r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Automatische beëindiging van arbeidsovereenkomst bij bereiken van pensioenleeftijd vormt niet noodzakelijkerwijs discriminatie

Met dank overgenomen van Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), gepubliceerd op dinsdag 12 oktober 2010.

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 103/10

Luxemburg, 12 oktober 2010

Arrest in zaak C-45/09

Rosenbladt / Oellerking Gebäudereinigungsges. mbH

 

In Duitsland bepaalt het Gleichbehandlungsgesetz (wet inzake gelijke behandeling) dat clausules op grond waarvan arbeidsovereenkomsten van werknemers automatisch eindigen bij het bereiken van de pensioenleeftijd, kunnen ontsnappen aan het verbod van discriminatie op grond van leeftijd. Volgens de Duitse regeling kan de bevoegdheid om dergelijke clausules overeen te komen worden toegekend aan de sociale partners en kan daaraan uitvoering worden gegeven middels collectieve arbeidsovereenkomsten.

Mevrouw Rosenbladt heeft gedurende 39 jaar schoonmaakwerkzaamheden verricht. Overeenkomstig de cao voor de schoonmaakbranche eindigt haar arbeidsovereenkomst aan het einde van de maand waarin zij aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen en uiterlijk aan het einde van de maand waarin zij haar 65ste levensjaar heeft voltooid. Toen zij de leeftijd van 65 jaar had bereikt, heeft haar werkgever haar in kennis gesteld van de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst. Mevrouw Rosenbladt heeft daartegen beroep ingesteld bij het Arbeitsgericht Hamburg, de verwijzende rechter, met het betoog dat de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst discriminatie op grond van leeftijd vormt.

De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of de automatische beëindiging van een arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de normale pensioenleeftijd, in overeenstemming is met het verbod van discriminatie op grond van leeftijd dat is opgenomen in richtlijn 2000/78/EG1.

In het arrest van heden stelt het Hof om te beginnen vast dat een clausule op grond waarvan de arbeidsovereenkomst automatisch eindigt wegens het ontstaan van een pensioenaanspraak, een direct op leeftijd gegrond verschil in behandeling schept. Vervolgens onderzoekt het Hof of dit verschil in behandeling eventueel kan worden gerechtvaardigd.

In dit verband is het Hof van oordeel dat een dergelijke maatregel geen dwingend stelsel van verplichte pensionering instelt, maar - onverminderd gevallen van opzegging - een wijze van beëindiging van de arbeidsbetrekking betreft die is gebaseerd op de leeftijd waarop recht op een ouderdomspensioen ontstaat.

Met betrekking tot het doel van de betrokken regeling stelt het Hof vast dat dit mechanisme berust op een evenwicht tussen redenen van politieke, economische, sociale, demografische en budgettaire aard en afhangt van de beslissing om de duur van het arbeidsleven van werknemers te verlengen of, integendeel, om hen vroegtijdig te pensioneren.

Het Hof wijst erop dat dergelijke clausules inzake automatische beëindiging van de arbeidsovereenkomst sinds lange tijd deel uitmaken van het arbeidsrecht van een groot aantal lidstaten en op grote schaal worden gebruikt in arbeidsbetrekkingen. Doordat zij de werknemers een zekere arbeidsstabiliteit verzekeren, en op de lange termijn een vooruitzicht op pensioen, maar tegelijkertijd de werkgevers een zekere flexibiliteit in het personeelsbeheer bieden, zijn deze clausules de afspiegeling van een evenwicht tussen de uiteenlopende, maar legitieme belangen binnen een complexe context van arbeidsverhoudingen, dat nauw verband houdt met politieke keuzen op het gebied van pensioen en werkgelegenheid. Deze doelen moeten in beginsel worden aangemerkt als een „in het kader van de nationale wetgeving objectie[ve] en redelijk[e]” rechtvaardiging zoals bedoeld in richtlijn 2000/78, voor een door de lidstaten vastgesteld verschil in behandeling op grond van leeftijd.

1 RIchtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16).

Vervolgens is het Hof van oordeel dat het niet onredelijk lijkt dat de autoriteiten of de sociale partners van een lidstaat aannemen dat clausules inzake automatische beëindiging passend en noodzakelijk kunnen zijn om deze legitieme doelen te bereiken. Volgens het Hof is de clausule die van toepassing is op mevrouw Rosenbladt, niet alleen gebaseerd op een bepaalde leeftijd, maar houdt deze tevens rekening met de omstandigheid dat de belanghebbenden aanspraak hebben op een financiële vergoeding in de vorm van ouderdomspensioen, en staat zij de werkgevers niet toe om een arbeidsbetrekking eenzijdig te beëindigen. Bovendien biedt de contractuele grondslag een niet te verwaarlozen flexibiliteit bij de toepassing van dit mechanisme, waardoor de sociale partners rekening kunnen houden met de globale situatie op de betrokken arbeidsmarkt en met de kenmerken van de betrokken arbeidsplaatsen. Voorts bevat de Duitse regeling een bijkomende beperking nu zij de werkgevers verplicht om instemming te verkrijgen van de werknemers of deze instemming door hen te laten bevestigen voor elke clausule inzake de automatische beëindiging van een arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werknemer aanspraak maakt op een pensioen, wanneer deze leeftijd beneden de normale pensioensleeftijd ligt. Ten slotte wijst het Hof erop dat het Duitse recht het verbiedt dat een persoon die na het bereiken van de pensioenleeftijd een beroepsactiviteit wenst voort te zetten, op grond van zijn leeftijd een arbeidsplaats wordt geweigerd door zijn oude werkgever of door een derde.

Bijgevolg stelt het Hof vast dat richtlijn 2000/78 zich niet verzet tegen een clausule op grond waarvan de arbeidsovereenkomst van een werknemer automatisch eindigt bij het bereiken van de pensioenleeftijd, zoals die welke in Duitsland is opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst voor de schoonmaakbranche.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

Beelden van de uitspraak van het arrest zijn beschikbaar via "Europe by Satellite " (+32) 2 2964106


Terug naar boven