Dit BNC-fiche is door de Nederlandse regering gemaakt naar aanleiding van het verschijnen van het document COM(2009)610 van de Europese Commissie. Het bevat onder andere de eerste algemene standpuntbepaling van de Nederlandse regering.
over de mededeling
Nederland is bij gezamenlijke mariene en maritieme onderzoeksprogrammering voorstander van een regionale aanpak, waarbij de programmering recht doet aan de onderzoeksvragen in alle zeeën rond de Unie en er een mogelijkheid bestaat tot regionale samenwerking om zo specifieke regionale kennis en technologie te ontwikkelen. Nederland staat dan ook positief tegenover het BONUS-169-initiatief. Het voorstel scoort goed op het vlak van subsidiariteit en proportionaliteit, terwijl de financiële gevolgen meevallen en het geld goed besteed is.
Nederland staat nog wel kritisch ten opzichte van de uitwerking die de Europese Commissie voor het initiatief voorstelt. De voorgestelde fasering en het eisen van een «echte» gemeenschappelijke pot, waardoor bepaalde lidstaten wetgeving moeten veranderen om nationale onderzoeksgelden te kunnen inzetten zouden kunnen leiden tot onnodige administratieve lastendruk. Nederland is dan ook van mening dat zo veel mogelijk moet worden aangesloten bij de ervaringen rond bestaande Artikel 169-initiatieven. Daarnaast streeft Nederland ook naar stroomlijning en vereenvoudiging van het steeds omvangrijkere instrumentarium voor onderzoeksfinanciering. De verschillen en overeenkomsten met ERA-netten, ERAnetten plus en het proces van Gezamenlijk Programmeren zullen dan ook moeten worden bekeken, zodat ook in dit onderzoeksthema verdere stroomlijning en vereenvoudiging doorgevoerd kunnen worden.
Nederland neemt echter (nog) niet direct deel aan BONUS-169, omdat het hier om een specifiek op de Oostzee gericht programma gaat. Er zijn echter in Nederland voldoende aanknopingspunten om in de toekomst direct dan wel indirect aan te haken. Op Nederlandse universiteiten en kennisinstellingen wordt veel onderzoek gedaan en technologie ontwikkeld die te maken heeft met het mariene systeem en het beheer daarvan. In Nederland houden zowel toepassingsgerichte als meer fundamenteel gerichte onderzoeksinstellingen zich met zeeonderzoek bezig,. Hierbij valt te denken aan diverse universiteiten, Deltares, NIOZ (NWO), NIOO (KNAW), IMARES en Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld in OSPAR-verband1. Recentelijk is met geld van NWO, OCW, LNV, VenW en de NAM het Nationaal Programma Zee- en Kustonderzoek van start gegaan, waarin vergelijkbare, maar meer op de Nederlandse situatie toegespitste onderzoeksthema’s aan de orde zijn. Nederlandse wetenschappers participeren succesvol in Europese en wereldwijde samenwerkingsverbanden. NWO en SenterNovem zijn actief betrokken bij een aantal mariene/maritieme ERA-netten, waaronder het netwerk
MariFish
(visserijonderzoek).
Thema’s die binnen BONUS-169 relevant zijn en waar Nederlandse onderzoekers ook aan werken zijn bijvoorbeeld eutrofiëring, visserij, mariene biologie in den brede, vervuiling en het transport van slib en zand. Vanuit deze optiek kan een gecoördineerde aanpak op EU-niveau ook voor Nederland voordelen bieden, omdat we kunnen bijdragen, maar ook kennis kunnen halen door middel van een gezamenlijke aanpak. Voor het nationaal en EU-beleid direct relevant zijn bijvoorbeeld enkele grote vraagstukken die rond de implementatie van de Kaderrichtlijn Marien spelen en uitsluitend internationaal opgepakt kunnen worden en coördinatie behoeven. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het vergaren van meer kennis over de effecten en verspreiding van onderwatergeluid en het ontwikkelen van regelgeving op dat gebied. Ook is er behoefte aan meer kennis van de effecten van plaatsing van windmolens en van activiteiten waarbij het bodemleven ernstig verstoord kan worden, zoals zandwinning en bodemvisserij. Nederland zal dan ook BONUS-169, en eventuele nieuwe vergelijkbare initiatieven, gericht op andere gebieden of thema’s, actief blijven volgen. Het financierings- en onderzoeksmodel van BONUS-169 is met name interessant om ook binnen OSPAR-verband te komen tot een minder versnipperde en meer robuuste samenwerking met betrekking tot onderzoek én beheer. De enige kanttekening die Nederland in dat opzicht nog heeft is dat het BONUS-169-initiatief zich uitsluitend richt op gezamenlijke onderzoeksprogrammering, terwijl in het verlengde daarvan ook samenwerking en kennisuitwisseling rond beheersmatige aspecten bijzonder gewenst is.
Het OSPAR-verdrag «inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan» heeft als doel door internationale samenwerking het maritieme milieu in de Noord-Oostelijke Atlantische Oceaan (met inbegrip van de Noordzee) te beschermen.
Nederland vindt verder nog dat een integrale benadering ten aanzien van marien en maritiem onderzoek en ontwikkeling ook onderzoek en bescherming van cultureel erfgoed onder water in zou moeten houden. Nederland
heeft een sterke historische band met de landen rond de Oostzee. In de Oostzee zelf liggen dan ook veel Nederlandse scheepswrakken van uitzonderlijke kwaliteit, die vanwege de informatie die ze bevatten over ons gezamenlijke verleden van onschatbare waarde zijn. Nederland voelt zich verbonden met dit erfgoed en hecht waarde aan het goede beheer daarvan. Nederland is reeds betrokken bij het binnen KP7 gefinancierde project
«Wreckprotect»
, waaraan verder alleen Oostzeelanden deelnemen. Verschillende van deze landen nemen ook deel aan het door Nederland getrokken
Machu
-project. Het in
Culture 2000
-verband ontwikkelde
Machu
GIS-system kan als de informatiedrager voor verder onderzoek en voor bescherming gaan dienen.1
Het project Managing Cultural Heritage Underwater (MACHU) is een internationaal project waarin diverse Europese landen (waaronder veel landen rond de Oostzee) samenwerken om te komen tot een beter inzicht in de rijkdom voor het cultureel erfgoed onder water en de kennis hierover een bredere verspreiding te geven. Een belangrijk middel dat hiertoe bijdraagt is onder andere een speciaal ontworpen Geografisch Informatie Systeem.
