Gewijzigd voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden en tot uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

    lm        NL  

  Brussel, 23.11.2009  COM(2009)648 definitief  2008/0234 (CNS)     Gewijzigd voorstel voor een  BESLUIT VAN DE RAAD  belangen schaden en tot uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken    NL    

A CHTERGROND   Op 10 december 2008 heeft de Commissie een voorstel voor een besluit van de Raad  betreffende  de  ondertekening,  namens  de  Europese  Gemeenschap,  van  de  Samenwerkingsovereenkomst  tussen  de  Europese  Gemeenschap  en  haar  lidstaten,  enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en  andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden, goedgekeurd alsook  een  voorstel  voor  een  besluit  van  de  Raad  betreffende  de  sluiting,  namens  de  Europese  Gemeenschap,  van  de  Samenwerkingsovereenkomst  tussen  de  Europese  Gemeenschap  en  haar  lidstaten,  enerzijds,  en  het  Vorstendom  Liechtenstein,  anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële  belangen schaden 1 .  Dit voorstel werd goedgekeurd na de machtiging van de Raad op 7 november 2006.  D OEL VAN HET GEWIJZIGDE VOORSTEL   Overeenkomstig de conclusies van de ECOFIN-Raad van 10 februari 2009 wordt van  Liechtenstein  verwacht  dat  het  in  de  overeenkomst  met  de  Europese  Unie  op  zijn  minst  verplichtingen  opneemt  die  een  vergelijkbare  reikwijdte  hebben  als  de  verplichtingen waarover het met derde landen tot overeenstemming is gekomen. De  Raad  machtigde  de  Commissie  ook  om  de  tekst  zodanig  te  wijzigen  dat  effectieve  administratieve bijstand en toegang tot informatie met betrekking tot alle vormen van  beleggingen, met name stichtingen en trusts, zouden worden gegarandeerd.  Liechtenstein, daarin gevolgd door andere landen, heeft een officiële verklaring laten  uitgaan, waarin het de OESO-norm voor samenwerking zoals vervat in artikel 26 van  het  modelverdrag  inzake  belasting  naar  inkomen  en  vermogen  van  2005  erkent.  Overeenkomstig de conclusies van de  G20 van 2 april 2009 is het opnemen van de  OESO-normen een logische stap. De conclusies van de Raad moeten derhalve in dat  licht  worden  geïnterpreteerd.  De  toepassing  van  die  norm  mag  niet  beperkt  blijven  tot  gevallen  van  belastingfraude  en  -  ontduiking,  maar  moet  gelden  voor  alle  uitwisselingen van inlichtingen, ook voor samenwerking inzake belastingen.  Daarom heeft de Commissie in 2009 in nauw contact met de Raad, met name via de  werkzaamheden  die  worden  verricht  in  de  Groep  EVA  en  de  Groep  belastingvraagstukken  (directe  belastingen),  met  Liechtenstein  onderhandeld  over  verscheidene kwesties, waaronder:  -  de  algemene  werkingssfeer  van  de  overeenkomst  moet  worden  uitgebreid  zodat  daaronder  ook  samenwerking  inzake  belastingen  overeenkomstig  de  OESO-norm  van artikel 26 valt;  COM(2008) 839 definitief.  NL  2    

  • belastingontwijking, met inbegrip van het niet-indienen van een wettelijk verplichte  belastingaangifte,  moet  onder  deze  regeling  vallen  en  er  moet  worden  verduidelijkt  wat  wordt  bedoeld  met  belastingfraude  en  belastingontwijking,  met  name  om  de  reikwijdte van bijstand betreffende opsporing te bepalen;  -  het  ontwerp  van  herziene  overeenkomst  moet  ook  beter  de  exacte  bewoordingen  van de OESO-norm van artikel 26 weergeven wat de grenzen aan de uitwisseling van  inlichtingen betreft;  -  om  de  volledige  toepassing  van  de  OESO-norm  van  artikel  26  van  het  modelverdrag  te  waarborgen,  lijkt  het  noodzakelijk  om  te  bepalen  over  welke  bevoegdheden de overheid van een aangezochte partner beschikt; de partijen moeten  er  met  name  voor  zorgen  dat  hun  overheden  over  de  bevoegdheid  beschikken  om  inlichtingen  te  verkrijgen  en  te  verstrekken  die  bij  banken,  partnerschappen,  vennootschappen,  trusts  en  stichtingen  berusten,  met  name  over  eigendom  en  begunstigden, teneinde deze inlichtingen op verzoek te verstrekken;  -  de  overeenkomst  moet  worden  herzien  om  het  gemengd  comité  een  aanvullende  taak te geven op het gebied van toezicht en evaluatie;  -  de  vorm  en  de  inhoud  van  verzoeken  om  bijstand  moeten  worden  gespecificeerd  om er een beschrijving in op te nemen van de inhoud van het verzoek om bijstand die  de  bepalingen  weergeeft  waarover  Liechtenstein  recentelijk  met  derde  landen  een  overeenkomst bereikte;  -  de  overeenkomst  moet  snel  kunnen  worden  uitgevoerd  en  voorzien  in  een  gedifferentieerde regeling met de voorlopige toepassing van bepaalde bevoegdheden  van de Unie, namelijk met betrekking tot de traditionele eigen middelen en bepaalde  aspecten van de bepalingen over uitwisseling van inlichtingen.  In  de  context  van  deze  onderhandelingen  heeft  het  Vorstendom  Liechtenstein  voornamelijk de volgende kwesties ter sprake gebracht:  ·   de  context  van  de  overeenkomst  wordt  voor  Liechtenstein  gekenmerkt  door  zijn  lidmaatschap van de EER en daarom ook door zijn deelname aan de vrijheden van  de interne markt en door de door hem ondertekende overeenkomsten betreffende  deelname aan het Schengenacquis en het Dublinacquis;  ·   gelijke  behandeling  en  non-discriminatie  zijn  grondbeginselen  en  moeten  als  zodanig door alle lidstaten worden toegepast in hun relaties met Liechtenstein; het  is  ook  een  doelstelling  voor  Liechtenstein  om  gelijke  behandeling  en  non discriminatie  te  bereiken  ten  aanzien  van  de  andere  Europese  landen  en  de  verplichtingen  tot  uitwisseling  van  inlichtingen  in  belastingzaken  krachtens  deze  overeenkomst;  NL  3    

belastingzaken  te  sluiten.  Met  sommige  lidstaten  werden  reeds  dergelijke  overeenkomsten gesloten.  De  Commissie  heeft  over  haar  onderhandelingen  met  Liechtenstein  regelmatig  voortgangsverslagen opgesteld voor de Raad .  Op  9  juni  2009  heeft  de  Raad  er  onder  verwijzing  naar  de  conclusies  van  de  Raad  van  10 februari 2009  bij  de  Commissie  op  aangedrongen  snel  het  onderhandelingsresultaat  over  de  overeenkomt  inzake  fraudebestrijding  met  Liechtenstein  te  presenteren  en  er  nota  van  genomen  dat  de  Commissie  onderhandelingsrichtsnoeren  zal  voorleggen  voor  overeenkomsten  inzake  fraudebestrijding met Monaco, Andorra, San Marino en Zwitserland.  De  discussies  in  de  werkgroepen  van  de  Raad  (Groep  EVA  en  Groep  belastingvraagstukken - directe belastingen) hebben bijgedragen tot het opstellen van  een  informeel  herzien  ontwerp;  de  Commissie  heeft  zoveel  mogelijk  de  verzoeken  van de lidstaten in de tekst opgenomen en rekening gehouden met de bezwaren van  de  lidstaten.  Dit  ontwerp  werd  op  8  en  14  oktober  2009  voor  bespreking  aan  het  COROPER voorgelegd.  Op  de  ECOFIN-Raad  van  20 oktober  besloot  de  Raad  dat  hij  deze  kwestie  in  december opnieuw zou behandelen.  In  het  gewijzigde  voorstel  wordt  met  deze  recente  ontwikkelingen  rekening  gehouden.  Bovendien  wordt  daarin  ook  rekening  gehouden  met  de  nieuwe  bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name  wat de rechtsgrondslagen betreft.  Deze  overeenkomst  moet  als  model  dienen  voor  onderhandelingen  over  fraudebestrijdingsovereenkomsten met derde landen.   W IJZIGINGEN   ·   Opschrift van de overeenkomst en artikel 1 - "Voorwerp"  Het opschrift en dit artikel zijn gewijzigd om het voorwerp van de overeenkomst uit  te breiden (waaronder ook bijstand in de vorm van uitwisseling van inlichtingen valt  die  normaliter  van  belang  zijn  voor  de  vaststelling,  heffing,  invordering  en  inning  van belastingen).  ·   Artikel 2 ­ "Werkingssfeer"  Dit artikel is gewijzigd  om de werkingssfeer van deze overeenkomst uit te breiden.  Daartoe  werd  artikel 2,  lid 1,  punt c),  toegevoegd  om  rekening  te  houden  met  de  conclusies van de Raad van 10 februari 2009 en de verbintenis van Liechtenstein van  12 maart  2009  om  de  OESO-norm  voor  de  uitwisseling  van  inlichtingen  over  te  nemen  (artikel 26  van  het  modelverdrag  inzake  belasting  naar  inkomen  en  vermogen).  NL  4    

In  artikel  2,  lid 4,  punt e),  werd  een  nieuwe  definitie  van  directe  belastingen  opgenomen; deze definitie is in overeenstemming met de definitie van artikel 3 van  de OESO-modelovereenkomst betreffende de uitwisseling van belastinggegevens.  Artikel 2,  lid 4,  punt b),  en  artikel 2,  lid  4,  punt d),  zijn  gewijzigd  zodat  ook  het  achterwege  laten  van  correcte  aangiften  en  het  ontduiken  van  douanerechten  en  indirecte  belastingen  eronder  vallen  overeenkomstig  de  definitie  in  artikel 2,  lid 4,  punt  f),  betreffende  gedragingen  die  strijdig  zijn  met  de  wetgeving  inzake  directe  belastingen.  In  artikel 2,  lid 4,  onder  g)  is  een  aanvullende  definitie  van  het  begrip  "personen"  opgenomen.  Onder  deze  definitie  valt  ook  de  definitie  die  het  Zweedse  voorzitterschap  heeft  voorgesteld  in  het  compromis  voor  de  ontwerp-richtlijn  betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen.  In  artikel 2  werd  ook  een  nieuw  lid 5  opgenomen  om  te  preciseren  dat  inlichtingen  worden  uitgewisseld  ongeacht  de  vraag  of  de  persoon  op  wie  de  inlichtingen  betrekking  hebben,  of  bij  wie  de  inlichtingen  berusten,  zijn  woonplaats  op  het  grondgebied van een partij heeft en om te preciseren wat onder de autoriteiten van de  partijen  moet  worden  verstaan.  Dit  is  in  overeenstemming  met  artikel 2  van  de  OESO-modelovereenkomst  betreffende  de  uitwisseling  van  belastinggegevens  en  met  de  verplichtingen  waarover  Liechtenstein  en  de  Verenigde  Staten  overeenstemming hebben bereikt (artikel 2 van de overeenkomst VS/Liechtenstein 2 ).  Ten  slotte  is  voorzien  in  de  niet-nakoming  van  een  wettelijke  verplichting  om  een  belastingaangifte in te dienen (artikel 2, lid 4, punt f), onder vi).  ·   Artikel 3 - "Minder belangrijke gevallen"  Dit  artikel  werd  gewijzigd  om  de  drempel  te  schrappen  met  betrekking  tot  de  uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken.   ·   Artikel 4 - "Openbare orde"  Dit  artikel  is  niet  gewijzigd.  Er  zij  echter  op  gewezen  dat  deze  bepaling  zeer  restrictief  moet  worden  geïnterpreteerd  om  wezenlijke  belangen  van  een  partij  te  vrijwaren.  Het  mag  niet  zodanig  worden  geïnterpreteerd  dat  daardoor  de  goede  werking van de overeenkomst kan worden verhinderd.  ·   Artikel 5 - "Verstrekken van inlichtingen en bewijzen"  Artikel 5, lid 2, punt b), is gewijzigd om de verwijzing naar artikel 2, lid 1, punt c),  toe te voegen.  Overeenkomst  tussen  de  regering  van  de  Verenigde  Staten  van  Amerika  en  de  regering  van  het  Vorstendom  Liechtenstein  over  samenwerking  inzake  belastingen  en  de  uitwisseling  van  belastinggegevens.  NL  5    

Dit  artikel  is  niet  gewijzigd.  Deze  bepaling  moet  worden  gelezen  in  het  licht  van  artikel 21 betreffende het gebruik van inlichtingen.  ·   Artikel 7 - "Verhouding tot andere overeenkomsten"  Dit  artikel  is  gewijzigd  om  duidelijk  te  maken  dat  de  overeenkomst  moet  worden  uitgelegd als houdende minimumregels en dat bilaterale overeenkomsten (maar ook  regelingen)  verder  mogen  gaan  dan  dit  minimum  voor  zover  deze  verdergaande  samenwerking tot gevolg hebben op het gebied van administratieve bijstand.  ·   Artikel 8 ­ "Omvang van de administratieve bijstand"  Dit  artikel  is  gewijzigd  om  expliciet  de  administratieve  samenwerking  via  de  uitwisseling van inlichtingen op het  gebied van  de onder de overeenkomst vallende  belastingen te vermelden.  ·   Artikel 9 - "Verjaring"  De  laatste  zin  werd  toegevoegd  om  te  preciseren  dat  het  verstrijken  van  een  verjaringstermijn  voor  belastingen  in  de  aangezochte  partij  niet  belet  dat  de  aangezochte  partij  gevraagde  inlichtingen  verkrijgt  of  verstrekt.  Dit  is  in  overeenstemming  met  de  verplichtingen  waarover  Liechtenstein  en  de  Verenigde  Staten  overeenstemming  hebben  bereikt  (artikel 7,  lid  5,  van  de  overeenkomst  VS/Liechtenstein).  ·   Artikel 10 - "Bevoegdheden"  Overeenkomstig  de  conclusies  van  de  Raad  van  februari  2009  werd  dit  artikel  herzien om dezelfde soort verplichtingen te omvatten als die waarover Liechtenstein  en de Verenigde Staten overeenstemming hebben bereikt (artikel 5, lid 6) en om het  in  overeenstemming  te  brengen  met  de  OESO-modelovereenkomst  van  2002  betreffende de uitwisseling van belastinggegevens.  Er  werden  twee  voetnoten  toegevoegd  om  aan  te  geven  dat  inrichtingen  en  stichtingen in het Duits vertaald worden als "Anstalten" en "Stiftungen".  Er  wordt  een  link  gelegd  met  de  nieuwe  definitie  van  het  begrip  "personen"  in  artikel 2, lid 4, punt g).  ·   Artikel 11 - "Grenzen aan de uitwisseling van inlichtingen"  Dit  artikel  is  gewijzigd  om  ten  volle  rekening  te  houden  met  de  OESO-norm  van  artikel 26  (lid 2).  Het  is  ook  gewijzigd  om  te  specificeren  dat  een  verzoek  om  inlichtingen niet mag worden afgewezen op grond van het feit dat de aan het verzoek  ten  grondslag  liggende  belastingschuld  door  de  belastingplichtige  wordt  aangevochten  (nieuw  lid 3)  overeenkomstig  de  verplichtingen  waarover  Liechtenstein en de Verenigde Staten overeenstemming hebben bereikt (artikel 7, lid  3, van de overeenkomst VS/Liechtenstein).  NL  6    

Het  eerste  lid  is  vervangen  door  een  nieuwe  bepaling  betreffende  de  kosten,  die  in  overeenstemming  is  met  de  OESO-modelovereenkomst  van  2002  betreffende  de  uitwisseling  van  belastinggegevens  (artikel 9,  dat  bepaalt:  "Over  de  toewijzing  van  de  kosten  van  het  verlenen  van  bijstand  wordt  door  de  overeenkomstsluitende  partijen overeenstemming bereikt", en het commentaar daarbij).  In  het  tweede  lid  betreffende  de  verplichting  om  eerst  de  gebruikelijke  bronnen  te  benutten, werd een uitzondering toegevoegd voor het geval waarin het benutten van  die middelen onevenredige problemen zou veroorzaken.  ·   Artikel 14 - "Verzoek om inlichtingen"  De  nieuwe  bewoordingen  van  dit  artikel  zijn  in  overeenstemming  met  de  verplichtingen waarover Liechtenstein het met de Verenigde Staten eens is geworden  (artikel 5 van de overeenkomst VS/Liechtenstein) waarvoor is teruggegrepen naar de  OESO-modelovereenkomst  van  2002  betreffende  de  uitwisseling  van  belastinggegevens.  ·   Artikel 18 bis - "Aanwezigheid van gemachtigde ambtenaren van de autoriteit van  de verzoekende partij met betrekking tot belastingsamenwerking"  Deze  nieuwe  bepalingen  betreffende  samenwerking  in  belastingzaken  zijn  toegevoegd als gevolg van de uitbreiding van de werkingssfeer van de overeenkomst  (nieuw artikel 2, lid 1, punt c)). Dit ligt in de lijn van de OESO-modelovereenkomst  van  2002  betreffende  de  uitwisseling  van  belastinggegevens  (artikel 6  en  commentaar,  met  name  de  paragrafen  66  tot  70)  en  voor  deze  bepaling  werd  teruggegrepen naar de verplichtingen waarover Liechtenstein en de Verenigde Staten  overeenstemming hebben bereikt (artikel 6 van de overeenkomst VS/Liechtenstein).  ·   Artikel 20 bis ­ "Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand in belastingzaken"  Overeenkomstig  de  conclusies  van  de  Raad  van  februari  2009  werd  dit  artikel  herzien om dezelfde soort verplichtingen te omvatten als die waarover Liechtenstein  en  de  Verenigde  Staten  overeenstemming  hebben  bereikt  (artikel 5,  lid 2,  van  de  overeenkomst VS/Liechtenstein).  Dit  artikel  moet  worden  geïnterpreteerd  in  het  licht  van  de  gemeenschappelijke  verklaring  over  deze  bepaling,  met  name  wanneer  de  identiteit  van  de  rekeninghouder onbekend is.  ·   Artikel 21 - "Gebruik van informatie"  Dit  artikel  is  niet  gewijzigd.  Er  zij  echter  opgemerkt  dat  onder  de  in  dit  artikel  bedoelde  gerechtelijke  procedures  zowel  civiele  als  strafrechtelijke  procedures  worden bedoeld.  ·   Artikel 24 - "Invordering"  NL  7    

·   Artikel 25 - "Verhouding tot andere overeenkomsten"  Zoals  uiteengezet  onder  artikel  7  wordt  ook  dit  artikel  gewijzigd  om  aanvullend  duidelijk  te  maken  dat  de  bepalingen  van  titel III  uitgebreidere  samenwerking  op  grond van andere instrumenten, met name bilaterale overeenkomsten, niet in de weg  staan.  ·   Artikel 31 - "Huiszoekingen en inbeslagneming van voorwerpen"  Dit  artikel  is  niet  gewijzigd.  Er  zij  echter  opgemerkt  dat  de  lijst  met  voorwaarden  voor de inwilligbaarheid van verzoeken waarin dit artikel voorziet, exhaustief is.  ·   Artikel 32 - "Verzoek om financiële en bankgegevens"  Artikel 32, lid 5, werd  geherformuleerd om beter de  OESO-norm  weer te geven.  In  dit lid wordt onder "partij" aangezochte partij verstaan.  Naast de in de toelichting bij de oorspronkelijke voorstellen van 10 december 2008  gegeven  uitleg,  moet  ook  worden  opgemerkt  dat  de  beperkingen  van  het  afwijzen  van  een  verzoek  om  inlichtingen  niet  verschillend  mogen  zijn  voor  administratieve  bijstand en voor wederzijdse rechtshulp.  ·   Artikel 33 - "Gecontroleerde aflevering"  Dit  artikel  is  niet  gewijzigd.  Er  zij  echter  opgemerkt  dat  deze  bepaling  in  het  licht  van artikel 8, lid 2, moet worden gelezen.  ·   Artikel 38 - "Gemengd comité"  Artikel 38, leden 1 en 2, zijn licht gewijzigd, met name om te verduidelijken dat de  besluiten,  die  met  eenparigheid  van  stemmen  moeten  worden  genomen,  niet  alleen  besluiten  zijn  waarin  een  ander  artikel  van  de  overeenkomst  voorziet,  maar  ook  besluiten  die  praktische  regelingen  voor  de  toepassing  van  de  overeenkomst  behelzen.  In artikel 38, lid 2, wordt gespecificeerd wat met "alle partijen" wordt bedoeld.  ·   Artikel 41 - "Inwerkingtreding"  Gelet  op  het  precedent  met  de  Zwitserse  Bondsstaat  is  een  bepaling  toegevoegd  waardoor  een  aantal  specifieke  bepalingen  van  de  overeenkomst  (titel I  en  titel  II  voor  zover  zij  betrekking  hebben  op  uitwisseling  van  inlichtingen  en  wederzijdse  rechtshulp  met  betrekking  tot  fraude  en  andere  illegale  activiteiten  ter  zake  van  de  traditionele eigen middelen en de communautaire fondsen) van toepassing zijn zodra  de  partijen  de  overeenkomst  hebben  ondertekend  en  het  Vorstendom  Liechtenstein  kennis heeft gegeven van zijn ratificatie-instrument.  De rechtsorde van de Unie staat een dergelijke voorlopige toepassing toe.  NL  8    

3  (dit begrip omvat de lijst in artikel 2, lid 1, punt a), maar niet de  btw).  ·   Artikel 43 - "Temporele werkingssfeer"  Dit artikel is gewijzigd om de regels inzake de temporele toepassing te specificeren  in verband met de bijstand in de vorm van uitwisseling van inlichtingen met het oog  op de vaststelling, heffing, invordering en inning van directe en indirecte belastingen  (nieuw artikel 2, lid 1, punt c)).  Voor  de  bewoordingen  van  artikel 43,  punt  c),  is  teruggegrepen  naar  artikel 15  van  de  OESO-modelovereenkomst  van  2002  betreffende  de  uitwisseling  van  belastinggegevens.  Deze  nieuwe  bepaling  heeft  tot  doel  een  tijdelijke  toepassingsregeling  vast  te  stellen  die  verenigbaar  is  met  de  behoefte  aan  een  voorspelbaar  rechtskader  voor  bestaande  klantenrelaties.  Mocht  de  overeenkomst  vóór eind 2009 worden ondertekend, dan zou 2010 het eerste betrokken belastingjaar  zijn  en  zou  de  eerste  op  dat  specifieke  belastingjaar  gebaseerde  uitwisseling  van  inlichtingen in 2011 worden verricht.  C ONCLUSIE   De Commissie wijzigt haar voorstel als volgt:  PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.   NL  9    

Gewijzigd voorstel voor een  BESLUIT VAN DE RAAD  belangen schaden en tot uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken  4 ,  5 ,   Op 7 november 2006 heeft de Raad de Commissie gemachtigd te onderhandelen met  het  Vorstendom  Liechtenstein  over  een  overeenkomst  ter  bestrijding  van  fraude  en  andere  illegale  activiteiten  die  hun  financiële  belangen  schaden,  met  inbegrip  van  de  middelen en uitgaven, en in het bijzonder subsidies en belastingen, en op 10 februari  2009  heeft  hij  gevraagd  de  tekst  zodanig  te  wijzigen  dat  effectieve  administratieve  bijstand  en  toegang  tot  informatie  met  betrekking  tot  alle  vormen  van  beleggingen,  met name stichtingen en trusts, zouden worden gegarandeerd.  Overeenkomstig  Besluit  [.../...]/  van  de  Raad  van  ,  en  onder  voorbehoud  van  de  sluiting  op  een  latere  datum,  werd  de  overeenkomst  op  namens  de  Europese  Unie  ondertekend.  Overeenkomstig  artikel 17,  lid 1,  van  het  Verdrag  betreffende  de  Europese  Unie  vertegenwoordigt de Commissie de Unie in het bij deze samenwerkingsovereenkomst  ingestelde  gemengd  comité.  De  standpunten  die  namens  de  Unie  moeten  worden  ingenomen  wanneer  het  gemengd  comité  wordt  verzocht  handelingen  met  rechtsgevolgen  vast  te  stellen,  worden  vastgesteld  overeenkomstig  artikel 218,  lid 9,  van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.  Deze Overeenkomst dient te worden goedgekeurd,  PB C [...] van [...], blz. [...].  PB C [...] van [...], blz. [...].  NL  10    

Artikel 1    Artikel 2  6 .  Artikel 3  Voor de Raad  De voorzitter  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt door het Secretariaat-generaal van de Raad  in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.  NL  11    

Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het  die hun financiële belangen schaden en tot uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken  NL  12    

NL  13    

Artikel 1 - Voorwerp  Artikel 2 ­ Werkingssfeer  Deze overeenkomst is van toepassing op:  (a)  het  administratief-  en  strafrechtelijk  voorkomen,  opsporen,  onderzoeken, vervolgen en bestraffen van fraude en andere illegale activiteiten  die de respectieve financiële belangen van de partijen schaden, met betrekking  tot:  ­  goederenhandel die in strijd is met de douane- en landbouwwetgeving;  ­  handel die in strijd is met de wetgeving inzake indirecte belastingen als  omschreven in lid 4, punt c);  ­  het  ontvangen  of  achterhouden  van  middelen  ­  met  inbegrip  van  het  gebruik  van  deze  middelen  voor  andere  doelen  dan  die  waarvoor  zij  oorspronkelijk werden toegekend ­ afkomstig van de begroting van de  partijen  of  van  door  of  namens  hen  beheerde  begrotingen,  zoals  subsidies en restituties;  ­  procedures voor de gunning van opdrachten door de partijen;  (b)  het  administratief-  en  strafrechtelijk  voorkomen,  opsporen,  onderzoeken,  vervolgen  en  bestraffen  van  illegale  activiteiten  die  de  respectieve  financiële  belangen  van  de  lidstaten  van  de  Europese  Unie  en  het  Vorstendom  Liechtenstein  schaden  door  gedragingen  die  strijdig  zijn  met  de  wetgeving inzake directe belastingen;  (c)  het  verlenen  van  administratieve  samenwerking  door  uitwisseling  van  inlichtingen  die  normaliter  van  belang  zijn  voor  de  administratie  en  de  handhaving  van  het  nationale  recht  van  de  lidstaten  betreffende  directe  en  indirecte  belastingen,  daaronder  begrepen  inlichtingen  betreffende  de  vaststelling, heffing, invordering en inning van belastingen ten aanzien van aan  die belastingen onderworpen personen alsook betreffende de terugvordering en  tenuitvoerlegging  van  uit  belastingen  voortvloeiende  schuldvorderingen  en  opsporing en vervolging dienaangaande;  NL  14    

Samenwerking  in  de  zin  van  de  titel II  (administratieve  bijstand)  en  titel III  (wederzijdse  rechtshulp)  kan  niet  worden  geweigerd  op  de  enkele  grond  dat  het  verzoek  betrekking  heeft  op  een  delict  dat  door  de  aangezochte  partij  als  fiscaal  delict wordt aangemerkt, of dat de wetgeving van de aangezochte partij niet dezelfde  soort  belastingen,  rechten,  heffingen,  uitgaven,  subsidies  of  restituties  kent  of  niet  dezelfde  soort  voorschriften  of  dezelfde  juridische  kwalificatie  van  de  feiten  bevat  als de wetgeving van de verzoekende partij.  De  werkingssfeer  van  deze  overeenkomst  strekt  zich  uit  tot  het  witwassen  van  de  opbrengsten van onder lid 1, punt a), vallende activiteiten, mits het witwassen onder  de  werkingssfeer  valt  van  Richtlijn  2005/60/EG,  als  opgenomen  in  de  EER Overeenkomst  bij  Besluit  nr. 87/2006  van  7 juli 2006  tot  wijziging  van  bijlage IX  (Financiële diensten) bij de EER-Overeenkomst, of de activiteiten die het basisdelict  vormen naar het recht van zowel de verzoekende als de aangezochte partij strafbaar  zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel  met een maximum van ten minste zes maanden.  Voor de toepassing van deze overeenkomst geldt het volgende:  (a)  "fraude  en  andere  illegale  activiteiten"  als  bedoeld  in  lid  1,  punt a),  omvatten  tevens  smokkel,  corruptie  en  het  witwassen  van  de  opbrengsten  van  de  onder  lid 1, punt a), vallende activiteiten, onder voorbehoud van lid 3;  (b)  bij "goederenhandel die in strijd is met de douane- en landbouwwetgeving" als  bedoeld in lid 1, punt a), speelt het geen rol of de goederen al dan niet langs het  grondgebied  van  de  andere  overeenkomstsluitende  partij  gaan  (vertrek,  bestemming of doorvoer); er wordt mede onder verstaan het achterwege laten  van correcte aangiften en het ontduiken van douanerechten door het opzettelijk  gebruik  van  valse,  vervalste  of  onjuiste  documenten,  onvolledige  belastingaangiften  ingediend  door  natuurlijke  personen  of  rechtspersonen  en  incorrecte zakelijke bescheiden;  (c)  "indirecte belastingen" als bedoeld in lid 1, punten a) en c), zijn op te vatten als  alle soorten indirecte belastingen op het tijdstip van ondertekening, waaronder  douanerechten,  belasting  over  de  toegevoegde  waarde,  bijzondere  verbruiksbelastingen  en  accijnzen;  de  overeenkomst  is  ook  van  toepassing  op  alle  gelijke  of  in  wezen  gelijksoortige  belastingen  die  na  de  datum  van  ondertekening  van  de  overeenkomst  naast  of  in  de  plaats  van  de  bestaande  belastingen worden geheven;  (d)  bij  "handel  die  in  strijd  is  met  de  wetgeving  inzake  indirecte  belastingen"  als  bedoeld in lid 1, punt a), speelt het geen rol of de goederen al dan niet langs het  grondgebied  van  de  andere  overeenkomstsluitende  partij  gaan  (vertrek,  bestemming of doorvoer); er wordt mede onder verstaan het achterwege laten  van correcte aangiften en het ontduiken van douanerechten door het opzettelijk  gebruik  van  valse,  vervalste  of  onjuiste  documenten,  onvolledige  NL  15    

(e)  onder "directe belastingen" als bedoeld in lid 1, punten b) en c), wordt verstaan  alle  soorten  directe  belastingen  op  het  tijdstip  van  ondertekening,  waaronder  belastingen  op  inkomsten,  winst  en  vermogen,  alsmede  belastingen  op  nettovermogen, successies en schenkingen die door of namens de partijen of de  territoriale  of  bestuurlijke  onderdelen  of  de  lokale  autoriteiten  van  de  partijen  worden  geheven,  ongeacht  de  wijze  van  heffing;  de  overeenkomst  is  ook  van  toepassing  op  alle  gelijke  of  in  wezen  gelijksoortige  belastingen  die  na  de  datum  van  ondertekening  van  de  overeenkomst  naast  of  in  de  plaats  van  de  bestaande belastingen worden geheven;  (f)  onder  "gedragingen  die  strijdig  zijn  met  de  wetgeving  inzake  directe  belastingen"  als  bedoeld  in  lid  1,  punt b),  wordt  verstaan  het  ontduiken  van  directe belastingen door het opzettelijk gebruik van valse, vervalste of onjuiste  documenten,  met  inbegrip  van  onvolledige  belastingaangiften  ingediend  door  personen en incorrecte zakelijke bescheiden. De volgende activiteiten vormen,  indien  opzettelijk  begaan,  "gedragingen  die  strijdig  zijn  met  de  wetgeving  inzake directe belastingen":  (i)  het  opstellen,  laten  opstellen,  ondertekenen  of  indienen  van  een  document dat:  ­  van rechtswege ingediend moet worden om de hoogte van het  belastbaar  inkomen  te  staven  tegenover  de  belastingautoriteiten,  ­  dient als basis ter vaststelling van de belastingaanslag, en  ­  een  element  dat  nodig  is  ter  vaststelling  van  een  dergelijke  aanslag, foutief weergeeft;  (ii)  het voeren van een dubbele boekhouding;  (iii)  het  registreren  van  valse  boekingen  of  wijzigingen,  of  het  opstellen  van  valse facturen of documenten;  (iv)  het vernietigen van boeken of bescheiden;  (v)  het verbergen van activa of het verhullen van bronnen van inkomsten met  valse,  vervalste  of  onjuiste  documenten,  met  inbegrip  van  onvolledige  belastingaangiften  ingediend  door  personen  en  incorrecte  zakelijke  bescheiden;  (vi)  het  niet  nakomen  van  een  wettelijke  verplichting  tot  indiening  van  een  belastingaangifte;  (g)  onder  "personen"  wordt  verstaan  natuurlijke  en  rechtspersonen  of,  indien  de  geldende wetgeving in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen  die  bevoegd  is  rechtshandelingen  te  verrichten  maar  niet  de  wettelijke  status  van rechtspersoon bezit, of een andere juridische constructie, ongeacht de aard  NL  16    

Inlichtingen  worden  op  grond  van  deze  overeenkomst  door  de  bevoegde  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  uitgewisseld  ongeacht  de  vraag  of  de  persoon  op  wie  de  inlichtingen betrekking hebben, of bij wie de inlichtingen berusten, zijn woonplaats  op  het  grondgebied  van  een  partij  heeft.  Een  aangezochte  partij  is  evenwel  niet  gehouden tot het verstrekken van inlichtingen die niet berusten bij haar  autoriteiten  (op  te  vatten  als  alle  overheidsdiensten,  territoriale  of  bestuurlijke  onderdelen  en  lokale  autoriteiten),  noch  in  het  bezit  of  het  beheer  zijn  van  personen  in  het  rechtsgebied van deze partij.  Artikel 3  Minder belangrijke gevallen  De  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  kan  een  verzoek  om  samenwerking,  uitgezonderd  een  verzoek  betreffende  uitwisseling  van  inlichtingen  in  belastingzaken,  afwijzen  indien  het  vermoedelijke  bedrag  aan  te  weinig  betaalde  of  ontdoken belastingen of rechten, of aan misbruikte subsidie of restitutie, niet hoger is  dan 25 000 EUR, of, met betrekking tot artikel 2, lid 1, punt d) juncto punt a), indien  de vermoedelijke waarde van de op onregelmatige wijze in- of uitgevoerde goederen  niet  hoger  is  dan  100 000 EUR.  Het  bovenbedoelde  minimumbedrag  aan  te  weinig  betaalde  belastingen  of  rechten,  of  aan  misbruikte  subsidie  of  restitutie,  of  de  minimumwaarde  van  de  bovenbedoelde  goederen  kan  samengesteld  zijn  uit  onderling  samenhangende  verrichtingen  waarvan  het  belastbare  feit  langere  tijd  in  beslag neemt en waarvan de financiële impact de drempel overschrijdt, hoewel iedere  afzonderlijk  beschouwde  verrichting  onder  de  drempel  blijft.  De  drempels  zijn  niet  van  toepassing  indien  de  verzoekende  partij  de  zaak  op  grond  van  de  omstandigheden of de identiteit van de verdachte als uiterst ernstig beschouwt.  De  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  stelt  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  onverwijld  in  kennis  van  de  redenen  waarom  het  verzoek  om  samenwerking  wordt  afgewezen.  Artikel 4  Openbare orde      Artikel 5  Verstrekken van inlichtingen en bewijzen  De  in  enigerlei  vorm  uit  hoofde  van  deze  overeenkomst  verstrekte  of  verkregen  inlichtingen  en  bewijzen  vallen  onder  de  geheimhoudingsplicht  en  genieten  de  bescherming  waarin  voor  soortgelijke  gegevens  wordt  voorzien  bij  de  nationale  wetgeving van de ontvangende partij en bij de overeenkomstige bepalingen die voor  de communautaire instellingen gelden.  NL  17    

De  door  de  verzoekende  partij  krachtens  deze  overeenkomst  verkregen  inlichtingen  en bewijzen kunnen worden doorgegeven aan iedere partij die een onderzoek instelt  waarvoor  samenwerking  niet  is  uitgesloten  of  indien  er  concrete  aanwijzingen  zijn  dat deze partij een dergelijk onderzoek nuttig zou kunnen instellen.  (a)  Wat betreft bijstand voor activiteiten vallende onder artikel 2, lid 1, punt a), en  punt d)  juncto  punt a),  deelt  de  verzoekende  partij  de  aangezochte  partij  mee  aan  welke  andere  partij  bij  deze  overeenkomst  en  met  welk  doeleinde  deze  gegevens worden doorgegeven.  (b)  Wat betreft bijstand met betrekking tot activiteiten vallende onder artikel 2, lid  1, punt b), en punt d) juncto punt b), kan de verzoekende partij inlichtingen en  bewijzen  doorgeven  aan  een  andere  partij  bij  deze  overeenkomst,  tenzij  de  aangezochte  partij  bij  het  verstrekken  van  de  inlichtingen  hier  uitdrukkelijk  bezwaar tegen maakt, en wat betreft de administratieve samenwerking vallende  onder  artikel 2,  lid 1,  punt c),  uitsluitend  indien  de  aangezochte  partij  die  de  inlichten heeft verstrekt, hiermee instemt.  Er  kunnen  geen  inlichtingen  en  bewijzen  worden  doorgegeven  voor  andere  doeleinden dan de doeleinden van deze overeenkomst.  Tegen het doorgeven van inlichtingen en bewijzen uit hoofde van deze overeenkomst  aan een of meer andere partijen kan geen beroep worden ingesteld in de aanvankelijk  aangezochte partij.  Elke  partij  waaraan  overeenkomstig  lid 2  inlichtingen  of  bewijzen  worden  doorgegeven, neemt de beperkingen in acht die de aangezochte partij met betrekking  tot  het  gebruik  van  de  inlichtingen  oplegt  aan  de  partij  die  aanvankelijk  om  verstrekking heeft verzocht.  Een partij kan krachtens deze overeenkomst verkregen inlichtingen en bewijzen niet  doorgeven aan een derde staat zonder de toestemming van de partij die de gegevens  en bewijzen aanvankelijk heeft verstrekt.  Artikel 6  Geheimhouding  NL  18    

Titel II  ADMINISTRATIEVE BIJSTAND  Hoofdstuk 1  Algemene bepalingen  Artikel 7  Verhouding tot andere overeenkomsten  (a)  wat betreft bijstand voor activiteiten vallende onder artikel 2, lid 1, punt a), en  punt c)  en punt d)  juncto  punt a),  de  bepalingen  die  gelden  voor  wederzijdse  rechtshulp  in  strafzaken,  of  de  bepalingen  van  tussen  de  partijen  gesloten  of  nog  te  sluiten  bilaterale  of  multilaterale  samenwerkingsovereenkomsten,  voor  zover  die  voorzien  in  uitgebreidere  samenwerking  op  het  gebied  van  administratieve bijstand dan de bij deze overeenkomst beoogde samenwerking  die minimumregels voor de uitwisseling van inlichtingen en bijstand tussen alle  partijen  behelst,  in  het  bijzonder  protocol 11  bij  de  EER-Overeenkomst,  over  wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, en  (b)  wat betreft bijstand voor activiteiten vallende onder artikel 2, lid 1, punt b), en  punt c)  en punt d)  juncto  punt b),  de  bepalingen  die  gelden  voor  wederzijdse  rechtshulp  in  strafzaken,  of  de  bepalingen  van  tussen  de  partijen  gesloten  of  nog  te  sluiten  bilaterale  of  multilaterale  samenwerkingsovereenkomsten,  voor  zover  die  voorzien  in  uitgebreidere  samenwerking  op  het  gebied  van  administratieve bijstand dan de bij deze overeenkomst beoogde samenwerking  die minimumregels voor de uitwisseling van inlichtingen en bijstand tussen alle  partijen  behelst,  in  het  bijzonder  de  Overeenkomst  tussen  de  Europese  Gemeenschap  en  het  Vorstendom  Liechtenstein  waarbij  wordt  voorzien  in  maatregelen  van  gelijke  strekking  als  die  welke  zijn  vervat  in  Richtlijn  2003/48/EG  van  de  Raad  betreffende  belastingheffing  op  inkomsten  uit  spaargelden in de vorm van rentebetaling 7 .   Artikel 8  Omvang van de administratieve bijstand  De  partijen  verlenen  elkaar  wederzijdse  bijstand  om  de  onder  deze  overeenkomst  vallende fraude en illegale activiteiten te bestrijden en administratieve samenwerking  te  verlenen  door  tussen  de  partijen  inlichtingen  uit  te  wisselen  die  normaliter  van  belang  zijn  voor  de  vaststelling,  heffing,  invordering  en  inning  van  de  onder  deze  overeenkomst  vallende  belastingen,  in  het  bijzonder  door  het  voorkomen  en  opsporen van verrichtingen en andere handelingen en nalatigheden die in strijd zijn  met de relevante wetgeving en het instellen van onderzoek dienaangaande.  PB L 379 van 24.12.2004, blz. 84.   NL  19    

Indien  een  strafrechtelijk  onderzoek  wordt  verricht  door  of  onder  leiding  van  een  gerechtelijke autoriteit, bepaalt deze autoriteit of daarmee samenhangende verzoeken  om wederzijdse bijstand of samenwerking in verband daarmee ingediend worden op  grond  van  de  toepasselijke  bepalingen  betreffende  wederzijdse  rechtshulp  in  strafzaken dan wel op grond van deze titel.  Artikel 9  Verjaring  Artikel 10  Bevoegdheden  Onverminderd lid 2 passen de autoriteiten van de partijen de bepalingen van deze titel  Voor de toepassing van artikel 14 garandeert elke partij dat zij gemachtigd is om via  a)  inlichtingen  die  bij  een  bank,  een  andere  financiële  instelling  of  een  als  b)  inlichtingen  betreffende  de  juridische  en  economische  eigendom  van  8 ,  inlichtingen  c) in het geval van partnerschappen, inlichtingen betreffende de identiteit van de leden  De interpretatie van de term  "inrichting" en van de corresponderende termen in alle authentieke talen  van deze overeenkomst is gebaseerd op de interpretatie van de term "Anstalt" in de Duitse versie van de  overeenkomst.  NL  20    

  • e) 
    in het geval van stichtingen 9 , inlichtingen betreffende de stichters, de leden van de  f) inlichtingen betreffende een persoon als omschreven in artikel 2, lid 4, punt g).  Artikel 11  Grenzen aan de uitwisseling van inlichtingen  Onverminderd  artikel 10,  lid 2,  behelst  administratieve  bijstand  voor  activiteiten  vallende  onder  artikel  2,  lid  1,  punten b)  en c),  voor  een  aangezochte  partij  geen  verplichting  tot  het  verrichten  van  onderzoekshandelingen  of  het  verstrekken  van  inlichtingen,  indien  het  verrichten  van  die  onderzoekshandelingen  of  het  vergaren  van  de  gevraagde  inlichtingen  strijdig  zou  zijn  met  de  wetgeving  of  met  de  administratieve  praktijken  van  de  bevoegde  administratieve  autoriteiten  van  die  partij. Bij dergelijke bijstand kan het verstrekken van inlichtingen worden geweigerd  indien  dit  zou  leiden  tot  onthulling  van  een  commercieel,  industrieel  of  beroepsgeheim  of  van  een  handelswerkwijze  of  van  inlichtingen  waarvan  de  onthulling strijdig zou zijn met artikel 4; de bevoegde autoriteit van een partij kan het  verstrekken  van  inlichtingen  ook  weigeren  wanneer  de  verzoekende  lidstaat  op  feitelijke  of  juridische  gronden  niet  in  staat  is  zelf  soortgelijke  inlichtingen  te  verstrekken.  Aan het bepaalde in lid 1 kan in geen geval de uitleg worden gegeven dat een partij  kan  weigeren  inlichtingen  te  verstrekken  louter  omdat  de  inlichtingen  berusten  bij  een  bank,  een  andere  financiële  instelling  of  een  als  vertegenwoordiger,  agent  of  trustee  optredende  persoon  of  betrekking  hebben  op  eigendomsbelangen  in  een  persoon, of omdat de partij niet in die inlichtingen geïnteresseerd is.  Een verzoek om inlichtingen mag niet worden  afgewezen op  grond van  het feit dat  de aan het verzoek ten grondslag liggende belastingschuld door de belastingplichtige  wordt aangevochten.  Kosten en verplichting de gebruikelijke bronnen van inlichtingen te benutten  De  bij  het  verlenen  van  bijstand  gemaakte  kosten  komen  voor  rekening  van  de  aangezochte partij, tenzij de bevoegde autoriteiten van de partijen daar op grond van  aanzienlijke  lasten  anders  over  beschikken.  De  bevoegde  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  overlegt  met  de  bevoegde  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  indien  er  bij  het  verlenen  van  bijstand  op  grond  van  een  specifiek  verzoek  aanzienlijke kosten te verwachten zijn.  De autoriteit van de aangezochte partij kan een verzoek om samenwerking afwijzen  wanneer  duidelijk  is  dat de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  voor  het  verkrijgen  De interpretatie van de term "stichting" en van de corresponderende termen in alle authentieke talen van  deze overeenkomst is gebaseerd op de interpretatie van de term  "Stiftung"  in de Duitse versie van de  overeenkomst.  NL  21    

Artikel 13  Centrale diensten  Elke partij wijst de centrale dienst of diensten aan die bevoegd zijn om de verzoeken  om administratieve bijstand uit hoofde van deze titel te behandelen.  Deze diensten doen voor de tenuitvoerlegging van de gevraagde bijstand beroep op  alle bevoegde administratieve autoriteiten.  De centrale diensten treden rechtstreeks met elkaar in contact.  De activiteiten van de centrale diensten sluiten niet uit dat andere autoriteiten van de  partijen  met  handelingsbevoegdheid  in  onder  deze  overeenkomst  vallende  aangelegenheden rechtstreeks samenwerken, met name in spoedgevallen. De centrale  diensten worden in kennis gesteld van iedere handeling waarin wordt opgeroepen tot  een handeling die een dergelijke rechtstreekse samenwerking behelst.  De  partijen  delen  bij  de  in  artikel  41,  lid  2,  bedoelde  kennisgeving  mee  welke  autoriteiten  voor  de  toepassing  van  dit  artikel  als  centrale  diensten  worden  aangemerkt.  Hoofdstuk 2  Bijstand op verzoek  Artikel 14  Verzoeken om inlichtingen  De bevoegde autoriteit van de aangezochte partij verstrekt de inlichtingen waarom de  Inlichtingen  worden  uit  hoofde  van  deze  overeenkomst  vergaard  en  uitgewisseld  Indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte partij niet voldoende inlichtingen in  NL  22    

In  onderlinge  overeenstemming  tussen  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  en  de  Het  gemengd  comité  dat  krachtens  artikel 38  wordt  ingesteld,  stelt  de  termijnen  vast  Artikel 15  Verzoeken tot uitoefening van toezicht  Artikel 16  Kennisgeving en toezending per post  Op verzoek van de autoriteit van de verzoekende partij en met inachtneming van de  interne  voorschriften  van  de  aangezochte  partij,  geeft  de  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  de  geadresseerde  kennis  of  maakt  zij  dat  hem  kennis  wordt  gegeven  van  alle  onder  deze  overeenkomst  vallende  besluiten  of  beslissingen  die  uitgaan van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende partij.  In de verzoeken om kennisgeving wordt het onderwerp vermeld van de besluiten of  beslissingen  waarvan  kennis  wordt  gegeven,  alsmede  de  naam  en  het  adres  van  de  geadresseerde  en  enige  andere  informatie  op  basis  waarvan  de  geadresseerde  gemakkelijker  kan  worden  achterhaald;  de  verzoeken  gaan  vergezeld  van  een  vertaling  in  een  officiële  taal  van  de  aangezochte  partij  of  in  een  voor  deze  partij  aanvaardbare  taal.  De aangezochte  autoriteit  stelt  de  verzoekende  autoriteit  onverwijld in kennis van het gevolg dat aan het verzoek tot kennisgeving is gegeven  NL  23    

De partijen kunnen personen met woonplaats op het grondgebied van de andere partij  kennisgevingen  en  verzoeken  om  inlichtingen  en  om  documenten  rechtstreeks  per  post  toezenden.  Indien  deze  kennisgevingen  en  verzoeken  om  inlichtingen  worden  toegezonden aan personen met woonplaats op het grondgebied van de  andere partij  die  betrokken  zijn  bij  het  bepaalde  in  artikel 2,  lid 1,  punt a),  derde  en  vierde  streepje,  kunnen  deze  personen  daaraan  gevolg  geven  en  de  toepasselijke  documenten  en  inlichtingen  verstrekken  in  de  vorm  als  vastgesteld  in  de  voorschriften en regelingen op basis waarvan de middelen werden toegekend.  Aan niets in deze overeenkomst kan de uitleg worden gegeven dat een door een partij  in  overeenstemming  met  haar  recht  verrichte  kennisgeving  of  betekening  van  stukken ongeldig zou zijn.  Artikel 17  Verzoeken tot onderzoeken  Op  verzoek  van  de  verzoekende  partij  stelt  de  aangezochte  partij  alle  nuttige  onderzoeken  in,  of  gelast  zij  de  instelling  van  dergelijke  onderzoeken,  naar  verrichtingen  of  gedragingen  die  onder  deze  overeenkomst  vallende  illegale  activiteiten  vormen,  of  die  bij  de  verzoekende  autoriteit  het  gegronde  vermoeden  doen ontstaan dat dergelijke illegale activiteiten zijn gepleegd.  De  aangezochte  partij  gebruikt  alle  in  haar  rechtsorde  beschikbare  onderzoeksmiddelen als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere  interne autoriteit, met inbegrip van de medewerking van de gerechtelijke autoriteiten  of - indien nodig - met toestemming van deze autoriteiten.  Deze  bepaling  laat  de  krachtens  artikel  19  op  de  marktdeelnemers  rustende  verplichting tot medewerking onverlet.  De autoriteit van de aangezochte partij deelt de resultaten van deze onderzoeken mee  aan de autoriteit van de verzoekende partij. Artikel 14, lid 2, is van overeenkomstige  toepassing.  De  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  breidt  de  bijstand  uit  tot  alle  aspecten,  voorwerpen  en  personen  die  een  duidelijk  verband  vertonen  met  het  voorwerp  van  het  verzoek  om  bijstand,  zonder  dat  daartoe  een  aanvullend  verzoek  nodig  is.  In  twijfelgevallen neemt de autoriteit van de aangezochte partij eerst contact op met de  autoriteit van de verzoekende partij.  Artikel 18  Aanwezigheid van gemachtigde ambtenaren van de autoriteit van de  verzoekende partij   De  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  en  die  van  de  aangezochte  partij  kunnen  overeenkomen  dat  door  de  eerstbedoelde  autoriteit  aangewezen  ambtenaren  aanwezig  mogen  zijn  bij  het  in  het  voorgaande  artikel  bedoelde  administratieve  onderzoekshandelingen.  Hun  aanwezigheid  is  niet  afhankelijk  van  de  instemming  van de persoon of de marktdeelnemer naar wie het onderzoek wordt ingesteld.  NL  24    

Zij  hebben  evenwel  toegang  tot  dezelfde  gebouwen  en  documenten  als  de  ambtenaren van de autoriteit van de aangezochte partij, zulks door hun tussenkomst  en alleen ten behoeve van het lopende onderzoek.  Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.  De inlichtingen die ter kennis worden gebracht van de autoriteit van de verzoekende  partij  kunnen  niet  als  bewijs  worden  gebruikt  voordat  toestemming  tot  het  verstrekken van de stukken betreffende de tenuitvoerlegging is verleend.  Artikel 18 bis  Aanwezigheid van gemachtigde ambtenaren van de autoriteit van de  verzoekende partij met betrekking tot belastingsamenwerking  Wat betreft bijstand voor activiteiten vallende onder artikel 2, lid 1, punt c), kunnen  de  autoriteiten  van  de  aangezochte  partij,  door  kennisgeving  vooraf  binnen  een  redelijke  termijn,  ambtenaren  van  de  verzoekende  partij  toestemming  verlenen  om,  voor  zover  dit  krachtens  haar  interne  recht  is  toegestaan  en  met  de  voorafgaande  schriftelijke  toestemming  van  de  betrokkenen,  op  het  grondgebied  van  de  aangezochte  partij  personen  te  ondervragen  en  bescheiden  te  onderzoeken.  De  bevoegde  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  stelt  de  bevoegde  autoriteit  van  de  aangezochte partij in kennis van de met de betrokken personen overeengekomen tijd  en plaats van ontmoeting. Desgewenst kan een ambtenaar van de aangezochte partij  de bijeenkomst bijwonen.  Op  verzoek  van  de  bevoegde  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  kan  de  bevoegde  autoriteit  van  de  aangezochte  partij,  voor  zover  zulks  is  toegestaan  krachtens  haar  eigen wetgeving, vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteit van de verzoekende  partij  toestemming  geven  aanwezig  te  zijn  bij  het  passende  gedeelte  van  een  belastingonderzoek op het grondgebied van de aangezochte partij.  In dat geval stelt  de  bevoegde  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  de  bevoegde  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  zo  spoedig  mogelijk  in  kennis  van  de  tijd  en  plaats  van  het  onderzoek,  de  autoriteit  of  de  persoon  die  tot  instelling  van  het  onderzoek  gemachtigd is en de procedures en voorwaarden waarmee de aangezochte partij het  instellen  van  het  onderzoek  omkleedt.  Alle  beslissingen  betreffende  het  onderzoek  worden genomen door de aangezochte partij die het onderzoek instelt.  Artikel 19  Verplichting tot medewerking  NL  25    

Verzoeken  om  bijstand  worden  schriftelijk  gedaan.  Zij  gaan  vergezeld  van  de  documenten die voor de behandeling ervan dienstig worden geacht.  Mondelinge verzoeken  worden in spoedeisende  gevallen aanvaard, maar moeten zo  spoedig mogelijk schriftelijk worden bevestigd.  De verzoeken bevatten de volgende gegevens:  (a)  de verzoekende autoriteit;  (b)  de gevraagde maatregel;  (c)  voorwerp en reden van het verzoek;  (d)  de betrokken wetgeving, regelgeving en andere wettelijke voorschriften;  (e)  zo  nauwkeurig  en  volledig  mogelijke  gegevens  betreffende  de  natuurlijke  personen of rechtspersonen waarnaar een onderzoek wordt ingesteld;  (f)  een  overzicht  van  de  relevante  feiten  en  van  de  reeds  verrichte  onderzoekshandelingen, behalve in de in artikel 16 bedoelde gevallen.  De verzoeken worden opgesteld in een officiële taal van de aangezochte partij of in  een voor deze partij aanvaardbare taal.  Onjuiste  of  onvolledige  verzoeken  kunnen  worden  gecorrigeerd  of  aangevuld.  In  afwachting  daarvan  worden  de  maatregelen  die  nodig  zijn  om  gevolg  te  geven  aan  het verzoek reeds getroffen.  Verzoeken  gericht  tot  autoriteiten  die  niet  bevoegd  zijn,  worden  onverwijld  doorgezonden aan de bevoegde autoriteit.  Artikel 20 bis  Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand in belastingzaken  gedetailleerd mogelijk opgesteld en bevatten de volgende gegevens:  NL  26    

Artikel 21  Gebruik van informatie  De  verkregen  inlichtingen  worden  uitsluitend  voor  de  doeleinden  van  deze  overeenkomst  gebruikt.  Een  partij  die  de  verkregen  inlichtingen  voor  andere  doeleinden  wenst  te  gebruiken,  vraagt  daartoe  de  voorafgaande  schriftelijke  toestemming van de autoriteit die deze inlichtingen heeft verstrekt. Voor dat gebruik  gelden dan de eventueel door die autoriteit vastgestelde beperkingen.  Lid  1  belet  niet  dat  de  inlichtingen  worden  gebruikt  in  gerechtelijke  of  administratieve  procedures  die  worden  ingesteld  wegens  niet-naleving  van  de  wetgeving waarop het verzoek om administratieve bijstand van toepassing is, indien  voor  deze  procedures  dezelfde  vormen  van  bijstand  beschikbaar  zouden  zijn.  De  betrokken autoriteit van de partij die de inlichtingen heeft verstrekt, wordt onverwijld  in kennis gesteld van het feit dat de inlichtingen voor dat doel worden gebruikt.  De  partijen  kunnen  de  krachtens  deze  overeenkomst  verkregen  inlichtingen  en  geraadpleegde documenten als bewijs gebruiken in hun processen-verbaal, rapporten  en getuigenverklaringen en tijdens gerechtelijke procedures en vervolgingen.  Hoofdstuk 3  Bijzondere vormen van samenwerking  Artikel 22  Gezamenlijke operaties  Wanneer bij in-, uit- en doorvoer van goederen wegens de omvang van de transacties  en  de  daaruit  voortvloeiende  risico's  in  verband  met  belastingen  en  subsidies  een  belangrijke derving van begrotingsmiddelen van de partijen waarschijnlijk is, kunnen  de  partijen  overeenkomen  om  gezamenlijke  grensoverschrijdende  operaties  uit  te  voeren met het oog op de preventie en de vervolging van onder deze overeenkomst  vallende illegale activiteiten.  De  coördinatie  en  planning  van  de  grensoverschrijdende  operaties  behoren  tot  de  bevoegdheid van de centrale dienst of een door hem aangewezen dienst.  NL  27    

Artikel 23  Gemeenschappelijke bijzondere onderzoeksteams  In onderlinge overeenstemming kunnen de autoriteiten van verscheidene partijen een  gezamenlijk  bijzonder  onderzoeksteam  oprichten  dat  bij  een  van  de  partijen  wordt  ondergebracht.  Het  onderzoeksteam  verricht  moeilijke  onderzoeken  die  aanzienlijke  middelen  vereisen en coördineert gezamenlijke operaties.  Deelname aan een dergelijk team verleent de betrokken vertegenwoordigers van de  autoriteiten  van  de  deelnemende  partijen  geen  bevoegdheid  om  op  te  treden  op  het  grondgebied van de partij waar de onderzoeken worden verricht.  Indien  functionarissen  van  een  partij  op  het  grondgebied  van  een  andere  partij  optreden  en  er  door  hun  optreden  schade  veroorzaken,  vergoedt  de  laatstbedoelde  partij overeenkomstig de nationale wetgeving deze schade op dezelfde wijze als zij  zou  hebben  gedaan  indien  de  schade  door  haar  eigen  functionarissen  veroorzaakt  was.  Deze  partij  wordt  volledig  schadeloos  gesteld  door  de  partij  waarvan  de  functionarissen de schade hebben veroorzaakt voor alle bedragen die zijn uitgekeerd  aan slachtoffers of aan andere rechthebbende personen of instellingen.  Onverminderd haar rechten tegenover derden en niettegenstaande de verplichting om  schade te vergoeden overeenkomstig lid 4, tweede zin, ziet elke partij in het in lid 4,  eerste zin, bedoelde geval ervan af het bedrag van door hem geleden schade op een  andere partij te verhalen.  Tijdens de operatie worden de functionarissen die optreden op het grondgebied van  een  andere  partij  gelijkgesteld  met  de  functionarissen  van  die  partij  voor  de  inbreuken waarvan zij het slachtoffer worden of die zij begaan.  Hoofdstuk 4  Invordering  Artikel 24  Invordering  Op verzoek van de verzoekende partij gaat de aangezochte partij over tot invordering  van  onder  deze  overeenkomst  vallende  schuldvorderingen  als  betrof  het  eigen  schuldvorderingen.  Het verzoek tot invordering van een schuldvordering gaat vergezeld van een officieel  of  voor  eensluidend  gewaarmerkt  afschrift  van  de  executoriale  titel  ("Vollstreckungstitel")  die  is  afgegeven  door  de  verzoekende  partij  en,  in  voorkomend geval, van het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift  van andere documenten die nodig zijn voor de invordering.  NL  28    

De autoriteit van de aangezochte partij maakt het door haar ingevorderde bedrag van  de  schuldvordering  aan  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  over.  In  overeenstemming  met  de  verzoekende  partij  kan  zij  daarvan  het  percentage  dat  overeenkomt met de door haar gemaakte administratieve kosten aftrekken.  Niettegenstaande  het  bepaalde  in  lid  1,  behoeft  aan  de  in  te  vorderen  schuldvorderingen  niet  dezelfde  preferentiële  behandeling  te  worden  toegekend  als  die  welke  geldt  voor  vergelijkbare  schuldvorderingen  die  zijn  ontstaan  in  de  aangezochte partij.  NL  29    

Artikel 25  Verhouding tot andere overeenkomsten  Met de bepalingen van deze titel wordt beoogd het Europees Verdrag aangaande de  wederzijdse  rechtshulp  in  strafzaken  van  20 april 1959  en  het  Verdrag  inzake  het  witwassen, de opsporing, de inbeslagneming  en de confiscatie van opbrengsten van  misdrijven  van  8 november 1990  aan  te  vullen  en  de  toepassing  ervan  tussen  de  partijen te vergemakkelijken.  Deze  titel  belet  niet  dat  bij  bilaterale  of  multilaterale  overeenkomsten  tussen  de  partijen in uitgebreidere samenwerking wordt voorzien.  Artikel 26  Procedures waarin wederzijdse rechtshulp wordt verleend  Wederzijdse rechtshulp wordt ook verleend in de volgende gevallen:  (a)  in procedures die door bestuurlijke autoriteiten worden ingesteld wegens feiten  die  volgens  het  nationale  recht  van  één  van  beide  of  beide  partijen  als  vergrijpen tegen rechtsregels worden bestraft, mits tegen de beslissing beroep  openstaat bij een in het bijzonder in strafzaken bevoegde rechter;  (b)  in een bij een strafvordering gevoegde civiele vordering, zolang het vonnis van  de strafrechter nog niet in kracht van gewijsde is gegaan;  (c)  wegens  feiten  of  overtredingen  waarvoor  een  rechtspersoon  van  de  verzoekende partij aansprakelijk kan worden gesteld.  Rechtshulp wordt ook verleend ten behoeve van onderzoeken en procedures met het  oog op de inbeslagneming en confiscatie van instrumenten en opbrengsten van deze  illegale activiteiten.  Artikel 27  Toezending van verzoeken  Verzoeken  uit  hoofde  van  deze  titel  worden  door  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  gedaan  via  een  bevoegde  centrale  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  ofwel  rechtstreeks  bij  de  autoriteit  van  de  partij  die  bevoegd  is  voor  de  tenuitvoerlegging  van  het  verzoek  van  de  verzoekende  partij.  De  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  en, in voorkomend geval, de autoriteit van de aangezochte partij zenden hun centrale  autoriteit ter informatie een kopie van het verzoek toe.  Alle stukken in verband met het verzoek of de tenuitvoerlegging ervan kunnen langs  dezelfde  weg  worden  toegezonden.  Deze  stukken,  of  althans  een  kopie  ervan,  worden rechtstreeks aan de autoriteit van de verzoekende partij toegezonden.  NL  30    

Aan  verzoeken  met  tekortkomingen  of  onvolledige  verzoeken  wordt  voldaan  voor  zover zij de daartoe benodigde essentiële gegevens bevatten, onverminderd de latere  rectificatie  ervan  door  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij.  De  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  stelt  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  van  deze  tekortkomingen in kennis en geeft haar een termijn voor de rectificatie ervan.  De autoriteit van de aangezochte partij zendt de autoriteit van de verzoekende partij  onverwijld alle andere aanwijzingen toe die haar kunnen helpen haar verzoek aan te  vullen of tot andere maatregelen uit te breiden.  De  partijen  delen  bij  de  in  artikel  41,  lid  2,  bedoelde  kennisgeving  mee  welke  de  voor de toepassing van dit artikel bevoegde centrale autoriteiten zijn.  Artikel 28  Betekening of kennisgeving per post  Gerechtelijke  stukken  in  procedures  wegens  onder  deze  overeenkomst  vallende  illegale  activiteiten  worden  door  de  partijen  in  de  regel  rechtstreeks  per  post  toegezonden aan de geadresseerden die zich op het grondgebied van de andere partij  bevinden.  Indien  de  autoriteit  van  de  partij  waarvan  de  documenten  afkomstig  zijn,  weet  of  redenen heeft om aan te nemen dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig  is,  gaan  de  documenten  of  althans  de  belangrijkste  passages  daarvan  vergezeld  van  een vertaling in die andere taal.  De autoriteit van de betekenende partij deelt de geadresseerde mede dat die autoriteit  op  het  grondgebied  van  de  andere  partij  niet  rechtstreeks  dwangmaatregelen  of  sancties ten uitvoer kan leggen.  De gerechtelijke stukken gaan vergezeld van een nota waarin wordt aangegeven dat  de  geadresseerde  bij  de  in  de  nota  genoemde  autoriteit  inlichtingen  kan  inwinnen  over zijn rechten en verplichtingen met betrekking tot de stukken.  Artikel 29  Voorlopige maatregelen  Binnen de grenzen van haar intern recht en haar bevoegdheden en op verzoek van de  autoriteit van de verzoekende partij gelast de bevoegde autoriteit van de aangezochte  partij de voorlopige maatregelen die nodig zijn om de bestaande situatie in stand te  houden,  bedreigde  juridische  belangen  te  beschermen  of  bewijsmateriaal  te  vrijwaren,  voor  zover  het  verzoek  om  rechtshulp  niet  kennelijk  niet-ontvankelijk  lijkt.  Preventieve  bevriezing  en  inbeslagneming  worden  gelast  voor  instrumenten,  vermogensbestanddelen  en  opbrengsten  van  strafbare  feiten  in  zaken  waarvoor  om  rechtshulp  wordt  verzocht.  Indien  de  opbrengsten  van  een  strafbaar  feit  geheel  of  gedeeltelijk niet meer bestaan, worden dezelfde maatregelen gelast voor zich op het  NL  31    

Artikel 30  Aanwezigheid van de autoriteiten van de verzoekende partij  De aangezochte partij kan op verzoek van de verzoekende partij vertegenwoordigers  van  de  autoriteiten  van  de  verzoekende  partij  toestaan  aanwezig  te  zijn  bij  de  tenuitvoerlegging  van  het  verzoek  om  wederzijdse  rechtshulp.  Hun  aanwezigheid  vergt geen instemming van de persoon op wie de maatregel betrekking heeft.  Verzoeken om aanwezigheid van vertegenwoordigers mogen niet worden afgewezen  indien  de  tenuitvoerlegging  van  het  verzoek  om  bijstand  door  hun  aanwezigheid  waarschijnlijk beter toegesneden zal zijn op de behoeften van de verzoekende partij,  en daardoor aanvullende verzoeken waarschijnlijk overbodig zal maken.  Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.  De  aanwezigen  hebben  toegang  tot  dezelfde  gebouwen  en  documenten  als  de  vertegenwoordigers  van  de  autoriteit  van  de  aangezochte  partij,  zulks  door  hun  tussenkomst  en  alleen  ten  behoeve  van  de  tenuitvoerlegging  van  het  verzoek  om  wederzijdse  rechtshulp.  Aan  de  aanwezigen  kan  met  name  de  toestemming  worden  verleend  om  vragen  te  stellen  of  voor  te  stellen  en  om  onderzoeksmaatregelen  te  suggereren.  Deze  aanwezigheid  mag  er  niet  toe  leiden  dat  feiten  onder  schending  van  de  geheimhoudingsplicht  of  van  de  rechten  van  de  betrokkene  ter  kennis  komen  van  anderen  dan  aan  de  op  basis  van  de  voorgaande  leden  bevoegde  personen.  De  inlichtingen  die  ter  kennis  worden  gebracht  van  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij,  kunnen  niet  als  bewijs  worden  gebruikt  voordat  de  beslissing  inzake  het  verstrekken van de stukken betreffende de tenuitvoerlegging in kracht van gewijsde  is gegaan.  Artikel 31  Huiszoekingen en inbeslagneming van voorwerpen  De  partijen  onderwerpen  de  inwilligbaarheid  van  verzoeken  tot  huiszoeking  en  inbeslagneming niet aan verdergaande voorwaarden dan dat:  (a)  het  aan  de  verzoeken  ten  grondslag  liggende  feit  naar  het  recht  van  beide  partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming  strekkende maatregel met een maximum van ten minste zes maanden, dan wel  naar het recht van één van beide partijen strafbaar gesteld met een sanctie met  een  zelfde  maximum  en  naar  het  recht  van  de  andere  partij  als  een  vergrijp  tegen  rechtsregels  dat  door  de  bestuurlijke  autoriteiten  wordt  vervolgd,  mits  tegen  hun  beslissing  beroep  openstaat  bij  een  in  het  bijzonder  in  strafzaken  bevoegde rechter;  (b)  de  tenuitvoerlegging  van  de  verzoeken  verenigbaar  is  met  het  recht  van  de  aangezochte partij.  NL  32    

Verzoeken  strekkende  tot  huiszoeking  en  inbeslagneming  wegens  witwaspraktijken  als  bedoeld  in  artikel  2,  lid  3,  zijn  ook  ontvankelijk  mits  de  handelingen  die  het  basisdelict  vormen,  naar  het  recht  van  beide  partijen  strafbaar  zijn  gesteld  met  een  vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een  maximum  van meer dan zes maanden.  Artikel 32  Verzoek om financiële en bankgegevens   Indien  de  voorwaarden  van  artikel  31  vervuld  zijn,  voert  de  aangezochte  partij  verzoeken om rechtshulp uit die betrekking hebben op het verkrijgen en verstrekken  van financiële en bankgegevens, met inbegrip van:  (a)  de identificatie van en gegevens over bankrekeningen bij op haar grondgebied  gevestigde banken waarvan personen tegen wie een onderzoek wordt ingesteld  houder  of  gevolmachtigde  zijn,  of  waarover  deze  personen  de  feitelijke  zeggenschap uitoefenen;  (b)  de  identificatie  van  en  alle  gegevens  over  transacties  en  banktransacties  die  van,  naar  of  via  een  of  meer  bankrekeningen  dan  wel  door  welbepaalde  personen gedurende een welbepaalde periode worden verricht.  Voor  zover  dit  krachtens  haar  strafprocesrecht  voor  soortgelijke  interne  gevallen  is  toegestaan,  kan  de  aangezochte  partij  gelasten  dat  gedurende  een  welbepaalde  periode wordt toegezien op banktransacties die van, naar of via bankrekeningen dan  wel  door  welbepaalde  personen  worden  verricht  en  dat  de  resultaten  aan  de  verzoekende  partij  worden  meegedeeld.  De  beslissing  inzake  het  toezicht  op  transacties  en  de  mededeling  van  de  resultaten  wordt  voor  elk  geval  afzonderlijk  genomen  door  de  bevoegde  autoriteiten  van  de  aangezochte  partij  en  moet  voldoen  aan de nationale wetgeving van deze partij. De details van het toezicht worden tussen  de  bevoegde  autoriteiten  van  de  verzoekende  en  de  aangezochte  partij  overeengekomen.  Iedere  partij  neemt  de  nodige  maatregelen  om  ervoor  te  zorgen  dat  de  financiële  instellingen niet aan de betrokken klant of aan derden meedelen dat maatregelen ten  uitvoer  worden  gelegd  op  verzoek  van  de  verzoekende  partij  of  dat  een  onderzoek  loopt, zolang dit noodzakelijk is om de resultaten ervan niet in gevaar te brengen.  De autoriteit van de verzoekende partij vermeldt in het verzoek:  (a)  waarom  zij  van  mening  is  dat  de  gevraagde  inlichtingen  waarschijnlijk  van  wezenlijk belang zijn voor het onderzoek naar het strafbare feit;  (b)  op  welke  gronden  zij  veronderstelt  dat  banken  in  de  aangezochte  partij  de  betrokken  rekeningen  onder  zich  hebben  en,  voor  zover  hierover  gegevens  beschikbaar zijn, om welke banken het zou kunnen gaan;  NL  33    

Een partij kan samenwerking niet weigeren louter omdat de inlichtingen berusten bij  een  bank,  een  andere  financiële  instelling  of  een  als  vertegenwoordiger,  agent  of  trustee  optredende  persoon  of  betrekking  hebben  op  eigendomsbelangen  in  een  persoon, of omdat de partij niet in die inlichtingen geïnteresseerd is.  Artikel 33  Gecontroleerde aflevering  Wat  betreft  bijstand  voor  activiteiten  vallende  onder  artikel  2,  lid  1,  punt a),  en  punt c), juncto punt a), verbindt de bevoegde autoriteit van de aangezochte partij zich  ertoe  te  garanderen  dat  op  verzoek  van  de  bevoegde  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  gecontroleerde  aflevering  op  haar  grondgebied  kan  worden  toegestaan  in  het  kader  van  strafrechtelijke  onderzoeken  naar  strafbare  feiten  die  aanleiding  kunnen  geven tot uitlevering.  De  beslissing  over  een  gecontroleerde  aflevering  wordt  voor  elk  geval  afzonderlijk  genomen door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte partij, met inachtneming  van het nationale recht van deze partij.  De gecontroleerde aflevering vindt plaats volgens de in het recht van de aangezochte  partij vastgestelde procedures. Het recht om te handelen en om operaties te leiden en  te controleren berust bij de bevoegde autoriteiten van die partij.  Artikel 34  Overgave met het oog op confiscatie of teruggave  Op  verzoek  van  de  verzoekende  partij  en  onverminderd  de  rechten  van  derden  te  goeder  trouw,  kan  de  aangezochte  partij  de  verzoekende  partij  voorwerpen,  documenten,  gelden  of  andere  waarden  ter  beschikking  stellen  met  het  oog  op  teruggave  aan  de  rechthebbenden.  De  aangezochte  partij  kan  de  overgave  niet  weigeren  op  grond  van  het  feit  dat  de  gelden  met  een  belastingschuld  of  een  douaneschuld overeenstemmen.  De aangezochte partij kan afstand doen van het recht op teruggave van voorwerpen,  documenten,  gelden  of  andere  waarden  hetzij  vóór,  hetzij  na  de  overgave  aan  de  verzoekende  partij,  indien  dit  de  teruggave  van  deze  voorwerpen,  documenten,  gelden of andere waarden aan de rechtmatige eigenaar kan bevorderen. Rechten van  derden te goeder trouw blijven onverlet.  Indien  afstand  wordt  gedaan  van  het  recht  op  teruggave  voordat  de  voorwerpen,  documenten, gelden of andere waarden aan de verzoekende partij zijn overgegeven,  oefent de aangezochte partij ten aanzien van deze artikelen  geen zekerheidsrecht of  ander verhaalrecht krachtens de fiscale of de douanewetgeving uit. Het afstand doen  zoals bedoeld in lid 2 doet geen afbreuk aan het recht van de aangezochte partij om  belastingen of rechten te innen bij de rechthebbende.  NL  34    

De  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  legt  het  verzoek  om  wederzijdse  rechtshulp  zo  spoedig  mogelijk  ten  uitvoer  en  houdt  daarbij  zoveel  mogelijk  rekening  met  de  door  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  aangegeven  procedurele  of  andere  termijnen. Deze partij licht de redenen voor de gestelde termijn toe.  Indien  het  verzoek  niet  of  niet  geheel  volgens  de  eisen  van  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  ten  uitvoer  kan  worden  gelegd,  stelt  de  autoriteit  van  de  aangezochte  partij  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  hiervan  onverwijld  in  kennis, onder vermelding van de voorwaarden waaronder het verzoek ten uitvoer zou  kunnen  worden  gelegd.  Die  autoriteiten  kunnen  vervolgens  in  onderling  overleg  overeenkomen welk gevolg aan het verzoek zal worden gegeven en, in voorkomend  geval,  dat  bij  de  tenuitvoerlegging  ervan  aan  de  gestelde  voorwaarden  zal  worden  voldaan.  Indien  te  verwachten  valt  dat  het  verzoek  niet  binnen  de  door  de  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  gestelde  termijn  ten  uitvoer  kan  worden  gelegd  en  de  in  lid  1,  tweede volzin, bedoelde redenen concrete aanwijzingen bevatten dat elke vertraging  de door deze autoriteit gevoerde procedure aanzienlijk zal schaden, geeft de autoriteit  van  de  aangezochte  partij  onverwijld  aan  hoeveel  tijd  zij  nodig  acht  voor  de  tenuitvoerlegging  van  het  verzoek.  De  autoriteit  van  de  verzoekende  partij  geeft  onverwijld  te  kennen  of  het  verzoek  desalniettemin  staande  blijft.  De  autoriteiten  kunnen vervolgens in onderling overleg overeenkomen welk gevolg aan het verzoek  zal worden gegeven.   Artikel 36  Gebruik van inlichtingen en bewijzen  (a)  in  een  strafprocedure  op  het  grondgebied  van  de  verzoekende  partij,  gericht  tegen  andere  personen  die  hebben  deelgenomen  aan  het  plegen  van  het  strafbare  feit  waarvoor  rechtshulp  werd  verleend,  gesteld  dat  wederzijdse  bijstand  ook  met  betrekking  tot  deze  andere  personen  mogelijk  zou  zijn  geweest. In dat geval stelt de verzoekende partij de aangezochte partij in kennis  van dat gebruik;  (b)  wanneer  de  aan  het  verzoek  ten  grondslag  liggende  feiten  een  ander  strafbaar  feit vormen waarvoor ook rechtshulp zou moeten worden verleend;  (c)  in procedures met het oog op de  confiscatie van instrumenten en opbrengsten  van  strafbare  feiten  waarvoor  rechtshulp  zou  moeten  worden  verleend  en  in  schadevergoedingsprocedures  wegens  feiten  waarvoor  rechtshulp  werd  verleend.  NL  35    

Binnen  de  grenzen  van  hun  intern  recht  en  hun  bevoegdheden  kunnen  de  gerechtelijke  autoriteiten  van  een  partij  op  eigen  initiatief  inlichtingen  en  bewijsmateriaal  inzake  onder  deze  overeenkomst  vallende  illegale  activiteiten  verstrekken  aan  een  gerechtelijke  autoriteit  van  een  andere  partij  wanneer  zij  van  oordeel  zijn  dat  deze  nuttig  zouden  kunnen  zijn  voor  de  autoriteit  van  de  ontvangende partij bij het inleiden of uitvoeren van onderzoeken of procedures dan  wel  dat  deze  inlichtingen  ertoe  kunnen  leiden  dat  deze  autoriteit  een  verzoek  om  wederzijdse rechtshulp indient.  De  autoriteit  van  de  partij  die  de  inlichtingen  verstrekt,  kan  overeenkomstig  haar  intern  recht  voorwaarden  verbinden  aan  het  gebruik  van  deze  inlichtingen  door  de  autoriteit van de ontvangende partij.  Alle autoriteiten van de partijen zijn aan deze voorwaarden gebonden.  NL  36    

Artikel 38  Gemengd comité  Er wordt een gemengd comité ingesteld dat belast wordt met de correcte toepassing  van  deze  overeenkomst.  Te  dien  einde  doet  het  comité  de  aanbevelingen  en  neemt  het  de  besluiten  waarin  bij  deze  overeenkomst  wordt  voorzien,  of  die  praktische  regelingen voor de toepassing van de overeenkomst behelzen. Het  gemengd  comité  houdt tevens een waakzaam oog op de toepassing van de overeenkomst.  Het  gemengd  comité  bestaat  uit  vertegenwoordiger  van  alle  partijen,  zijnde  de  Europese  Unie,  haar  lidstaten  en  het  Vorstendom  Liechtenstein.  Het  stelt  zijn  reglement  van  orde  op,  waarin  onder  meer  voorschriften  voor  het  bijeenroepen  van  een vergadering, de aanwijzing van de voorzitter en de vaststelling van  diens taken  zijn  vervat.  De  aanbevelingen  en  besluiten  van  het  gemengd  comité  worden  bij  eenparigheid van stemmen goedgekeurd.  Het  gemengd  comité  komt  zo  vaak  als  nodig,  doch  ten  minste  eenmaal  per  jaar  bijeen. Elke partij kan verzoeken om een vergadering te beleggen.  Het  gemengd  comité  kan  besluiten  werkgroepen  of  groepen  van  deskundigen  in  te  stellen om zich bij de uitvoering van zijn taken te laten bijstaan.  Het  gemengd  comité  kan  besluiten  nemen  over  technische  aanpassingen  ter  weerspiegeling  van  ontwikkelingen  van  het  recht  van  de  Unie  met  betrekking  tot  wederzijdse administratieve bijstand. Indien een dergelijk besluit voor een partij niet  bindend kan worden dan nadat aan haar grondwettelijke vereisten is voldaan, wordt  het  besluit  van  kracht  op  de  eerste  dag  van  de  tweede  maand  na  de  laatste  kennisgeving  dat  aan  deze  constitutionele  vereisten  is  voldaan,  tenzij  het  gemengd  comité anders besluit.  Wanneer  een  partij  de  overeenkomst  wenst  te  herzien,  legt  zij  een  voorstel  daartoe  aan het gemengd comité voor, dat aanbevelingen doet, inzonderheid met het oog op  het openen van onderhandelingen.  Artikel 39  Geschillenregeling  Elke  partij  kan  een  geschil  betreffende  de  uitlegging  of  de  toepassing  van  deze  overeenkomst  voorleggen  aan  het  gemengd  comité,  met  name  wanneer  zij  van  mening  is  dat  een  andere  partij  herhaaldelijk  geen  gevolg  heeft  gegeven  aan  de  tot  haar gerichte verzoeken om samenwerking.  Het  gemengd  comité  tracht  het  geschil  zo  spoedig  mogelijk  op  te  lossen.  Het  gemengd  comité  krijgt  de  beschikking  over  alle  nuttige  inlichtingen  om  de  situatie  diepgaand  te  onderzoeken  en  een  aanvaardbare  oplossing  te  vinden.  Het  gemengd  comité  onderzoekt  hiertoe  alle  mogelijkheden  om  de  goede  werking  van  deze  overeenkomst te vrijwaren.  NL  37    

Artikel 41  Inwerkingtreding  Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.  Zij  wordt  door  de  partijen  volgens  hun  eigen  procedures  geratificeerd  of  goedgekeurd. Zij treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op  de laatste kennisgeving van de ratificatie- of goedkeuringsinstrumenten.  Er  wordt  kennisgeving  gedaan  aan  de  secretaris-generaal  van  de  Raad  van  de  Europese Unie, die depositaris van deze overeenkomst is.  Totdat deze overeenkomst in werking treedt, worden titels I, II en IV door de Europese  Tot de inwerkingtreding van deze overeenkomst kan elke partij bij de kennisgeving  als bedoeld in lid 2, of op enig ander later tijdstip, verklaren dat de overeenkomst op  haar  van  toepassing  is  in  haar  betrekkingen  met  de  andere  partijen  die  eenzelfde  verklaring  hebben  afgelegd.  Deze  verklaringen  worden  van  toepassing  negentig  dagen na ontvangst van de kennisgeving.   Artikel 42  Opzegging  Artikel 43  Temporele werkingssfeer  NL  38    

(b)  met betrekking tot activiteiten vallende onder artikel 2, lid 1, punt b) en punt d)  juncto  punt b),  betreffende  illegale  activiteiten  die  ten  minste  één  jaar  na  de  datum van ondertekening van de overeenkomst zijn gepleegd;  (c)  met  betrekking  tot  activiteiten  vallende  onder  artikel  2,  lid  1,  punt c),  betreffende het volledige belastingtijdvak beginnende na de ondertekening van  de  overeenkomst.  De  eerste  verzoeken  kunnen  na  1 januari  2011  worden  gedaan.  Artikel 44  Uitbreiding van de overeenkomst tot nieuwe lidstaten van de EU  Elke staat die lid wordt van de Europese Unie kan, door middel van een schriftelijke  kennisgeving  aan  het  secretariaat-generaal  van  de  Raad,  partij  worden  bij  deze  overeenkomst.  De tekst van de overeenkomst in de taal van de toetredende nieuwe lidstaat - die door  de Raad van de Europese Unie wordt opgesteld - wordt als authentiek vastgesteld op  basis  van  een  briefwisseling  tussen  de  Europese  Unie  en  het  Vorstendom  Liechtenstein. De tekst geldt als authentieke tekst in de zin van artikel 45.  Deze  overeenkomst  treedt,  ten  aanzien  van  elke  nieuwe  EU-lidstaat  die  ertoe  toetreedt, in werking negentig dagen nadat diens toetredingsakte is neergelegd, of op  de  datum  van  inwerkingtreding  van  deze  overeenkomst  indien  deze  na  afloop  van  genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking is getreden.  Indien  deze  overeenkomst  bij  de  kennisgeving  van  de  toetredingsakte  van  de  toetredende nieuwe lidstaten nog niet in werking is getreden, is artikel 41, lid 4, van  toepassing op deze lidstaten.  Artikel 45  Authentieke teksten  NL  39    

Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 17, lid 2  Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 18, lid 2  Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 20 bis  Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 24  Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 31, lid 2  NL  40    

Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 11, lid 2  Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 12, lid 1  Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over toetsing  Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over non-discriminatie  NL  41    

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie