r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo Afstudeer hoed man met tas twitter

Herziening detacheringsrichtlijn

Eurocommissaris Thyssen, verantwoordelijk voor de detacheringsrichtlijn
Bron: The Council of the European Union

Werknemers uit Oost-Europese lidstaten kunnen nu tijdelijk tegen een lager loon in West-Europese EU-landen werken. Volgens de bestaande Europese detacheringsrichtlijn, die sinds 1997 van kracht is, is dat mogelijk. Dat leidt volgens verschillende ministers uit voornamelijk West-Europese EU-landen tot oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Daar moet met de nieuwe regels voor detachering een eind aan komen.

Het voorstel voor herziening van de detacheringsrichtlijn stuitte in 2016 op veel verzet. Elf nationale parlementen, voornamelijk uit Oost-Europese landen, trokken een gele kaart tegen de herziening van de richtlijn. De parlementen oordeelden dat het voorstel niet voldeed aan de subsidiariteitseisen en vinden het een zaak voor nationale regeringen. De Europese Commissie besloot het voorstel, ondanks die gele kaart, toch te handhaven. Volgens de Commissie heeft de Europese Unie wel degelijk de bevoegdheid om over dit onderwerp wetgeving te maken.

In juni 2018 gaven de EU-ministers van Werkgelegenheid en Sociale Zaken groen licht voor herziening van de richtlijn. Zo mag detachering maximaal 12 maanden duren, met een mogelijke verlenging van 6 maanden, en moeten de arbeidsvoorwaarden voor gedetacheerde werknemers in lijn zijn met die van werknemers in het gastland waar de gedetacheerde werknemer is geplaatst.

Binnen twee jaar moeten de lidstaten de regels omzetten in nationale wetgeving.

Delen

Inhoud

1.

Ontwikkeling in vogelvlucht

Een gedetacheerde werknemer is een werknemer die door zijn werkgever wordt gestuurd om tijdelijk een dienst in een andere EU-lidstaat uit te voeren. Gedetacheerde werknemers vertegenwoordigen maar ongeveer 1 procent van het totale aantal werknemers in de EU. Ze zijn echter sterk geconcentreerd in bepaalde sectoren en lidstaten: de bouwsector alleen nam in 2015 41,5 % van alle detacheringen voor zijn rekening, maar detachering is ook belangrijk in de verwerkende industrie, onderwijs, gezondheidszorg, sociale diensten en zakelijke dienstverlening.

De welvaart in West-Europa trekt arbeidsmigranten uit het oosten aan. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland, die na de toetreding van de tien nieuwe lidstaten in 2004 een grote toestroom van Polen hebben verwerkt, waren al snel met het aankondigen van beperkingen. Ook Nederland en de zuidelijke Europese lidstaten Italië, Griekenland en Spanje beperkten de toestroom.

De beperkingen die de andere lidstaten hadden opgelegd waren in de loop van de tijd al grotendeels versoepeld. In Nederland moesten Roemenen en Bulgaren tot eind 2013 een werkvergunning aanvragen. Die werd alleen verstrekt als de werkgever geen andere werknemers kon vinden, en aan de Roemeense en Bulgaarse arbeiders goede arbeidsomstandigheden en degelijke accommodatie geboden werd. De voorwaarden voor Roemenen en Bulgaren zijn per 1 januari 2014 vervallen. Voor Kroatische arbeiders houdt Nederland voorlopig de grenzen gesloten. In eerste instantie zouden de beperkingen voor Kroaten in 2015 worden opgeheven, maar toenmalig minister Asscher besloot om de termijn te verlengen.

De vrijheid van personen en diensten levert veel profijt op voor lidstaten, bedrijven en individuen, maar brengt ook potentiële nadelen met zich mee. Zo kan de werknemer de arbeidsvoorwaarden uit zijn land van oorsprong behouden, waardoor hij mogelijk onder het minimumloon van het 'gastland' werkt en dus soms goedkoper is dan een oorspronkelijke bewoner. Daarbij is er een kans op uitbuiting van de arbeidsmigranten door werkgevers en uitzendbureaus, ondanks de Europese regelgeving die alle Europese arbeiders dezelfde rechten geeft. Door middel van schijnconstructies weten uitzendbureaus en werkgevers deze rechten soms te omzeilen.

Volgens onderzoek blijkt tussen 2001 en 2011 het aandeel buitenlandse werknemers (vooral uit Midden- en Oost-Europa) op de Nederlandse arbeidsmarkt toegenomen van 4,9 tot 7,7 procent. Voornamelijk laagopgeleiden, jongeren en allochtonen vormen de risicogroep voor verdringing. De SER constateerde in een rapport in december 2014 dat er te vaak misbruik wordt gemaakt van de regels. Buitenlandse werknemers vormen daardoor oneerlijke concurrentie. Het adviesorgaan pleitte in het rapport voor een Europees actieplan voor eerlijke arbeidsmobiliteit.

2.

Huidige detacheringsrichtlijn

In 1997 werd de Europese detacheringsrichtlijn (96/71/EG) ingevoerd, in Nederland geïmplementeerd als de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid. Volgens de voorschriften in deze richtlijn geldt voor een werknemer die in dienst is bij een bedrijf uit lidstaat A (het thuisland) en gedetacheerd is in lidstaat B (het gastland) nog steeds het recht van lidstaat A. Daarnaast gelden een aantal basisrechten van lidstaat B. In een aantal sectoren, waaronder de bouw, gelden ook de cao's van lidstaat B.

De basisrechten die gelden, omvatten:

  • het minimumloon van de gastlidstaat
  • maximale werk- en minimale rustperioden
  • minimumaantal betaalde vakantiedagen
  • voorwaarden voor het ter beschikking stellen van werknemers door uitzendkantoren
  • gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk
  • gelijke behandeling van mannen en vrouwen

3.

Tekortkomingen detacheringsrichtlijn

Sinds de invoering van de detacheringsrichtlijn, en met name na de EU-uitbreidingen van 2004 en 2007, zijn de loonverschillen tussen EU-lidstaten toegenomen. Daardoor is detachering ongewild een aantrekkelijk middel geworden om te bezuinigen op loonkosten. Buitenlandse bedrijven detacheren werknemers tegen het minimumloon van de gastlidstaat, terwijl werknemers uit die lidstaat die gelijksoortig werk doen vaak tot twee keer zoveel verdienen. Hierdoor ontstaat in lidstaten met relatief goede arbeidsvoorwaarden de prikkel om deze te versoberen, om maar te kunnen blijven concurreren met andere lidstaten. Dit verschijnsel wordt ook wel sociale dumping genoemd.

Naast het tegengaan van sociale dumping, wil de Europese Commissie de nieuwe detacheringsrichtlijn ook meer in lijn brengen met andere EU-wetgeving die door de jaren heen is ingevoerd, zoals de Verordening betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en de Uitzendrichtlijn.

4.

Stand van zaken

De Europese Commissie heeft een eerste wijzigingsvoorstel op 8 maart 2016 naar het Europees Parlement gestuurd. Op dat voorstel kwam veel kritiek van diverse lidstaten. In mei 2016 trokken de parlementen van Bulgarije, Kroatië, Tsjechië, Denemarken, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië en Slowakije een gele kaart tegen het voorstel. Nationale parlementen kunnen een gele kaart trekken als zij oordelen dat de principes van subsidiariteit in het geding zijn. De nationale parlementen zijn van oordeel dat de betaling van werknemers niet moet zijn vastgelegd in Europese regelgeving, maar dat dat geregeld dient te worden in nationale wet- en regelgeving. Ook zou de Europese Commissie de toegevoegde waarde van het voorstel niet genoeg duidelijk hebben gemaakt.

De Europese Commissie heeft vervolgens het voorstel opnieuw bestudeerd, maar stelde in juli dat de Europese Unie wel de bevoegdheid heeft om de regelgeving rond grensoverschrijdende detachering aan te passen en uit te bouwen. De detacheringsrichtlijn gaat over gelijke werkomstandigheden (zoals loon) voor werknemers binnen een land, of ze nu burger zijn van dat land of van een ander EU-land. Het voorstel doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van lidstaten om loonbeleid te voeren, of andere maatregelen te nemen die van invloed zijn op de werkomstandigheden. De Commissie stuurde ieder parlement dat een bezwaar had ingediend een antwoord, om te proberen een deel van de zorgen weg te nemen.

Op 1 maart 2018 bereikten onderhandelaars van de lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie een overeenkomst over de herziening van de huidige detacheringsrichtlijn. In mei 2018 ging een meerderheid van het Europees Parlement akkoord met het gewijzigde voorstel en de EU-ministers van Werkgelegenheid en Sociale Zaken gaven hiervoor op 21 juni 2018 groen licht. Uitvoering is nu aan de lidstaten: binnen twee jaar moet de nationale wetgeving aan deze regels zijn aangepast.

5.

Europees akkoord over herziening van de detacheringsrichtlijn

Op 1 maart 2018 kwamen de onderhandelaars van de lidstaten, de Europese Commissie en het Europees Parlement tot een principeakkoord. De belangrijkste aanpassing op de huidige richtlijn betreft het loon van de gedetacheerde werknemer, wat tevens het grootste struikelpunt was. Dit akkoord kijkt niet langer enkel naar het minimumloon van het gastland te kijken, maar ook naar de regels inzake bezoldiging. Daaronder vallen vaak ook andere vergoedingen, zoals bonussen, mobiliteitsvergoedingen en loonsverhoging op basis van arbeidsjaren. Het is aan de gastlidstaten zelf om te omschrijven wat in elk land onder bezoldiging wordt verstaan. Ook stelt de Commissie voor om cao's niet alleen in de bouwsector verplicht te laten meetellen, maar in alle economische sectoren.

Overige aanpassingen:

  • Wanneer werknemers langer dan 12 maanden gedetacheerd worden in een andere EU-lidstaat, gaat ook de wetgeving inzake arbeidsrecht van de gastlidstaat gelden. Werknemers worden dan bijvoorbeeld beschermd tegen onrechtmatig ontslag als de wetgeving van het gastland daarin voorziet, ook al bestaan dergelijke beschermende maatregelen niet in het thuisland.
  • Vergoedingen zoals transportkosten en bezoldigingskosten mogen niet langer op het loon worden ingehouden. Ook dienen voor alle werknemers dezelfde toeslagen te worden uitgekeerd.
  • Voor alle werknemers gaat dezelfde cao gelden, ongeacht of dit in de bouwsector is of in andere economische sectoren.
  • Lidstaten moeten fraude en misbruik van de regels met sancties bestraffen.

Wanneer sprake is van een hoofdcontractant die delen van een opdracht laat uitvoeren door onderaannemers, mogen lidstaten deze onderaannemers verplichten dezelfde bezoldigingsregels te hanteren als de hoofdcontractant, ook als deze niet in een algemeen verbindende cao zijn vastgelegd. Zo kan een bedrijf niet langer aan de bezoldigingsregels ontsnappen door mensen uit andere lidstaten in te huren.

In EU-wetgeving is al vastgelegd dat voor lokale uitzendkrachten dezelfde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheiden moeten gelden als voor collega's in vaste dienst. Dat gaat nu ook gelden voor uitzendkrachten die gedetacheerd worden vanuit een andere EU-lidstaat.

6.

Nederlandse inzet

Nederland is in Europa een van de drijvende krachten achter de herziening van de detacheringsrichtlijn. De Nederlandse regering oordeelde in een zogeheten BNC-fiche dan ook al positief over het eerste Europese wijzigingsvoorstel.

Voorafgaand daaraan adviseerde de SER het kabinet om "te komen tot een actieplan ‘Bevordering eerlijke arbeidsmobiliteit in de EU’ en dit nationaal en in de EU te agenderen."

De SER maakte in zijn rapport een onderscheid tussen het vrij verkeer van werknemers en het vrij verkeer van diensten. Om misstanden rond het vrij verkeer van werknemers tegen te gaan kwam het kabinet eind 2014 met de Wet aanpak schijnconstructies. Deze wet werd in 2015 van kracht. Om ook iets te doen aan de negatieve kanten van het vrij verkeer van diensten, adviseerde de SER het kabinet te pleiten voor herziening van de detacheringsrichtlijn. Minister Asscher schreef daarop samen met een zestal collega's uit lidstaten met relatief hoge lonen een brief aan eurocommissaris Thyssen, waarin zij wordt opgeroepen met nieuwe voorstellen te komen.

Asscher sprak in een eerste reactie op de voorstellen van 'een belangrijke stap'.

Eind maart 2016 gaf het kabinet in het BNC-fiche aan het Europese voorstel als 'gewenste aanvulling' te beschouwen. De aanpassing bevordert een gelijk speelveld, omdat de verschillen tussen Nederlandse werknemers en gedetacheerde buitenlandse werknemers worden verkleind. Tijdens de informele Raad Werkgelegenheid en Sociale Beleid van 19-20 april 2016, die onder Nederlands voorzitterschap plaatsvond in Amsterdam, heeft Asscher geïnventariseerd hoe zijn Europese collega's tegen de voorstellen aankijken. Het merendeel van de lidstaten sprak zich in meer of mindere mate positief uit over het voorliggende voorstel. Zij onderschreven het standpunt dat concurrentie op basis van kwaliteit moest plaatsvinden, en niet op basis van loonsverschillen. Een aantal andere lidstaten, veelal Oost-Europese lidstaten, waren expliciet tegen aanpassing van de Detacheringsrichtlijn: de aanpassingen zouden de interne markt ondermijnen en loonverschillen hoeven niet per se tot oneerlijke concurrentie te leiden, stelden zij.

7.

Meer informatie

Delen

Terug naar boven