Europeaan van de week: Derk Jan Eppink

Derk Jan Eppink

In deze rubriek krijgt iedere week een andere Nederlander het woord die betrokken is bij Europa. Europarlementariërs, topambtenaren of nationale politici, iedereen krijgt een podium om zijn of haar mening over Europa te geven. Deze week: Derk Jan Eppink, lid van het Europees Parlement namens Lijst-Dedecker.

Sinds wanneer bent u lid van het Europees Parlement? Wat deed u hiervoor?

Ik ben lid sinds 15 juli 2009. Ik kom altijd via omwegen terug bij de EU. In 1984 was ik stagiaire bij de Europese Commissie, daarna 3 jaar parlementair assistent bij het Europees Parlement. Vervolgens begon ik in 1987 bij NRC Handelsblad op de buitenlandredactie, en werkte ik ook op de politieke redactie in Den Haag. In die hoedanigheid kwam ik vaak in het Europees Parlement voor artikelen over Europese integratie en de wisselwerking tussen nationale en Europese politiek. In 1995 vertrok ik naar de Vlaamse krant De Standaard om te werken op de politieke redactie in de Wetstraat. In België was Europa nog meer dan in Nederland een vast bestanddeel van het politieke bestel. In oktober 1999 werd ik lid van het kabinet van eurocommissaris Bolkestein tot het einde van diens mandaat in 2004. Vervolgens werkte ik op het kabinet van de Estse commissaris en vicevoorzitter van de Europese Commissie, Siim Kallas. In februari 2007 vertrok ik naar de VS waar mijn vrouw in dienst trad als tolk bij de VN in New York. Ik deed in 2008 verslag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen voor media in Vlaanderen en Nederland. In 2009 kwam ik terecht in het Europees Parlement via de Vlaamse Lijst Dedecker.

Waar houdt u zich in het Europarlement voornamelijk mee bezig?

In het Europees Parlement ben ik lid van de parlementaire commissie Economische en monetaire zaken, de Begrotingscommissie en de commissie  voor Begrotingscontrole. Ik ben ook lid van de parlementaire delegatie voor contacten met de VS en vicevoorzitter van de fractie waartoe ik behoor, de Europese Conservatieven en Hervormers (ECR). Ik heb gekozen voor parlementaire commissies met belangrijke invloed op wetgeving en op de politieke vraagstukken van deze tijd.

Toen ik in het Europees Parlement werkte als assistent bij PvdA-leden leerde ik voormalig parlementsvoorzitter Piet Dankert kennen. Hij zei altijd: 'in de politiek moet je werken waar je de schroeven kunt aandraaien'. In andere woorden: werk daar waar je relevant kunt zijn. Dat was een belangrijke les en Dankert was een van de beste Nederlandse leden van het Europees Parlement. Bij de keuze van commissies heb ik daar op gelet.

Ik stop veel tijd in de crisis rond de euro en het financiële raamwerk voor de periode 2014-2020. Ook de relaties met de VS vind ik essentieel, zeker als het gaat om het financieel en monetair beleid. Ik ben ook vicevoorzitter van de vriendschapsgroep Europa-China en ontvang veel Chinese delegaties in het Europees Parlement. Tot slot ben ik vicevoorzitter van de intergroep MKB, een werkgroep over de fracties heen die zich bezighoudt met de problemen van kleine en middelgrote ondernemingen. Ik concentreer me dus op de financiële, budgettaire en economische dossiers. Het zijn de wijze lessen van Dankert in de praktijk gebracht.

Wat vindt u het boeiendst aan uw werk als Europarlementariër?

Het meest boeiende is de wisselwerking tussen al deze thema's en de kunst daar samenhang in aan te brengen. Je kunt in het Europees Parlement werken als in een kolenmijn. Je graaft vooruit maar je hebt geen idee wat er tien meter verder gebeurt en je hebt geen enkel overzicht. De kunst is de essentie van de grote thema's te zien en deze te verbinden tot een overzichtelijke visie met de vraag: waar moeten we heen? Waar staan we in 2025?

Als Europees Parlementslid kun je niet de koers van de geschiedenis bepalen. Maar je kunt wel een zaadje platen dat leidt tot een boom, waar je waarschijnlijk zelf nooit onder zult zitten. We zitten nu op een snijvlak van de toekomst van de West-Europese welvaartsstaten, de schuldenproblematiek, de eurocrisis en het concurrentievermogen van de EU ten opzichte van de VS en China. Dat hangt allemaal samen. Dit betekent dat je op bepaalde onderdelen de juiste beslissing moet nemen. Als Europa dat niet doet en ernaast zit, heeft dat ingrijpende gevolgen. Dat zijn veel Europese Parlementsleden zich vaak niet bewust. Velen nemen één beperkt dossier en denken dat de hele wereld daarvan afhangt. Dan krijg je hobbyisme. Het gaat om het totaalbeeld en de sense of direction.

Op welke prestatie uit de afgelopen periode als Europarlementariër bent u het meest trots?

Toen ik in het Europees parlement kwam was er amper ruimte voor afwijkende meningen of een tegensprekelijk debat. Men was het met elkaar eens in een ‘hosanna-gezang’, alsof het een kerkgemeenschap was; geen parlement. Oppositie was beperkt tot enkele afzonderlijke leden die stonden te schreeuwen. Dit gebrek aan georganiseerde oppositie zette mij ertoe aan lid te worden van de nieuwe fractie van Europese Conservatieven en Hervormers. We delen veel aspecten van Europese integratie, maar niet de idee van een federale Europese overheid. Dat geluid hoorde je wel buiten het Parlement, maar niet daarbinnen. Met de nieuwe fractie van 57 leden, ongeveer even groot als de Groenen, kunnen we dat andere geluid wel laten horen. Op verscheidene dossiers, vooral sociaal-economische en financiële, helpen we mee aan een centrumrechtse meerderheid in het Europees Parlement, samen met liberalen en christen-democraten. Dat is een alternatief voor het vroegere monsterverbond christen-democraten-socialisten.

Aanvankelijk werden we in het Parlement uitgelachen, bespot of weggehoond. Maar de crisis rond de euro en de problemen met Schengen toonden aan dat we toch wel een punt hadden met de stelling dat ook Europese integratie grenzen heeft. Zelf heb ik vorig jaar ons denken proberen samen te vatten in het boek De Toren van Babel staat in Brussel. Ik hoop dat we het tij in Brussel kunnen keren en de positieve resultaten van Europese integratie kunnen bewaren en ons richten op het haalbare. In het verleden werd nooit op de zwakke plekken van integratie gewezen. Iedereen was voor en het was prachtig. Ik ben blij dat ik op de dossiers waarmee ik bezig ben de taak kan vervullen van het tijdig aanwijzen van die zwakheden, zodat constructiegebreken worden vermeden.

Wat hoopt u het komende jaar als Europarlementariër te bereiken?

Ik hoop dat ik de komende tijd met die rol kan doorgaan. Ik ben nu ook gekozen tot vicevoorzitter van mijn fractie, wat me ook meer mogelijkheden geeft. Je moet in de politiek ook in een positie komen dat je iets kunt doen: niet de positie op zich is van belang, maar wat je ermee kunt doen. Posities zijn hefbomen. Politiek is net als journalistiek een bepaald vakwerk. Ik denk dat we zowel met de euro als met de Europese financiën in een cruciale fase zitten. Daar moet ik dan mijn geluid laten horen en wijzen op zwakheden en mogelijke constructiefouten, zeker ook in de publieke opinie. Het is een soort rol van Her Majesty's Opposition. Velen in Brussel vinden dat verraad of anti-Europees, maar ik zie het als een democratische taak.

Wat is uw ideaalbeeld voor Europa over 25 jaar, en wat ziet u als een gevaar?

Ik denk dat over 25 jaar de Europese Unie en de euro nog wel bestaan, maar de vraag is: in welke samenstelling? Als Europa nu niet het juiste doet, via het versterken van innovatie en de concurrentiekracht, dan vrees ik dat geleidelijke neergang niet meer te vermijden is. We zakken dan langzaam weg en worden dan het rusthuis van de wereld, zij het met steeds minder voorzieningen. Ik denk daarom dat we Europa naar het oosten toe geografisch moeten beperken tot en met de Balkan. Turkije is een brug te ver. We moeten ons financieel-economische beleid versterken en concurrerend blijven met de rest van de wereld. We moeten de 'snel met pensioen mentaliteit' onder West-Europeanen uit de hoofden krijgen en vervangen door een vooruitziende blik, gericht op innovatie, expansie, export en de uitdagingen in de wereld. Dit betekent ook minder welvaartsstaat en meer zelfredzaamheid. Dat moet je durven zeggen tegen de burgers. Europa heeft die mentale omslag nodig en wie dat ontkent bereidt de gezamenlijke verarming voor.

Europa en zijn interne markt spelen een centrale rol in de sterke positie die we hebben. Daarom zie ik ook Nederland en Vlaanderen als één regio in de monding van de Europese rivieren die ons unieke kansen op welvaart geeft. Het meest benauwende is nu de euro. Niemand weet waar het heen gaat. Ik ben erg voor het pakket van economic governance, aan de hand waarvan Brussel beter zal kunnen toezien op de naleving van begrotingsdiscipline en wanneer nodig sancties kan nemen.

Het Stabiliteits- en groeipact deed dat eigenlijk al, maar veel lidstaten, zelfs Frankrijk en Duitsland, hebben dat verprutst. We leerden van die fout, maar is het niet te laat? Als we geen sterk economisch en toezichthoudend fundament onder de euro kunnen bouwen, dan is het met de euro afgelopen. De euro blijft wel, want niemand wil terug naar tientallen nationale munten. Maar blijft de eurozone zoals nu? Wellicht hebben we in 2025 twee eurozones; een euromed in het zuiden en een euromark in het noorden.

Twee eurozones zouden de economische en culturele verschillen binnen de huidige eurozone beter reflecteren, maar de weg ertoe schrikt af. Het is onbekend en onzeker. Belangrijk is dat we onze schulden verminderen en een euro hebben die de economische realiteit weerspiegelt. Wat we zeker niet moeten hebben is een ‘transferunie’ waarin het noorden voortdurend het zuiden financiert. Dat leidt tot een breuk omdat Europa de vereiste mate van solidariteit niet heeft. Zie nu de Finnen. Zij willen een onderpand voor de lening aan Griekenland. Andere landen willen dat nu ook. Wie toch een ‘transferunie’ nastreeft overschat Europa en de integratiebereidheid bij de bevolking. De burger, hoezeer daar ook over wordt gesproken in Brussel, is een factor die Europa vaak over het hoofd ziet. De burger is veel minder integratiegezind dan de Europese elite. En die burger gaat zich steeds meer roeren want Europese politiek is nu bijna volledig binnenlandse politiek geworden.

Wat Griekenland (mis)doet heeft gevolgen voor onze pensioenen. Die burger ziet dat en wordt boos, roert zich en tekent protest aan. Waarom zal de hardwerkende Fin die ook zijn rekeningen moet betalen ook nog eens betalen voor de Griek die het rustig aan doet. Nu moet men in de politiek nooit de taal van het café rechtstreeks in het regeerakkoord zetten, maar dat gevoel van protest moet wel doorklinken in de Brusselse instellingen. Dat is nu niet zo want men ging ervan uit dat alles dat Brussel deed goed was. Ik zeg altijd: wie niet aan tafel zit, staat op het menu. Dat geldt ook voor Europa. En wie draagvlak voor integratie nodig heeft, kan niet meer om de stem des volks heen. Ook Europa niet. Op dat snijvlak probeer ik een bijdrage te leveren, met enige zelfrelativering en een vleugje humor als dagelijkse kost.

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Meer informatie

2.

Eerdere Europeanen van de week