Europese bankenunie

Bankenunie

De Europese regeringsleiders namen in juni 2012 het besluit een Europese bankenunie op te richten. Die moet voorkomen dat banken in de toekomst in financiële problemen komen en dat, indien dit toch gebeurt, banken niet met overheidsmiddelen gered hoeven te worden. In december 2013 bereikten de ministers van Financiën van de Europese Unie een akkoord over (de invulling van) de bankenunie. Op 15 april 2014 beklonk het Europees parlement het saneringsfonds van de banken.

De bankenunie bestaat uit drie pijlers: Europees toezicht op banken, een Europese aanpak van banken in nood, en een Europees depositogarantiestelsel.

Eind oktober 2014 werden de uitkomsten bekendgemaakt van de stresstests die grote banken moesten ondergaan. 13 van de 130 grootste Europese banken waren ook op dat moment nog te zwak om een nieuwe crisis te doorstaan. 

Delen

enveloppe

Inhoud

1.

Wat houdt de bankenunie in?

Op 14 december 2012 heeft de Europese Raad overeenstemming bereikt over een proces dat moet leiden tot de voltooiing van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Hier valt ook de oprichting van een bankenunie onder.

In december 2013 kwamen de ministers van financiën van de EU-lidstaten tot een akkoord over de invulling van de bankenunie. De bankenunie bestaat uit drie onderdelen:

  • 1. 
    Een Europese toezichthouder voor de Europese banken.
  • 2. 
    Een gezamenlijke Europese aanpak van wankele banken en een steunfonds om in nood verkerende banken bij te staan.
  • 3. 
    Een gezamenlijk Europees garantiestelsel voor spaarders.

Toezichthouder

De eerste pijler van de bankenunie is gericht op het voorkomen dat banken in financiële problemen komen door middel van gemeenschappelijk toezicht op Europese banken. De Europese Centrale Bank (ECB) gaat daarbij optreden als Europese toezichthouder op de banken. In principe staan alle banken onder Europees toezicht, al zal het toezicht zich voornamelijk richten op 150 systeembanken om een financiële crisis zoals in 2008-2011 te voorkomen. Voordat het toezicht vanuit de ECB op 4 november 2014 in werking treedt, voerde de ECB een stresstest van de banken uit, waarbij de bankbalansen worden doorgelicht. De kleinere banken blijven in principe onder het toezicht van de nationale toezichthouders staan.

Eind oktober 2014 werden de uitkomsten bekendgemaakt van de stresstests. 25 van de 130 grootste Europese banken zijn gezakt voor de stresstest van de Europese Centrale Bank (ECB). 12 daarvan hebben hun reserves inmiddels op peil gebracht; 13 waren ook in oktober 2014 nog te zwak om een nieuwe crisis te doorstaan.

De ECB krijgt de bevoegdheid om hoge boetes opleggen aan banken die weigeren aanwijzingen van de ECB op te volgen of maatregelen naast zich neerleggen. De boete kan oplopen tot 10 procent van de omzet van een bank.  

De toezichtstaken op banken worden uitgevoerd door het 'Single Supervisory Mechanism' (SSM) van de ECB, onder leiding van de Française Nouy. Hiermee staat het bankentoezicht los van de monetaire taken van de ECB.

De nationale toezichthouders blijven in praktijk belast met het toezicht op de kleinere banken, zoals de Duitse regionale Sparkassen en Landesbanken. Ook toezichtstaken die niet direct de financiële gezondheid van banken raken, blijven bij de nationale toezichthouders. Dit gaat bijvoorbeeld over de verhouding tussen consumenten en banken en het tegengaan van witwassen van geld. Verder gaat de Europese Bankenautoriteit (EBA) een toezichthandboek opstellen.

Naast strenger toezicht op de bankensector is ook besloten tot een verscherping van het toezicht op de hele financiële sector, waaronder ook verzekeraars, beleggingsinstellingen en pensioenfondsen.

Afwikkelingsmechanisme voor banken

De tweede pijler van de bankenunie is een Europees afwikkelings- of resolutiemechanisme voor banken die toch in de problemen zijn geraakt, het Single Resolution Mechanism. Daarin is afgesproken wie beslist of en hoe probleembanken gered of ontmanteld worden, welke procedure gevolgd wordt, maar ook wie ervoor betaalt.

Afwikkelingsraad

Volgens het voorstel treedt voor een bank die in de problemen zit, een Afwikkelingsraad in werking, die ontmanteling in goede banen moet leiden. Deze raad bestaat uit de Europese Commissie, de ECB en de lidstaten waar de de betreffende bank gevestigd is. De Afwikkelingsraad stelt een plan op voor de redding of de sluiting van de bank.

Als door de Afwikkelingsraad besloten wordt tot de redding van een bank, wordt er eerst een beroep gedaan op aandeelhouders, obligatiehouders en grote spaarders ('bail-in'), in plaats van bij overheden. Als dat niet toereikend blijkt te zijn, kan de betreffende bank aankloppen bij het resolutiefonds. Het fonds moet worden gevuld door banken uit de eurozone tot een bedrag van ongeveer 55 miljard euro. Zij krijgen daar de tijd voor tot 2025. Het resolutiefonds zorgt dat de reële economie buiten schot blijft.

De Afwikkelingsraad kan tot de conclusie komen dat de er tot sluiting van de bank moet worden overgegaan. Uiteindelijk wordt die beslissing door de Commissie genomen.

Afwikkelingsfonds

Een punt van discussie tussen de ministers was op welke manier het European Stability Mechanism (ESM) ingezet zou kunnen worden. Italië en Frankrijk wilden dat dit op de een flexibele manier ingezet kon worden voor het redden van banken. Duitsland hield vast aan de inzet van het ESM zoals het nu is, dat lidstaten onder strenge voorwaarden, het ESM kunnen aanspreken.

Ook heeft de Europese Commissie voorgesteld om een Europees steunfonds op te richten om banken in EU-landen buiten de eurozone te steunen. In september 2013 kwam echter naar buiten dat een aantal EU-landen, waaronder Duitsland, dit voorstel niet steunen. Volgens deze lidstaten zou dit extra beschermingsmechanisme naast het Europese bankenfonds niet nodig zijn voor financiële stabiliteit.

 

Het Europees Parlement kon zich echter niet vinden in de uitwerking van het afwikkelingsmechanisme en wilde dat er een eenvoudiger besluitvormingsproces zou komen. Zo maakte het EP zich zorgen over de inmenging van de lidstaten in de afwikkelingsprocedure, waardoor deze lamgelegd kan worden en teveel tijd in beslag kan gaan nemen. Het Europees Parlement wilde dat lidstaten minder macht krijgen in het besluit om falende banken te saneren en wil meer macht bij de Europese bankautoriteit leggen.

In maart 2014 bereikten de Raad en het Europees Parlement een akkoord over het afwikkelingsmechanisme.  In mei 2014 ondertekenden 26 lidstaten een intergouvernementele overeenkomst over de invoering van het afwikkelingsfonds. Zweden en het Verenigd Koninkrijk hebben dit vooralsnog niet gedaan, maar kunnen op een later moment alsnog kiezen voor ondertekening. Op nationaal niveau moet de overeenkomst voor januari 2016 bekrachtigd zijn.

Depositogarantiestelsel

De nationale depositogarantiestelsels binnen Europa zijn afgelopen jaren steeds verder op elkaar afgestemd. Sinds eind 2010 is het dekkingsniveau voor de gehele Europese Unie vastgesteld op € 100.000. Elk land moet die garantie zelf kunnen waarmaken. Dit was bedoeld om te voorkomen dat mensen massaal hun geld van de bank opnamen uit angst om anders hun spaartegoeden te verliezen.

Om het vastgelopen financiële verkeer tussen banken te stimuleren besloten de landen van de eurozone ook om garant te staan voor leningen tussen banken. Daarnaast wilden zij 'gezonde' banken desgewenst financieel ondersteunen met leningen, om de Europese burger zo meer vertrouwen in de economie te geven.

2.

Nederland en Europa

Net als andere noordelijke EU-landen stond Nederland ietwat huiverig tegenover de invoering van een Europees depositogarantiestelsel en een steunfonds voor Europese banken, aangezien de Nederlandse banken redelijk stabiel zijn. Wel moesten onder meer de ING, ABN Amro en SNS Reaal met belastinggeld geholpen worden.

Het Nederlandse kabinet-Rutte II is positief over de oprichting van de Europese bankenunie. Kwaliteit stond hierbij hoog in het vaandel. Ook vond het kabinet dat naast een bankenunie ook andere maatregelen moeten komen om de banken gezond te houden.

De Nederlandse banken ABN Amro, ING, Rabobank en SNS Reaal hebben een balanstotaal van meer dan 30 miljard. Hiermee vallen ze onder het Europese toezicht.

3.

Besluitvorming

Het Europees Parlement gaf op 22 mei 2013 aan dat het zal instemmen met het pakket zoals dat reeds is aangepast door de Raad van Ministers. Wel wilde het een rol voor zichzelf en de nationale parlementen bij het toezicht op de nieuwe bankenautoriteit. Verder wilde het EP vastleggen dat de monetaire taken en het werk als toezichthouder binnen de ECB strikt gescheiden worden gehouden.

In juni 2013 is de Raad Ecofin het erover eens geworden dat banken eerst zichzelf moeten proberen te redden voordat de belastingbetaler de rekening gepresenteerd krijgt. De ministers van Financiën hebben afgesproken dat eerst bij de aandeelhouders en obligatiehouders wordt aangeklopt als een bank dreigt om te vallen. Zodra een noodlijdende bank alsnog om staatssteun vraagt, dient die bank eerst een degelijk steunplan voor te leggen, waarin de bank ook de herkapitalisatie en aanleg van nieuwe buffers moet behandelen. Deze nieuwe regels zijn op 1 augustus 2013 in werking getreden.

Op de ECOFIN van 18 december 2013 zijn de ministers het eens geworden over de laatste bouwsteen van de bankenunie. Dit is een compromisbesluit over het depositogarantiestelsel. Het besluit is een harmonisatie van de stelsels van de lidstaten, dat tegoeden tot een bedrag van 100.000 euro verzekerd zijn.

Ondanks uiteenlopende standpunten werd er op 20 maart 2014 een akkoord gesloten tussen het Europees Parlement, de EU-lidstaten en de Europese Commissie. Op 15 april 2014 ging ook het Europees Parlement akkoord. Op 21 mei 2014 hebben 26 lidstaten (Zweden en het Verenigd Koninkrijk doen niet mee) de intergouvernementele overeenkomst  over het resolutiefonds ondertekend.

4.

Meer informatie

Andere websites

Delen

enveloppe

Terug naar boven