r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Economisch en monetair beleid

Dit beleid heeft als doel de economische groei zeker te stellen en meer banen te creëren. In de eerste plaats bepaalt ieder EU-land zijn eigen economische beleid, maar dat beleid moet wel het belang van de hele EU dienen. De lijn voor het maken van economisch beleid door EU-landen wordt uitgezet door de Raad van de Europese Unie.

Een groep Europese landen is nog een stap verder gegaan op het pad van economische integratie met de invoering van een gemeenschappelijke munt: de euro. De ECB coördineert het monetair beleid. De belangrijkste doelstelling van de ECB is het behoud van prijsstabiliteit. Het handhaven van stabiele prijzen moet bijdragen aan verbetering van de economische vooruitzichten en verhoging van de levensstandaard in de eurozone.

U ziet nu de basisversie van de tekst
U ziet nu de uitgebreide versie van de tekst

1.

Staand beleid

  • Op elkaar afstemmen van nationale economieën

    Elke lidstaat van de Europese Unie is lid van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Deze monetaire unie streeft naar een optimale integratie van de nationale economieën, zodat economische groei en welvaart gestimuleerd worden. Negentien lidstaten van de Europese Unie nemen deel aan de laatste fase van de EMU. Zij gebruiken de euro als betaalmiddel en stemmen hun economische en financiële politiek op elkaar af.

    De landen die meedoen aan de euro zijn gebonden aan extra afspraken. Overheidstekorten mogen niet verder oplopen dan 3% van het nationale inkomen. Desondanks is het 165 keer (tot en met 2015) voorgekomen dat het overheidstekort van een lidstaat hoger is uitgevallen. Wanneer een lidstaat drie achtereenvolgende jaren een te groot tekort heeft, kan de Europese Commissie besluiten om sancties op te leggen.

  • Gevorderde economische integratie: eurobeleid

    Het eurobeleid heeft als doel om economische integratie in de Europese Unie te bevorderen. De euro is een wettig betaalmiddel in 19 EU-lidstaten, oftewel de eurozone. De andere lidstaten zijn verplicht om de euro op termijn in te voeren als zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. Voor Denemarken en het Verenigd Koninkrijk geldt een uitzonderingsclausule en zij hebben die verplichting niet.

    De landen die de euro hebben ingevoerd, de eurolanden, hebben het beleid met betrekking tot hun munt, zoals de wisselkoers, overgedragen aan één Europese financiële instelling: de Europese Centrale Bank (ECB).

Monetaire beleidsinstrumenten om prijsstabiliteit te garanderen

  • De ECB kan het rentetarief voor banken die lenen bij de ECB bepalen. Wanneer dit tarief wordt verhoogd, verhogen banken op hun beurt de rentetarieven voor bedrijven en consumenten, zodat het voor hen duurder wordt geld te lenen. Hierdoor lenen deze partijen minder, worden er minder producten gekocht en dalen de prijzen. Door het verlagen van het rentetarief wordt lenen goedkoper, waardoor meer investeringen kunnen worden gedaan. Verhoging en verlagingen van de ECB worden niet één-op-één overgenomen door de banken in hun tarieven aan klanten.
  • De ECB kan vreemde valuta kopen of verkopen uit de externe reserves. Deze portefeuille externe reserves bestaat onder andere uit Amerikaanse dollars en Japanse yen. Met het kopen of verkopen van vreemde valuta daalt of stijgt de waarde van de euro ten opzichte van deze valuta. Daarnaast kan de ECB op directe wijze de hoeveelheid geld bepalen door geld bij te drukken. Hierdoor vermindert de waarde van de euro.
  • De ECB kan staatsobligaties opkopen. Toen bijvoorbeeld Griekenland in 2011 failliet dreigde te gaan, wilden beleggers niet investeren in Griekse staatsobligaties. Als gevolg hiervan steeg de rente op deze obligaties en werd het voor Griekenland onmogelijk leningen aan te gaan. Door het opkopen van de staatsobligaties liet de ECB de rente op Griekse staatsobligaties dalen.

Meer over het opkoopprogramma van staatsobligaties door de ECB

Ontwikkelingen in het beleid

  • Hervormen van het economische beleid: Europa 2020-strategie

    De EU 2020-strategie is de langetermijnstrategie van de Europese Unie voor een sterke en duurzame economie met veel werkgelegenheid. Deze strategie bouwt voort op de Lissabon-strategie (2000-2010) en moet ervoor zorgen dat de Europese economie zich ontwikkelt tot een zeer concurrerende, sociale en groene markteconomie. Net als bij de Lissabon-strategie is de looptijd van de EU 2020-strategie tien jaar.

    De Europese Unie heeft een gemeenschappelijk octrooi voor bijna alle lidstaten ingevoerd. Na jarenlang gesteggel over de invoering werd het EU-octrooi - na eerdere instemming van het Europees Parlement - op 19 februari 2013 door 25 van de destijds 27 EU-lidstaten goedgekeurd. Spanje en Kroatië doen niet mee. Italië aanvankelijk ook niet, maar inmiddels wel.

2.

Mijlpalen

Toen de Europese Economische Gemeenschap in 1957 als voorloper van de Europese Unie werd opgericht, hadden de deelnemende landen het doel om een gezamenlijke handelsmarkt te vormen. Door de tijd heen werd duidelijk dat een verdere samenwerking op economisch en monetair gebied nodig was om te kunnen profiteren van een gemeenschappelijke markt en een betere werking van de hele Europese economie. Door de vergaande samenwerking zijn voor de inwoners van de EU meer banen en welvaart ontstaan.

In 1991 werd met het Verdrag van Maastricht zelfs besloten tot het opzetten van een Economische en Monetaire Unie (EMU) met een gemeenschappelijke Europese munt, de euro. De EU-lidstaten die deelnemen aan de EMU kunnen geen eigen monetair beleid meer voeren. De Europese Centrale Bank (ECB) coördineert het monetair beleid voor de hele eurozone.

Basel III regels

In reactie op de financiële en economische crisis hebben vertegenwoordigers van centrale banken en toezichthouders van de 27 grootste economieën ter wereld, waaronder de Europese Unie en de Verenigde Staten, in september 2010 besloten dat banken grotere reserves kapitaal in kas moeten houden. Op deze manier moeten zij beter bestand zijn tegen toekomstige crises en moet voorkomen worden dat overheden moeten ingrijpen. Deze regels heten de Basel III-regels.

Tijdens de G20-top in november 2010 is besloten de nieuwe regelgeving voor de financiële sector, het zogenoemde Basel III-akkoord, over te nemen. Naast de regels voor alle banken zullen de grootste banken (de 'systeembanken') waarschijnlijk extra strenge regels opgelegd krijgen. De voormalige president van de Europese Centrale Bank (ECB) Jean-Claude Trichet noemde de nieuwe regels 'een fundamentele verbetering' van het kapitaalsysteem.

De Raad en het Europees Parlement stemden in het voorjaar van 2013 allebei voor de richtlijn. Deze is in 2013 in werking getreden en moest voor 2014 zijn omgezet in nationale regelgeving. Eind 2017 werd het Bazels Comité, het internationale comité van centrale bankiers en toezichthouders, het eens over verdere aanscherping van de regels.

3.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit terrein spelen de Europese Commissie, de Raad, het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank een rol. Daarnaast zijn er drie toezichthouders.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

eurocommissaris voor Euro & sociale dialoog

eurocommissaris voor Banen, groei, investeringen en concurrentievermogen

eurocommissaris voor Economische en financiële zaken

Europese Centrale Bank

Mario Draghi (President)

Parlementaire Commissie EP

Commissie Economische en monetaire zaken

Nederlands lid Commissie EP

Ondervoorzitter(s)


Lid/leden


Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Economische en Financiële Zaken

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Wopke Hoekstra (CDA), minister van Financiën

Menno Snel (D66), staatssecretaris van Financiën

Europese toezichthouder voor de banken

José Manuel Campa

Europese toezichthouder voor verzekeraars en pensioenfondsen

Gabriel Bernardino

Europese toezichthouder voor leningen en aandelenmarkten

Steven Maijoor & Verena Ross

Invloed nationale parlementen

Het Nederlandse parlement heeft ook een rol in de totstandkoming van Europees beleid. Dat kan formeel op twee manieren. Ten eerste controleert de Staten-Generaal de minister of staatssecretaris die naar de Raad van de Europese Unie gaat om over het onderwerp te praten. Daarnaast kunnen nationale parlementen van de lidstaten binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Vaste commissie voor Economische Zaken (EZ) - Tweede Kamer

Vaste commissie voor Financiën (Fin.) - Tweede Kamer

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor Economische Zaken (EZ)

Eerste Kamercommissie voor Financiën (Fin.)

Betrokken bij wetgeving en uitvoering

 

Betrokken instantie EU

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

DG Economische en financiële zaken

Adviesorgaan

Economisch en Financieel Comité

Autoriteit

Europese autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen

Autoriteit

Europese autoriteit voor effecten en markten

Agentschap

Europese afwikkelingsraad

Terug naar boven