r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Artikel III-271: Minimumvoorschriften materieel strafrecht

III-270
Artikel III-271
III-272
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze strafbare feiten of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Indien onderlinge aanpassing de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel III-264 wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de betrokken harmonisatiemaatregelen.
  • 3. 
    Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in de leden 1 en 2 bedoeld ontwerp van Europese kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt, indien de in artikel III-396 bedoelde procedure van toepassing is, deze procedure geschorst. Na bespreking zal de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing:
    • a) 
      het ontwerp opnieuw aan de Raad voorleggen, waardoor de schorsing van de in artikel III-396 bedoelde procedure, indien deze van toepassing is, beëindigd wordt, of
    • b) 
      de Commissie of de groep lidstaten die het initiatief heeft genomen, verzoeken een nieuw ontwerp voor te leggen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld.
  • 4. 
    Indien de Europese Raad na afloop van de in lid 3 bedoelde periode niet heeft gehandeld, of indien 12 maanden na de indiening van een nieuw ontwerp op grond van lid 3, onder b), de Europese kaderwet nog niet is vastgesteld, en ten minste eenderde van de lidstaten nauwere samenwerking wenst aan te gaan op basis van het betrokken ontwerp voor een kaderwet, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan op de hoogte.

    In dat geval wordt de in artikelen I-44, lid 2, en in artikel III-419, lid 1, bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing.

1.

Toelichting Nederlandse regering

Artikel III-271 ziet op de onderlinge aanpassing van het materiële strafrecht. De opsomming van de vormen van criminaliteit waartegen de Unie kan optreden is limitatief. De Raad kan ook hier besluiten deze lijst van misdrijven uit te breiden, maar een dergelijk besluit dient evenals bij artikel III-270 met unanimiteit genomen te worden en behoeft instemming van het Europees Parlement.

Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om te besluiten tot strafrechtelijke normering van communautaire regelgeving indien dit nodig wordt geacht voor een doeltreffende uitvoering van het desbetreffende onderdeel van het Uniebeleid. Aangezien dit potentieel een grote uitbreiding van door de lidstaten uit te voeren strafrechtelijke handhaving betekent en met het oog daarop ook eisen aan de handhaafbaarheid van die regelgeving moeten worden gesteld, ligt het voor de hand de ministers verantwoordelijk voor het strafrecht bij de besluitvorming daaromtrent te betrekken.

Ook bij dit artikel is een noodremprocedure en automatische goedkeuring voor nauwere samenwerking voorzien die overeenkomt met de procedure zoals hierboven beschreven bij artikel III-270.

2.

Toelichting Belgische regering

Op het gebied van het materiële strafrecht kan de Unie minimumvoorschriften aannemen voor de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit waarvan de lijst in artikel III-271 wordt gegeven :

  • terrorisme,
  • mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen,
  • illegale drugshandel,
  • illegale wapenhandel,
  • het witwassen van geld, corruptie,
  • de vervalsing van betaalmiddelen,
  • computercriminaliteit en
  • de georganiseerde criminaliteit.

Deze lijst ligt niet vast. De Raad kan, met eenparigheid van stemmen en na goedkeuring van het Europees Parlement, de lijst uitbreiden zonder dat daarvoor de Grondwet moet worden herzien.

Bovendien kan de Raad minimumvoorschriften aannemen met het oog op de onderlinge aanpassing van het strafrecht van de lidstaten, wanneer dat noodzakelijk is om de doeltreffende uitvoering te verzekeren van een beleid van de Unie op een gebied waarop alle harmonisatiemaatregelen werden genomen. Deze mogelijkheid laat toe op te treden in geval van inbreuken zoals de vervalsing van de euro, milieuinbreuken of fraude waarbij de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

De Grondwet voert de stemming met gekwalificeerde meerderheid in voor het vaststellen van minimumvoorschriften in strafvorderingen (artikel III-270) en de onderlinge aanpassing van het materieel strafrecht (artikel III-271). Deze overgang naar een meerderheid is een belangrijke doorbraak in vergelijking met de huidige verdragen, ook al laat de tekst de overstap gepaard gaan met een specifiek mechanisme.

Elke lidstaat die van oordeel is dat een ontwerp afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan de procedure opschorten door de kwestie voor te leggen aan de Europese Raad. Binnen de vier maanden moet de Raad het ontwerp ter goedkeuring naar de Raad terugsturen of moet hij een nieuw ontwerp vragen.

Bij aanhoudende blokkering en indien ten minste eenderde van de lidstaten dat wenst, kunnen deze laatste een nauwere samenwerking aangaan zonder dat daarvoor een specifieke toelating van de Raad vereist is.

3.

Ontwikkeling artikel

2003

Het Europees Parlement en de Raad kunnen overeenkomstig de wetgevingsprocedure kaderwetten aannemen met minimumvoorschriften betreffende de definitie van strafbaarstelling en sancties:

  • in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit die tevens een grensoverschrijdende dimensie hebben die voortvloeit uit de aard of de effecten van de inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze gezamenlijk te vervolgen. Deze criminaliteitsvormen zijn de volgende: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, witwassen van geld, corruptie, namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit, en de georganiseerde criminaliteit. Afhankelijk van de ontwikkelingen van de criminaliteit kan de Raad met eenparigheid van stemmen en met instemming van het Europees Parlement andere vormen van criminaliteit aanwijzen die voldoen aan de criteria in het voorgaande streepje;
  • in verband met vormen van criminaliteit die inbreuk maken op een gemeenschappelijk belang ten aanzien waarvan de Unie een beleid voert, wanneer strafrechtelijke sancties onvoldoende blijken te zijn om een doeltreffende uitvoering van dit beleid te garanderen.

4.

Opmerkingen

Met dit ontwerp-artikel wordt gevolg gegeven aan een cruciale aanbeveling van de werkgroep, gericht op een nauwkeuriger definitie van de bevoegdheid van de Unie op het gebied van de onderlinge aanpassing van de nationale voorschriften van het materieel strafrecht. Een nauwkeuriger afbakening van de bevoegdheden lijkt immers noodzakelijk om de algemene regels van de besluitvorming (gekwalificeerde meerderheid en medebeslissing) ook hier te kunnen toepassen.

Overeenkomstig het verslag zorgt de ontwerptekst voor een betere afbakening van de bevoegdheden door de twee fundamentele criteria op bladzijde 10 van dat verslag (de punten "aa" - vormen van bijzonder zware criminaliteit die tevens een grensoverschrijdende dimensie hebben en "bb" - vormen van criminaliteit die inbreuk maken op een gemeenschappelijk belang ten aanzien waarvan de Unie een beleid voert), en door een lijst van vormen van criminaliteit. Zoals in het verslag wordt voorgesteld, bevat deze lijst een beperkende lijst van vormen van bijzonder zware en grensoverschrijdende criminaliteit in de zin van criterium "aa" van het verslag, maar afhankelijk van de ontwikkelingen kan de Raad met eenparigheid van stemmen en met instemming van het Parlement andere vormen van criminaliteit aanwijzen die aan dit criterium voldoen, zodat de Unie op dergelijke ontwikkelingen kan reageren zonder het verdrag te hoeven wijzigen.

De bovenstaande lijst is geïnspireerd op de artikelen 29 en 31, onder e), van het huidige VEU en de conclusies van de Europese Raad van Tampere (zie punt 48). Sommige vormen van criminaliteit, zoals met name terrorisme, hebben hoe dan ook een grensoverschrijdende dimensie als bedoeld in dit artikel, zelfs al is er slechts één enkele lidstaat bij betrokken, omdat er ontegensprekelijk sprake is van een " bijzondere noodzaak om deze gezamenlijk te vervolgen ". Voorts zij erop gewezen dat deze lijst, overeenkomstig het verslag van de werkgroep (zie blz. 12), alleen van toepassing is in het kader van de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen; de politiële en justitiële samenwerking, inclusief het optreden van Europol en Eurojust (zie bladzijden 13-15, 19) kan andere vormen van criminaliteit bestrijken. Het tweede streepje ("criminaliteit die inbreuk maakt op een gemeenschappelijk belang ten aanzien waarvan de Unie een beleid voert") beslaat vooral verscheidene gebieden waarvoor reeds op grond van artikel 31 VEU vastgesteld acquis bestaat , of waarover wordt onderhandeld of waarvoor projecten voor de nabije toekomst bestaan. Dit is met name het geval voor: fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, het namaken van de euro, het bieden van hulp bij binnenkomst en bij illegaal verblijf, het namaken van producten en productpiraterij, milieudelicten en ook racisme en vreemdelingenhaat (volgens artikel 13 VEG kan de Gemeenschap immers passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van ras of etnische afstamming te bestrijden). Omdat dit tweede criterium bestaat, is het niet nodig al die vormen van criminaliteit niet aan de lijst in het eerste streepje worden toegevoegd. Bovendien houdt het tweede streepje er rekening mee dat de Unie voor bepaalde misdrijven hoe dan ook minimumvoorschriften moet vaststellen, los van de vraag of zij grensoverschrijdend zijn of niet. Dat is bijvoorbeeld het geval voor het namaken van de euro of voor fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt.

2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit die een grensoverschrijdende dimensie hebben die voortvloeit uit de aard of de effecten van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Deze criminaliteitsvormen zijn de volgende: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, witwassen van geld, corruptie, namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit, en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen van de criminaliteit kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin andere vormen van criminaliteit worden vermeld die voldoen aan de in dit lid genoemde criteria. Hij besluit met eenparigheid van stemmen na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Wanneer onderlinge aanpassing van het strafrecht noodzakelijk blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatie maatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel [III-160] wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de in de voorgaande alinea bedoelde harmonisatiemaatregelen.
2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad van Ministers bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Indien onderlinge aanpassing van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied.

    Onverminderd artikel III-165, wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de in de voorgaande alinea bedoelde harmonisatiemaatregelen.

2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Indien onderlinge aanpassing van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel III-165, wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de betrokken harmonisatiemaatregelen.
  • 3. 
    Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in de leden 1 en 2 bedoeld ontwerp van Europese kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtsstelsel [*], kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt, indien de in artikel III-302 bedoelde procedure van toepassing is, deze procedure opgeschort.

    Na bespreking zal de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing: [*]

    • a) 
      het ontwerp van Europese kaderwet opnieuw aan de Raad voorleggen, waardoor de schorsing van de in artikel III-302 bedoelde procedure, indien deze van toepassing is, beëindigd wordt, of
    • b) 
      de Commissie of de groep van lidstaten die het initiatief voor de Europese kaderwet heeft genomen, verzoeken een nieuw ontwerp voor te leggen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde ontwerp-wet geacht niet te zijn aangenomen.
  • 4. 
    Indien de Europese Raad na afloop van de in lid 3 bedoelde periode geen maatregelen heeft genomen, of indien 12 maanden na de indiening van een nieuw ontwerp op grond van lid 3, onder b), de Europese kaderwet nog niet is aangenomen, en ten minste een derde van de lidstaten nauwere samenwerking wenst aan te gaan op basis van de betrokken ontwerp-kaderwet, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan op de hoogte.

    In dat geval wordt de in de artikelen I-43, lid 2), en III-325, lid 1, bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing. [**]

Noot PDC [*] bij het nieuwe lid 3:

Lid 3 is toegevoegd tijdens het ministerieel conclaaf in Napels (november 2003, document CIG 60/03 ADD 1).

De termijn van vier maanden is toegevoegd in document CIG 80/04 (voorbereiding op de IGC-Raad van 14 juni 2004).

In voorbereiding op de afsluitende Europese Raad van 17-18 juni 2004 (document CIG 81/04) is de zinsnede is "grondbeginselen van zijn rechtsstelsels" vervangen door "fundamentele aspecten van zijn strafrechtsstelsel". Dezelfde wijziging is doorgevoerd in Artikel III 171.

Noot PDC [**] bij het nieuwe lid 4:

Lid 4 is toegevoegd in document CIG 80/04 (voorbereiding op de IGC-Raad van 14 juni 2004).

2004
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze strafbare feiten of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Indien onderlinge aanpassing de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel III-264 wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de betrokken harmonisatiemaatregelen.
  • 3. 
    Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in de leden 1 en 2 bedoeld ontwerp van Europese kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt, indien de in artikel III-396 bedoelde procedure van toepassing is, deze procedure geschorst. Na bespreking zal de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing:
    • a) 
      het ontwerp opnieuw aan de Raad voorleggen, waardoor de schorsing van de in artikel III-396 bedoelde procedure, indien deze van toepassing is, beëindigd wordt, of
    • b) 
      de Commissie of de groep lidstaten die het initiatief heeft genomen, verzoeken een nieuw ontwerp voor te leggen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld.
  • 4. 
    Indien de Europese Raad na afloop van de in lid 3 bedoelde periode niet heeft gehandeld, of indien 12 maanden na de indiening van een nieuw ontwerp op grond van lid 3, onder b), de Europese kaderwet nog niet is vastgesteld, en ten minste eenderde van de lidstaten nauwere samenwerking wenst aan te gaan op basis van het betrokken ontwerp voor een kaderwet, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan op de hoogte.

    In dat geval wordt de in artikelen I-44, lid 2, en in artikel III-419, lid 1, bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing.

Delen

Terug naar boven