COM(2006)502 - Kennis in de praktijk brengen: een omvattende innovatiestrategie voor de EU

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Stand van zaken

Op 24 mei 2007 heeft het Europees Parlement een resolutie ingediend.

2.

Kengegevens

officiële titel

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Kennis in de praktijk brengen: een omvattende innovatiestrategie voor de EU

officiële Engelstalige titel

Communication from the Commission to the Council, the European Parliament, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions - Putting knowledge into practice: A broad-based innovation strategy for the EU
 
COM-nummer COM(2006)502
extra com nummer COM(2006)502

3.

Complete tekst



1. INNOVATIE IS BEPALEND VOOR ONZE TOEKOMST

De economische globalisering heeft opvallend snel de wereldeconomie veranderd en nieuwe kansen en uitdagingen meegebracht. In dat nieuwe economisch bestel kan Europa niet concurreren tenzij het vindingrijker wordt, sneller reageert op de behoeften en voorkeuren van de consument en meer innoveert.

De burgers van Europa worden geconfronteerd met ernstige problemen zoals de klimaatverandering, de uitputting van niet-hernieuwbare energiebronnen, de demografische veranderingen en de nieuwe veiligheidsbehoeften. Een gezamenlijk optreden is dan ook noodzakelijk om de Europese levenswijze te beschermen, waarin economische welvaart samengaat met solidariteit. Europa kan van deze nood een deugd maken en zijn concurrentievermogen op wereldniveau verbeteren. Hoe sneller de reactie, hoe groter de slaagkansen en hoe beter het vooruitzicht dat de Europese aanpak model staat voor de rest van de wereld. Of het nu gaat om milieubescherming, eco-innovatie of de verbetering van het individueel welzijn door een meer doordacht aanbod van infrastructuur, de Commissie is ervan overtuigd dat innovatie in de ruime zin in aanzienlijke mate tegemoet kan komen aan de concrete bekommernissen van de burgers om hun toekomst.

De Europese Unie heeft een buitengewoon innovatiepotentieel. Europa heeft een lange traditie van baanbrekende uitvindingen. Het heeft een overvloed aan creatieve mensen en het kan bouwen op zijn culturele diversiteit. Het heeft de basis gelegd voor één van de grootste interne markten ter wereld, waar innovatieve producten en diensten massaal in de handel kunnen worden gebracht. Het heeft ook een traditie van een sterke en verantwoordelijke overheidssector, die het ten volle moet benutten.


lees meer

4.

Initieel standpunt Nederlandse regering

Innovatie betekent wat Nederland betreft: vernieuwing van producten, diensten en bedrijfsprocessen. Innovatie is dus voor ondernemers essentieel om te kunnen (blijven) concurreren. Daarom is het nodig een optimaal innovatieklimaat te creëren. Het is onvoldoende om te streven naar meer R&D investeringen, er moet voor ondernemers ook voldoende perspectief zijn om deze investeringen te gelde te maken. Het onderwijs kan bijdragen aan een goed innovatieklimaat en een cultuur van ondernemerschap. Nederland verwelkomt dan ook het streven van de Europese Commissie om op deze wijze meer aandacht te besteden aan het stimuleren van de vraag naar innovatieve producten en diensten.

Nederland vindt het net als de Commissie ook van belang in het innovatiebeleid aandacht te geven aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Innovatiebeleid richt zich op economische en maatschappelijke doelstellingen, zoals groei, werkgelegenheid, gezondheid, bereikbaarheid, veiligheid, duurzaamheid/ milieu en leefbaarheid.

Innovatiebeleid dient de toepassing van kennis in vernieuwde producten, diensten en processen te bevorderen. Omdat deze kennis deels afkomstig is uit universiteiten en onderzoeksinstellingen, staan wetenschap en innovatie niet los van elkaar. Er is juist een robuuste wisselwerking nodig: wetenschap- en innovatiebeleid moeten elkaar versterken.

Actie 1: Lidstaten worden uitgenodigd hun publieke uitgaven voor onderwijs significant te verhogen en knelpunten op te lossen in het onderwijssysteem zodat een bijdrage geleverd kan worden aan een optimaal innovatieklimaat.

Nederland verwelkomt de ruime aandacht die de Commissie heeft voor de bijdrage van het onderwijs aan innovatieklimaat en ondersteunt ook de aanbevelingen van de Commissie met betrekking tot de hervorming van het hoger onderwijs (Kamerstuk 22 112, nr. 460, BNC-fiche nr. 11). Innovatie is ook een zaak van human capital. Goed opgeleide mensen en onderwijs spelen dan ook een belangrijke rol in het bijbrengen van de juiste vaardigheden voor innovatie. Ten aanzien van het in Nederland gesignaleerde tekort aan afgestudeerden in bètadisciplines voert Nederland een actief en effectief beleid. De Commissie benadrukt ook de bijdrage van het onderwijs aan een meer innovatiegerichte samenleving. Het stimuleren van ondernemerschap in het onderwijs is één van de prioriteiten van de Nederlandse regering. Onderwijs is weliswaar een nationale competentie, maar de aanbevelingen van de Commissie sluiten aan bij veel acties die de regering op dit terrein al in gang heeft gezet: het «Actieprogramma Ondernemerschap en Onderwijs», het «Partnership Leren Ondernemen», het deltaplan bèta en techniek en het «TechnoPartner» programma gericht op het stimuleren van spin-offs vanuit kennisinstellingen. De Europese programma's voor onderwijs, onderzoek en innovatie kunnen elk vanuit hun specifieke doelstelling bijdragen aan nationale maatregelen ter stimulering van innovatie.

Actie 2: Commissie kondigt voornemen aan om in oktober 2006 een voorstel in te dienen voor een European Institute of Technology dat in 2009 operationeel dient te zijn.

Het Europees Instituut voor Technologie (EIT) moet de «kennisdriehoek» tussen onderzoek, onderwijs en innovatie gaan stimuleren. Een EIT zal tot taak hebben om op Europese schaal de onderzoeks- en onderwijswereld samen te brengen met het bedrijfsleven. Dit moet gebeuren in thematisch georganiseerde publiek private samenwerkingsverbanden. Er zijn momenteel geen Europese structuren die hierin voorzien. De mogelijke meerwaarde van een EIT is: de focus op activiteiten gericht op strategisch en fundamenteel onderzoek van internationale relevantie met duidelijke industriële betrokkenheid. Dit kan de concurrentiekracht van de Europese kenniseconomie in een wereldwijd perspectief verbeteren. De Nederlandse inzet is om niet één centraal instituut ergens te plaatsen, maar voort te bouwen op basis van een netwerk van bestaande excellente Europese instituties. De Commissie komt naar verwachting op 18 oktober 2006 met een concreet voorstel. Op dit moment zijn er nog teveel onduidelijkheden om de plannen voor een EIT volmondig te steunen. Met name bestaat er nog geen duidelijkheid over hoe een EIT gefinancierd moet gaan worden en hoe een EIT kan aansluiten op de vele initiatieven en programma's die er in de EU, zowel op communautair niveau als in de lidstaten, al bestaan op het gebied van onderzoek, onderwijs en technologische innovatie (Kamerstuk 22 112, nr. 460, BNC-fiche nr. 10).

Actie 3: Commissie en lidstaten dienen een strategie te ontwikkelen en te implementeren om een transparante en competitieve interne arbeidsmarkt voor onderzoekers te realiseren.

Voor wat betreft de noodzaak tot meer mobiliteit van onderzoekers is het Nederlandse beleid gericht op meer publiek-private mobiliteit (Casimir programma), verbetering van loopbaanperspectief voor (jonge) onderzoekers en soepele toelating van kenniswerkers uit derde landen. Nederland acht het van belang dat er een goed en actueel beeld bestaat van de trends in mobiliteit en loopbanen van onderzoekers en achterliggende redenen voor Europese onderzoekers om Europa te verlaten. Nederland ziet met belangstelling uit naar de resultaten van de initiatieven van de Europese Commissie op dit gebied. Het Zevende Kaderprogramma (2007­ 2013) zal voorzien in Europese ondersteuning van dergelijke nationale stimuleringsmaatregelen met betrekking tot onderzoekers-loopbanen en -mobiliteit. Nederland ziet daarnaast graag blijvende politieke aandacht in de Raad voor de positie van onderzoekers in de Europese onderzoeksruimte en voortzetting van de huidige coördinatie tussen de lidstaten over dit vraagstuk.

Actie 4: Commissie zal in 2006 een mededeling presenteren over publiek-private kennisuitwisseling.

De kenniseconomie is in grote mate afhankelijk van de wisselwerking tussen hen die kennis genereren en hen die kennis willen toepassen. Daarom is het van groot belang dat kennisuitwisseling tussen publieke onderzoeksinstellingen en industrie verder wordt verbeterd, teneinde op basis van onderzoek nieuwe marktkansen te creëren. Nederland wacht met belangstelling de aangekondigde mededeling over deze thematiek af. In het kader van publiek-private kennisuitwisseling bestaan onder meer reeds grootschalige vormen van publieke-private samenwerking zoals de European Technology Platforms (ETP's) en de voorstellen voor Joint Technology Initiatives (JTI's). In het algemeen bereidt Nederland zich voor op dergelijke schaalvergroting in Europees verband, bijvoorbeeld met de oprichting van het Delta-instituut. Nederland is voorstander van een snelle start van de door de Europese Commissie aangekondigde JTI's ondersteund uit de Europese R&D fondsen (KP7). Hiermee kan substantieel worden bijgedragen aan versterking van de innovatieketen. Voor Nederland is in het geval van de JTI's de aansluiting bij de Nederlandse innovatieprogramma's van bijzonder belang. Gewezen kan worden op voorbeelden als «Point One» (op het gebied van Nanoelektronica en Embedded Systems) en Top-Instituut Pharma.

Nederland vindt dat om daadwerkelijke clusters van wereldformaat te kunnen creëren ook over grenzen heen moet worden gekeken. Europese sterktes moeten worden samengebracht en elkaar tegelijkertijd scherp houden om zo goed mogelijk te kunnen presteren in een mondiale context. Daarom wordt door Nederland al grensoverschrijdend samengewerkt met regio's zoals Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen. Er wordt ook gewerkt aan de samenwerking met Frankrijk om specifieke innovatieclusters op Europees niveau te realiseren.

Actie 5: Het cohesiebeleid voor de periode 2007­2013 van de EU zal worden gemobiliseerd ter ondersteuning van regionale innovatie.

Nederland steunt de doelstelling van de Commissie om een groter deel van het cohesiebudget 2007­2013 te bestemmen voor investeringen in kennis en innovatie.

Actie 6: Commissie neemt voor het einde van 2006 een nieuw innovatievriendelijk staatssteunkader aan.

Inmiddels wordt de laatste hand gelegd aan het nieuwe steunkader voor Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (O&O&I-steunkader). Het steunkader moet lidstaten helpen bij het aanpakken van het marktfalen dat een belemmering vormt voor innovatie en R&D. Nederland verwelkomt de komst van het nieuwe steunkader, maar heeft nog wel een aantal bezwaren. Ten eerste, is Nederland van mening dat het kader complex en ingewikkeld van opzet is. Dit geldt in het bijzonder voor de voorwaarden waaronder steun aan innovatie verleend kan worden. Een ander zorgpunt wordt gevormd door de economische toets. Nederland is voorstander van een economische toets, maar vreest voor lange procedures en hoge administratieve lasten. Om die reden pleit Nederland ervoor om deze toets alleen toe te passen bij subsidieverlening van aanzienlijke omvang. Dit past ook beter bij de door de Commissie aangekondigde wens om de controle op staatssteun eenvoudiger en gebruiksvriendelijk te maken, terwijl de Commissie haar aandacht meer kan richten op de meest verstorende vormen van staatssteun. Het nieuwe steunkader moet geen onnodige belemmeringen opwerpen voor samenwerking tussen publieke kennisinstellingen en bedrijven.

Actie 7: Commissie presenteert voor het einde van 2006 een nieuwe strategie voor patenten en een meer uitgebreide strategie voor Intellectual Property Rights in 2007.

Nederland is van mening dat een gemeenschapsoctrooi uiteindelijk de ultieme oplossing biedt voor de problemen waar ondernemers momenteel tegen aanlopen (hoge kosten, ontbreken van Europese rechtspraak). Nederland zet, vooruitlopend op de eventuele heropening van onderhandelingen over een gemeenschapsoctrooi, in op afspraken die op korte termijn tot concrete verbetering van het huidige octrooistelsel leiden. Mogelijkheden hiertoe, zo ook gepresenteerd door het Finse voorzitterschap, worden geboden door de niet communautaire initiatieven voor het European Patent Litigation Agreement (EPLA) en het Londen-Vertalingenprotocol. Wat Nederland betreft vormen deze beide elementen op termijn onderdeel van een gemeenschapsoctrooi.

Actie 8: Commissie gaat onverminderd door met het verbeteren van het juridische raamwerk voor copyrights.

Nederland is voorstander van een goed functionerende communautaire coördinatie van copyrights. Harmonisering op dit terrein is van belang voor innovatie.

Actie 9: Commissie zal in 2007 een strategie testen die het ontstaan van innovatievriendelijke lead markets stimuleert.

De Commissie stelt tevens een nieuw initiatief voor dat gericht is op het bevorderen van lead markets voor nieuwe innovatieve producten en diensten. De Commissie zal op basis van nadere analyse en consultaties in een later stadium komen met een algehele strategie. In dit stadium noemt de Commissie als voorbeelden van gebieden die potentie hebben als lead market: eco-efficiënte innovatie; veiligheid en defensie; transport; maritieme technologie; gezondheid en welzijn en cultuur (waaronder creatieve inhoudsdiensten). Nederland steunt het Commissievoorstel voor een aantal veelbelovende gebieden (lead markets) een omvattende strategie te ontwikkelen. Nederland vraagt in dat verband specifiek aandacht voor de gezamenlijk doelstelling voor een zekere, schone en betaalbare energietoekomst voor Europa. Er liggen belangrijke kansen voor Europa om te excelleren in slimme en schone energie-innovaties. Innovatiebeleid kan bijdragen aan de stimulering van slimme en schone energie-innovaties. In Nederland wordt in het geval van transitie duurzame energie hier bijvoorbeeld al op geïntegreerde wijze mee omgegaan.

Actie 10: Commissie zal eind 2006 een handboek presenteren over het stimuleren van innovatie door aanbesteden.

De overheid kan een katalyserende rol spelen door zich als innovatievragende partij op te stellen. Nederland steunt dan ook de diverse adviezen (waaronder het Aho-rapport dat opgesteld is in navolging van Hampton Court en oproept tot aanpassingen in de Europese economie met het oog op innovatie) en initiatieven van de Commissie om binnen de juridische kaders innovatie via aanbesteden te stimuleren. Nederland benadrukt het grote belang van concrete mogelijkheden voor innovatiebevorderende opdrachten voor het MKB. Het MKB mist een constante en voldoende grote financieringsstroom om op voldoende schaal te kunnen innoveren en banken zijn terughoudend met het verschaffen van kredieten voor innovatieve ideeën van het MKB. De acties van de Commissie op dit terrein betreffen slechts vrijblijvende stimuleringsmaatregelen zoals communicatie. In de Verenigde Staten bestaat een programma waarbij opdrachten voor R&D bij het MKB worden uitgezet («Small Business Innovation and Research Programme») Nederland verzoekt de Commissie uitsluitsel te geven over de mogelijkheden om R&D opdrachten die reeds uitgezonderd zijn van de huidige Europese aanbestedingsregels, direct uit te zetten bij het MKB.

 

5.

Procedure

dossierklasse informatiedossiers
datum online publicatie 13-09-2006

6.

Verwante dossiers

Aan dit dossier zijn de volgende trefwoorden toegekend: communautair programma, duurzame ontwikkeling, economische en sociale samenhang, economische groei, vernieuwing.

7.

Betrokkenen

8.

Relevante documenten

(72 stuks, sortering omgekeerd chronologisch)   sortering omkeren

9.

Bronnen en disclaimer

Zie voor uitgebreidere informatie eventueel ook de volgende voor dit dossier gebruikte bronnen


Dit dossier wordt iedere nacht automatisch samengesteld op basis van bovenstaande dossiers. Hierbij is aan de technische programmering veel zorg besteed. Een garantie op de juistheid van de gebruikte bronnen en het samengestelde resultaat kan echter niet worden gegeven.