r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Politieke situatie Verenigd Koninkrijk

Sinds 24 juli 2019 is Boris Johnson leider van de Conservatieven en premier. Na de uitkomst van het Brexit-referendum op 23 juni 2016, waarbij premier David Cameron als voorstander van 'blijven' verloor, vond een kabinetswisseling plaats. Theresa May werd leider van de Conservatieven en op 13 juli 2016 minister-president. De conservatieven hadden na de verkiezingen van mei 2015 een meerderheid gekregen. Bij de door May uitgeschreven verkiezingen van 8 juni 2017 ging die echter weer verloren. May vormde vervolgens een regering met gedoogsteun van de Noord-Ierse Democratische Unionistische Partij (DUP). Na diverse mislukte pogingen brexit te regelen, stapte May op als premier.

In de eerste naoorlogse jaren regeerde, ondanks de populariteit van Churchill als oorlogsleider, een Labour-kabinet met Attlee als premier. De verkiezingen van 1951 brachten echter de conservatieven aan de macht, die zij behielden tot 1964. In die jaren regeerden de conservatieve kabinetten-Churchill (1951-1955), -Eden (1955-1957), -MacMillan (1957-1963) en -Douglas Home (1963-1964).

In 1964 won Labour de verkiezingen en kwam het kabinet-Wilson aan het bewind. Tussen 1969 en 1974 regeerden opnieuw de conservatieven (kabinet-Heath). Tijdens dat kabinet kwam de Britse toetreding tot de EEG tot stand. Vanaf 1974 regeerde een Labour-minderheidskabinet (met steun van de Liberalen). Een parlementaire nederlaag van het kabinet-Callaghan, gevolgd door een verkiezingsnederlaag was het begin van het tijdperk-Thatcher (1979-1990). Na een interne leiderschapstrijd werd Margaret Thatcher in 1990 opgevolgd door John Major.

Tony Blair leidde een zich gematigder opstellend Labour ('New Labour') in 1997 naar een enorme verkiezingswinst. Zijn premierschap duurde tot 2007, toen hij terugtrad en minister van Financiën Gordon Brown de leiding van de regering overnam. Labour verloor na tien jaar de macht in de verkiezingen van 2010.

Het Verenigd Koninkrijk werd in 1973 lid van de Europese Economische Gemeenschap. Binnen de EEG, later de Europese Unie, heeft het Verenigd Koninkrijk altijd een uitzonderingspositie ingenomen.

1.

Staatsvorm, partijen en kiesstelsel

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland is een parlementaire monarchie, met ministeriële verantwoordelijkheid. Er is geen formele Grondwet, maar wel een constitutioneel bestel dat zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld. Verder zijn er specifieke wetten zoals de Parliament Acts, die onder meer de wetgevende procedures regelen.

De landsdelen van het Verenigd Koninkrijk kennen een grote mate van autonomie. Schotland en Noord-Ierland hebben een eigen parlement en (deel)regering.

De Britse kabinetten zijn volledig parlementair, de bewindslieden komen uit het Lagerhuis of Hogerhuis. Een kabinet kan regeren zolang het het vertrouwen van de meerderheid van het parlement geniet. Geregeld komen tussentijdse ministerswisselingen voor (reshuffles).

De grootste oppositiepartij vormt een schaduwkabinet. In het Lagerhuis zitten regering en oppositie tegenover elkaar. Een kabinet kan zelf verkiezingen uitschrijven. Dat moet eens in de vijf jaren gebeuren.

Naast een gekozen Lagerhuis (House of Commons) is er een Hogerhuis (House of Lords), dat bestaat uit erfelijke en niet-erfelijke adel (peers) en geestelijken. In totaal zijn er ruim 700 leden, maar niet alle leden zijn actief. De geestelijke leden hebben geen politieke rol. Verheffing in de adelstand is gebruikelijk om toegang tot het Hogerhuis te kunnen verlenen. In het Hogerhuis zitten veel oud-ministers en oud-Lagerhuisleden, maar ook wetenschappers, rechters en ondernemers. Het Hogerhuis kan wetgeving vertragen, maar uiteindelijk niet tegenhouden.

kiesstelsel

Het Britse kiesstelsel is een meerderheidsstelsel met districten. De 650 Lagerhuisleden worden in evenzoveel districten gekozen, waarbij het principe geldt: wie de meeste stemmen krijgt, wint de zetel. Er is dus geen absolute meerderheid vereist en er zijn geen herstemmingen als geen der kandidaten een absolute meerderheid behaalt. Bij het ontstaan van een tussentijdse vacature wordt in het betreffende district een verkiezing (by-election) gehouden.

Het stelsel bevordert een sterke positie van grote partijen. Als regel kan de winnaar van de verkiezingen direct het kabinet vormen met de partijleider als minister-president. Incidenteel komt een parlement voor waarin geen partij een meerderheid heeft (zoals bij de verkiezingen van 2010).

partijen

De twee grote partijen zijn de Conservatives en de Labour Party (Arbeiderspartij). De Conservatieven staan rechts in het politieke spectrum en zijn verwant aan de christendemocraten en conservatief-liberalen. Labour is een gematigd sociaaldemocratische partij. De derde partij, de Liberal-Democrats, zijn ontstaan door het samengaan van de Liberalen en de SDP, een rechtse afsplitsing van Labour. De partij is verwant aan D66.

Daarnaast zijn er regionale partijen in Schotland, Wales en Noord-Ierland, zoals de Schotse Nationalistische Partij, Plaid Cymru in Wales en Sinn Fein (SF) en de Ulster Unionisten in Noord-Ierland.

2.

Zetelverdeling Lagerhuis vanaf 1970

jaar

Con.

Lab.

Lib/

LibDem

SNP

PC

SF

DU

UU

Ov.

tot.

datum

1970

330

287

6

1

2

     

6

630

18 juni

1974

297

301

14

7

2

 

1

7

7

635

28 febr.

1974

277

319

13

11

3

 

1

6

5

635

10 okt.

1979

339

269

11

2

2

 

3

5

4

635

3 mei

1983

397

209

23

2

2

1

3

11

2

650

9 juni

1987

377

229

22

3

3

1

3

9

 

650

11 juni

1992

335

271

20

3

4

 

3

9

5

650

9 april

1997

165

418

46

6

4

2

2

10

2

655

1 mei

2001

166

412

52

5

4

4

5

6

4

658

7 juni

2005

198

356

62

6

3

5

9

1

6

646

5 mei

2010

307

258

57

6

3

5

8

 

6

650

6 mei

2015

331

232

8

56

3

4

8

2

5

650

7 mei

2017

318

262

12

35

4

7

10

 

2

650

8 juni

3.

Kabinetten vanaf 1970

naam

periode

kleur

partijen

belangrijke

ministers

Heath

19 juni 1970-12 maart 1974

rechts

Cons.

BuZa: Douglas Home

Def: Carrington

O&W: Thatcher

toetreding EEG:

Rippon (juli 1970-nov. 72)

Wilson

12 maart 1974-8 april 1976

soc.dem.

Labour

BuZa: Callaghan

Fin: Healey

BiZa: Jenkins

Industrie: Benn

Callaghan

8 april 1976-5 mei 1979

soc.dem.

Labour

BuZa: Crosland

1977 Owen

Fin: Healey

Energie: Benn

Thatcher

5 mei 1979-28

november 1990

rechts

Cons.

BuZa: Lord Carrington

1982 Pym

1983 Howe

1989 Major

1990 Hurd

Fin: Howe

1983 Lawson

1989 Major

Begroting: Brittan

(1981-1983),

Major (1987-1989)

Def: Pym

1981 Nott

1983 Heseltine

1986 Younger

1989 King

vp: Whitelaw

1989 Howe

Major

28 november

1990-2 mei 1997

rechts

Cons.

BuZa: Hurd

1995 Rifkind

Fin: Lamont

1993 Clarke

vp: Heseltine

Blair

2 mei 1997-

27 juni 2007

centrumlinks

Labour

BuZa: Cook

2001 Straw

2006 Beckett

Fin: Brown

vp: Prescott

Brown

27 juni 2007-11 mei 2010

centrumlinks

Labour

BuZa: David Miliband

Fin: Darling

Just: Straw

Cameron I

11 mei 2010-11 mei 2015

centrumrechts

Cons./

LibDem

BuZa: Hague (C.)

2014: Hammond (C.)

Fin: Osborne (C.)

vp: Clegg (LD)

Cameron II

11 mei 2011- 13 juli 2016

rechts

Cons.

BuZa: Hammond

Fin: Osborne

May

13 juli 2016 - 24 juli 2019

rechts

Cons.

BuZa: Johnson

2018: Hunt

Fin: Hammond

EU-exit: Davis

2018: Raab

2019: Barclay

Johnson

24 juli 2019 - heden

rechts

 

BuZa: Raab

Fin: Javid

EU-exit: Barclay

Terug naar boven