Begrotingstekort en staatsschuld Griekenland

parlement in athene

Sinds eind 2009 is het crisis in Griekenland. Het land kampt met een extreem begrotingstekort en een enorme staatsschuld. De angst is dat als Griekenland failliet gaat de euro in gevaar komt. De overige eurolanden en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) moesten Griekenland te hulp schieten. Door middel van zware bezuinigingen en hervormingen moeten de Grieken orde op zaken stellen.

De eurolanden en het IMF kwamen Griekenland in 2010 te hulp met een pakket noodleningen van 110 miljard euro, te vergeven in meerdere tranches, om de stabiliteit van de eurozone te herstellen. In 2013 kwamen de trojka en Griekenland een nieuwe tranche overeen, waardoor de Grieken hun schulden weer af kunnen lossen.

De EU wil dat Griekenland aan de begrotingsregels voldoet en eist dat Griekenland hervormingen doorvoert. Een trojka van de Europese Centrale Bank (ECB), de Europese Commissie en het IMF controleert of de Griekse overheid genoeg vorderingen maakt met de uitvoering van bezuinigingen en hervormingen.

In april 2014 maakt het Griekse ministerie bekend dat het land weer zelf geld wil gaan lenen op de financiële markt.

Delen

enveloppe

Inhoud

1.

Onthulling van schokkende cijfers in 2009

Net na het aantreden van een nieuwe Griekse regering in oktober 2009 onthulde de toenmalige minister van Financiën, Giorgos Papaconstantinou, dat zijn voorgangers stelselmatig valse, veel te rooskleurige cijfers over het Griekse begrotingstekort hadden gepresenteerd. Het begrotingstekort van Griekenland zou in 2009 12,7 procent hebben bedragen, in plaats van 3,7 procent, zoals tot dan toe werd aangenomen. Cijfers die Eurostat in november 2010 publiceerde, lieten zelfs zien dat het begrotingstekort over 2009 nog hoger was, namelijk 15,6 procent.

Eerdere Griekse regeringen konden jarenlang deze cijfers vervalsen, omdat het statistische bureau van de EU, Eurostat, niet ter plekke mocht controleren. De ministers van Financiën van andere eurolanden en de Europese Commissie reageerden woedend toen bleek dat de Grieken jarenlang hadden gelogen over hun financiële positie.

2.

Maatregelen

Aanvankelijk werd gedacht dat Griekenland de problemen zelf kon oplossen. De Griekse toenmalige regering van premier Giorgos Papandreou diende op 15 januari 2010 een bezuinigingsplan in bij de Europese Commissie. Volgens dat plan moest het begrotingstekort van Griekenland in 2012 weer zijn teruggebracht tot onder de norm van drie procent uit het Stabiliteits- en groeipact. De accijnzen op alcohol en brandstof werden verhoogd, de pensioenleeftijd moest worden opgeschroefd en er moest flink worden gesneden in het ambtenarenapparaat. Daarnaast beloofde de regering belastingontduiking strikt aan te pakken. Hevig protest volgde, massale stakingen legden het land plat.

Vanuit verschillende Europese lidstaten, de Europese Centrale Bank, het Europees Parlement en vanuit de Europese Commissie werd Griekenland echter onder druk gezet om het tekort ook daadwerkelijk terug te dringen. De Commissie stelde in januari 2010 verscherpt toezicht in. Begin februari 2010 sprak toenmalig eurocommissaris voor economische en monetaire zaken Joaquin Almunia zijn steun uit voor het bezuinigingsplan van de Grieken. Hij noemde het ambitieus maar wel uitvoerbaar. De ministers van Financiën van de eurolanden steunden hem daarin en hielden een vinger aan de pols.

In 2012 trad de conservatief-liberale premier Samaras aan, als opvolger van Papandreou. Hij zette de bezuiningslijn van zijn voorganger door. 

3.

Ingrijpen door eurolanden en het IMF

Door het hoge begrotingstekort werd het erg lastig voor de Griekse overheid om leningen aan te gaan. De steeds hogere rente die Griekenland op staatsleningen moest vergoeden, vergrootte het risico dat Griekenland de schuld niet meer kon terugbetalen. Herfinanciering van de Griekse staatsschuld werd zo steeds moeilijker. Speculatieve beleggers zetten daarbij in op een faillissement van Griekenland. Zij kochten op grote schaal zogenoemde credit default swaps in: een soort verzekeringen die veel geld opleveren als Griekenland zijn staatsleningen niet meer zou kunnen aflossen.

De Griekse crisis schaadde het algemene vertrouwen in de euro, met een koersdaling van de munt als gevolg. Zo bedreigden de Griekse problemen de stabiliteit van de gezamenlijke munt en werd er gevreesd voor een bredere eurocrisis door een domino-effect. Het Griekse bruto nationaal product levert weliswaar slechts een kleine bijdrage aan de totale economie van de EU, maar wanneer meer zwakke eurolanden zoals Portugal, Ierland en Letland achter elkaar omvallen, of wanneer één grote economie als de Spaanse gaat wankelen, zou dit grote problemen veroorzaken.

De regeringsleiders van de (destijds) 27 EU-lidstaten bespraken de situatie in Griekenland tijdens een extra top in Brussel, op 11 februari 2010. Ze zeiden gecoördineerde actie te zullen ondernemen als dat nodig zou zijn.

Noodlening van 110 miljard

Eind maart 2010 werden de eurolanden het eens over de opzet van een reddingsplan voor Griekenland. De hulp zou bestaan uit een combinatie van leningen van het IMF en van de eurolanden.

Griekenland vroeg op 23 april 2010 daadwerkelijk financiële steun aan. Op 2 mei 2010 maakten de eurolanden en het IMF bekend Griekenland te willen steunen met een lening van 110 miljard euro, verspreid over drie jaar. Hiervan komt 80 miljard voor rekening van de eurolanden en 30 miljard komt van het IMF. Nederland draagt in totaal 4,7 miljard euro bij. Alleen Slowakije weigert bij te dragen aan het hulppakket voor Griekenland

Permanent noodfonds

Naar aanleiding van de Griekse problemen werd een tijdelijk noodfonds voor eurolanden en uiteindelijk ook een permanent noodfonds opgericht. Deze lening van 110 miljard euro aan Griekenland komt echter nog niet uit die fondsen.

Voorwaarden voor steun & controle

In ruil voor de steun eisten de eurolanden, de ECB en het IMF stevige maatregelen van Griekenland om het begrotingstekort terug te dringen. Overheidsuitgaven moeten worden teruggedrongen, belastinginkomsten verhoogd en de economie moet hervormd worden zodat deze efficiënter wordt. Er waren aanvullende maatregelen nodig bovenop het pakket waarmee Griekenland begin 2010 de crisis hoopte te kunnen bestrijden. De overheidsuitgaven moesten in 2011 met maar liefst 8,4 procent dalen.

Griekenland krijgt bij deze maatregelen technische ondersteuning van onder andere het IMF, de Europese Commissie en enkele EU-lidstaten.

Vier keer per jaar brengen de Europese Commissie, de ECB en het IMF een rapport uit over de voortgang van de afgesproken hervormingen. Op basis van dat rapport beslissen de lidstaten van de eurozone of ze een volgend deel van de noodlening beschikbaar stellen en of aanvullende maatregelen nodig zijn. Alle lidstaten moeten daarover unaniem beslissen. In totaal wordt de noodlening in 13 delen verstrekt.

4.

Tweede pakket noodleningen

Begin mei 2011 werd duidelijk dat de EU en Griekenland in gesprek waren over een aanvullende lening. Er volgden enkele maanden van harde onderhandelingen. Inzet waren de voorwaarden voor het gebruik van het EFSF én de vraag of de private sector wel of niet, en zo ja verplicht of vrijwillig, een bijdrage moest leveren aan de nieuwe lening aan Griekenland.

Op de eurotop van 21 juli 2011 was men eruit. Griekenland werd een langlopende lening van 109 miljard euro toegezegd, tegen een lage rente van 3,5%. Afgesproken werd dat dit geld van het EFSF afkomstig zou zijn. Ook werden de leningen uit het eerste pakket verlengd en werd de rente op die leningen verlaagd. Daarnaast zou de private sector (banken) een vrijwillige bijdrage moeten leveren; een deel van de schulden van Griekenland werd door de banken uiteindelijk kwijtgescholden.

Het vertrouwen in de extra leningen was niet genoeg om de financiële markten te kalmeren. De dreiging van een faillissement van Griekenland kwam in het najaar van 2011 steeds dichterbij. Daarbij daalde ook het vertrouwen in de euro als munt en kwamen andere landen die het al moeilijk hadden, verder in de problemen. Onder die druk besloten de regeringsleiders van de eurolanden tijdens een top op 26 en 27 oktober 2011 tot extra maatregelen:

  • voor de periode 2011–2014 wordt de bijdrage vanuit het EFSF en het IMF verhoogd tot maximaal 130 miljard euro
  • de private sector moet meer bijdragen. Het gaat dan om herstructurering van de Griekse staatsschulden: de Griekse schuld moet in 2020 gereduceerd zijn tot 120 procent van het bbp
  • Griekenland moet uit toekomstige opbrengsten van privatiseringen tot 15 miljard euro bijdragen aan het EFSF

Om voor de noodleningen in aanmerking te komen moest Griekenland aan de strenge voorwaarden (extra bezuinigingen) voldoen en Griekenland moest overeenstemming bereiken over de herstructurering met private obligatiehouders die aan Griekenland geld hebben geleend.

In 2010 sprak de toenmalige Nederlandse minister van Financiën Jan Kees de Jager zijn vertrouwen uit dat Nederland al het geld dat het aan Griekenland leent weer terug zal krijgen, inclusief rente. In de loop van 2011 werd volledige terugbetaling van de leningen door Griekenland echter steeds onwaarschijnlijker. Desondanks houdt ook het nieuwe kabinet Rutte-II vast aan volledige terugbetaling. Eind 2012 gaf de Duitse kanselier Merkel, eerder uitgesproken tegenstanders van afschrijven van Griekse schulden, te kennen dat er in 2014 kwijtschelding overwogen kan worden.

Op 25 juli 2013 stemde het Griekse parlement in met de aanpassing van een wet die het mogelijk maakt om ambtenaren te ontslaan. Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor de uitbetaling van een volgend deel (1,8 miljard euro) van de toegezegde Europese steun. 

In april 2014 maakte eurogroep-voorzitter Jeroen Dijsselbloem bekend dat Griekenland voorlopig kan blijven rekenen op Europese steun, maar dat dit wel in kleinere delen wordt uitbetaald. Griekenland krijgt eind april 2014 6,3 miljard euro, waarna in juni en juli 2014 steeds 1 miljard euro volgt en de rest van het steunprogramma (ca. 2 miljard euro) pas daarna. Van het lopende steunpakket was nog zeker 10 miljard over; na de zomer wordt bekeken of dit voldoende is of dat er aanvullende steun nodig is.

5.

Politieke onrust in Griekenland

Met de bereikte overeenkomst van oktober 2011 leek het acute gevaar van de eurocrisis geweken. Totdat de Griekse premier Papandreou eind oktober zei een referendum te willen houden over het afgesproken hulppakket van de Europese Unie en het IMF. Na de opluchting over het besluit tot een Europees hulppakket, veroorzaakte het voornemen van Papandreou opnieuw veel onrust in binnen- en buitenland. Het referendum ging uiteindelijk niet door, en Papandreou trad 4 november 2011 af. Voormalig vicepresident van de Europese Centrale Bank Lucas Papademos leidde een nieuwe regering van nationale eenheid.

Die regering moest verder ingrijpen om aan de voorwaarden voor steun te voldoen, en geld te krijgen van private schuldeisers. In februari 2012 bereikte de Griekse regering een akkoord over de vereiste bezuinigingen. Het Griekse parlement stemde op 12 februari, onlangs felle betogingen in Athene, in met de bezuinigingsvoorstellen. En op 24 februari was er een akkoord met de private schuldeisers; bijna alle obligaties werden ingeruild voor obligaties die meer dan 50 procent minder waard waren.

Op 6 mei 2012 vonden parlementsverkiezingen plaats in Griekenland. Die werden gezien als een strijd tussen partijen die de bezuinigingen onder druk van Europa wel willen uitvoeren en partijen die dat niet wilden doen. Als uiterste consequentie van het niet uitvoeren van de maatregelen werd een euro-exit niet uitgesloten.

De twee traditioneel grootste partijen in Griekenland, Nieuwe Democratie en PASOK, hadden op verzoek van de eurogroep en het IMF garanties afgegeven zich ook na de verkiezingen te committeren aan het in februari 2012 goedgekeurde bezuinigingsprogramma. De partijen werden door de bevolking afgestraft en konden geen meerderheidsregering vormen. Op 17 juni 2012 gingen de Grieken daarom opnieuw naar de stembus.

Bij die verkiezingen wisten Nieuwe Democratie en Pasok wel samen een meerderheid in het parlement te behalen. Samen met een kleinere linkse partij vormden ze een regering onder leiding van ND-leider Antonis Samaras. Jean-Claude Juncker, voorzitter van de eurogroep, had aangegeven dat erover gepraat kon worden om Griekenland iets tegemoet te komen.

6.

Gevolgen voor de Griekse bevolking

De maatregelen zijn een klap voor de economie van Griekenland en de Griekse bevolking. In 2010 daalden in Griekenland de lonen in de publieke sector met gemiddeld 15 procent. Bij staatsbedrijven was dat zelfs 30 procent. De pensioenen werden met 10 procent gekort. Er gingen ruim 82.000 banen verloren bij de overheid: zo'n 10 procent van het totaal. Eind 2011 bedroeg de werkloosheid in Griekenland ongeveer 20 procent. De Griekse werkeloosheid bereikte in juni 2012 een nieuw record van 24,4 procent. Op dat moment leefde ongeveer dertig procent van de Grieken onder de armoedegrens.

De bezuinigingsmaatregelen van de Griekse regering leidden daardoor tot heftige protesten onder de bevolking.

Nog somberder cijfers

In oktober 2012 bleek dat de Griekse staatsschuld en het overheidstekort in 2011 hoger waren dan eerder door het Griekse nationale statistiekbureau Elstat was gepubliceerd. In plaats van een tekort van 9,1 procent van het bbp en een staatsschuld van 165,3 procent van het bbp, bleek dat Griekenland een tekort had van 9,4 procent en een staatsschuld van 170,6 procent. Naar verwachting komt de staatsschuld in 2012 uit op 169,5 procent en is er in 2013 mogelijk een stijging naar 179,3 procent.

7.

Verdere Europese steun

Derde steunpakket?

Eerder werd er rekening mee gehouden dat in 2015 een derde pakket leningen aan Griekenland nodig zou zijn als het land dan nog niet zelf zou kunnen lenen op de financiële markt. Voormalig minister De Jager heeft in de Tweede Kamer gezegd dat zo'n pakket nodig zou kunnen zijn. Er heerste echter enige scepsis rond het derde steunpakket aan Griekenland. De Duitse minister van Financiën Wolgang Schäuble en VVD-leider en premier Mark Rutte uitten beiden twijfels over nieuwe financiële steun aan Griekenland.

In september 2013 is de discussie over nieuwe steun aan Griekenland weer aangezwengeld door Eurogroep-voorzitter Dijsselbloem. Hij verklaarde dat de Eurogroep Griekenland steun zal blijven verlenen tijdens, maar ook na het huidige hulpprogramma. Definitieve uitspraken zijn hier echter nog niet over gedaan.

Een derde steunpakket aan Griekenland was ook een thema in aanloop naar de Duitse verkiezingen van 2013.

Na de zomer van 2014 wordt gekeken of er aanvullende steun nodig is, maar hierbij wordt vooralsnog eerder gedacht aan het verlagen van rentes of verlengen van de looptijd van de leningen. Een derde steunronde lijkt nog niet aan de orde te zijn.

Steun bij doorvoeren hervormingen

Om Griekenland te helpen bij het uitwerken en invoeren van alle hervormingen heeft de Europese Commissie de "Task Force for Greece" ingesteld. Deze taskforce bestaat uit een aantal experts die advies geven over structurele hervormingen en maatregelen die economische groei en banen moeten opleveren. Ook begeleiden zij de bestuurlijk-administratieve aanpassingen die hiervoor nodig zijn. Zo assisteren de adviseurs bij het hervormen van het zorgstelsel, het juridisch systeem, het ambtenarenapparaat en de bestrijding van corruptie.

De taskforce houdt ook druk op de regering om de hervormingen door te voeren. De taskforce brengt ieder kwartaal een rapportage uit.

Op 29 april 2013 maakte de Commissie in haar kwartaalrapport bekend dat er door de taskforce gestage vooruitgang wordt geboekt bij de hulp aan de Griekse autoriteiten bij de uitvoering van een breed scala aan hervormingen.  

8.

Herstructurering van schulden?

De enorme bezuinigingen die de Griekse overheid moet doorvoeren en de verplichting tot aflossen van de staatsschulden leggen zwaar beslag op Griekenland en de Griekse economie. De bestedingen in het land dalen omdat de overheid minder uitgeeft en de inkomens van de Grieken ook dalen. Velen denken dat Griekenland niet in staat zal zijn alle leningen terug te betalen. Tot de critici behoren ook de kredietbeoordelaars als Moody's en S&P. Deze particuliere kredietbeoordelaars schatten de kredietwaardigheid van het land zeer laag in en gaven Griekenland de zogenoemde 'junk status'. Op 14 mei 2013 verhoogde kredietbeoordelaar Fitch de kredietstatus van Griekenland een stapje naar de waardering 'B-' met een stabiele verwachting voor de toekomst.

Een herstructurering zou de schuldenlast van de Griekse overheid verkleinen, de overheid zou minder hard hoeven te bezuinigen en dan zou er meer ruimte voor economische ontwikkeling zijn. De ECB wees er op dat een herstructurering een grote klap zou kunnen betekenen voor de financiële sector. Vooral Griekse banken bezitten veel Griekse staatsobligaties. Herstructurering van die obligaties zou kunnen leiden tot het omvallen van die banken, met alle problemen van dien.

Herstructurering houdt in dat de huidige Griekse staatsobligaties worden vervangen door obligaties met een langere terugbetalingstermijn en een lagere rente. Ook kan de waarde van de obligaties worden afgewaardeerd. Dat betekent dat de schuldeisers van Griekenland maar een deel van hun leningen terug zien. Het kwijtschelden van schulden ligt bij de lidstaten erg gevoelig; hun belastinggeld wordt dan gebruikt om de schulden van een ander land af te lossen.

9.

Evaluatie aanpak Griekse crisis

De voorwaarden voor steun dwongen de Griekse regering om harde maatregelen te nemen. Dit leidde al snel tot protesten onder de Griekse bevolking. Een steeds groeiend aantal economen en politici van buiten Griekenland vonden dat de maatregelen te diep ingrepen in de economie en sociale structuur van het land. De critici wisten niet te overtuigen en de strenge eisen om te hervormen bleven.

Op 5 juni 2013 publiceerde het IMF een eigen evaluatie van de aanpak van de crisis in Griekenland. Het IMF bleek opvallend kritisch te zijn over de voorwaarden die het zelf had opgelegd en concludeerde ook dat Griekenland eigenlijk niet in aanmerking had mogen komen voor steun. De evaluatie stelde ook dat de Europese Commissie op veel fronten faalde vooruitgang te boeken. Ook zou de Commissie niet in staat zijn de reddingsoperatie goed te managen. Het komt zelden voor dat een instelling zo hard oordeelt over het eigen optreden of dat van partners.

De Commissie reageerde afwijzend op het rapport. De Commissie benadrukte dat de keuze om Griekenland te redden mede was ingegeven door de situatie in de rest van de eurozone; zonder hulp aan Griekenland hadden banken in de hele eurozone miljarden moeten afschrijven, met alle gevolgen van dien.

Ook het Europees Parlement is kritisch over de gang van zaken omtrent Griekenland. EP-voorzitter Martin Schulz verklaarde in november 2013 dat er verantwoording moet worden genomen voor de gemaakte fouten. Daarnaast moet, volgens hem, onderzocht worden hoe het kan dat wat bij het opzetten van de steunprogramma's gedacht werd goed zou zijn, verkeerd blijkt uit te pakken.

10.

Argumenten in de discussie

Hieronder staan een aantal veel gehoorde argumenten, waarbij bijna altijd wel kanttekeningen te maken zijn. Dat maakt een oordeel niet eenvoudig. Europa is wikken en wegen.

Tip: na het lezen van de argumenten kunt U zelf Uw reactie geven.

  • Griekenland moet haar eigen problemen oplossen

    Andere landen moeten Griekenland niet te hulp schieten. Het begrotingstekort van de Grieken is hun eigen probleem. Belastingbetalers uit andere landen hoeven daar niet voor op te draaien. De Grieken zullen dus flink moeten bezuinigen, ook om enige geloofwaardigheid in Europa te behouden.

Uw reactie

Door op Uw reactie te klikken kunt u laten weten wat u van de verschillende argumenten vindt. Ook kunt u natuurlijk andere argumenten aandragen. Uw reactie wordt zeer op prijs gesteld.

11.

Meer informatie

Delen

enveloppe

Terug naar boven