r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Titel II: De grondrechten en het burgerschap van de Unie

Delen

Inhoud

5: Grondrechten

  • 1. 
    Het Handvest van de grondrechten vormt een integrerend deel van de Grondwet. Het Handvest is vervat [in het tweede deel ervan / in een eraan gehecht protocol].
  • 2. 
    De Unie kan toetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De toetreding tot dit Verdrag laat de bevoegdheden van de Unie, zoals bij deze Grondwet omschreven, onveranderd.
  • 3. 
    De grondrechten, zoals gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en voortvloeiend uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie.

Voetnoot bij lid 1:

[De integrale tekst van het Handvest, met alle redactionele aanpassingen die in het eindverslag van Werkgroep II zijn vermeld (CONV 354/02), komt, overeenkomstig het door de Conventie e nemen besluit, te staan in, hetzij een tweede deel van de Grondwet, hetzij een eraan gehecht Protocol.]

Toelichting

Met dit voorstel voor een artikel wordt gevolg gegeven aan de twee voornaamste aanbevelingen van het verslag van Werkgroep II (CONV 354/02), namelijk enerzijds dat het Handvest van de grondrechten moet worden opgenomen in de Grondwet met constitutioneel karakter en dwingende rechtsgevolgen, en anderzijds dat de Unie moet kunnen toetreden tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Met betrekking tot de techniek om het Handvest in het Constitutionele Verdrag op te nemen, moet worden opgemerkt dat het feit dat de volledige tekst ervan (met alle redactionele aanpassingen waarvan in het eindverslag van de werkgroep melding is gemaakt) zal worden opgenomen hetzij in een tweede afzonderlijk gedeelte van de Grondwet, hetzij in een aan deze Grondwet gehecht protocol, het juridische verbindende karakter ervan zal waarborgen en dat op het Handvest de algemene voorschriften betreffende toekomstige wijzigingen van het Verdrag kunnen worden toegepast.

Voorts zal deze techniek de mogelijkheid bieden de structuur van het Handvest te behouden en zal daarmee voorkomen kunnen worden dat het eerste deel van de Grondwet langer wordt. Terzelfder tijd zal door het vermelden van het Handvest in een van de eerste artikelen van de Grondwet het constitutionele karakter ervan worden beklemtoond. In de rechtsgrondslag van lid 2, waarbij de Unie wordt toegestaan toe te treden tot het EVRM, is voorts uitdrukkelijk bepaald dat de toetreding niet tot gevolg mag hebben dat de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten wordt gewijzigd, waarmee gevolg wordt gegeven aan een aanbeveling van Werkgroep II. De loutere vermelding van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens in dit lid is het gevolg van het feit dat in een advies van het Hof van Justitie van 1996 werd ontkend dat de Gemeenschap bevoegd is om tot dat Verdrag toe te treden, zulks op basis van overwegingen die dat Verdrag eigen zijn. Dit lid is niet bedoeld om uit te sluiten dat de Unie op basis van de bevoegdheden die haar in het tweede deel van het Verdrag zijn toegewezen, tot andere mensenrechtenverdragen kan toetreden.

Lid 3, dat geïnspireerd is op het huidige artikel 6, lid 2 VEU, heeft tot doel duidelijk aan te geven dat het recht van de Unie, afgezien van het Handvest, nog andere fundamentele rechten kent, namelijk algemene beginselen die voortvloeien uit twee inspiratiebronnen: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, enerzijds, en de constitutionele tradities die de lidstaten met elkaar gemeen hebben, anderzijds. Zoals verschillende conventieleden in Werkgroep II (zie blz. 9 en 10 van het eindverslag, CONV 354/02) tijdens de plenaire zitting hebben beklemtoond, ligt het belang van deze bepaling in het feit dat verduidelijkt wordt dat de opneming van het Handvest het Hof van Justitie niet belet uit deze twee bronnen te putten om nog andere fundamentele rechten te erkennen die onder meer zouden kunnen voortvloeien uit mogelijke toekomstige ontwikkelingen van het EVRM en de constitutionele tradities die de lidstaten met elkaar gemeen hebben. Dit strookt met de klassieke constitutionele doctrine, volgens welke de lijsten van fundamentele rechten in de grondwetten nooit volledig worden geacht, waardoor de jurisprudentiële ontwikkeling van aanvullende rechten op basis van ontwikkelingen in de samenleving wordt aanvaard.

6: Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit

Binnen het toepassingsgebied van deze Grondwet is, onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Toelichting

In dit artikel wordt het verbod van elke discriminatie op grond van nationaliteit, dat thans verankerd is in artikel 12 VEG, ongewijzigd overgenomen. De structuur volgend van het huidige EG-Verdrag, en ook van het Handvest, wordt dat verbod hier vastgesteld in een afzonderlijk artikel, en niet als deel van de bepalingen over het burgerschap van de Unie. Wegens het cruciale belang ervan voor de ontwikkeling van het recht van de Unie moet deze bepaling haar plaats krijgen in het eerste deel van de Grondwet. De rechtsgrondslag betreffende regelingen omtrent non-discriminatie op grond van nationaliteit (zie het huidige artikel 12, lid 2 VEG) zou in het tweede deel van het Verdrag worden opgenomen. Hetzelfde zou gelden voor het huidige artikel 13 VEG, dat een rechtsgrondslag voor de bestrijding van bepaalde andere vormen van discriminatie geeft.

7: Burgerschap van de Unie

  • 1. 
    Het burgerschap van de Unie komt toe aan eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie staat naast, en treedt niet in de plaats van het nationale burgerschap. Alle burgers van de Unie zijn gelijk voor de wet.
  • 2. 
    De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die in deze grondwet zijn neergelegd. Zij hebben:
    • het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;
    • het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
    • het recht om, op het grondgebied van een derde land waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat te genieten onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;
    • het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de ombudsman van de Unie te wenden, alsook de instellingen en de adviesorganen van de Unie in een van de officiële talen van de Unie aan te schrijven en in die taal antwoord te krijgen.
  • 3. 
    Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij deze Grondwet en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Toelichting

De definitie van het burgerschap van de Unie die in het eerste lid wordt gegeven, volgt die van het huidige EG-Verdrag. In dat lid is voorts het beginsel van gelijkheid van alle Europese burgers vastgelegd.

In de opsomming van de rechten van de burgers in lid 2 worden alle rechten vermeld die momenteel in het deel "burgerschap" van het EG-Verdrag staan. Het recht op toegang tot de documenten van de instellingen, dat thans in artikel 255 VEG is opgenomen, zou worden opgenomen onder de titel "Het democratische leven" of de titel "Instellingen" van het Constitutionele Verdrag. Hetzelfde zou kunnen worden gedaan met het recht op behoorlijk bestuur dat in het Handvest (artikel 41) is vastgelegd, omdat het Handvest dat recht aan "eenieder" verleent.

Meer gedetailleerde bepalingen en de rechtsgrondslagen in verband met de definitie van de voorwaarden en de beperkingen van de uitoefening van de bovengenoemde rechten (zie de artikelen 18, lid 2, 19, lid 1 en lid 2 (meer bepaald de tweede zin), 20, tweede zin, 194 en 195 van het EG-Verdrag), zouden worden opgenomen in het tweede deel van het Verdrag. Hetzelfde zou worden gedaan met het huidige artikel 22 VEG, betreffende de mogelijke verdere ontwikkeling van de rechten van de burgers.


  • Artikel 5: Grondrechten
    • 1. 
      Het Handvest van de grondrechten vormt een integrerend deel van de Grondwet. Het Handvest is vervat [in het tweede deel ervan / in een eraan gehecht protocol].
    • 2. 
      De Unie kan toetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De toetreding tot dit Verdrag laat de bevoegdheden van de Unie, zoals bij deze Grondwet omschreven, onveranderd.
    • 3. 
      De grondrechten, zoals gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en voortvloeiend uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie.

    Voetnoot bij lid 1:

    [De integrale tekst van het Handvest, met alle redactionele aanpassingen die in het eindverslag van Werkgroep II zijn vermeld (CONV 354/02), komt, overeenkomstig het door de Conventie e nemen besluit, te staan in, hetzij een tweede deel van de Grondwet, hetzij een eraan gehecht Protocol.]

  • Artikel 7: Het burgerschap van de Unie
    • 1. 
      Het burgerschap van de Unie komt toe aan eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie staat naast, en treedt niet in de plaats van het nationale burgerschap. Alle burgers van de Unie zijn gelijk voor de wet.
    • 2. 
      De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die in deze grondwet zijn neergelegd. Zij hebben:
      • het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;
      • het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
      • het recht om, op het grondgebied van een derde land waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat te genieten onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;
      • het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de ombudsman van de Unie te wenden, alsook de instellingen en de adviesorganen van de Unie in een van de officiële talen van de Unie aan te schrijven en in die taal antwoord te krijgen.
    • 3. 
      Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij deze Grondwet en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Toelichting

Voor de leden van de Conventie gaan hierbij in bijlage 1 het ontwerp van het Praesidium voor de artikelen 1 tot en met 16 (titels I, II en II) en in bijlage 2 een toelichting. De artikelen beantwoorden in grote trekken aan de beschrijving in het document met de ontwerpstructuur van het Constitutionele Verdrag (CONV 369/02). De nummering is enigszins aangepast, om rekening te houden met de besprekingen in de Conventie. De verslagen van de Werkgroepen rechtspersoonlijkheid, Handvest, economisch bestuur, aanvullende bevoegdheden, subsidiariteit en extern optreden, alsook de strekking die zich tijdens het plenaire debat over hun aanbevelingen bleek af te tekenen, zijn in het ontwerp verwerkt.

Delen

Terug naar boven