r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij M Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Nederland en Europa: achtergrond bij de betrekkingen

Mark Rutte en Ursula von der Leyen
Bron: European Commission

Nederland stond in 1951 met de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) aan de wieg van wat zou uitgroeien tot de uiteindelijke Europese Unie (EU). Omdat de EU een verregaande geïntegreerde markt en politieke samenwerking heeft, worden er veel Europese wetten doorgevoerd in Nederland en zal Nederland op veel beleidsniveaus rekening moeten houden met de Europese partners. Meer dan de helft van de Nederlandse wetten zijn het gevolg van Europees beleid, bijvoorbeeld wetten over criminaliteit, vervoer, marktwerking en onderwijs. Als lidstaat van de EU beslist Nederland mee over wetgeving van de EU en doet Nederland mee aan bijna alle EU-initiatieven.

Omdat Nederland een klein land is, is samenwerking in de EU van groot belang. Zo is de Nederlandse economie erg afhankelijk van het vrije verkeer van goederen en kapitaal in de EU. Nederland wil in de EU vooral samenwerken bij onderwerpen die meerdere landen raken, zoals migratie, veiligheid en klimaat(verandering). Hierbij is Nederland vaak één van de initiatiefnemers binnen de EU maar Nederland stelt zich ook vaak kritisch op. Op die manier kan Nederland vaak andere landen overtuigen en invloed uitoefenen voor zo'n klein land.

Inhoud

1.

Verdrag van Rome & jaren'60

In 1957 besloten de 6 lidstaten van de toenmalige EGKS om ook andere onderdelen van hun nationale economieen verder te integreren met andere Europese landen. Dit leidde tot de oprichting Europese Economische Gemeenschap (EEG) en Euratom. Het doel van het Verdrag van Rome was het creëren van een gemeenschappelijke markt, zonder heffingen, beperkingen en valutaproblemen. De Europese 'interne markt' ontleent haar bestaan aan het Verdrag van Rome. Ook werden de eerste Europese Vrijhandelsassociaties afgesloten met landen als Denemarken, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk om de handel met de EEG te bevorderen. Voor Nederland was vooral economische samenwerking van belang en daarom stond het ook positief tegenover de invoering van vrijhandelsassociaties en de vrije markt. De jaren 60 werden dan ook gekenmerkt door een periode van economische bloei binnen de lidstaten. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid dateert bijvoorbeeld uit 1962 en zorgt ervoor dat lidstaten gezamenlijk hun voedselproductie beheren en de bestaanszekerheid van Europese boeren kon garanderen. Dat zorgde wel voor enorme overproductie en dumping op economische markten buiten Europa.

2.

Uitbreiding in de jaren '70 en '80

In 1973 treden Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk toe tot de EEG. Noorwegen wijst het lidmaatschap af na een nationaal referendum. De turbulente jaren '70 creerde een noodzaak voor permanente communicatie en samenwerking tussen Europese regeringen, met als gevolg de informele installatie van de Europese Raad in 1974. De formele aanmerking als gemeenschapsinstelling volgde pas bij de ondertekening van het Verdrag van Lissabon. Verder richtte de EEG voor het eerst haar pijlen op milieuvriendelijk beleid en werden de eerste Europese verkiezingen gehouden voor het Europees Parlement in 1979. In 1986 traden ook Spanje en Portugal toe tot de Europese Gemeenschap, waardoor het aantal leden opliep tot twaalf.

3.

Het Verdrag van Maastricht

Europese integratie was doorgaands geen belangrijk onderwerp voor publieke discussie binnen lidstaten voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht. Daarom verliep de economische integratie binnen de EEG en de uitbreiding van lidstaten vrij gemakkelijk. Na het Verdrag van Maastricht in 1993 veranderende deze situatie. Het Verdrag behelsde ingrijpende beleidsplannen en ambitieuze vergezichten voor Europese integratie die sommige politici en burgers in lidstaten tegen de borst stuitte. Enkele voorbeelden daarvan waren de plannen voor de invoering van de Euro, de oprichting van de Europese Unie, en het versterken van het vrije verkeer van EU burgers binnen Europese lidstaten. Daarnaast veranderde Nederland van een netto-ontvanger in een nettobetaler. Mede hierdoor ontstond er in de jaren '90 ook in Nederland steeds meer politieke en publieke discussie over het belang bij Europese samenwerking.

4.

Europese samenwerking in 2000

Rond de eeuwwisseling vonden grote veranderingen binnen plaats binnen de EU. De EU stelde het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op. Het Verdrag van Amsterdam in 1997 en het Verdrag van Nice in 2001 bereidde de EU voor op de toetreding van 15 nieuwe lidstaten tot de Unie. In 2002 werd ook de Euro ingevoerd. De uitbreiding van de Europese unie, de invoering van de Euro en het versterken van het vrije verkeer van mensen binnen de EU waren logische stappen vanuit een Europees integratieperspectief, maar zorgde voor politieke verdeeldheid binnen de Unie. Zo sprak Nederland zich in 2005 uit tegen een Europese grondwet naar aanleiding van een raadgevend referendum over dit onderwerp. Ook werd het Europese integratieprocess onderwerp van het publieke debat binnen lidstaten waaronder Nederland, waardoor nationale politici minder snel bereid waren om grote stappen vooruit te maken tot een 'ever closer union' .

5.

De EU in & na de Eurocrisis

Twee jaar na het uitbreken van de kredietcrisis in 2008, belandden de lidstaten in de eurozone in een eurocrisis. Griekenland leek zijn staatsschuld niet meer te kunnen financieren en begrotingstekorten in andere EU-landen zetten de positie van de euro onder druk. Om de financiële stabiliteit van eurolanden te verbeteren werd in 2012 het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) in werking gesteld en later kwam ook het toezicht op grote banken bij de Europese Centrale Bank (ECB) te liggen. Mede dankzij deze maatregelen werd de eurocrisis bezworen, maar de crisis zorgde voor groeiende euroscepsis voor financiële integratie in Nederland. De scepsis op het gebied van verdere Europese integratie was ook zichtbaar bij het referendum over het Associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne. In de campagne stond vooral het perspectief op EU-lidmaatschap van Oekraïne centraal. Uiteindelijk stemde een meerderheid van de kiezers stemde tegen het verdrag en zo werd duidelijk dat een gedeelte van de bevolking verdere integratie van de EU met uitbreiding van nieuwe lidstaten niet zag zitten.

Meer informatie

Terug naar boven