MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het standpunt van de Raad betreffende de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

 

- -

RAAD VA Brussel, 29 november 2011 (30.11)

(OR. en)

DE EUROPESE U IE

17769/11

Interinstitutioneel dossier: 2007/0229 (COD)

MIGR 196 SOC 1048 CODEC 2239

I GEKOME DOCUME T

van:

de heer Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, namens de secretaris- generaal van de Europese Commissie

ingekomen: 25 november 2011

aan: de heer Uwe CORSEPIUS, secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie

Nr. Comdoc.: COM(2011) 832 definitief

Betreft: MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het standpunt van de Raad betreffende de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven

Hierbij gaat voor de delegaties Commissiedocument COM(2011) 832 definitief.

Bijlage: COM(2011) 832 definitief.

EUROPESE COMMISSIE

Brussel, 25.11.2011 COM(2011) 832 definitief

2007/0229 (COD)

MEDEDELI G VA DE COMMISSIE AA HET EUROPEES PARLEME T

overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

over het

standpunt van de Raad betreffende de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven

2007/0229 (COD)

MEDEDELI G VA DE COMMISSIE AA HET EUROPEES PARLEME T

overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

over het

standpunt van de Raad betreffende de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven

1. ALGEME E CO TEXT

Datum van toezending aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007) 638 definitief 2007/0229 COD) 26 oktober 2007

Datum van het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 9 juli 2008

Datum van het advies van het Comité van de Regio's 18 juni 2008

Datum van het standpunt van het Europees Parlement, in eerste lezing 24 maart 2011

Geplande goedkeuring van het standpunt van de Raad 24 november 2011

  • 2. 
    DOEL VA HET VOORSTEL VA DE COMMISSIE

Het doel van het voorstel van de Commissie is tweevoudig: enerzijds de invoering van één enkele aanvraagprocedure voor onderdanen van derde landen die willen verblijven en werken op het grondgebied van een lidstaat, tezamen met één enkele gecombineerde (verblijfs- en arbeids-) vergunning, zulks ter vermindering van de bureaucratie; anderzijds een gemeenschappelijk pakket rechten voor alle werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven. De gemeenschappelijke rechten voor werknemers uit derde landen worden gegarandeerd door de vaststelling van een lijst van gebieden waarop gelijke behandeling met de eigen onderdanen moet worden toegekend.

3. OPMERKI GE OVER HET STA DPU T VA DE RAAD

Het standpunt van de Raad is het resultaat van een langdurig onderhandelingsproces. Na het standpunt in eerste lezing van het Europees Parlement van 24 maart 2011 werd tijdens de trialoog van 22 juni 2011 over de resterende problemen uiteindelijk een overeenkomst bereikt tussen de medewetgevers. Het enige openstaande punt was de kwestie van de concordantietabellen, waarvoor intussen een horizontale oplossing is gevonden .

Coreper hechtte zijn goedkeuring aan de tekst op 29 juni 2011. Op 15 juli 2011 heeft de voorzitter van de LIBE-commissie de voorzitter van de Raad schriftelijk laten weten dat de rapporteurs (LIBE-, EMPL- en schaduwrapporteurs) instemden met de door Coreper goedgekeurde tekst en met de daaraan gehechte interinstitutionele verklaring, waarbij hij aangaf dat, indien deze teksten formeel bij het Europees Parlement zouden worden ingediend als standpunt van de Raad, hij de LIBE-commissie en vervolgens de plenaire vergadering zou aanbevelen de teksten ongewijzigd goed te keuren. Op basis hiervan heeft Coreper op 20 juli 2011 een politiek akkoord bereikt.

De voornaamste verschillen tussen het gemeenschappelijk standpunt en het oorspronkelijke voorstel van de Commissie komen in wat volgt aan de orde.

- adere omschrijving en enkele beperkingen van het toepassingsgebied (artikel 3)

Het gemeenschappelijk standpunt specificeert enerzijds en beperkt anderzijds het toepassingsgebied van het voorstel.

In de eerste plaats wordt in artikel 3, lid 1, onder b), en ba) (nieuw), het toepassingsgebied van de bepalingen inzake gelijke behandeling gepreciseerd, door te verwijzen naar twee categorieën van mogelijke begunstigden: onderdanen van derde landen die zijn toegelaten met het oog op werk, en onderdanen van derde landen die zijn toegelaten voor andere doeleinden dan werk, maar die mogen werken. Deze wijziging past bij het streven van de Commissie om een breed toepassingsgebied te hebben door niet alleen hen die mogen werken te bestrijken, maar ook hen die oorspronkelijk voor andere doeleinden waren toegelaten. De amendementen stipuleren evenwel dat deze laatste categorie over een verblijfsvergunning moet beschikken .

Ten tweede worden zeevaarders en onderdanen van derde landen die internationale bescherming, tijdelijke bescherming of bescherming uit hoofde van het nationale recht genieten, van het toepassingsgebied uitgesloten, aangezien deze rechten in andere instrumenten worden geregeld.

Ten derde worden ook zelfstandigen van het toepassingsgebied uitgesloten. Deze uitsluiting heeft echter slechts een declaratief karakter, aangezien uit de definitie van werknemer uit een derde land in artikel 2, onder b), van het voorstel duidelijk blijkt dat alleen werknemers in loondienst zijn bedoeld.

Ten slotte is er een uitzondering mogelijk voor studenten en voor personen die gedurende minder dan zes maanden mogen werken. Deze afwijking geldt echter alleen voor de

voorschriften betreffende de gecombineerde procedure/vergunning. Beide categorieën blijven onderworpen aan de bepalingen inzake gelijke behandeling van artikel 12.

- Parallel voorkomen van een nationale visumregeling voor een verblijf van langere duur (artikel 2, onder c), en artikel 3, lid 4)

Door de verwijzing naar "elke vergunning" in artikel 2, onder c), te vervangen door "een verblijfsvergunning", maakt het gemeenschappelijk standpunt het mogelijk dat de lidstaten hun visumregelingen voor een verblijf van langere duur behouden. Het doel van de Commissie was te komen tot één enkele gecombineerde vergunning om te werken, maar gezien de ontwikkelingen op dit gebied (bij artikel 1, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 265/2010 wordt namelijk de duur van visa voor een verblijf van langere duur tot ten hoogste één jaar beperkt en worden dergelijke documenten aanvaard voor reisdoeleinden binnen het Schengengebied van de EU) kan de Commissie ermee instemmen dat de lidstaten visa afgeven voor een verblijf van langere duur parallel met gecombineerde vergunningen, mits daardoor geen verschillende behandeling ontstaat voor migrerende werknemers die over een dergelijke vergunning beschikken.

- adere omschrijving van de aanvraagprocedure (artikelen 4, 5, 8 en 10)

De procedures worden in het gemeenschappelijk standpunt verder gepreciseerd. Op verzoek van het Europees Parlement wordt verwezen naar de mogelijke aanvragers (de onderdaan van een derde land en zijn toekomstige werkgever, of één van beide). Wat de vergoedingen betreft, wordt het evenredigheidsbeginsel toegepast, maar aanvullend kunnen zij gebaseerd worden op de feitelijke diensten die werden geleverd. Ten slotte werd als onderdeel van het uiteindelijke akkoord op verzoek van de Raad de uiterste termijn voor de procedure uitgebreid tot vier maanden, tegenover de oorspronkelijke drie maanden in het voorstel van de Commissie.

- Toestemming om de aanvullende informatie op papier dan wel in een elektronisch formaat te bewaren (artikelen 6 en 7)

Als onderdeel van het algemene akkoord werd op verzoek van de Raad voorzien in de mogelijkheid voor de lidstaten om de informatie die niet in het geharmoniseerde formaat past, in een elektronisch formaat dan wel op papier afzonderlijk te bewaren. Een dergelijke mogelijkheid is dienstig voor een betere controle van de migratie, maar het is ook in het belang van de migrerende werknemer om alle informatie die betrekking heeft op zijn werk en die exploitatie kan voorkomen, in bezit te hebben (bv. werkuren). Er dient echter te worden verzekerd dat het bestaan van dergelijke documenten niet leidt tot de herinvoering van arbeidsvergunningen.

- Het recht op gelijke behandeling (artikel 12)

Het gemeenschappelijk standpunt staat een beperkende aanpak voor wat betreft de toegang tot goederen en diensten, door de lidstaten toe te staan de regelingen inzake gelijke behandeling

alleen toe te passen op werknemers in loondienst (artikel 12, lid 2, onder d)). Wat de toegang tot onderwijs betreft, wordt gelijke behandeling ook voor geregistreerde werkloze migranten gegarandeerd, hoewel verdere beperkingen inzake vergoedingen en andere voorwaarden mogelijk zijn. Toch moet als minimale garantie gelijke behandeling op het gebied van beroepsonderwijs dat rechtstreeks met de specifieke beroepsactiviteit verband houdt, worden verzekerd (artikel 12, lid 2, onder a)).

Op verzoek van het Europees Parlement werden de bepalingen inzake gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid wat uitgebreid in vergelijking met het voorstel van de Commissie, door niet alleen werknemers op te nemen die momenteel in loondienst zijn, maar ook diegenen die minimaal zes maanden in loondienst hebben gewerkt en als werkloze geregistreerd staan. Voorts kwamen de medewetgevers overeen de rechten op gelijke behandeling inzake arbeidsvoorwaarden en de vrijheid van vereniging (artikel 12, lid 1, onder a) en b)) ook uit te breiden tot wie momenteel geen werk heeft. Het recht om verworven pensioenen onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde tarieven te exporteren werd door de medewetgevers gehandhaafd, met enige legitieme technische precisering (artikel 14, lid 4).

Er bestaat één specifieke beperking op het gebied van de sociale zekerheid: gezinsbijslagen moeten niet worden toegekend aan wie werkt op basis van een visum, of wie de toelating is gegeven om ten hoogste zes maanden te werken, of wie is toegelaten voor studiedoeleinden (artikel 12, lid 2, onder b)). De Commissie wijst erop dat zij er de voorkeur aan geeft het beginsel van gelijke behandeling toe te passen, ongeacht het formaat van de documenten (visum of gecombineerde vergunning) waarover de migrerende werknemer beschikt. Rekening houdend met het feit dat de werknemers die over een visum voor een verblijf van langere duur beschikken, van gelijke behandeling zullen kunnen genieten inzake alle rechten behalve deze specifieke bijslag, en dat zij van volledige gelijke behandeling zullen kunnen genieten inzake gezinsbijslagen in een grensoverschrijdende situatie , maakt de Commissie evenwel geen bezwaar tegen deze nieuwe bepaling.

- Omzetting (overweging 32 en artikel 16)

Zoals vermeld betrof het enige openstaande punt na de laatste trialoog tussen de medewetgevers de kwestie van de concordantietabellen, waarvoor ondertussen een horizontale oplossing is gevonden. Om die reden wordt op gemotiveerd verzoek van de Commissie in overweging 32 van het gemeenschappelijk standpunt verklaard dat de lidstaten bij de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen een of meer documenten zullen toevoegen die het verband weergeven tussen de componenten van deze richtlijn en de corresponderende onderdelen van de nationale omzettingsinstrumenten.

4. CO CLUSIE

Het gemeenschappelijk standpunt komt tegemoet aan de oorspronkelijke doelstelling van de Commissie om de procedures te vereenvoudigen bij wege van één gecombineerde vergunning, alsook om de migrerende werknemers te beschermen, door hen te voorzien van een reeks werkgerelateerde sociaal-economische rechten, voor zover mogelijk op basis van

gelijke behandeling met de EU-werknemers. Hierdoor worden in de hele EU gelijke kansen gecreëerd. Het standpunt van de Raad strookt grotendeels met de voorstellen van de Commissie en kan daarom worden ondersteund.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie