r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo Afstudeer hoed man met tas twitter

Militaire daadkracht Europese Unie

Een belangrijk doel van de Europese Unie is om vrede en veiligheid te bevorderen. Tijdens de Koude Oorlog ging het vooral om de bescherming van EU-lidstaten tegen een mogelijke inval van de Sovjet-Unie. Tegenwoordig worden wereldwijd militaire troepen ingezet om vrede te waarborgen en te helpen bij de wederopbouw van landen. De afgelopen tien jaar zijn er Europese troepen ingezet in Moldavië, Macedonië, Soedan, Bosnië-Herzegovina en de Democratische Republiek Congo.

Bij de uitvoering en totstandkoming van de Europese militaire missies kan een kritische noot worden geplaatst. Er is er niet altijd een eenduidige aanpak, zoals tijdens de strijd tegen de Islamitische Staat in het Midden-Oosten. De EU-lidstaten konden het niet eens worden over een gezamenlijke militaire missie tegen IS. Het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en België voeren daarom op eigen gelegenheid een militaire missie uit.

Uit het Europees optreden tegen de IS blijkt dat onderlinge verdeeldheid en de wijze van Europese besluitvorming een effectief Europees optreden in de weg kunnen staan. Mist de Europese Unie militaire daadkracht? De Europese Commissie schetste op 7 juni 2017 drie verschillende toekomstscenario's op het gebied van gezamenlijk Veiligheids- en Defensiebeleid. Met de permanente structurele samenwerking is een nieuwe mogelijkheid gecreëerd voor lidstaten om nauwer samen te werken op veiligheids- en defensiebeleid.

Delen

Inhoud

1.

Kan de EU zonder de NAVO?

Tijdens de Balkanoorlogen (1990-1995) werd duidelijk dat de EU niet genoeg militaire capaciteiten had om het conflict alleen te beslechten. De EU slaagde er weliswaar in om eensgezindheid te vormen, maar beschikte over te weinig troepen om effectief in te kunnen grijpen. De NAVO heeft uiteindelijk geholpen bij de oplossing van het conflict.

Volgens veel lidstaten was er daarom een eigen interventiemacht nodig die tijdens dit soort conflicten kon optreden. Dit is uiteindelijk uitgewerkt in de vorm van Europese battlegroups.

Hoewel de EU tegenwoordig beschikt over battlegroups, is zij nog steeds afhankelijk van de militaire capaciteiten van de NAVO. Het is daarom noodzakelijk om het Europees Defensiebeleid af te stemmen op het NAVO-beleid. In de praktijk blijkt het voor de EU soms moeilijk om tot een eenduidige aanpak te komen. Dit bleek tijdens de oorlog in Irak in 2003. De Verenigde Staten dwongen de EU-lidstaten om een standpunt in te nemen tijdens de oorlog. Groot-Brittannië, Spanje en Italië steunden de interventie van de Verenigde Staten, terwijl Frankrijk en Duitsland niets zagen in een oorlog.

2.

Het Gemeenschappelijk Europees Veiligheids- en Defensiebeleid als oplossing

In 2009 werd het Verdrag van Lissabon getekend. Het verdrag bracht op vele Europese beleidsterreinen veranderingen met zich mee, ook voor het Europese Defensiebeleid. De veranderingen waren bedoeld om de coördinatie van het Europese buitenlands beleid te verbeteren en eensgezindheid te bevorderen. Voorheen was het buiten de EU niet duidelijk wie het aanspreekpunt was.

Daarom werd de functie van Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheid in het leven geroepen. De taak van de Hoge Vertegenwoordiger Federica Mogherini is om de relatie tussen de Europese Commissie en de lidstaten te verbeteren. Ook vormt zij samen met de voorzitter van de Europese Raad (Donald Tusk) het Europese aanspreekpunt voor de buitenwereld. Tevens leidt zij de Dienst voor Extern Optreden (EDEO), een organisatie die verantwoordelijk is voor het bevorderen van coördinatie tussen lidstaten en de Europese Commissie.

Het is de vraag of het verdrag heeft gezorgd voor Europese eensgezindheid. Na de invoering van het verdrag vond er een machtsstrijd plaats tussen de lidstaten over wie welke invloed zou krijgen over het buitenlands beleid. Een ander probleem is het gezag van de Hoge Vertegenwoordiger. Als er (wellicht buiten haar schuld) geen overeenstemming is in de Europese Raad zal zij hiervoor toch verantwoordelijk worden gehouden.

3.

Intergouvernementeel of supranationaal?

Het Europees Defensiebeleid is intergouvernementeel van aard. De beslissingen worden genomen door alle ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-lidstaten. Toch zijn er ook supranationale elementen terug te vinden in de besluitvormingsprocedure. De Europese Commissie speelt namelijk een rol van betekenis, omdat de Hoge Vertegenwoordiger een voorstel van de Europese Commissie kan bespreken in de Europese Raad.

4.

De permanente structurele samenwerking (PESCO)

De permanente structurele samenwerking (PESCO) werd op 13 november 2017 officieel opgericht. Het is een reactie op regionale dreigingen, defensiebezuinigingen binnen de EU en afgenomen vertrouwen in de VS als partner. Via PESCO komt er nauwere samenwerking tussen de krijgsmachten van vrijwillig deelnemende lidstaten. Op het moment doen meer dan 20 lidstaten mee.

Schaalvergroting en het delen van transportcapaciteit moet ervoor zorgen dat de Europese defensiebudgetten efficiënter worden besteed. Ook komen er maatregelen om een open en concurrerende markt voor defensie te versterken. Samenwerking in coördinatie moet de daadkrachtigheid vergroten. Op lange termijn is er ruimte voor diepere samenwerking, maar ieder PESCO-project blijft onder beheer van de lidstaten die eraan bijdragen. Het is een volgende stap in nauwere samenwerking, maar dient niet als de start van een Europees leger te worden gezien.

5.

Toekomst Europese Defensie

De Europese Commissie kwam op 7 juni 2017 met een document waarin zij drie verschillende toekomstscenario's beschrijft op het gebied van gezamelijk Veiligheids- en Defensiebeleid.

Het eerste scenario houdt samenwerking in op het gebied van defensie en veiligheid. Binnen dit scenario zouden lidstaten vaker samenwerken op deze beleidsterreinen tijdens specifieke situaties, veelal op vrijwillige basis. Verder zou het samenvoegen van de productie op het gebied van defensie van de lidstaten op dit gebied moeten leiden tot kostenbesparingen.

Het tweede scenario gaat om een gedeeld defensie- en veiligheidsbeleid, wat moet leiden tot meer financiële mogelijkheden en het vaker samenvoegen van operationele activiteiten. Hierdoor zou de EU over meer capaciteit beschikken om in externe crises op te treden. Verder zou het leiden tot een toename van de defensie-en veiligheids capaciteiten van de EU lidstaten.

Het laatste scenario houdt in dat er een gezamenlijk beleid komt op het gebied van defensie en veiligheid, wat zou leiden tot een defensie- en veiligheidsunie. Belangrijke voorwaarden van dit beleid zijn solidariteit en het ondersteunen van lidstaten onderling bij problemen. Ook zouden de legers van de lidstaten gedeeltelijk geïntegreerd worden. Dit moet leiden tot doelmatiger gebruik van middelen doordat de gezamenlijke productie veel hoger ligt dan de lidstaten afzonderlijk. Verder moet specialisatie, het delen van dure militaire middelen onderling en technologische innovatie leiden tot minder kosten.

6.

Meer informatie

Delen

Terug naar boven