r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Beleid ontwikkelingssamenwerking

De Europese Unie is samen met haar lidstaten de grootste donor van ontwikkelingsgelden ter wereld. Samen zijn zij verantwoordelijk voor meer dan de helft van alle niet-particuliere internationale hulpverlening. Het ontwikkelingsbeleid van de EU gaat uit van twee pijlers: handel en hulp. De EU ziet handel als een stimulans voor economische groei en productiecapaciteit in arme landen. Zo krijgen ontwikkelingslanden in sommige gevallen gemakkelijker toegang tot de Europese markt dan andere landen. Vooral met gebieden dichtbij de EU en voormalige koloniën bestaan actieve samenwerkingsverbanden.

Het grootste deel van de Europese ontwikkelingshulp is bestemd voor het Europees Ontwikkelingsfonds. Dit fonds wordt beheerd door de lidstaten en maakt geen deel uit van de Europese begroting. Dat zou in de toekomst wel het geval kunnen zijn: de Europese Commissie heeft daar een voorstel toe gedaan. Ook kunnen organisaties met projecten in ontwikkelingslanden goedkope leningen afsluiten bij de Europese Investeringsbank. De uitvoering van de ontwikkelingssamenwerking ligt bij de Europese Commissie. Er is een afzonderlijke commissaris voor het beleid humanitaire hulp en rampenbestrijding.

De aanpak van klimaatverandering en migratie staan tegenwoordig hoog op de agenda van dit beleidsterrein. In februari 2018 is bijvoorbeeld besloten de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR met 115 miljoen euro te ondersteunen en in mei 2018 kondigde de Europese Commissie aan 173 miljoen euro extra te investeren om migranten in Afrika te beschermen. In grote lijnen sluit het EU-ontwikkelingsbeleid aan bij de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling. Dit is een mondiaal programma met als doel armoede uit te bannen, voortbouwend op de millenniumdoelstellingen die in 2015 afliepen.

Delen

Inhoud

U ziet nu de basisversie van de tekst
U ziet nu de uitgebreide versie van de tekst

1.

Ontwikkeling in vogelvlucht

Doelen en focus van Europese ontwikkelingssamenwerking

De ontwikkelingshulp gaat naar ongeveer 150 landen wereldwijd. In de afgelopen jaren zijn de economieën van een aantal ontwikkelingslanden flink gegroeid en is de armoede afgenomen. Daarom begon de Europese Unie in 2014 met het afbouwen van steun aan deze landen. De steun wordt voortaan meer gericht op de allerarmste landen. Xo is tussen 2014 en 2020 ongeveer 75 procent van de hulp bestemd voor deze landen.

De Europese Unie voert een ontwikkelingsbeleid dat rekening houdt met de Agenda 2030 van de VN. Dit is een vervolg op de beroemde Millenniumdoelen, die tussen 2000 en 2015 golden. De VN-Agenda, ook wel de sustainable development goals genoemd, heeft de volgende hoofddoelen voor 2030. Het gaat om 'de vijf p's':

  • Mensen (People): het beëindigen van armoede en honger in de wereld in alle vormen en dimensies.
  • Planeet (Planet): het beschermen van de aarde tegen verwaarlozing door verduurzaming van wereldwijde productie en consumptie.
  • Welvaart (Prosperity): ieder mens moet ten volle van welvaart, dat in evenwicht met de planeet is, kunnen genieten.
  • Vrede (Peace): er wordt gestreefd naar inclusieve, vreedzame samenlevingen zonder oorlog en geweld.
  • Partnerschap (Partnership): wereldwijd moet iedereen gemobiliseerd worden om de bovenstaande doelen te bereiken.

Deze doelen probeert de EU te bereiken door zich bij het verlenen van ontwikkelingshulp vooral te richten op de volgende gebieden:

  • handel en regionale integratie
  • milieu en duurzaam management van natuurlijke hulpbronnen
  • infrastructuur, communicatie en transport
  • water
  • energie
  • plattelandsontwikkeling, territoriale planning, landbouw en voedselveiligheid
  • bestuur, democratie, mensenrechten en steun voor economische en institutionele hervormingen
  • conflictpreventie en instabiele staten
  • menselijke ontwikkeling (onderwijs, gelijke rechten tussen man en vrouw etc.)
  • sociale cohesie en werkgelegenheid

Het einddoel van de Unie is om achtergebleven bevolkingsgroepen in de wereld weer controle te geven over hun eigen ontwikkeling. In mei 2017 werd benadrukt dat deze ontwikkeling op een duurzame wijze en in onderlinge samenwerking moest plaatsvinden.

Samenwerkingsverbanden

De EU heeft een speciaal samenwerkingsverband met de landen van Afrika ten zuiden van de Sahara, de Caraïben en de Stille Oceaan (de ACS-landen). Die samenwerking bestaat al sinds het ontstaan van de Europese Gemeenschap. In 1975 werd de relatie tussen de ACS-landen en de Europese Unie geregeld in de overeenkomst van Lomé. 25 jaar later werd dit opnieuw gedaan door de Cotonou-overeenkomst, die in 2005 werd herzien. Sindsdien wordt gewerkt met de herziene overeenkomst.

Naast het actieve samenwerkingsverband met de ACS-landen, bestaat er ook nauwe samenwerking met de overzeese gebieden die onderdeel uitmaken van Denemarken, Frankrijk, Nederland en Groot Brittannië en zo verbonden zijn met de Europese Unie. Verder wordt er samengewerkt met de landen in het zuidelijk en oostelijk gedeelte van het Middellandse Zeegebied, landen in Midden- en Oost-Europa en voormalige Sovjetrepublieken in Centraal-Azië.

Deze partnerschappen bieden de kans de belangrijke mondiale thema's aan te pakken maar tegelijkertijd Europa's belangen te verdedigen. Verder kan de EU met de partnerschappen aan bredere ontwikkeling werken.

Instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking

De Europese Unie en haar lidstaten besteden jaarlijks gemiddeld bijna 60 miljard euro aan overheidssteun voor ontwikkelingslanden (in 2014: 58,2 miljard euro ). De EU-lidstaten zijn verantwoordelijk voor het grootste deel van het budget. Ook de Commissie mag een fors bedrag uitgeven aan ontwikkelingssamenwerking, ruim zeven miljard euro per jaar.

In oktober 2011 is het beleid van de EU voor ontwikkelingssamenwerking hervormd. Doel van deze hervormingen was Europese ontwikkelingshulp meer te richten op regio's, landen en staten die de hulp het meest kunnen gebruiken. Landen en regio's die zelf over genoeg middelen beschikken, ontvangen geen subsidies meer, maar zullen profiteren van hulp in de vorm van partnerschappen met de Unie.

De Europese Commissie heeft eind 2011 negen financiële instrumenten ingevoerd voor het uitvoeren van het beleid ontwikkelingssamenwerking:

  • instrument voor pré-toetredingssteun (IPA)
  • Europees nabuurschapinstrument (ENI)
  • instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI)
  • partnerschapinstrument (PI)
  • stabiliteitsinstrument (IfS)
  • Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR)
  • instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (INSC)
  • instrument voor Groenland (GI)
  • Europees ontwikkelingsfonds (EOF, buiten reguliere EU-begroting)

De Europese Unie sluit daarbij met ieder land dat ontwikkelingshulp ontvangt een verdrag over een 'nationaal indicatief programma' (NIP). Daarin worden per land specifieke doelen vastgelegd die met de steun van de EU bereikt moeten worden. Ieder land moet zich richten op maximaal drie sectoren waar de steun het meest nodig is of het meest effectief kan worden ingezet. In 2014 werden de eerste NIP-akkoorden gesloten, gebaseerd op analyses van het hulpbehoevende land en het overheidsbeleid.

Een heel aantal financieringsinstrumenten loopt in 2020 af. Vanaf 2020 zullen deze instrumenten worden gebundeld in het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI).

De Europese Unie koppelt steun voor landen in Afrika en het Midden-Oosten aan medewerking bij het in de eigen regio te houden of weer opnemen van migranten, met als doel de migratiestromen in te perken en het aantal mensen dat tijdens hun reis omkomt, terug te dringen.

Budget voor ontwikkelingssamenwerking

De Europese Commissie heeft voor voor het Europees Ontwikkelingsfonds 29,1 miljard euro vrijgemaakt voor de periode 2014-2020. Volgens de ramingen van de Europese Commissie droegen de lidstaten in 2014 in totaal 3,25 miljard bij aan het fonds. In 2015 is dit bedrag opgelopen tot 3,3 miljard. In 2016 droegen de lidstaten in totaal ongeveer 3,45 miljard bij aan het Europees Ontwikkelingsfonds.

Voor de periode 2008-2013 stelde de Europese Commissie een budget van 22,6 miljard euro vast voor het Europees ontwikkelingsfonds. Daarvan werd 21,9 miljard gereserveerd voor landen in Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan, waarvan 17 miljard euro bestemd was voor ontwikkelingsbeleid. De besteding van deze middelen moest meer bijdragen aan het behalen van de Millenniumdoelen. Het accent verschoof daarmee van ontwikkeling van infrastructuur naar onderwijs en zorg. Het totale EU-budget (afkomstig van de EU én de lidstaten) voor Europees ontwikkelingsbeleid tussen 2008 en 2013 bedroeg ongeveer 40 miljard euro.

Voor veel projecten in ontwikkelingslanden kunnen organisaties goedkope leningen sluiten bij de Europese Investeringsbank (EIB).

2.

Wie doet wat

De uitvoering van het Europese ontwikkelingsbeleid, de gunning van contracten en de onderhandelingen met (bijvoorbeeld) Afrikaanse overheden over de besteding van ontwikkelingsgelden berust bij de Europese Commissie. Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement een rol. De besluitvorming verloopt volgens de gewone wetgevingsprocedure.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Ontwikkeling

Parlementaire commissie Europees Parlement

parlementaire commissie Ontwikkelingssamenwerking

Nederlands lid commissie Europees Parlement

Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Buitenlandse Zaken (RBZ)

Nederlandse afvaardiging Raad van Ministers

Sigrid Kaag (D66), minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Invloed nationale parlementen

Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederland orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BuHaOS)

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO)

Betrokken bij uitvoering

 

Betrokken instantie EU/internationaal

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

DG Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Operaties

Organisatie

Europese Investeringsbank (EIB)

3.

Meer informatie

Algemeen overzicht EU

Factsheet Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Ontwikkelingssamenwerking

Statistieken

Betrokken instanties internationaal

Delen

Terug naar boven