RAAD VANBrussel, 14 juni 2011 (15.06)
(OR. en) DE EUROPESE UNIE
5032/11 ADD 1
Interinstitutioneel dossier: 2009/0076 (COD)
ENV 4 MI 2 AGRI 2 CHIMIE 1 CODEC
2 ONTWERP-MOTIVERING VAN DE RAAD
Betreft: Standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden
-
-Ontwerp-motivering van de Raad
I. INLEIDING
De Commissie heeft haar voorstel voor een verordening betreffende het in de handel brengen
en het gebruik van biociden op 12 juni 2009 aangenomen.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft zijn advies op 17 februari 2010 aangenomen. Het
Comité van de Regio's heeft besloten geen advies uit te brengen.
Het Europees Parlement heeft op 22 september 2010 zijn standpunt in eerste lezing
vastgesteld.
De Raad heeft op xx YYYY 2011 zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld.
II. DOEL
Doel van dit voorstel is Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden
te herzien en te vervangen, de vastgestelde operationele onvolkomenheden van het bestaande
regelgevingskader weg te werken, bepaalde elementen van het systeem van toelatings- en
wederzijdse-erkenningsprocedures te verbeteren en te actualiseren, en voor de toekomst
voorzienbare problemen te vermijden.
III. ANALYSE VAN HET STANDPUNT VAN DE RAAD IN EERSTE LEZING
-
1.Algemeen
Het Europees Parlement keurde honderden amendementen op het Commissievoorstel
goed. Vele zijn aanvaardbaar voor de Raad, en deze zijn derhalve in zijn standpunt in
eerste lezing overgenomen (geheel, gedeeltelijk of in beginsel).
De Raad wees de overige amendementen af, omdat de betekenis of de meerwaarde
ervan niet duidelijk was of omdat ze niet strookten met andere delen van zijn standpunt
in eerste lezing.
Het standpunt van de Raad in eerste lezing bevat tevens een aantal wijzigingen die niet
in het standpunt van het Europees Parlement werden beoogd. In punt 4 hieronder
worden de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen besproken. Daarnaast zijn er
redactionele wijzigingen aangebracht om de tekst te verduidelijken en de algemene
samenhang van het verordeningsvoorstel te waarborgen.
De Commissie heeft aangegeven het standpunt van de Raad in eerste lezing te kunnen
aanvaarden.
-
2.EP-amendementen die in het standpunt van de Raad in eerste lezing zijn overgenomen
In het standpunt van de Raad in eerste lezing zijn de volgende amendementen, geheel of
gedeeltelijk, of in de vorm van een tekst met dezelfde of gedeeltelijk dezelfde strekking
als de voorgestelde amendementen, overgenomen: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 13, 17, 20,
21, 22, 23, 25, 27, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 37, 38, 39, 43, 44, 49, 52, 53, 54, 55, 56, 58,
62, 63, 69, 70, 71, 75, 79, 80, 82, 83, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 91, 93, 94, 95, 96, 112, 115,
116, 123, 124, 125, 126, 137, 139, 142, 143, 144, 156, 160, 161, 165, 167, 168, 169,
170, 171, 172, 178, 179, 180, 181, 183, 184, 185, 186, 187, 189, 190, 194, 199, 206,
207, 208, 209, 210, 211, 212, 213, 214, 215, 218, 219, 220, 225, 226, 227, 228, 229,
230, 231, 232, 234, 235, 239, 241, 242, 247, 248 249, 255, 256, 257, 266, 267, 269,
272, 275, 276, 277, 279, 292, 293, 294, 295, 296, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 308,
310, 311, 312, 316, 319, 320, 323, 324, 325, 326, 327, 328, 329, 331, 332, 341, 346,
347, 349, 354, 359/rev, 360 en 361.
Hierbij wordt echter het volgende opgemerkt:
§ de omschrijving van het doel van de verordening in artikel 1, lid 1, weerspiegelt
de voorgestelde rechtsgrondslag (artikel 114 VWEU);
§ de verwijzing naar de drinkwaterrichtlijn staat nu in artikel 2, lid 3, in plaats van
in artikel 2, lid 2;
§ de Raad aanvaardt dat nanomateriaal in de verordening aan bod moet komen
vanwege de snelle ontwikkelingen op dit gebied; vooralsnog bevat de tekst echter
alleen een definitie, een verklaring dat de goedkeuring van werkzame stoffen niet
geldt voor nanomateriaal, tenzij uitdrukkelijk vermeld, en een verwijzing naar de
noodzaak van technische richtsnoeren waarin rekening wordt gehouden met de
meest recente wetenschappelijke gegevens;
§ in plaats van een definitie van "fabrikant" toe te voegen, komt de noodzakelijke
verduidelijking in artikel 83 te staan;
§ de verwijzing naar de POP-verordening staat nu in artikel 2, lid 3, in plaats van in
artikel 5, lid 1;
§ het vereiste van een vervangingsplan voor biociden met werkzame stoffen die aan
de uitsluitingscriteria voldoen, zou een onnodige doublure vormen met het
vereiste van een vergelijkende evaluatie uit hoofde van artikel 21;
§ het standpunt van de Raad in eerste lezing zou de toelatingsprocedure van de Unie
vanaf 2020 openstellen voor alle andere biociden, met uitzondering van die van de
productsoorten 14, 15, 17, 20 en 21, omdat het agentschap een redelijke
overgangsperiode nodig heeft, en het niet adequaat zou zijn om de vijf product-
soorten waarvan de gebruiksvoorwaarden zeer sterk verschillen, onder de
procedure te doen vallen; tevens is bepaald dat de Commissie uiterlijk eind 2017
een verslag opstelt over de toepassing van de toelatingsprocedure van de Unie,
waarin zij kan nagaan of het toepassingsgebied tegen 2020 moet worden
aangepast;
§ alleen de bijlagen met technische bepalingen (d.w.z. de bijlagen II, III en IV)
zouden via gedelegeerde handelingen aan de vooruitgang van wetenschap en
techniek moeten worden aangepast;
§ helpdesks zouden geen verplichting mogen zijn, maar wel een optie waarvoor de
lidstaten kunnen kiezen als een manier om hun verplichting tot adviesverlening
-
3.EP-amendementen die niet in het standpunt van de Raad in eerste lezing zijn
overgenomen
De volgende amendementen waren voor de Raad niet aanvaardbaar: 11, 12, 14, 15, 16,
19, 24, 26, 28, 36, 40, 41, 42, 45, 46, 47, 48, 50, 51, 57, 59, 64, 65, 66, 72, 73, 74, 77,
78, 81, 84, 92, 97, 98, 99, 101, 102, 103, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 111, 117, 118,
119, 120, 121, 122, 127, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 136, 138, 140, 141,
145, 146, 147, 150, 157, 158, 159, 162, 163, 164, 166, 173, 174, 175, 176, 182, 188,
191, 192, 193, 195, 196, 197, 198, 200, 201, 203, 204, 205, 216, 217, 221, 222, 223,
224, 233, 236, 237, 238, 240, 246, 250, 251, 252, 253, 258, 259, 262, 263, 264, 265,
270, 271, 274, 280, 281, 282, 283, 284, 285, 286, 287, 288, 291, 297, 306, 307, 309,
318, 321, 322, 330, 342, 343, 350, 353 en 358.
en wel hierom:
-
-in plaats van de comitologie-overwegingen te schrappen, zoals voorgesteld in de
amendementen 11, 12 en 15, heeft de Raad deze, én de in amendement 16
voorgestelde overweging, vervangen door overwegingen die het nieuwe rechts-
kader weergeven;
-
-amendement 14 strookt niet met het tussen de instellingen overeengekomen doel
van de overwegingen (het dispositief van de rechtshandeling rechtvaardigen);
-
-aangezien de Raad voorstelt de verordening te laten gelden voor met levens-
middelen in contact komende materialen, zoals andere behandelde voorwerpen, is
amendement 19 niet aanvaardbaar;
-
-de amendementen 50, 59, 64, 72, 73, 74, 81, 92, 97, 98, 99, 101, 102, 103, 105,
106, 107, 108, 109, 110, 111, 119, 129, 130, 131, 132, 133, 145, 146, 147, 191,
205, 222, 223, 224, 236 en 342 stroken niet met wijzigingen die de Raad heeft
aangebracht, en waarvan de voornaamste elementen worden uiteengezet in punt 4
hieronder;
-
-de Raad is van oordeel dat de amendementen 24, 26, 36, 40, 41, 42, 162, 163, 164,
188, 195, 197, 217, 238 en 240 overbodig zijn of juridische verwarring kunnen
scheppen;
-
-de amendementen 28, 45, 46, 51, 57, 65, 66, 117, 118, 138, 140, 141, 200, 201,
203, 204, 318 en 350 verduidelijken niets en voegen niets toe, aldus de Raad;
-
-de amendementen 47, 122, 127, 128, 134, 135, 159, 173, 174, 175, 176, 182, 193,
196, 198, 216, 221, 237 en 353 zouden leiden tot een nodeloze administratieve
belasting van het bedrijfsleven, de bevoegde autoriteiten of het agentschap en/of de
-
-de amendementen 48, 77, 78, 166 en 358 voorzien in de vaststelling van
gedelegeerde handelingen in gevallen waarin de Raad uitvoeringshandelingen
geschikter acht;
-
-amendement 84 is niet aanvaardbaar omdat het een inbreuk zou vormen op het
initiatiefrecht van de Commissie;
-
-amendement 136 is niet aanvaardbaar omdat het een bijzondere status zou geven
aan slechts één van de officiële EU-talen;
-
-met het oog op een eenvormige toepassing van de verordening in de gehele EU
dient de Commissie nationale afwijkingen van, dan wel variaties op toelatingen van
de Unie, en elke toepassing van de vrijwaringsclausule (artikel 76) goed te keuren.
De amendementen 157, 158 en 233 zijn derhalve niet aanvaardbaar;
-
-amendement 192 is niet aanvaardbaar, omdat op grond daarvan de gegevens-
beschermingstermijnen zouden kunnen worden verlengd;
-
-de amendementen 246, 250, 251, 252, 253, 258, 259, 262, 263, 264, 265, 270, 271,
274, 280, 281, 282, 283, 284, 285, 286, 287, 288 en 291 sporen niet met de in het
standpunt van de Raad in eerste lezing vervatte benadering van bijlage II; de
amendementen 297, 306, 307 en 309 sporen niet met de benadering van bijlage III
en de amendementen 321, 322 en 330 stroken niet met de benadering van
bijlage VI.
-
4.Andere wijzigingen die in het standpunt van de Raad in eerste lezing zijn overgenomen
De inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van de
Commissie betreffen vooral: a) de gevolgen van het Verdrag van Lissabon; b) de
procedure voor de goedkeuring van werkzame stoffen; c) de rol van het ECHA; d)
producten waarvoor een vereenvoudigde toelatingsprocedure geldt; en e) vergoedingen.
-
a)Gevolgen van het Verdrag van Lissabon
Net zoals het Europees Parlement moest ook de Raad de tekst van het
oorspronkelijke voorstel aanpassen aan de bij het Verdrag van Lissabon
ingevoerde nieuwe voorschriften inzake de door de wetgever aan de Commissie
verleende bevoegdheden. De Raad meende evenwel dat bepaalde aangelegen-
heden die het Parlement wel aan de Commissie wilde delegeren, zo belangrijk zijn
dat zij op het wetgevende niveau, d.w.z. door het Parlement en de Raad gezamen-
lijk, moeten worden geregeld. Ook was de Raad van oordeel dat bepaalde
besluiten waarvoor het Parlement gedelegeerde handelingen passend vond, in
wezen veeleer uitvoeringsmaatregelen zijn dan handelingen die de basishandeling
aanvullen of wijzigen. Dit is het geval wanneer de basishandeling voldoende
bijzonderheden bevat, zodat de Commissie nauwelijks of geen discretionaire
bevoegdheid heeft; het geldt ook voor gevallen waarin de basishandeling niet echt
wordt gewijzigd. De Raad is van oordeel dat de door hem gemaakte keuzes sporen
met het Verdrag en dat het algemene resultaat, in het bijzonder rekening houdend
met de grotere betrokkenheid van het Parlement en de Raad, als weergegeven in
het standpunt van de Raad in eerste lezing, een billijk en evenwichtig compromis
vormt.
-
b)Procedure voor de goedkeuring van werkzame stoffen
Voor de goedkeuring van werkzame stoffen zal de Commissie, net zoals nu het
geval is, een rechtshandeling moeten vaststellen. In plaats van de basishandeling
herhaaldelijk te wijzigen (de Commissie heeft Richtlijn 98/8/EG niet minder dan
40 keer gewijzigd), vond de Raad evenwel afzonderlijke uitvoeringsmaatregelen
beter dan een lijst van goedgekeurde werkzame stoffen in een bijlage bij de basis-
handeling. Aangezien elke toelating uit hoofde van de verordening krachtens
artikel 297 VWEU zou moeten worden bekendgemaakt, en aangezien de
Commissie die lijst openbaar zou maken, zou de transparantie even groot, zoniet
groter zijn. Een gevolg van die wijziging is dat werkzame stoffen niet via een
gedelegeerde handeling, maar via een uitvoeringshandeling zouden worden
Die wijziging in de procedure voor de goedkeuring van werkzame stoffen loopt
gelijk met de onlangs overeengekomen procedure voor gewasbeschermings-
middelen. Hoewel die vermeld waren in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG,
voorziet Verordening (EG) nr. 1107/2009 in goedkeuring via uitvoerings-
handelingen, opneming in een afzonderlijke lijst en elektronische openbare
toegang tot die lijst.
-
c)Rol van het ECHA
De Raad is van oordeel dat het ECHA een essentiële, coördinerende rol zal spelen
bij de goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van biociden in de Unie,
maar meent dat de evaluerende bevoegde autoriteit verantwoordelijk moet blijven
voor alle stadia van de evaluatie van een aanvraag. Ook vindt de Raad het
essentieel dat alle lidstaten een lid van het Comité voor biociden kunnen
aanwijzen, en dat dit comité en de bevoegde nationale autoriteiten nauwe
contacten met elkaar onderhouden.
-
d)Producten waarvoor een vereenvoudigde toelatingsprocedure geldt
De Raad stemt ermee in dat het op de markt brengen en het gebruik van producten
die in geringere mate aanleiding geven tot bezorgdheid, moeten worden
aangemoedigd. In plaats van het vereiste van goedkeuring van werkzame stoffen
in dit verband te laten vallen, zoals de Commissie oorspronkelijk heeft
voorgesteld, of voor te schrijven dat deze producten op dezelfde wijze worden
goedgekeurd als alle andere werkzame stoffen, zoals het Europees Parlement in
eerste lezing heeft voorgesteld, stelt de Raad voor een specifieke lijst van werk-
zame stoffen die in geringe mate aanleiding geven tot bezorgdheid, op te stellen
en een vereenvoudigde toelatingsprocedure in te voeren voor biociden die deze
werkzame stoffen bevatten. Om een brede afzet en een wijdverbreid gebruik te
stimuleren, zouden deze producten in beginsel vrij in de Unie in omloop kunnen
worden gebracht nadat zij door één enkele lidstaat zijn toegelaten en in andere
lidstaten aan een eenvoudige kennisgevingsprocedure zijn onderworpen. Indien
een andere lidstaat bezwaar maakt, zouden de geschillenbeslechtingsmechanismen
van de wederzijdse-erkenningsprocedure van toepassing zijn. Dit vormt een
ontwikkeling van het concept en de bepalingen waarin de Commissie
oorspronkelijk had voorzien voor "producten met een gering risico".
-
d)Vergoedingen
De Raad is van oordeel dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen
vergoedingen aan het ECHA en vergoedingen aan de bevoegde autoriteiten van de
lidstaten. Hoewel het opportuun is dat de Commissie een uitvoeringshandeling
aanneemt waarin de aan het ECHA verschuldigde vergoedingen worden vast-
gesteld (in plaats van een gedelegeerde handeling, zoals voorgesteld door de
Commissie), zou het de lidstaten vrij moeten staan nationale vergoedingen te
bepalen, met inachtneming van de algemene beginselen van artikel 70, lid 3, en
van eventuele richtsnoeren van de Commissie.
-
f)Andere
Het standpunt van de Raad in eerste lezing bevat ook wijzigingen om de
verschillende procedures van de verordening, met name die inzake wederzijdse
erkenning, te vereenvoudigen en te verduidelijken.
IV. CONCLUSIE
De Raad is van oordeel dat zijn standpunt in eerste lezing een evenwichtig pakket vormt. De
Raad zou graag een opbouwend debat met het Europees Parlement in tweede lezing aangaan
met het oog op een spoedige aanneming van de verordening.

