r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Artikel III-256: Energie

III-255
Artikel III-256
III-257
  • 1. 
    In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie erop gericht:
    • a) 
      de werking van de energiemarkt te waarborgen;
    • b) 
      de continuïteit van de energievoorziening in de Unie te waarborgen, en
    • c) 
      energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren.
  • 2. 
    Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van de Grondwet worden de in lid 1 genoemde doelstellingen verwezenlijkt met maatregelen die bij Europese wet of kaderwet worden vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

    De Europese wetten en/of kaderwetten zijn, onverminderd artikel III-234, lid 2, onder c), niet van invloed op het recht van een lidstaat de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen te bepalen, op zijn keuze tussen verschillende energiebronnen of op de algemene structuur van zijn energievoorziening.

  • 3. 
    In afwijking van lid 2, kunnen de daarin bedoelde maatregelen die voornamelijk van fiscale aard zijn, bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

1.

Toelichting Nederlandse regering

Het energiebeleid wordt in een zelfstandige afdeling opgenomen (artikel III-256). Vóór de opname van een zelfstandig energieartikel werd het energiebeleid gebaseerd op de bepalingen inzake de interne markt (artikel 95 EG-Verdrag), milieu (artikelen 174 en 175 EG-Verdrag) en crisisbeheersing (artikel 100 EG-Verdrag).

Met de opname van een zelfstandig artikel in het Grondwettelijk Verdrag is voor energiebeleid onder het Grondwettelijk Verdrag een specifieke rechtsbasis gecreëerd. Dit artikel codificeert de doelstellingen van het energiebeleid (eerste lid) en integreert de bestaande bevoegdheden (tweede lid) teneinde een coherent en geïntegreerd energiebeleid te kunnen ontwikkelen.

Het derde lid expliciteert dat voor energiemaatregelen van fiscale aard - conform overige fiscale besluitvorming - de Raad met eenparigheid van stemmen besluit en het Europees Parlement slechts wordt geraadpleegd.

De regering was oorspronkelijk geen voorstander van het opnemen van een afzonderlijk energieartikel. Het Verenigd Koninkrijk steunde dit standpunt. De regering was van mening dat de bestaande bepalingen reeds voldoende aanknopingspunten boden voor een energiebeleid. Daarnaast zou een apart energieartikel inbreuk kunnen maken op de soevereiniteit van de lidstaten ten aanzien van hun nationale energiebronnen.

De Nederlandse en Britse inspanningen zijn voor een deel succesvol gebleken. Weliswaar heeft het voorstel voor een specifiek energieartikel de eindtekst van het Grondwettelijk Verdrag gehaald, maar de formulering van het artikel III-256 en de aan de Slotakte gehechte Verklaring bij dit artikel (Verklaring 22) komen tegemoet aan de Nederlandse zorgen omtrent het opnemen van een apart energieartikel. Zowel de tweede alinea van het tweede lid van artikel III-256, als de Verklaring bepalen dat de soevereiniteit van de lidstaten over de nationale energiebronnen, wordt gewaarborgd.

2.

Toelichting Belgische regering

Er is een nieuwe specifieke juridische basis ingevoerd om de Unie in staat te stellen op het gebied van energie wetten en kaderwetten aan te nemen (artikel III-256).

Bij gebrek aan een specifieke juridische basis, zijn de maatregelen die de Unie op het gebied van energie neemt vandaag gelieerd aan andere beleidsdomeinen, zoals de interne markt of het milieu.

De gewone wetgevende procedure (gekwalificeerde meerderheid en medebeslissing) zal van toepassing zijn op de maatregelen inzake energie, tenzij deze maatregelen van voornamelijk fiscale aard zijn; in dit laatste geval spreekt de Raad zich eenparig uit, na raadpleging van het Europees Parlement.

Een in de Slotakte opgenomen verklaring stelt dat artikel III-256 geen afbreuk doet aan het recht van de lidstaten om de nodige voorzieningen te treffen om hun energievoorziening te waarborgen.

3.

Ontwikkeling artikel

2003
  • 1. 
    In het kader van de totstandbrenging van de interne markt en rekening houdend met het vereiste om het milieu in stand te houden en te verbeteren is het beleid van de Unie op het gebied van energie erop gericht:
    • a) 
      de werking van de energiemarkt te waarborgen,
    • b) 
      de continuïteit van de energielevering in de Unie te waarborgen, en
    • c) 
      energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren.
  • 2. 
    In een wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om de in lid 1 genoemde doelstellingen te bereiken. Zij wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité.
  • 3. 
    Deze wet is niet van invloed op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening. Maatregelen op dit gebied worden vastgesteld overeenkomstig artikel [voorheen 175, lid 2, punt c)].

4.

Toelichting

  • 1. 
    Opdat de voor de "energierechtsgrondslag" voorgestelde ontwerp-tekst de soort maatregelen bestrijkt die tot nu toe zijn aangenomen, is gekozen voor een tamelijk ruime formulering van lid 1, zonder al te veel in details te treden.
  • 2. 
    Lid 2 voorziet in de toepassing van de gewone wetgevende procedure voor de maatregelen die onder de doelstellingen van lid 1 vallen. Er wordt herinnerd aan de maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening, die overeenkomstig artikel ex 175, lid 2, punt c), volgens een speciale wetgevingsprocedure door de Raad met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Parlement worden aangenomen.
2003
  • 1. 
    In het kader van de totstandbrenging van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie erop gericht:
    • a) 
      de werking van de energiemarkt te waarborgen,
    • b) 
      de continuïteit van de energielevering in de Unie te waarborgen, en
    • c) 
      energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren.
  • 2. 
    Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen ter bereiking van de in lid 1 genoemde doelstellingen vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 3. 
    De in lid 2 bedoelde wet of kaderwet is, onverminderd artikel III-130, lid 2, onder c), niet van invloed op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening.
2003
  • 1. 
    In het kader van de totstandbrenging van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie erop gericht:
    • a) 
      de werking van de energiemarkt te waarborgen,
    • b) 
      de continuïteit van de energielevering in de Unie te waarborgen, en
    • c) 
      energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren.
  • 2. 
    Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van de grondwet worden de in lid 1 genoemde doelstellingen verwezenlijkt met maatregelen die bij Europese wet of kaderwet worden vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

    Dergelijke wetten of kaderwetten zijn, onverminderd artikel III-130, lid 2, onder c), niet van invloed op het recht van een lidstaat de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen te bepalen, op zijn keuze tussen verschillende energiebronnen of op de algemene structuur van zijn energievoorziening. [**]

  • 3. 
    In afwijking van lid 2, kunnen de daarin bedoelde maatregelen die voornamelijk van fiscale aard zijn, bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. [*]

Verklaring voor de slotakte

De Conferentie is van oordeel dat artikel III-157 geenszins afbreuk doet aan het recht van de lidstaten om in de in artikel III-16 bedoelde omstandigheden de nodige voorzieningen te treffen om hun energiebevoorrading te garanderen.

Noot [*] PDC

Het derde lid is ingevoegd tijdens de afsluitende Europese top van 17-18 juni 2004 (document CIG 85/04). Dit document bekrachtigde de 'terugkeer' van dit document en de laatste wijzigingen (zie noot [**]).

Noot [**] PDC

De IGC-Raad van 17-18 mei 2004 heeft dit artikel geschrapt (CIG 76/04). In de aanloop naar de IGC-Raad van 14 juni 2004 is dit artikel weer 'herrezen' (CIG 80/04). Zie in dit verband ook het schrappen van 'energie' als gedeelde bevoegdheidsgebied van de Europese Unie in artikel I-13 lid 2 sub i.

De tekst van het artikel luidde:

  • 1. 
    In het kader van de totstandbrenging van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie erop gericht:

    a) de werking van de energiemarkt te waarborgen,

    b) de continuïteit van de energielevering in de Unie te waarborgen, en

    c) energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren.

  • 2. 
    Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen ter bereiking van de in lid 1 genoemde doelstellingen vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 3. 
    De in lid 2 bedoelde wet of kaderwet is, onverminderd artikel III-130 , lid 2, onder c), niet van invloed op het recht van een lidstaat de voorwaarden voor exploitatie van zijn energiebronnen en de structuur van zijn levering te bepalen.

[Verklaring voor de Slotakte ad artikel III-157]

De Conferentie is van oordeel dat artikel III-157 geenszins afbreuk doet aan het recht van de lidstaten de nodige voorzieningen te treffen om hun energielevering te garanderen in de in artikel III-16 bedoelde omstandigheden.

2004
  • 1. 
    In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie erop gericht:
    • a) 
      de werking van de energiemarkt te waarborgen;
    • b) 
      de continuïteit van de energievoorziening in de Unie te waarborgen, en
    • c) 
      energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren.
  • 2. 
    Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van de Grondwet worden de in lid 1 genoemde doelstellingen verwezenlijkt met maatregelen die bij Europese wet of kaderwet worden vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

    De Europese wetten en/of kaderwetten zijn, onverminderd artikel III-234, lid 2, onder c), niet van invloed op het recht van een lidstaat de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen te bepalen, op zijn keuze tussen verschillende energiebronnen of op de algemene structuur van zijn energievoorziening.

  • 3. 
    In afwijking van lid 2, kunnen de daarin bedoelde maatregelen die voornamelijk van fiscale aard zijn, bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
 

Delen

Terug naar boven