r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Eurobeleid

muntgeld

De doelstellingen van het Eurobeleid zijn het bevorderen van de economische integratie in de EU en het waarborgen van financiële stabiliteit. De euro is sinds 2002 een wettig betaalmiddel in 19 EU-lidstaten, oftewel de eurozone. De andere lidstaten zijn verplicht om de euro op termijn in te voeren als zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. Voor Denemarken geldt een uitzonderingsclausule; zij heeft die verplichting niet. De landen die de euro het meest recent hebben ingevoerd, zijn de Baltische staten (Estland, Letland en Litouwen).

De eurolanden hebben hun monetaire beleid overgedragen aan één Europese financiële instelling: de Europese Centrale Bank (ECB). De ECB heeft als taak het gezamenlijke monetaire beleid van de eurozone te bepalen met vier belangrijke taken: het uitgeven van munten en biljetten, het samenwerken op internationaal en Europees niveau, het stabiliseren van het financiële stelsel, toezicht houden op de banksector en het bewaken van de prijsstabiliteit van de euro, dit betekent beheersing van de inflatie. De ECB werkt onafhankelijk van de politiek.

In januari 2015 besloot de ECB voor maximaal 1140 miljard euro aan staatsleningen te gaan opkopen om de economie te stimuleren en de inflatie aan te jagen. Dit programma liep formeel tot januari 2019, maar de ECB kocht nog wel staatsobligaties op met het geld dat binnenkwam door afgeloste leningen. Begin maart 2020 verruimde de ECB haar opkoopprogramma voor obligaties om de impact van de financiële crisis door het coronavirus te verzachten. Daarnaast kondigde de ECB op 18 maart 2020 ook een extra opkoopprogramma aan van 750 miljard euro. Tijdens de coronacrisis zijn de begrotingsregels voor eurolanden versoepeld tot minstens eind 2022.

Inhoud

1.

Mijlpalen

Oprichting van de euro

Al vanaf de jaren '70 van de vorige eeuw wordt eraan gewerkt om de Europese economieën en munteenheden op één lijn te krijgen. In 1989 presenteerde men een driestappenplan om te komen tot een Economische en Monetaire Unie (EMU).

Dit plan werd in 1992 vastgelegd in het Verdrag van Maastricht. In eerste instantie werden de wisselkoersen van de verschillende Europese munteenheden aan elkaar gekoppeld. Dat gebeurde op 31 december 1998. Niet alle landen waren in dit stadium bereid of in staat om aan de EMU deel te nemen: het Verenigd Koninkrijk (toen nog EU-lid) en Denemarken haakten al snel af, terwijl Griekenland en Zweden in eerste instantie niet konden voldoen aan de convergentiecriteria. Volgens deze criteria mag de inflatie niet meer dan anderhalf procentpunt hoger zijn dan die van de drie lidstaten die in het voorgaande jaar de laagste inflatie hadden, mag de staatschuld maximaal 60% van het BBP bedragen, mag het begrotingstekort maximaal 3% van het bpp bedragen, mag de langetermijnrente niet meer dan twee procentpunt hoger zijn dan van de drie lidstaten met de laagste inflatie in het voorgaande jaar en moet de wisselkoers twee jaar lang binnen van tevoren vastgestelde marges blijven.

De invoering van de euro gebeurde in twee stappen. Stap één was de invoering van de euro als rekeneenheid in 1999. Hierdoor werden de onderlinge wisselkoersen van deelnemende landen in euro's weergegeven. De verschillende nationale valuta waren zo aan elkaar gekoppeld dat ze feitelijk nog slechts een verschijningsvorm van de euro waren.

In 2002 werden euromunten en -biljetten daadwerkelijk ingevoerd. Twaalf van de op dat moment vijftien Europese lidstaten ruilden toen hun eigen valuta in. In de daaropvolgende jaren werd de Europese Unie in twee etappes flink uitgebreid en traden in totaal dertien nieuwe lidstaten toe tot de Unie. In de afzonderlijke toetredingsverdragen werd opgenomen dat ook de nieuwe lidstaten op termijn de euro als betaalmiddel zouden invoeren.

Overzicht van landen die de euro hebben ingevoerd

  • Overzicht van landen die de euro hebben ingevoerd

    Land

    Datum van

    invoering euro

    Oude munteenheid

    België

    1 januari 2002

    Belgische frank

    Duitsland

    1 januari 2002

    Duitse mark

    Finland

    1 januari 2002

    Finse markka

    Frankrijk

    1 januari 2002

    Franse franc

    Ierland

    1 januari 2002

    Ierse pond

    Italië

    1 januari 2002

    Italiaanse lire

    Luxemburg

    1 januari 2002

    Luxemburgse frank

    Nederland

    1 januari 2002

    Nederlandse gulden

    Oostenrijk

    1 januari 2002

    Oostenrijkse schilling

    Portugal

    1 januari 2002

    Portugese escudo

    Spanje

    1 januari 2002

    Spaanse peseta

    Griekenland

    1 januari 2002

    Griekse drachme

    Slovenië

    1 januari 2007

    Sloveense tolar

    Cyprus

    1 januari 2008

    Cypriotische pond

    Malta

    1 januari 2008

    Maltese lire

    Slowakije

    1 januari 2009

    Slowaakse kroon

    Estland

    1 januari 2011

    Estische kroon

    Andorra

    1 juli 2013

    Franse frank/peseta

    Letland

    1 januari 2014

    Letse lats

    Litouwen

    1 januari 2015

    Litouwse Las

Europees monetair noodfonds

Tijdens de Eurotop van december 2010 werd besloten om een permanent noodfonds voor de euro in te stellen, het European Stability Mechanism. Dit permanente noodfonds moet voorkomen dat landen met financiële problemen de euro verzwakken. De hulp kan alleen worden toegepast als dat onontbeerlijk is voor de stabiliteit van de hele eurozone. Alle vereiste hulp wordt aan strikte voorwaarden verbonden. Het noodfonds is in 2013 van kracht geworden.

Tijdens de coronacrisis vroegen negen landen die het zwaar te verduren hadden, waaronder Italië, Spanje en Frankrijk, het gebruik van het ESM aan. Hierover bereikten de ministers van economische zaken op 9 april 2020 een akkoord. Het steunpakket dat is aangenomen bevat een bedrag van ongeveer € 500 miljard. Hiervan komt zeker € 200 miljard uit het ESM.

Het huidige Verdrag van Lissabon bepaalt dat EU-landen elkaar niet financieel mogen helpen. Daarom was voor een permanent noodfonds een wijziging van het Verdrag noodzakelijk.

Lees meer

2.

Wie doet wat

Bij besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad, de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank (ECB) een rol.

Voor het terrein van toezicht op financiële instellingen geldt dat de Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank.

Voor invoering van de euro geldt een andere procedure. Indien een niet-euroland voldoet aan de eisen om de euro in te kunnen voeren, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over de invoering van de euro in de betreffende lidstaat. Alleen eurolanden mogen in de Raad stemmen. Het Europees Parlement en de Europese Raad moeten zijn geraadpleegd. Hoe de euro vervolgens in de lidstaat wordt ingevoerd, en de koers waartegen de munt ingeruild wordt voor de euro, wordt door de Raad met eenparigheid van stemmen besloten. Hierover moet ook de Europese Centrale Bank zijn geraadpleegd.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Economie

Europese Centrale Bank

Christine Lagarde

Parlementaire Commissie EP

Commissie Economische en Monetaire zaken

Nederland lid Commissie EP

Ondervoorzitter(s)


Lid/leden


Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin)

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Wopke Hoekstra, minister van Financiën

Aparte samenstelling Raad Eurozone

Eurogroep

Nederlandse deelnemer(s) Eurogroep

Wopke Hoekstra, minister van Financiën

Invloed nationale parlementen op eurobeleid

Het Nederlandse parlement heeft ook een rol in de totstandkoming van Europees beleid. Dat kan formeel op twee manieren. Ten eerste controleert de Staten-Generaal de minister of staatssecretaris die naar de Raad van de Europese Unie gaat om over het onderwerp te praten. Ten tweede kunnen nationale parlementen van de lidstaten binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Vaste commissie voor Financiën (Fin.) - Tweede Kamer

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor Financiën (Fin.)

Betrokken bij wetgeving en uitvoering

 

Betrokken instantie

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

DG voor Economische en Financiële zaken

3.

Juridisch kader

Het monetair beleid vindt zijn basis in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU):

  • beginselen: VEU titel I art. 13 lid 1 en art. 21 lid 3, derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 4 (artikelen 136 t/m 138)
  • uitgifte euro's: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 art. 128
  • invoeren euro en positie niet eurolanden: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 5 art. 139, 140
  • institutionele inkadering: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 art. 133, en zie de ECB

4.

Meer informatie

Europese Unie

Algemeen overzicht EU

Factsheets Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Statistieken

  • 1) 
    Eurostat
  • 2) 
    ECB

Terug naar boven