r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Hoofdstuk 5 - Internationale akkoorden

Inhoud

32.

{Modaliteiten}

  • 1. 
    De Unie kan verplichtingen aangaan door het sluiten van akkoorden met een of meer derde staten of internationale organisaties in de gevallen waarin de bepalingen van deze Grondwet voorzien in het sluiten van dergelijke akkoorden.
  • 2. 
    De Unie kan met een of meer derde staten of internationale organisaties associatieovereenkomsten sluiten. Bij deze overeenkomsten wordt met een of meer derde staten of internationale organisaties een associatie ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijke optredens en bijzondere procedures.
  • 3. 
    De Unie kan internationale akkoorden sluiten wanneer zulks nodig is om een doelstelling van de Unie te verwezenlijken, wanneer daarin bij een wetgevingsbesluit van de Unie is voorzien, of wanneer zulks van invloed is op een intern besluit van de Unie.
  • 4. 
    De door de Unie gesloten akkoorden zijn verbindend voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten.

2.

Commentaar

Door het verdwijnen van de pijlers moeten de bepalingen betreffende de externe bevoegdheid van de Unie op het gebied van het GBVB (artikel 24 VEU), JBZ (artikel 38 VEU) en de Gemeenschap (artikel 300, lid 1, VEG) worden samengevoegd.

In het huidige artikel 300, lid 1, VEG is uitsluitend sprake van de uitdrukkelijke externe bevoegdheid van de Gemeenschap, te weten "gevallen waarin de bepalingen van het verdrag voorzien in het sluiten van akkoorden". Het betreft de artikelen 133 VEG (gemeenschappelijke handelspolitiek), 177 tot en met 181 VEG (ontwikkelingssamenwerking), 111 VEG (monetair beleid), 170 VEG (beleid van onderzoek en technologische ontwikkeling), 174 VEG (milieubeleid), 182 tot en met 188 VEG (associatie van de landen en gebieden overzee) en 310 VEG (associatie van derde staten of internationale organisaties).

Uit hoofde van de jurisprudentie van het Hof van Justitie kan de externe bevoegdheid van de Unie evenwel niet alleen uitdrukkelijk zijn toegekend bij het verdrag, maar ook impliciet voortvloeien uit de bepalingen ervan. Dat is het geval:

  • wanneer de externe bevoegdheid van de Unie nodig is om een van de doelstellingen van het verdrag te verwezenlijken, indien de Unie (op intern vlak nog geen wetgevingsbesluit heeft aangenomen (Adviezen 1/76 van het Hof van 26 april 1977, 2/91 van het Hof van 19 maart 1993 en 1/94 van het Hof van 15 november 1994), en
  • wanneer de externe bevoegdheid van de Unie nodig is voor de eenvormige toepassing van het Gemeenschapsrecht, indien de Unie haar interne bevoegdheid reeds heeft uitgeoefend (AETRarrest van het Hof van 31 maart 1971 en Adviezen 1/92 van het Hof van 10 april 1992 en 2/92 van het Hof van 24 maart 1995).

Voortbouwend op deze jurisprudentie heeft Werkgroep VII de volgende aanbevelingen geformuleerd:

  • het verdrag dient te vermelden dat de Unie bevoegd is voor de sluiting van akkoorden die aangelegenheden bestrijken welke onder haar interne bevoegdheden vallen;
  • de nieuwe verdragsbepaling dient voorts te specificeren dat de Raad over dergelijke akkoorden een besluit moet nemen volgens dezelfde stemprocedure als die welke voor interne wetgevingsbesluiten over dezelfde aangelegenheden zou gelden (normaal gesproken stemming met gekwalificeerde meerderheid).

De bepaling mag op generlei wijze de bevoegdheidsafbakening tussen de EU en de lidstaten wijzigen.

Ontwerp-artikel 32 heeft alleen betrekking op de toekenning van bevoegdheden aan de Unie om akkoorden te sluiten: uitdrukkelijke bevoegdheid indien een bepaling van de grondwet voorziet in de sluiting van akkoorden (lid 1) en impliciete bevoegdheid indien de sluiting van een akkoord nodig is ter verwezenlijking van een doelstelling van de Unie, indien een wetgevingshandeling van de Unie daarin voorziet of indien zulks nodig is voor de eenvormige toepassing van een interne handeling van de Unie (lid 3).

Dit ontwerp-artikel gaat niet in op de exclusieve of gedeelde aard van deze bevoegdheid. Deze aangelegenheid wordt behandeld in de ontwerp-artikelen 11 en 12 van de Grondwet, die aangeven

  • (artikel 11) dat "de Unie exclusief bevoegd [is] (_) op de volgende gebieden: (_) het gemeenschappelijk handelsbeleid, het monetair beleid voor de lidstaten waar de euro is ingevoerd, de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid."; deze exclusieve bevoegdheid strekt zich uit tot internationale akkoorden op de genoemde gebieden. In lid 2 van ontwerp-artikel 11 wordt daaraan toegevoegd dat "De Unie exclusief bevoegd [is] om een internationale overeenkomst te sluiten, wanneer daarin bij een wetgevingshandeling van de Unie is voorzien, wanneer zulks noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen, of wanneer zulks van invloed is op een interne handeling van de Unie."
  • (artikel 12) op welke gebieden de Unie over een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid beschikt. Op een aantal van die gebieden beschikt de Unie over een uitdrukkelijke externe bevoegdheid, die zij met de lidstaten deelt. Het betreft ontwikkelingssamenwerking, het beleid inzake onderzoek en technologische ontwikkeling en het milieubeleid.

33.

{Procedures}

  • 1. 
    Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel 24 van deze titel, wordt bij het onderhandelen over en het sluiten van akkoorden tussen de Unie en derde staten of internationale organisaties de volgende procedure gevolgd.
  • 2. 
    De Raad verleent de machtiging voor het openen van de onderhandelingen, stelt onderhandelingsrichtsnoeren vast en sluit de akkoorden.
  • 3. 
    De Commissie of, ingeval het akkoord uitsluitend dan wel hoofdzakelijk betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie doet aanbevelingen aan de Raad, die haar/hem machtigt de onderhandelingen te openen. De Commissie en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie doen in voorkomend geval gezamenlijke aanbevelingen.
  • 4. 
    De Raad wijst in het kader van het machtigingsbesluit voor de onderhandelingen al naargelang de inhoud van het toekomstige akkoord de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie aan.
  • 5. 
    De Raad kan de onderhandelaar van het akkoord onderhandelingsrichtsnoeren geven en hij kan een bijzonder comité aanwijzen in overleg waarmee de onderhandelingen moeten worden gevoerd.
  • 6. 
    De Raad neemt op voorstel van de onderhandelaar van het akkoord een besluit over de ondertekening en, zo nodig, de voorlopige toepassing vóór de inwerkingtreding.
  • 7. 
    De Raad sluit het akkoord op voorstel van de onderhandelaar van het akkoord. Tenzij het akkoord uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, sluit de Raad het akkoord na raadpleging van het Europees Parlement. Het Parlement brengt advies uit binnen de termijn die de Raad naar gelang van de urgentie kan vaststellen. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad een besluit nemen. In geval van associatieovereenkomsten, toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, akkoorden die een specifiek institutioneel kader in het leven roepen door het instellen van samenwerkingsprocedures, akkoorden die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting van de Unie en akkoorden die betrekking hebben op gebieden waarop de wetgevingsprocedure van toepassing is, is evenwel de instemming van het Europees Parlement vereist. In dringende gevallen kunnen de Raad en het Europees Parlement een termijn overeenkomen voor het geven van de instemming.
  • 8. 
    Bij de sluiting van een akkoord kan de Raad, in afwijking van de voorgaande bepalingen, de onderhandelaar van het akkoord machtigen om de wijzigingen die krachtens het akkoord volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij het akkoord opgericht orgaan worden aangenomen, namens de Unie goed te keuren; de Raad kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden verbinden.
  • 9. 
    Tijdens de gehele procedure besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Hij besluit evenwel met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor eenparigheid vereist is wat de aanneming van interne voorschriften betreft, alsmede in geval van een associatieovereenkomst en in geval van toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  • 10. 
    De Raad besluit op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of van de Commissie tot opschorting van de toepassing van een akkoord en bepaalt de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een akkoord, wanneer dat lichaam besluiten dient te nemen met rechtsgevolgen, met uitzondering van besluiten tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.
  • 11. 
    Het Europees Parlement wordt onverwijld en volledig op de hoogte gebracht van alle fasen van de in dit artikel omschreven procedure.
  • 12. 
    Het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Europese Centrale Bank of een lidstaat kunnen het advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een beoogd akkoord met de bepalingen van de Grondwet die onder de rechtsmacht van het Hof van Justitie vallen. In geval van een afwijzend advies van het Hof van Justitie kan het beoogde akkoord niet in werking treden, behoudens in geval van herziening van de Grondwet volgens de procedure van artikel [N].

4.

Commentaar

Werkgroep VII heeft de aanbeveling geformuleerd dat "in het nieuwe verdrag één afzonderlijke afdeling wordt opgenomen met de bepalingen betreffende het onderhandelen over en sluiten van internationale overeenkomsten, waarin wordt bepaald dat de Raad de machtiging voor het openen van onderhandelingen verleent, onderhandelingsrichtsnoeren uitvaardigt en de overeenkomsten sluit, en waarin wordt bepaald wie er namens de Unie optreedt, naar gelang van het onderwerp van het akkoord."

Wanneer het toepassingsgebied van een akkoord binnen zowel het huidige Gemeenschapsterrein als de huidige titels V of VI van het VEU valt, beveelt de werkgroep aan dat "indien mogelijk, één enkele overeenkomst wordt gesloten, en dat de Raad op basis van het hoofddoel en de rechtsgrondslag van de overeenkomst bepaalt welke procedure voor de onderhandelingen wordt gevolgd. In dat verband zou de Raad ook aangeven wie er namens de Unie onderhandelt: bijvoorbeeld de persoon die het ambt van HV bekleedt en de Commissie gezamenlijk, dan wel de Commissie of de HV alleen, onder toezicht van een Comité".

In het tekstvoorstel is rekening gehouden met deze aanbeveling; de procedure van de artikelen 24 en 38 VEU is namelijk overgenomen in de huidige procedure van artikel 300 VEG; voorts is de aanbeveling verder uitgewerkt om rekening te houden met de hypothese dat het ambt van minister van Buitenlandse Zaken van de Unie in het leven wordt geroepen.

34.

{Monetair beleid}

  • 1. 
    In afwijking van artikel 33 kan de Raad met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, en na raadpleging van het Europees Parlement, volgens de procedure van lid 3 voor de aldaar omschreven regelingen, formele overeenkomsten sluiten over een systeem van wisselkoersen voor de euro ten opzichte van niet-Unie-valuta's. De Raad kan, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, de euro-spilkoersen binnen het wisselkoerssysteem invoeren, wijzigen of afschaffen. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van de invoering, wijziging of afschaffing van de eurospilkoers.
  • 2. 
    Indien het wisselkoerssysteem een lacune vertoont ten opzichte van één of meer niet-Unievaluta's als bedoeld in lid 1, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, of op aanbeveling van de Europese Centrale Bank, algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van deze valuta's vaststellen. Deze algemene oriëntaties laten het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken, zijnde het handhaven van de prijsstabiliteit, onverlet.
  • 3. 
    In afwijking van artikel 33 neemt de Raad, wanneer de Unie onderhandelingen met één of meer staten of internationale organisaties moet voeren over aangelegenheden betreffende het monetaire of wisselkoersregime, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, besluiten over de regelingen voor de onderhandelingen over en de sluiting van dergelijke overeenkomsten. Deze regelingen verzekeren dat de Unie één standpunt inneemt. De Commissie wordt ten volle bij de onderhandelingen betrokken.
  • 4. 
    Onder voorbehoud van lid 1 besluit de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over het standpunt van de Unie in internationale fora ten aanzien van onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor de Economische en Monetaire Unie, en over de wijze waarop zij overeenkomstig de in de artikelen X [ex 99] en Y [ex 105] vastgelegde bevoegdheidsverdeling wordt vertegenwoordigd.
  • 5. 
    Onverminderd de bevoegdheden en de overeenkomsten van de Unie op het gebied van de Economische en Monetaire Unie, mogen de lidstaten in internationale organen onderhandelingen voeren en internationale overeenkomsten sluiten.

6.

Commentaar

De voorgestelde tekst neemt het huidige artikel 111 VEG over, met dien verstande dat "ecu" door "euro" is vervangen en de tweede alinea van lid 3 is weggelaten, omdat lid 4 van ontwerp-artikel 33 een algemene bepaling bevat.

Werkgroep VI heeft erkend dat de efficiëntie van de huidige informele regelingen (die nodig zijn omdat de bepalingen van artikel 111, lid 4, VEG niet zijn uitgevoerd) voor de vertegenwoordiging van de eurozone in internationale organisaties moet worden verbeterd. Sommige leden meenden dat dit door betere coördinatie kan worden bereikt. Anderen wilden verder gaan, hoewel werd erkend dat de vereiste soort vertegenwoordiging gedeeltelijk van de betrokken internationale organisatie kan afhangen. Sommigen wensen dat deze rol in essentie toekomt aan de voorzitter van de Eurogroep, anderen vinden dat in het Verdrag een bepaling moet worden opgenomen waarbij deze taak, zoals voor het handelsbeleid, aan de Commissie wordt toevertrouwd.

In lid 4 van het voorgestelde artikel is derhalve geen beslissing in dezen genomen en wordt de Raad de keuze gelaten om een vertegenwoordiger van de Unie, in de praktijk van de eurozone, te benoemen: hetzij de voorzitter van de Raad ECOFIN, hetzij de Commissie, wat beter zou aansluiten bij de rest van de grondwet, aangezien het monetair beleid voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd, een exclusieve bevoegdheid is.


Terug naar boven