de artikelen

199 bis en 199 ter van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad op de fraudebestrijding (COM(2018) 118 van 8 maart 2018).

plotse en grootschalige btw-fraude die tot aanzienlijke en onherstelbare financiële verliezen zou kunnen leiden.

De bijzondere QRM-maatregel is onderworpen aan het nemen van passende controlemaatregelen door de lidstaat met betrekking tot de belastingplichtigen die de goederen of diensten leveren waarop die maatregel van toepassing is, en de duur ervan mag de termijn van negen maanden niet overschrijden.

  • 2. 
    Een lidstaat die een bijzondere QRM-maatregel als bepaald in lid 1 wil invoeren, zendt een kennisgeving aan de Commissie met behulp van het overeenkomstig lid 4 opgestelde standaardformulier, en zendt deze kennisgeving tegelijkertijd aan de overige lidstaten. De lidstaat deelt de Commissie mee om welke sector het gaat, de vorm en de kenmerken van de fraude, het bestaan van dwingende redenen van urgentie, het plotse en grootschalige karakter van de fraude alsmede de gevolgen ervan in termen van aanzienlijke en onherstelbare financiële verliezen. Indien de Commissie meent niet over alle noodzakelijke gegevens te beschikken, neemt zij binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving contact op met de betrokken lidstaat en deelt zij hem mee welke aanvullende gegevens vereist zijn. Elke aanvullende inlichting die door de betrokken lidstaat aan de Commissie verstrekt wordt, zal tegelijkertijd aan de overige lidstaten toegezonden worden. Indien de aanvullende gegevens niet toereikend zijn, stelt de Commissie de betrokken lidstaat daarvan binnen een week in kennis.

De lidstaat die een bijzondere QRM-maatregel als bepaald in lid 1 van dit artikel wil invoeren, dient tegelijkertijd ook een verzoek in bij de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 395, leden 2 en 3.

In gevallen van dwingende urgentie als omschreven in lid 1 van dit artikel wordt de procedure van artikel 395, leden 2 en 3, voltooid binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek door de Commissie.

  • 3. 
    Zodra de Commissie over alle gegevens beschikt die zij nodig acht voor de beoordeling van de kennisgeving als bedoeld in lid 2, eerste alinea, stelt zij de lidstaten daarvan in kennis. Wanneer zij bezwaar maakt tegen de bijzondere QRM- maatregel, brengt zij binnen de maand volgend op die kennisgeving een negatief advies uit, en brengt zij de betrokken lidstaat en het btw-comité hiervan op de hoogte. Wanneer de Commissie geen bezwaar maakt, bevestigt zij dit binnen dezelfde termijn schriftelijk aan de betrokken lidstaat en aan het btw-comité. De lidstaat kan de bijzondere QRM-maatregel vaststellen vanaf de datum van ontvangst van deze bevestiging. Bij het beoordelen van de kennisgeving houdt de Commissie rekening met de standpunten van andere lidstaten die haar schriftelijk zijn toegezonden.
  • 4. 
    De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een standaardformulier vast voor de indiening van de in lid 2 bedoelde kennisgeving van de QRM-maatregel en de in lid 2, eerste alinea, bedoelde gegevens. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 5 bedoelde onderzoeksprocedure.
  • 5. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011(*) van het Europees Parlement en de Raad van toepassing, en het comité te dien einde is het bij artikel 58 van Verordening (EU) nr. 904/2010(**) van de Raad ingestelde comité.
    • 6. 
      De bijzondere QRM-maatregel als bepaald in lid 1 is van toepassing tot en met 30 juni 2022.

    __________

    (*) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren ( PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13 ).

    (**) Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde ( PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1 ).";

  • (3) 
    in artikel 395 wordt lid 5 geschrapt.

Artikel 2

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad De voorzitter


 
 
 

2.

Meer informatie

 

Terug naar boven