r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Titel I - Van de Europese Gemeenschap

Inhoud

1.

Oprichting Europese Gemeenschap

Door dit Verdrag wordt een bovennationale EUROPESE GEMEENSCHAP opgericht.

De Gemeenschap is gegrondvest op een verbond van volkeren en van Staten, op de eerbied voor hun persoonlijkheid en op de gelijkheid van rechten en verplichtingen. Zij is niet ontbindbaar.

2.

Taken en doelstellingen der Europese Gemeenschap

De Gemeenschap heeft tot taak en tot algemene doelstelling:

  • er toe bij te dragen, dat in de deelnemende Staten de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden beschermd;
  • met de andere vrije volkeren samen te werken ter garantie van de veiligheid der deelnemende Staten tegen iedere agressie;
  • de buitenlandse politiek der deelnemende Staten op elkander af te stemmen in alle vraagstukken die eventueel het voortbestaan, de veiligheid of de voorspoed van de Gemeenschap in het geding zouden kunnen brengen;
  • in harmonie met de algemene economie van de deelnemende Staten, de economische ontwikkeling, de uitbreiding van de werkgelegenheid en de verhoging van het levenspeil in deze Staten te verzekeren met name door de geleidelijke instelling van een gemeenschappelijke markt, met vermijding, door overgangsmaatregelen of op andere wijze, van fundamentele en duurzame moeilijkheden in de volkshuishouding van de deelnemende Staten;
  • bij te dragen tot de activiteit, die door de deelnemende Staten wordt ontplooid in verbinding met de andere Staten, partij bij deze verdragen, om de algemene doelstellingen, die door het Statuut van de Raad van Europa, de Europese Conventie tot economische samenwerking en het Noord-Atlantisch Verdrag zijn vastgesteld, te bereiken.

3.

Rechten van de Mens

De bepalingen van Titel 1 van de Conventie tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden, die op 4 November 1950 te Rome is getekend, alsmede de bepalingen van hot additionele Protocol, dat te Parijs op 20 Maart 1952 is getekend, maken deel uit van dit Statuut.

4.

Rechtspersoonlijkheid, rechtsmacht, handelingsbevoegdheid, immuniteiten en voorrechten

De Gemeenschap bezit rechtspersoonlijkheid.

In het internationale verkeer bezit de Gemeenschap de rechtsmacht die nodig is voor het uitoefenen van haar taak en voor het bereiken van haar doelstellingen.

In elk van de deelnemende Staten bezit de Gemeenschap de meest omvattende handelingsbevoegdheid, die door het nationale recht is toegekend aan rechtspersonen. Zij kan met name onroerende en roerende goederen verwerven en vervreemden en in rechten optreden.

De Gemeenschap geniet, op het grondgebied van de deelnemende Staten, de voor de uitoefening van haar taken nodige immuniteiten en voorrechten, overeenkomstig de in een toegevoegd Protocol omschreven bepalingen.

5.

Juridische eenheid met de EGKS en de EDG

De Gemeenschap vormt met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Defensie Gemeenschap een enkele juridische eenheid, waarbinnen bepaalde lichamen de administratieve en financiële autonomie kunnen behouden, die voor de vervulling van de door de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Defensie Gemeenschap toegewezen taken vereist zijn.

6.

Uitoefening bevoegdheden

De Gemeenschap oefent alle haar krachtens dit Statuut of latere Acten verleende bevoegdheden uit.

De bepalingen, welke de aan de Gemeenschap bij dit Verdrag toegekende bevoegdheden vastleggen, dienen beperkend te worden uitgelegd.

7.

Samenwerking met nationale bestuursinstellingen en internationale organisaties

De Gemeenschap oefent haar werkzaamheden uit in nauwe samenwerking met de nationale bestuursinstellingen, zulks door middel van hun respectieve Regeringen en met elke internationale organisatie, waarvan de doelstellingen overeenkomen met de hare.

8.

Rechtspositie van de functionarissen

De Gemeenschap stelt bij de wet de grondbeginselen vast van de rechtspositie van haar functionarissen.


Terug naar boven