r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij P P M G W Monitor Nieuwsbrief pdclogo man met tas twitter boek

Eurobeleid

muntgeld

Het eurobeleid heeft als doel om economische integratie in de Europese Unie te bevorderen. De euro is een wettig betaalmiddel in 19 EU-lidstaten, oftewel de eurozone. De andere lidstaten zijn verplicht om de euro op termijn in te voeren als zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. Denemarken en het Verenigd Koninkrijk zijn echter niet verplicht om de euro in te voeren. Zij hebben een uitzonderingsclausule.

De landen die de euro hebben ingevoerd, de eurolanden, hebben het beleid met betrekking tot hun munt, zoals de wisselkoers, overgedragen aan één Europese financiële instelling: de Europese Centrale Bank (ECB).

De euro is in 2002 ingevoerd als betaalmiddel in de eurozone. De landen die de euro het meest recent hebben ingevoerd zijn de Baltische staten (Estland, Letland en Litouwen).

Delen

Inhoud

U ziet nu de basisversie van de tekst
U ziet nu de uitgebreide versie van de tekst

1.

Het Eurobeleid in vogelvlucht

Al vanaf de jaren '70 van de vorige eeuw wordt eraan gewerkt om de Europese economieën en munteenheden op één lijn te krijgen. In 1989 presenteerde men een driestappenplan om te komen tot een Economische en Monetaire Unie (EMU).

Dit plan werd opgeschreven in het Verdrag van Maastricht (1992). Tien jaar later was het mogelijk om in de winkel met euro's te betalen. Dat is heel snel voor zo'n grote stap in de geschiedenis. De Europese Centrale Bank (ECB) werd opgericht om te zorgen voor een goed rentebeleid. Dit moest het vertrouwen van de burgers in de euro vergroten.

In 19 EU-landen kan met euro's worden betaald: België, Cyprus, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Slowakije en Spanje.

In de Europese verdragen is afgesproken dat alle EU-landen overstappen op de euro als ze voldoen aan een aantal economische voorwaarden. Alleen Denemarken en Groot-Brittannië zijn niet verplicht de euro in te voeren.

De voorwaarden om de euro in te kunnen voeren, de zogenoemde convergentiecriteria, zijn streng. Zo moet bijvoorbeeld de wisselkoers van hun munteenheid twee jaar lang stabiel zijn. Daarnaast mag de staatsschuld niet te hoog zijn. Landen die zich niet houden aan de criteria (bijvoorbeeld door het laten oplopen van hun begrotingstekort) worden onder speciaal toezicht gesteld door de Europese Commissie. In het uiterste geval kan de Raad van Ministers een boete uitdelen.

De Europese Centrale Bank is verantwoordelijk voor het eurobeleid. De ECB geeft munten en biljetten uit, coördineert de samenwerking op Europees niveau en houdt toezicht op de stabiliteit van de financiële sector. Ook moet de ECB ervoor zorgen dat de inflatie niet te veel oploopt.

In januari 2015 besloot de ECB voor maximaal 1140 miljard euro aan staatsleningen te gaan opkopen om de economie te stimuleren en de inflatie aan te jagen. Dit programma loopt tot januari 2019.

Omdat de economieën van de eurozone veel invloed op elkaar hebben, houden de ministers van Financiën van de landen met de euro evenals de staatshoofden en regeringsleiders van de landen met de euro extra overleggen om de economische ontwikkelingen beter op elkaar af te stemmen.

Begrotingsregels en de kredietcrisis

Het economische beleid en de positie van de Europese Centrale Bank komen met regelmaat onder vuur te liggen. Door de kredietcrisis zijn veel lidstaten genoodzaakt hun overheidsfinanciën op orde te brengen en tekorten op hun begroting terug te dringen met bezuinigingsmaatregelen, om aan de begrotingsregels van het Stabiliteits- en Groeipact te kunnen voldoen.

In juli 2010 bepaalden de EU-landen dat er zowel financiële als niet-financiële sancties zullen worden opgelegd aan landen die zich niet aan de begrotingsregels houden. Op die wijze wil men een schuldencrisis zoals in Griekenland en andere landen voorkomen.

Europees monetair noodfonds

Tijdens de Eurotop van december 2010 werd besloten om een permanent noodfonds voor de euro in te stellen, het zogenaamde European Stability Mechanism. Dit permanente noodfonds moet voorkomen dat landen met financiële problemen de euro verzwakken. De hulp kan alleen worden toegepast als dat onontbeerlijk is voor de stabiliteit van de hele eurozone. Alle vereiste hulp wordt aan strikte voorwaarden verbonden. Het noodfonds is in 2013 van kracht geworden.

Het huidige Verdrag van Lissabon bepaalt dat EU-landen elkaar niet financieel mogen helpen. Daarom was voor een permanent noodfonds een wijziging van het Verdrag noodzakelijk.

In 2010 trad al een tijdelijk noodfonds in werking, de European Financial Stability Facility, om eurolanden in financiële problemen bij te staan en de stabiliteit van de euro te waarborgen. De Europese Commissie kwam met het plan voor een tijdelijk noodfonds naar aanleiding van de wereldwijde financiële crisis en de financiële problemen in Griekenland. Sinds de inwerkingtreding van dit fonds hebben tot op heden alleen Griekenland, Ierland en Portugal er een beroep op hoeven doen. Het tijdelijke fonds liep tot 2013.

Voor- en nadelen van de euro

Het feit dat er tijdens de kredietcrisis tussen de Europese economieën geen schommelingen in onderlinge wisselkoersen zijn ontstaan, heeft ertoe geleid dat de financiële klappen op het Europese continent minder hard voelbaar waren. De euro toonde zich in 2009 wereldwijd als een veilige munt met een sterke en stabiele wisselkoers ten opzichte van de dollar. Een ander voordeel van de euro is dat er niet langer sprake is van transactiekosten bij het omwisselen van valuta tussen de eurolanden. Doordat in bijna alle lidstaten met de euro kan worden betaald, is een omvangrijke markt met één munt ontstaan.

Als nadelen van de euro gelden de vaak hoge kosten bij introductie van de munt en de vermeende prijsstijgingen in de eurolanden. Ook wordt het verlies aan nationale controle en identiteit door tegenstanders van de euro als een fors minpunt gezien.

Europese obligaties?

De Europese Unie kan en mag zelf geen obligaties uitgeven. Dat is voorbehouden aan de lidstaten. Ieder land is verantwoordelijk voor de eigen schuld en het aantrekken van kapitaal om die schuld te financieren. Overheidsschulden worden dus niet gedeeld door de lidstaten.

Met Europese obligaties zouden landen met een minder sterke economie goedkoop kapitaal kunnen aantrekken, en voor beleggers zijn euro-obligaties interessant omdat obligaties gedragen door de hele eurozone een heel veilige belegging zijn. In mei 2018 kwam de Commissie met een plan dat een soort Europese obligaties mogelijk maakt, maar waarbij er geen sprake is van gezamenlijke uitgifte van Europese obligaties.

Banken zouden de obligaties van verschillende eurolanden mogen bundelen tot "door overheidsobligaties gedekte effecten" (de Engelse afkorting wordt veel gebruikt, SBBS - dat staat voor sovereign bond-backed securities). Deze obligaties zijn een afspiegeling van de economieën van de eurozone. Zo bestaat een SBBS bijvoorbeeld voor 30% uit Duitse obligaties, en voor 2% uit Griekse. Wanneer een schuldeiser een SBBS inlevert dan staat iedere lidstaat garant voor haar aandeel. Dus Duitsland betaalt 30% en Griekenland 2%.

Lees meer

2.

Wie doet wat

Bij besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad, de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank (ECB) een rol.

Voor het terrein van toezicht op financiële instellingen geldt dat de Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank.

Voor invoering van de euro geldt een andere procedure. Indien een niet-euroland voldoet aan de eisen om de euro in te kunnen voeren, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over invoering van de euro in de betrokken lidstaat. Alleen eurolanden mogen in de Raad stemmen. Het Europees Parlement en de Europese Raad moeten zijn geraadpleegd. Hoe de euro in de betrokken lidstaat wordt ingevoerd, en de koers waartegen de munt ingeruild wordt voor de euro, wordt door de Raad met eenparigheid van stemmen besloten. De Europese Centrale Bank moet zijn geraadpleegd.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Euro & sociale dialoog

Europese Centrale Bank

Mario Draghi (president)

Parlementaire Commissie EP

Commissie Economische en Monetaire zaken

Nederland lid Commissie EP

Lid/leden


Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin)

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Wopke Hoekstra, minister van Financiën

Aparte samenstelling Raad Eurozone

Eurogroep

Nederlandse deelnemer(s) Eurogroep

Wopke Hoekstra, minister van Financiën

Invloed nationale parlementen op eurobeleid

Het Nederlandse parlement heeft ook een rol in de totstandkoming van Europees beleid. Dat kan formeel op twee manieren. Ten eerste controleert de Staten-Generaal de minister of staatssecretaris die naar de Raad van de Europese Unie gaat om over het onderwerp te praten. Daarnaast kunnen nationale parlementen van de lidstaten binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Vaste commissie voor Financiën (Fin.) - Tweede Kamer

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor Financiën (Fin.)

Betrokken bij wetgeving en uitvoering

 

Betrokken instantie

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

DG voor Economische en Financiële zaken

3.

Meer informatie

Europese Unie

Algmeen overzicht EU

Factsheets Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Statistieken

  • 1) 
    Eurostat
  • 2) 
    ECB

Delen

Terug naar boven