Eindverslag van de Taskforce

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

RAAD VANBrussel, 21 oktober 2010 (25.10)

(OR. en) DE EUROPESE UNIE

15302/10 CO EUR-PREP 57 POLGEN 165 ECOFIN 649

NOTA van:

de Taskforce, opgericht door de Europese Raad van maart 2010 aan: de Europese Raad Betreft: Eindverslag van de Taskforce

Hierbij gaat voor de delegaties het eindverslag van de Taskforce waarom de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomsten van 26 en 26 maart en 17 juni 2010 heeft verzocht.

________________________

Bijlage:

Eindverslag van de Taskforce aan de Europese Raad

D EEL 1: SAMENVATTING

De financiële crisis en de meer recente onrust op de markten voor overheidsschuldpapier hebben duidelijk aangetoond dat er problemen zijn met de economische governance in de Europese Unie.

Om die problemen aan te pakken, is een fundamentele wijziging van de Europese economische governance nodig, die in overeenstemming is met de mate van economische en financiële integratie die dankzij de Monetaire Unie en de interne markt reeds is bereikt. In de aanbevelingen in het verslag van de Taskforce wordt de grote onderlinge economische afhankelijkheid aan de orde gesteld, met name in de eurozone, met behoud van de nationale verantwoordelijkheden inzake begrotings- en economisch beleid. In de aanbevelingen worden vijf belangrijke aandachtsgebieden behandeld:

  • 1. 
    Naar meer begrotingsdiscipline

Het huidige kader voor begrotingstoezicht, als gedefinieerd in het stabiliteits- en groeipact (SGP), blijft in grote lijnen geldig. Het moet evenwel beter en consequenter worden toegepast. Meer bepaald moet er meer nadruk worden gelegd op de houdbaarheid van de schuld en van de begrotingen, moet de naleving van de voorschriften worden verbeterd en moet ervoor worden gezorgd dat de nationale begrotingskaders de begrotingsregels van de EU beter weerspiegelen.

Het criterium overheidsschuld moet beter tot uiting komen in het mechanisme voor begrotings- toezicht, door meer aandacht te schenken aan de interactie tussen tekort en schuld. De Taskforce beveelt derhalve aan om het schuldcriterium in het Verdrag operationeel te maken middels een adequate kwantitatieve referentie, en dit criterium daadwerkelijk toe te passen - terdege rekening houdend met alle relevante factoren - in het bijzonder als startsein voor de buitensporigtekort- procedure.

In zowel het preventieve als het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact moeten, met het oog op een grotere doeltreffendheid in de toekomst, geleidelijk meer sancties, zowel van financiële als van reputatiegerichte politieke aard worden toegepast, en wel in een vroeger stadium van het begrotingstoezicht. Eerlijkheid, evenredigheid en gelijke behandeling van de lidstaten zijn onontbeerlijk.

De aanbevolen politieke en reputatiegerichte maatregelen reiken van aangescherpte rapportage- vereisten tot ad hoc-rapportage aan de Europese Raad, alsmede versterkt toezicht, eventueel gevolgd door een openbaar verslag.

De aanbevolen financiële sancties reiken van rentedragende deposito's tot boetes. Die sancties zullen in eerste instantie alleen op de lidstaten van de eurozone worden toegepast. Zo spoedig mogelijk, en uiterlijk bij de vaststelling van het volgende meerjarig financieel kader, zullen de handhavingsmaatregelen worden uitgebreid tot alle lidstaten door aan een reeks EU-uitgaven de voorwaarde te verbinden dat het SGP wordt nageleefd.

Een in sterkere mate op regels gebaseerde besluitvorming zal de regeling inzake de naleving van de voorschriften doeltreffender maken. Daarom wordt voorgesteld voor de aanneming van hand- havingsmaatregelen een omgekeerde meerderheidsregel in te voeren. Dat betekent in de praktijk dat aanbevelingen van de Commissie worden aangenomen, tenzij een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten in de Raad binnen een gegeven termijn tegen stemt.

Vóór eind 2013 moet worden voldaan aan een reeks overeengekomen minimumeisen voor nationale begrotingskaders, die betrekking hebben op de essentiële gebieden. Bovendien moeten er afspraken worden gemaakt over een reeks niet-bindende normen. De Commissie en de Raad zullen de natio- nale begrotingskaders beoordelen.

De Taskforce beveelt tevens een aantal maatregelen aan om Eurostat en het Europees statistisch systeem verder te versterken.

  • 2. 
    Breder economisch toezicht: een nieuw toezichtsmechanisme

De wereldwijde crisis heeft aangetoond dat naleving van het stabiliteits- en groeipact niet vol- doende is om evenwichtige groei in de EU te verzekeren.

De Taskforce beveelt derhalve de invoering aan van een nieuwe mechanisme voor macro- economisch toezicht, dat wordt ingebed in een nieuw juridisch kader naast het op de begroting gerichte SGP.

Er zal een jaarlijkse beoordeling van het risico op macro-economische onevenwichtigheden en kwetsbaarheden worden uitgevoerd, met gebruikmaking van een waarschuwingsmechanisme dat op een beperkt aantal indicatoren is gebaseerd. In geval van reële of potentiële buitensporige onevenwichtigheden moet de Commissie een diepgaande analyse maken. In bijzonder ernstige gevallen moet door de Raad een "procedure bij buitensporige onevenwichtigheden" worden geopend, met een termijn waarbinnen een reeks beleidsmaatregelen moet worden genomen om het probleem te verhelpen. Aan lidstaten van de eurozone kunnen in geval van herhaalde niet-naleving uiteindelijk sancties worden opgelegd.

  • 3. 
    Een grondiger en bredere coördinatie: het "Europees semester"

Een van de eerste aanbevelingen van de Taskforce ter versterking van de beleidscoördinatie, het zogenaamde "Europees semester", heeft al geleid tot een besluit, en zal per 1 januari 2011 haar beslag krijgen. Zo kan elk voorjaar een parallelle beoordeling worden uitgevoerd van begrotings- maatregelen én structurele hervormingen die groei en werkgelegenheid ten goede komen. Mede hierdoor zullen de landen bij de opstelling van begrotingen en hervormingsprogramma's beter rekening houden met de dimensie van de EU/eurozone.

  • 4. 
    Een stevig kader voor crisisbeheersing

Sinds de oprichting van de Taskforce zijn de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) voor de eurozone en het Europees financieel stabilisatiemechanisme (EFSM) in het leven geroepen;

deze zijn inmiddels volledig operationeel, en vormen een goed verdedigingsmechanisme voor de komende drie jaar.

De Taskforce is van oordeel dat er op de middellange termijn voor de eurozone een geloofwaardig raamwerk voor crisisoplossing moet komen, waarmee het hoofd kan worden geboden aan financiële onrust en besmetting kan worden voorkomen. Dat raamwerk moet het moreel risico dat besloten ligt in elke ex-ante crisisregeling resoluut aanpakken. De exacte kenmerken en de operationele middelen van dit crisismechanisme moeten nader worden bepaald.

  • 5. 
    Krachtigere instellingen voor een effectievere economische governance

Krachtiger instellingen zowel op nationaal als op EU-niveau zullen bijdragen tot een verbetering van de economische governance. Op nationaal niveau beveelt de Taskforce het gebruik of de oprichting van openbare instanties of organen aan die onafhankelijke analyses, beoordelingen en prognoses moeten opstellen inzake nationaal begrotingsbeleid, om aldus het begrotingsbeheer te versterken en de houdbaarheid op lange termijn te verzekeren.

***

Deze aanbevelingen sluiten aan bij het mandaat dat de Europese Raad op 25 en 26 maart 2010 heeft gegeven, en bij het tussentijds verslag dat de voorzitter van de Europese Raad in juni en september aan de Europese Raad heeft voorgelegd. De opvolging van de aanbevelingen van de Taskforce zal leiden tot een substantiële versterking van de economische pijler van de Economische en Monetaire Unie. Het vertrouwen zal toenemen, en er zal een bijdrage worden geleverd tot duurzame groei.

Voor de tenuitvoerlegging van een groot deel van deze aanbevelingen moet secundaire wetgeving op basis van Commissievoorstellen worden vastgesteld. De Taskforce roept alle partijen op voor een versnelde aanpak te kiezen, opdat de nieuwe toezichtregeling zo spoedig mogelijk haar beslag krijgt. DEEL 2: VERSLAG

  • 1. 
    I NLEIDING
  • 1. 
    De Taskforce werd opgericht door de Europese Raad van 25 en 26 maart 2010 en moest nog dit jaar maatregelen presenteren voor het bewerkstelligen van het beoogde verbeterde kader voor crisisafwikkeling en een betere begrotingsdiscipline, waarbij alle opties voor het versterken van het wetgevingskader moesten worden verkend. De Europese Raad van 17 juni 2010 heeft ingestemd met de eerste richtsnoeren van de Taskforce en heeft verklaard dat hij uitzag naar het eindverslag van de Taskforce in oktober van dit jaar.
  • 2. 
    Dit verslag bevat de voornaamste beleidsaanbevelingen en concrete voorstellen waarover de Taskforce het eens is, evenals suggesties voor verdere stappen voor de uitvoering ervan. Met het verslag wordt beoogd een "kwantumsprong" te maken in de zin van een betere economische governance in de EU en de eurozone, die in vijf hoofdpijlers moet worden vormgegeven:
  • i) 
    begrotingsdiscipline, vooral door middel van een sterker stabiliteits- en groeipact ii) een verbreding van het economisch toezicht, dat ook macro-economische onevenwichtig- heden en het concurrentievermogen zal bestrijken iii) een grondiger en bredere coördinatie iv) een stevig kader voor crisisbeheersing v) krachtiger instellingen en effectiever op regels gebaseerde besluitvorming.
  • 3. 
    Deze voorstellen moeten de bijzonderheden van de economische en monetaire integratie van de EU weerspiegelen. De grootste uitdaging is het aanpakken van de extreem hoge mate van onderlinge afhankelijkheid, vooral in de eurozone, die door de recente crisis duidelijk aan het licht is gebracht, met behoud van de nationale verantwoordelijkheden inzake begrotingsbeleid.
  • 4. 
    De coördinatie van het economisch beleid in de Europese Unie als geheel moet dringend worden versterkt. Daarom zijn alle aanbevelingen van de Taskforce, die snel moeten worden uitgevoerd, gericht op een maximale benutting van alle mogelijkheden die de secundaire EU-wetgeving binnen het bestaande juridische raamwerk van de Europese Unie te bieden heeft.

Deze aanbevelingen moeten zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd.

  • 2. 
    B ELEIDSAANBEVELINGEN

2.1 Naar meer begrotingsdiscipline

  • 5. 
    Het kader voor begrotingstoezicht is cruciaal voor begrotingsdiscipline en de houdbaarheid van de openbare financiën op de middellange en lange termijn. De Taskforce beveelt aan het begrotingstoezicht aan te scherpen en ervoor te zorgen dat ook de begrotingsvoorschriften van de EU beter in de hand wordt gehouden. Alles in dit hoofdstuk is gericht op een betere en consequentere uitvoering van het stabiliteits- en groeipact (SGP) zodat er een stevige grondslag wordt gelegd voor begrotingsstabiliteit in de Europese Unie voor de lange termijn.

2.1.1 Meer aandacht voor houdbare begrotingen

  • 6. 
    De Taskforce beveelt aan het criterium overheidsschuld beter in het mechanisme voor begrotingstoezicht tot uiting te laten komen.
  • 7. 
    Deze aanbeveling sluit aan op de grondgedachte van het Verdrag en het SGP. In de praktijk is bij de uitvoering van het SGP tot nog toe echter vooral het tekortcriterium gehanteerd. De Task- force beveelt aan in de toekomst in het kader voor begrotingstoezicht meer plaats in te ruimen voor overheidsschuld en houdbare begrotingen. Een hoge schuldenlast is funest voor de voor- uitzichten voor de middellange en lange termijn, vergroot het gevaar van financiële instabiliteit en vermindert het vermogen om, wanneer dat nodig is, een anticyclisch begrotingsbeleid te voeren. Ook gezien de vergrijzende bevolking en het effect van de recente reddingspakketten voor banken is het van groot belang dat de schuldenlasten worden teruggedrongen.
  • 8. 
    Er moet meer aandacht worden geschonken aan de interactie tussen tekort en schuld, en het schuldcriterium in het SGP moet operationeel worden gemaakt, zodat het daadwerkelijk wordt toegepast.
  • 9. 
    In het preventieve deel van het SGP moet er een sneller aanpassingstraject naar de middellange- termijndoelstellingen komen voor de lidstaten die een schuld hebben van meer dan 60% van het bbp of die uitgesproken risico's lopen wat betreft de algemene houdbaarheid van de schuld.
  • 10. 
    In het corrigerende deel van het SGP beveelt de Taskforce aan in de buitensporigtekort-

procedure (BTP) na te gaan of het begrotingstekort aansluit op een gestage, aanzienlijke en houdbare teruggang in de schuldquote bbp. Dat het tekort onder de 3% van het bbp wordt gebracht, mag dus niet volstaan voor een opheffing van de BTP als er wat betreft de schuld niet een bevredigende neerwaarts traject is ingezet. Zo zouden lidstaten met een schuldquote van meer dan 60% van het bbp en een tekort van minder dan 3% van het bbp ook onder de regels van de BTP vallen, tenzij wordt geoordeeld dat de daling van de schuld in een bepaalde vooraf- gaande periode bevredigend was.

  • 11. 
    De exacte kwantitatieve criteria, de methode en de bepalingen betreffende de geleidelijk invoering ter beoordeling van de vraag of de schuld in een bevredigend tempo afneemt, zullen worden omschreven en vastgelegd in de secundaire wetgeving en/of de Gedragscode. Gelet op het feit dat de dynamiek van de overheidsschuld niet alleen wordt aangestuurd door het begrotingstekort, moet er, voordat er een BTP wordt ingeleid, een beoordeling worden gemaakt aan de hand van het schuldcriterium. Bij de beoordeling van wat een bevredigend tempo van de schuldafbouw is moeten alle pertinente factoren worden meegenomen, als aangegeven in het voorstel van de Commissie.
  • 12. 
    Bij de toepassing van het SGP dient specifiek te worden gelet op het effect van pensioen- hervormingen, zoals het opzetten van een verplichte tweede pijler, op de schuld en het tekort.

2.1.2 De naleving versterken

  • 13. 
    De recente economische crisis heeft aangetoond dat de geloofwaardigheid en de doeltreffend- heid van de begrotingsregels van de EU moeten worden verbeterd met behulp van striktere handhavingsmechanismen, zodat er meer stimulansen komen om de regels en aanbevelingen van de EU toe te passen en ongewenste ontwikkeling van de begrotingen in de lidstaten te voor- komen.
  • 14. 
    In zowel het preventieve als het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact moeten geleidelijk meer sancties en, zowel financiële als reputatiegerichte politieke maatregelen, worden toegepast, en wel vanaf een vroeger stadium in het begrotingstoezicht. Billijkheid, even- redigheid en gelijke behandeling tussen de lidstaten zijn onontbeerlijk. Volgens de Taskforce wordt differentiatie in de timing en de mate van handhaving van het SGP tussen lidstaten van de eurozone en de andere lidstaten evenwel gerechtvaardigd door een hoger niveau van integratie en onderlinge koppelingen binnen de eurozone, in vergelijking met de EU als geheel.
  • 15. 
    De Taskforce beveelt aan de bestaande sancties uit hoofde van het SGP aan te vullen met onder- staande maatregelen:
  • a) 
    Verruiming van het aantal beschikbare maatregelen voor een striktere naleving
  • 16. 
    Nieuwe reputatiegerichte en politieke maatregelen, die geleidelijk moeten worden ingevoerd:

o In het preventieve deel van het SGP worden aanbevelingen en nieuwe rapportage- vereisten opgenomen als het aanpassingstraject van een lidstaat ontoereikend wordt geacht.

o Wanneer een lidstaat een aanbeveling van de Raad niet uitvoert, leggen de Raad en de Eurogroep een formeel verslag aan de Europese Raad voor.

o Wanneer een lidstaat onder versterkt toezicht uit hoofde van het SGP staat, wordt er tevens ter plaatse toezicht uitgeoefend door een missie van de Europese Commissie, in samenspraak met de ECB als de lidstaat tot de eurozone en WKM II behoort. Op deze missies volgt een verslag van de Commissie aan de Raad, dat openbaar kan worden gemaakt.

  • 17. 
    Ook moeten er nieuwe financiële handhavingsmaatregelen in verband met het stabiliteits- en groeipact komen.
  • 18. 
    Doel op de middellange termijn is alle lidstaten in het handhavingsmechanisme te verenigen, met aandacht voor de specifieke situatie van het Verenigd Koninkrijk in verband met protocol 15 bij de Verdragen. Een aanpak in twee fasen, beginnend met de eurozone, wordt echter gezien als een pragmatische weg vooruit aangezien het SGP snel moet worden versterkt in de eurozone, die een hogere mate van integratie kent:
  • i) 
    In de eerste fase worden alleen voor de eurozone bijkomende handhavingsmaatregelen ingevoerd, zoals rentedragende deposito's en niet-rentedragende deposito's en boetes op basis van artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
  • ii) 
    In een tweede fase moeten voor alle lidstaten behalve voor het Verenigd Koninkrijk, als gevolg van protocol 15 bij de Verdragen, zo snel mogelijk, en uiterlijk in de context van het volgende meerjarig financieel kader, versterkte handhavingsmaatregelen worden ingevoerd. Dit dient te geschieden middels de invoering van regels inzake voorwaarden over naleving van SGP-vereisten in de toepasselijke reguleringen over EU-uitgaven. Het toepassingsgebied moet zo ruim mogelijk zijn en zodanig zijn opgezet dat op alle lidstaten dezelfde regels en dezelfde behandeling van toepassing zijn (handhavingsregels zouden bijvoorbeeld moeten worden uit- gedrukt in een percentage van het bbp). Handhavingsmaatregelen moeten in beginsel worden uitgevoerd in dezelfde stappen als in de eurozone.
  • b) 
    In een eerder stadium en geleidelijk sancties invoeren voor lidstaten van de eurozone
  • 19. 
    In dit deel wordt beschreven wat er in de eerste fase moet gebeuren voor handhavings- maatregelen in verband met de eurozone, op basis van secundaire wetgeving met artikel 136 als rechtsgrond. Voor landen buiten de eurozone blijft de procedure in deze eerste fase ongewijzigd.
  • 20. 
    De Taskforce beveelt aan onderstaande maatregelen in te voeren in het preventieve deel van het SGP. Er volgen sancties als een lidstaat, zelfs als die een tekort heeft van minder dan 3%, beduidend afwijkt van het aanpassingstraject in het SGP en deze afwijking niet corrigeert. Bij de beoordeling van de naleving volgens het preventieve deel wordt uitgegaan van de verandering in het structurele tekort. Hiertoe behoort een beoordeling van de uitgaven- ontwikkelingen zonder de discretionaire belastingwijzigingen daarin mee te nemen. De exacte methode en parameters voor deze beoordeling komen in de secundaire wetgeving en/of de Gedragscode te staan.
  • 21. 
    De procedure voor de uitvoering van deze maatregel verloopt in onderstaande stappen:
  • In geval van een beduidende afwijking van het aanpassingstraject komt de Commissie met een vroege waarschuwing . De Raad neemt, op basis van een aanbeveling van de Commissie overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het Verdrag, binnen een maand een aanbeveling voor beleidsmaatregelen aan waarin een termijn is vastgesteld voor het aanpakken van de afwijking.
  • Indien de betrokken lidstaat nalaat binnen vijf maanden de vereiste acties te ondernemen, neemt de Raad daarover onmiddellijk een aanbeveling aan, op basis van een aanbeveling van de Commissie overeenkomstig artikel 121, lid 4, van het Verdrag. Tegelijkertijd wordt de lidstaat van de eurozone een rentedragend deposito opgelegd (met omgekeerde meerder- heid).
  • De hele procedure zal niet langer dan zes maanden duren. De termijn van vijf maanden wordt teruggebracht tot drie maanden indien de Commissie in haar aanbeveling aan de Raad van oordeel is dat de toestand bijzonder ernstig is en dringende maatregelen vereist.
  • 22. 
    De Taskforce beveelt aan onderstaande maatregelen in te voeren in het corrigerende deel van het SGP.
  • Indien op een lidstaat die reeds een rentedragend deposito in het preventieve deel van het SGP opgelegd heeft gekregen, een BTP wordt toegepast, wordt het rentedragende deposito omgezet in een niet-rentedragend deposito.
  • Als regel geldt dat indien een lidstaat waarop de BTP wordt toegepast niet eerder een rente- dragend deposito in het preventieve deel opgelegd heeft gekregen, de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie, een aanbeveling aanneemt waarin een termijn wordt vast- gesteld voor daadwerkelijke actie. In geval van bijzonder ernstige beleidsontsporingen kan de Raad op basis van een aanbeveling van de Commissie onmiddellijk sancties toepassen.
  • Wanneer de Raad op basis van artikel 126, lid 8, van het Verdrag besluit dat de lidstaat geen actie heeft ondernomen om het buitensporig tekort binnen de aangegeven termijn te corrigeren, wordt een boete opgelegd bij besluit met een omgekeerde meerderheid.
  • Indien de Raad van oordeel is dat de lidstaat blijft verzuimen uitvoering te geven aan de aan- bevelingen van de Raad (artikel 126, lid 9, van het Verdrag) wordt de boete opgelegd over- eenkomstig de bestaande bepalingen van het SGP, met een variabele die samenhangt met het niveau van het tekort.
  • Indien de situatie dit vereist, kunnen de stappen volgens de BTP versneld worden uitgevoerd (de termijn voor daadwerkelijke actie kan bijvoorbeeld worden teruggebracht van zes tot drie maanden).
  • 23. 
    Deze nieuwe sancties en nalevingsmaatregelen kunnen niet met terugwerkende kracht worden toegepast. Voor een aantal onderdelen van deze voorstellen zal een overgangsfase nodig zijn.
  • c) 
    de besluitvormingsprocedure voor deze nieuwe financiële handhavingsmaatregelen moet leiden tot meer automatisme
  • 24. 
    In de secundaire wetgeving voor de nieuwe voorgestelde financiële handhavingsmaatregelen moet een omgekeerde meerderheidsregel worden aangenomen (voor met name: een rente- dragend deposito in het preventieve deel van het Pact en een niet-rentedragend deposito wanneer op een land de BTP wordt toegepast, boete in geval van niet-naleving). Voor de latere fase van de sanctie (met name voor een hogere boete als het verzuim om na te leven voortduurt)

waarin het Verdrag thans voorziet, blijft de gebruikelijke meerderheidsregel in de Raad van toepassing.

  • 25. 
    Besluiten over de nieuwe handhavingsmaatregelen moeten gebaseerd zijn op aanbevelingen van de Commissie. De aanbeveling van de Commissie wordt aangenomen tenzij een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten in de Raad binnen een gegeven termijn tegen- stemt. De praktische aspecten van het besluitvormingsproces moeten in het wetgevingsproces nauwkeurig worden omschreven.
  • 26. 
    Dat brengt meer automatisme in de besluitvorming in verband met de begrotingsdiscipline, betekent een aanzienlijke versteviging van de rol van de Commissie en draagt bij aan de geloofwaardigheid van het op regels gebaseerde systeem. De Commissie neemt alle stappen die nodig zijn om te garanderen dat zij haar verantwoordelijkheden in totale onafhankelijkheid vervult en de geplande stappen strikt toepast.

2.1.3 Versterking van de nationale begrotingsregels en -kaders

  • 27. 
    De Taskforce heeft onderkend dat de lidstaten meer te zeggen moeten krijgen over de begrotingsregels van de EU. Versterking van de nationale begrotingskaders en waarborging van de naleving van de EU-begrotingsregels leiden tot meer begrotingsdiscipline en tot naleving van het SGP. Dit is vooral belangrijk omdat de besluiten inzake het begrotingsbeleid in de EMU-architectuur gedecentraliseerd blijven.
  • 28. 
    Er wordt een benadering op twee niveaus aanbevolen. Er moet worden voldaan aan een reeks overeengekomen, bindende minimumeisen voor nationale kaders. Alle nationale begrotingskaders moeten eind 2013 voldoen aan vereisten op onderstaande gebieden: i) systemen en statistieken voor overheidsboekhouding; ii) cijfermatige regels;
  • iii) 
    prognosesystemen; iv) doeltreffende begrotingskaders voor de middellange termijn; en v) een toereikende dekking van de algemene overheidsfinanciën.
  • 29. 
    Boven en naast deze minimumeisen moeten afspraken worden gemaakt over een reeks aanvullende, niet-bindende normen, vooral voor het gebruik van begrotingsprocessen van bovenaf ("top down"), begrotingsregels en de rol van overheidsinstanties (bijvoorbeeld begrotingsraden) die onafhankelijke analyses, beoordelingen en prognoses moeten maken voor het nationaal begrotingsbeleid.
  • 30. 
    Voor een grotere geloofwaardigheid en voor samenhang tussen alle lidstaten beoordelen de Europese Commissie en de Raad de doeltreffendheid van de nationale begrotingskaders wanneer zij de stabiliteits- en convergentieprogramma's beoordelen en indien nodig doen zij aanbevelingen om deze te versterken.

2.1.4 Betere kwaliteit van de statistieken

  • 31. 
    Betere toezichts- en handhavingsmechanismen moeten steunen op transparante, betrouwbare en tijdige statistieken. De Raad heeft recentelijk overeenstemming bereikt over een verordening die Eurostat meer controlebevoegdheden geeft. Er moet evenwel worden nagedacht over verdere stappen om de professionele onafhankelijkheid van het Europees statistisch systeem en de controlebevoegdheden van Eurostat te versterken. Ook sancties voor herhaalde problemen inzake statistiek, zoals het ontbreken van gegevensvalidering door Eurostat, moeten worden overwogen. Het bindende karakter van de "praktijkcode Europese statistieken" moet worden versterkt en aan aantal minimumnormen moeten in een wetgevingshandeling worden neer- gelegd. De volledige toepassing van de bepalingen van de code moet worden versneld, in het bijzonder om de mandaten voor het verzamelen van gegevens aan te scherpen en de kwaliteit verder te verbeteren.

2.2 Breder economisch toezicht en grondiger coördinatie

2.2.1 Een nieuw toezichtsmechanisme

  • 32. 
    Hardnekkige en omvangrijke macro-economische onevenwichtigheden en verschillen in het concurrentievermogen, vooral tussen lidstaten van de eurozone, maken de EU-economie kwetsbaarder en zijn een bedreiging voor de soepele werking van de monetaire unie. De wereldwijde crisis heeft aangetoond dat naleving van het SGP niet voldoende is.

Ontwikkelingen in de consumptie, zeepbellen op de huizenmarkt en de opbouw van binnen- en buitenlandse schulden in sommige lidstaten hebben het effect van de crisis verergerd en de responscapaciteit doen afnemen. Gezien de sterke mate van economische en financiële onder- linge afhankelijkheid, vooral tussen lidstaten in de eurozone, kunnen zulke onevenwichtigheden ernstige overloopeffecten hebben die de stabiliteit van de gehele EU-economie bedreigen. .

  • 33. 
    In alle lidstaten van de eurozone moet er iets worden gedaan aan macro-economische oneven- wichtigheden en verschillen in het concurrentievermogen, maar de aard, omvang en urgentie van de beleidsuitdagingen verschillen sterk per lidstaat. Gelet op de zwakke punten en de omvang van de vereiste aanpassing is actie vooral urgent in de lidstaten met aanhoudende grote tekorten op de lopende rekening en met een tanend concurrentievermogen. Bovendien moet het beleid in lidstaten die grote overschotten op de lopende rekening hebben opgebouwd, erop gericht zijn de structurele hervormingen op te zetten en uit te voeren die de binnenlandse vraag stimuleren en het groeipotentieel doen toenemen.
  • 34. 
    De Taskforce beveelt een grondiger macro-economisch toezicht aan met de invoering van een nieuw mechanisme dat wordt ingebed in een op artikel 121 VWEU gebaseerd juridisch kader naast het SGP, en dat voor alle lidstaten van de EU geldt, met aandacht voor de kenmerken van de eurozone. Dit mechanisme moet worden gebruikt op een wijze die zorgt voor samenhang met het toezicht op het begrotingsbeleid, de groeibevorderende structurele hervormingen en de macrofinanciële stabiliteit en die dubbel werk en overlappingen voorkomt.
  • 35. 
    Dit nieuwe toezichtskader moet stoelen op een tweefasenaanpak:
  • i) 
    de eerste is een jaarlijkse beoordeling van het risico op macro-economische onevenwichtig- heden en kwetsbaarheden, in de context van de beoordelingen van de nationale hervormings- programma's van de lidstaten en de stabiliteits- en convergentieprogramma's, met een waarschuwingsmechanisme op basis van een scorebord waarop een beperkt aantal indicatoren wordt bijgehouden, en een economische analyse. Als het waarschuwingsmechanisme reële of potentiële buitensporige onevenwichtigheden signaleert, moet de Commissie een diepgaande analyse maken van de lidstaat in kwestie. Deze diepgaande analyse kan ook gaan over landentoezichtsmissies die de Commissie, in samenspraak met de ECB, uitvoert voor lidstaten van de eurozone en WKM II.
  • ii) 
    de tweede is een handhavingskader met een corrigerende fase die bedoeld is om de uitvoering af te dwingen van remedies in geval van schadelijke macro-economische oneven- wichtigheden.

2.2.1.1 Indicatoren

  • 36. 
    Dit toezichtsmechanisme moet stoelen op praktische, eenvoudige, meetbare en beschikbare indicatoren. Op het scorebord van indicatoren, en in het bijzonder bij de alarmdrempels, moet onderscheid worden gemaakt tussen lidstaten in en buiten de eurozone, zodat er rekening kan worden gehouden met de kenmerken van de monetaire unie en de relevante economische omstandigheden kunnen worden weerspiegeld. De Commissie stelt een lijst op van indicatoren die door de Raad moet worden bekrachtigd en zo nodig moet worden bijgewerkt.

2.2.1.2 Handhaving

  • 37. 
    Als het economisch beleid van een lidstaat niet aansluit bij de globale richtsnoeren voor het economisch beleid of als dit beleid een gevaar dreigt op te leveren voor de goede werking van de economische en monetaire unie, kan de Commissie de desbetreffende lidstaat rechtstreeks een vroegtijdige waarschuwing geven. Bij bijzonder ernstige onevenwichtigheden moet de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie, besluiten de lidstaat in staat van "buitensporige onevenwichtigheden" te plaatsen. Daarmee treedt het corrigerende deel van het op artikel 121, lid 4, gebaseerde mechanisme in werking. De Raad moet, op basis van aanbevelingen van de Commissie, tot de betrokken lidstaat een reeks beleidsaanbevelingen richten om de onevenwichtigheden te corrigeren. Indien de aanbevelingen van de Raad het begrotingsbeleid betreffen, moeten zij in overeenstemming zijn met de aanbevelingen in het kader van het SGP. Onverminderd de algemene coördinerende rol van de Raad Ecofin, kunnen hierbij de Raadsformaties Concurrentievermogen en Epsco op nuttige wijze worden betrokken indien het toepassingsgebied van de aanbevelingen tot hun bevoegdheden behoort.
  • 38. 
    De betrokken lidstaat moet verplicht worden te rapporteren over de voortgang bij de uitvoering.

Daarnaast moet de Commissie in het kader van de buitensporigtekortprocedure, zo nodig met toezichtsmissies, toezien op de uitvoering van de aanbevelingen, in samenspraak met de ECB als de lidstaten tot de eurozone en WKM II behoren. Indien de aanbevelingen niet worden uitgevoerd, worden de conclusies van de missie openbaar gemaakt en volgt een verslag aan de Europese Raad.

  • 39. 
    Indien de aanbevelingen van de Raad herhaaldelijk niet worden uitgevoerd, moeten de hand- havingsmechanismen voor de lidstaten in de eurozone uiteindelijk leiden tot sancties. Aangezien er op dit gebied veel tijd kan verlopen tussen de aanneming van corrigerende maatregelen en het effectief wegwerken van de onevenwichtigheden, zonder noodzakelijk direct causaal verband, dient de evaluatie van de Raad zich te richten op de daadwerkelijke uitvoering van de aanbevolen acties.
  • 40. 
    De besluiten van de Raad over sancties op basis van artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de EU worden alleen door lidstaten van de eurozone genomen. Met de stem van het lid in de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt, wordt geen rekening gehouden.
  • 41. 
    Hetzelfde hierboven voorgestelde besluitvormingsproces voor de nieuwe sanctieregeling in het kader van het SGP, geldt ook voor alle nieuwe handhavingsmaatregelen betreffende het macro- economisch toezichtsmechanisme.

2.2.2 Verdieping en verbreding van de coördinatie - het "Europees semester"

  • 42. 
    Op basis van eerdere aanbevelingen van de Taskforce, heeft de Europese Raad zich reeds geschaard achter een versterkte cyclus van beleidscoördinatie, het zogenaamd "Europees semester", waartoe de Raad heeft besloten. Die zal vanaf 1 januari 2011 worden toegepast.
  • 43. 
    Deze cyclus van versterkte voorafgaande coördinatie zal alle elementen van het economisch toezicht bestrijken, ook het beleid om begrotingsdiscipline en macro-economische stabiliteit te waarborgen en de groei te stimuleren, zulks overeenkomstig de strategie van Europa 2020.

Bestaande procedures, zoals die in het kader van het SGP en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, komen qua timing op een lijn te liggen, maar blijven wel juridisch gescheiden. De lidstaten moeten in het voorjaar hun stabiliteits- en convergentieprogramma's en nationale hervormingsprogramma's tegelijk indienen en de Commissie moet die ook tegelijkertijd beoordelen.

  • 44. 
    Deze voorafgaande bespreking op EU-niveau zal ertoe bijdragen dat meer rekening wordt gehouden met de dimensie van de EU/eurozone wanneer landen hun begrotingen en hervormingsprogramma's opstellen en zal derhalve tot een hogere graad van beleidscoördinatie tussen de lidstaten bijdragen. Om ervoor te zorgen dat naast het macro-economisch, begrotings- en structureel beleid ook de aspecten van macrofinanciële stabiliteit worden meegenomen, moet rekening worden gehouden met de mededelingen van het Europees Comité voor systeemrisico's in dat verband (zoals waarschuwingen en aanbevelingen).
  • 45. 
    Teneinde de nationale verantwoordelijkheid ten aanzien van de in het kader van het Europees semester gedane aanbevelen extra te kracht bij te zetten, wordt van regeringen verwacht dat zij wanneer zij de ontwerp-begroting bij het nationale parlement indienen, daarbij de beleids- aanbevelingen van de Raad en/of de Commissie voegen, vergezeld van een toelichting over hoe die aanbevelingen zijn verwerkt.

2.3 Naar een stevig kader voor crisisbeheersing

  • 46. 
    Met de crisis in Griekenland is gebleken dat er behoefte is aan een robuuster kader voor crisis- beheer. De recente gebeurtenissen hebben immers aangetoond dat financiële moeilijkheden in een lidstaat via diverse besmettingskanalen snel de macrofinanciële stabiliteit van de gehele EU kunnen bedreigen. Dat geldt met name in de eurozone, waar de economieën, en de financiële sectoren in het bijzonder, nauw verweven zijn en voorzieningen voor crisisbeheer ontbraken.
  • 47. 
    Sinds de oprichting van de Taskforce zijn voor de lidstaten in de eurozone de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en het Europees financieel stabilisatiemechanisme (EFSM) in het leven geroepen; deze zijn inmiddels volledig operationeel, en vormen een goed verdedigingsmechanisme voor de komende drie jaar. Zij vormen een aanvulling op de steun aan de betalingsbalansen van lidstaten die niet tot de eurozone behoren (op basis van artikel 143 van het Verdrag).
  • 48. 
    De Taskforce is van oordeel dat er op de middellange termijn voor de eurozone een geloof- waardig kader voor crisisafwikkeling moet komen, waarmee het hoofd kan worden geboden aan financiële moeilijkheden en besmetting kan worden vermeden. Dat kader moet het moreel risico dat besloten ligt in elke ex-ante crisisregeling, resoluut aanpakken. Het moet onder meer sterkere prikkels sturen naar de lidstaten zodat zij een gezond begrotings- en algemeen macro- economisch beleid nastreven en zodat de deelnemers aan financiële markten op verantwoorde wijze leningen verstrekken, terwijl tegelijk de prerogatieven en de onafhankelijkheid van het Europees Stelsel van centrale banken worden gerespecteerd.
  • 49. 
    Dit nieuwe mechanisme moet meehelpen de financiële instabiliteit in de eurozone te voorkomen wanneer er geen realistisch vooruitzicht is op blijvende toegang tot de kapitaalmarkt. In het kader van dit toekomstig nieuw permanent mechanisme zou men onder meer de rol van de particuliere sector, de rol van het IMF en de zeer strikte voorwaarden die voor deze programma's zouden gelden, kunnen bezien.
  • 50. 
    De exacte kenmerken en de operationele middelen van dit crisismechanisme, waaronder de rol en de verantwoordelijkheden van respectievelijk de EU, de eurozone en de lidstaten van de eurozone, moeten nader worden bestudeerd. De Taskforce neemt er nota van dat de Commissie voornemens is zo snel mogelijk een evaluatie voor te leggen van de werking van de verschillende bestaande mechanismen.

2.4 Krachtiger instellingen voor een effectievere economische governance

  • 51. 
    De Taskforce heeft de lacunes in het bestaande kader van economische governance in kaart gebracht en aangepakt. De economische governance zou derhalve beter moeten worden, gelet op de sterke onderlinge afhankelijkheid van de economieën in de Europese Unie en in het bijzonder in de eurozone.
  • 52. 
    Vele andere aangelegenheden in verband met een efficiëntere economische governance behoren volledig tot andere gebieden die in het rapport aan bod komen: het versterken van het SGP, het verbreden van het economisch toezicht, een sterkere coördinatie en nationale begrotingskaders.

Sommige specifieke kwesties vergen evenwel bijzondere aandacht om zowel de centrale als nationale begrotingsinstellingen te versterken en een systeem op te zetten met ingebouwde prikkels voor begrotingsdiscipline op alle niveaus.

  • 53. 
    Op nationaal niveau beveelt de Taskforce het gebruik of de oprichting van openbare instanties of organen aan die onafhankelijke analyses, evaluaties en prognoses moeten opstellen inzake nationaal begrotingsbeleid, om aldus het begrotingsbeheer te versterken en de houdbaarheid op lange termijn te waarborgen (zie punt 2.1.3).
  • 54. 
    Een sterkere rol en grotere onafhankelijkheid van de Europese Commissie in begrotings- aangelegenheden en het macro-economisch toezicht is van cruciaal belang voor de geloof- waardigheid van het nieuwe kader. Het verheugt de Taskforce dat de Commissie heeft aangekondigd een duidelijk onderscheid te zullen maken tussen de analyse en de evaluatie die worden uitgevoerd onder het gezag van het Commissielid belast met Economische en monetaire zaken en de besluitvorming van het college over beleidsvoorstellen aan de Raad. De rol van de Raad en de Eurogroep bij de uitvoering van het nieuwe kader voor toezicht en beleids- coördinatie respectievelijk in de EU en de eurozone, zal doorslaggevend zijn.
  • 3. 
    C ONCLUSIE
  • 55. 
    Als de Europese Raad de aanbeveling in dit verslag onderschrijft, zal dit bijdragen tot de versterking van de economische governance in de EU en de eurozone en kunnen zij op grond van de bestaande verdragen worden uitgevoerd. Die uitvoering zal de nodige stimulans leveren voor een diepgaandere economische en monetaire unie.
  • 56. 
    Voor de uitvoering van een groot deel van deze aanbevelingen moet secundaire wetgeving worden vastgesteld. De Taskforce roept alle partijen op voor een versnelde aanpak te kiezen, opdat de nieuwe toezichtregeling zo spoedig mogelijk haar beslag krijgt.
  • 57. 
    De instelling van een kader voor crisisafwikkeling moet nader worden uitgewerkt. Aangezien hiervoor, afhankelijk van de specifieke kenmerken, misschien verdragswijzigingen nodig zijn, is dit een zaak voor de Europese Raad. De Europese Raad kan daarenboven andere nog openstaande punten bespreken, zoals de schorsing van het stemrecht.

___________________ BIJLAGEN

Samenstelling van de Taskforce Vergaderrooster Bijdragen van de Europese Commissie, de lidstaten en de ECB BIJLAGE 1 SAMENSTELLING VAN DE TASKFORCE - Ledenlijst VOORZITTER VAN DE de heer Herman Van Rompuy TASKFORCE EUROPESE COMMISSIE de heer Olli Rehn EUROPESE CENTRALE BANK de heer Jean-Claude Trichet * EUROGROEP de heer Jean-Claude Juncker OOSTENRIJK de heer Josef Pröll BELGIË de heer Didier Reynders BULGARIJE de heer Simeon Djankov CYPRUS de heer Charilaos Stavrakis TSJECHIË de heer Eduard Janota de heer Miroslav Kalousek DENEMARKEN de heer Claus Hjorth Frederiksen IERLAND de heer Brian Lenihan ESTLAND de heer Aare Järvan de heer Jürgen Ligi FINLAND de heer Jyrki Katainen FRANKRIJK mevrouw Christine Lagarde DUITSLAND de heer Wolfgang Schäuble GRIEKENLAND de heer Georgios Papaconstantinou HONGARIJE de heer Péter Oszkó de heer György Matolcsy ITALIË de heer Giulio Tremonti LETLAND de heer Mrtis Bicevskis de heer Einars Repse LITOUWEN mevrouw Ingrida Simonyté LUXEMBURG de heer Luc Frieden MALTA de heer Tonio Fenech NEDERLAND de heer Jan Kees De Jager POLEN de heer Jan Vincent-Rostowski PORTUGAL de heer Fernando Teixeira Dos Santos ROEMENIË de heer Sebastian Vladescu de heer Gheorghe Ialomitianu SPANJE Ms Elena Salgado SLOWAKIJE de heer Jan Pociatek de heer Ivan Miklos SLOVENIË de heer Mitja Gaspari de heer Franc Krizanic ZWEDEN de heer Anders Borg VERENIGD KONINKRIJK de heer George Osborne

(*) De president van de ECB onderschrijft niet alle elementen van dit verslag. BIJLAGE 2

Vergaderrooster van de Taskforce TASK FORCE

21 mei 2010

7 juni 2010 12 juli 2010

6 september 2010 27 september 2010 18 oktober 2010 HET COMITÉ SHERPA VAN DE TASK FORCE

1 juni 2010 23 juni 2010

5 juli 2010 30 augustus 2010 21 september 2010

5 oktober 2010 12 oktober 2010

BIJLAGE 3

Bijdragen van lidstaten en instellingen

Lidstaat Datum indiening OOSTENRIJK 31/5/10 BULGARIJE 1/6/2010 CYPRUS 11/10/2010 DENEMARKEN 27/8/2010 ESTLAND 5/7/2010 FINLAND 2/6/2010 FRANKRIJK 22/7/2010 DUITSLAND 20/5/2010; 22/7/2010;

23/9/2010 ITALIË 5/7/2010 LUXEMBURG 10/6/2010 NEDERLAND 29/5/2010 POLEN 31/5/2010 ROEMENIË 1/6/2010 SLOWAKIJE 2/6/2010 SLOVENIË 2/6 en 7/7/2010 ZWEDEN 3/6/2010 VERENIGD KONINKRIJK 9/7/2010 ECB 10/6/2010 Europese Commissie 17-18-29-30/6/2010

________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie