Homorechten onder druk in uitgebreide EU

Lesbisch stel hand in hand

De Europese Unie kent een lange geschiedenis als het gaat om de bescherming van mensenrechten en individuele vrijheden. Maar ondanks plechtige beloften van regeringsleiders en de ondertekening van Europese en internationale verdragen, blijft discriminatie op grond van afkomst, geslacht, etniciteit, geloof of seksuele geaardheid voorkomen.

Sinds de uitbreiding van de Europese Unie met een tiental Midden- en Oost-Europese landen in 2004 en 2007, trekt vooral de positie van homoseksuelen in de Europese Unie steeds vaker de aandacht. De dagelijkse praktijk, vooral in Oost-Europa, lijkt in steeds meer gevallen af te wijken van de afspraken in resoluties, richtlijnen en verdragen.

Zo blijkt een op de twee LHBTI-personen (lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen) in de EU te zijn gepest of gediscrimineerd. Daarom heeft het Europees Parlement in februari 2014 de EU opgeroepen om met een routekaart te komen voor de bescherming van de rechten van LHBTI-personen.

Delen

enveloppe

Inhoud

1.

Voorgeschiedenis

Al in 1950 ondertekenden de toekomstige lidstaten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit verdrag, dat onder meer de vrijheid van meningsuiting en een verbod op discriminatie centraal stelde, zou een leidraad worden in het latere mensenrechtenbeleid van West-Europese landen. In 1993 werd de ondertekening van het Verdrag voor de Rechten van de Mens zelfs als voorwaarde gesteld voor landen die tot de EU wilden toetreden.

De in 1993 opgestelde voorwaarden voor toetreding tot de Europese Unie, de zogenoemde Kopenhagencriteria, toonden aan dat de Europese Unie niet langer uitsluitend een economisch samenwerkingsverband was, maar ook 'gemeenschap van waarden' wilde zijn. Het bleek echter al snel dat deze gedeelde waarden nog niet volledig worden onderschreven door de landen in Centraal- en Oost-Europa die zich opmaakten voor EU-lidmaatschap.

Etnische minderheden, zoals de Roma, werden in Hongarije, Slowakije en Roemenië bijvoorbeeld stelselmatig gediscrimineerd. In Estland en Letland werd de Russische taal uit het publieke leven gebannen, hoewel in sommige regio's een meerderheid van de inwoners Russisch was. Een probleem waar vrijwel alle voormalige communistische landen mee worstelden was de omgang met seksuele minderheden; homo- en biseksuelen en transseksuelen. Veel van deze problemen zijn nog steeds niet helemaal opgelost

Tot 2000 was homoseksualiteit een strafbaar feit in Estland, Litouwen, Roemenië en Bulgarije. Ook in landen waar homoseksualiteit niet bij wet verboden is, laat de rechtsbescherming van homo's veel te wensen over. Zo werden er homodemonstraties verboden en nachtclubs gesloten. Hierbij werd een beroep op bescherming van de openbare orde gedaan. Bovendien werd homoseksualiteit onbespreekbaar verklaard op scholen en in de media.

Hoewel de toetreding van twaalf Midden- en Oost-Europese landen tot de EU in 2004 en 2007 een lichte verbetering van de positie van homoseksuelen in die landen betekende, blijft homo-emancipatie een controversieel onderwerp op de politieke agenda in deze landen. In Hongarije is in 2013 zelfs een nieuwe grondwet aangenomen die het huwelijk definieert als een verbond tussen man en vrouw. Daarmee is er een terugval in de homorechten in het land.

Ook in de rest van de Europese Unie blijven de homorechten een bron van zorg. In Nederland gedraagt de helft van de homoseksuelen zich in het openbaar anders dan zij willen, om negatieve reacties te voorkomen. In Frankrijk zijn er in 2012 1397 incidenten rond homoseksuelen geregistreerd, het hoogste aantal ooit.

2.

Weerstanden

De gevoeligheid van homoseksualiteit in het publieke en politieke debat laat zich soms verklaren door een grote invloed van de kerk. In Polen en Litouwen heeft de katholieke kerk veel invloed op de geldende normen en waarden. Omdat het katholicisme een belangrijke kracht was in het aanwakkeren van de onafhankelijkheidsgevoelens van Polen en Litouwers in de jaren tachtig, geniet de kerk bovendien een breed gedragen populariteit.

In andere landen, zoals Slowakije, Estland en Roemenië, is homodiscriminatie vaak het gevolg van de populariteit van rechts-populistische partijen. Zij zien homoseksualiteit als een West-Europese uitwas die in de Sovjettijd nog niet bestond en een gevaar vormt voor de (openbare) rechtsorde.

De toelatingsprocedure van Servië kwam oktober 2012 kort in gevaar toen de Gay Pride in Belgrado was afgelast. Dit was de tweede keer op rij. De Commissie benadrukte dat het de rechten van minderheden zeer belangrijk vindt. De afgelasting had echter geen effect op de toelatingsprocedure.

3.

Meer rechten

Toch zijn er ook een aantal ontwikkelingen gaande waardoor homo's meer rechten krijgen. Zo hebben Tsjechië (2006) en Hongarije (2009) inmiddels een geregistreerd partnerschap ingevoerd voor homoseksuele stellen.

In oktober 2014 besloot Estland als eerste ex-Sovjetunie-staat gelijke rechten toe te kennen aan homoseksuele koppels. Vanaf 2016 zullen homoseksuelen in Estland dezelfde rechten hebben als heteroseksuelen met betrekking tot erfenis, toegang tot partners in het ziekenhuis en het adopteren van kinderen. 

Dat is een opvallende ontwikkeling. In 2006 trok de Nederlandse ambassadeur in Estland, Hans Glaubitz, zich namelijk nog terug uit zijn functie vanwege de aanhoudende homohaat die tegen hem gericht was. In datzelfde jaar verboden de lokale autoriteiten in Tallinn bovendien een demonstratie van enkele honderden homo's, een strategie die in latere jaren door Letse en Litouwse burgemeesters werd herhaald.

Daarna heeft er echter een voorzichtige omslag plaatsgevonden in het denken over homoseksualiteit. Terwijl het onderwerp uit de taboesfeer treedt en homo's uit de kast komen, zijn er in 2008 en 2009 legale homomanifestaties in Estland, Letland en Polen geweest.

Ook in Litouwen ontstaat een toleranter klimaat. Na druk van de Europese Commissie, die haar zorgen uitte over een verbod op het houden van een homomanifestatie in hoofdstad Vilnius, heeft de Hoge Raad van Litouwen in mei 2010 de uitspraak over dit verbod van een lagere rechtbank vernietigd en de manifestatie toegestaan.

In mei 2012 verklaarde de organisatie 'Dag tegen Homofobie' dat de EU wat de behandeling van homoseksuelen betreft vooruit gaat. In 2013 nam Frankrijk, ondanks felle protesten van conservatieven, een wet aan die het homohuwelijk mogelijk maakt.

4.

Antidiscriminatierichtlijn

Het Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft, bij monde van de Groenen, Sociaaldemocraten en Liberalen, ontwikkelingen ten gunste van de rechten van homoseksuelen altijd met veel belangstelling gevolgd en waar mogelijk ondersteund. Verschillende Europarlementariërs gebruiken het parlement en hun status als Europees politicus als platform om internationaal voor gelijke rechten te pleiten.

De Nederlandse Europarlementariër Sophie in 't Veld (D66) en de voormalige Europarlementariërs Kathalijne Buitenweg (GroenLinks) en Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) werden bekend dankzij hun aanhoudende strijd voor de homorechten. Ze liepen mee in homobetogingen in Oost-Europa. Soms kregen zij daarbij te maken kregen met geweld, zoals Sophie in 't Veld, die in Rusland met een mes werd bedreigd.

Kathalijne Buitenweg, die na de verkiezingen in juni 2009 niet in het Europees Parlement terugkeerde, was bovendien de drijvende kracht achter een antidiscriminatierichtlijn die door het Parlement in het voorjaar van 2009 na jaren van onderhandelingen werd aangenomen. In deze antidiscriminatierichtlijn werd het verbod op discriminatie op grond van seksuele geaardheid uitdrukkelijk opgenomen, wat de rechtspositie van homoseksuelen op het werk, maar ook in het onderwijs, de gezondheidszorg, sociale voorzieningen en andere publieke domeinen, aanzienlijk versterkte.  

De antidiscriminatierichtlijn is vooralsnog het belangrijkste concrete wapenfeit dat de grotere aandacht voor discriminatie op grond van seksuele geaardheid binnen de EU heeft opgeleverd. Maar achter de schermen gebeurt er al enige jaren veel meer. Zo treedt de Europese Unie steeds vaker niet alleen als economische supermacht naar buiten, maar ook als beschermer van Europese normen en waarden.

De vrijheid van elke Europeaan om zijn of haar leven naar eigen inzicht vorm te geven als het gaat om religieuze, seksuele of politieke overtuiging, staat hierin centraal. Al in 2005 verklaarde de toenmalige voorzitter van het Europees Parlement, de Spanjaard Josep Borell Fontelles, dat het bestrijden van homofobie een morele plicht is voor de Europese Unie en dat homoseksualiteit een "mensenrecht" is. In december 2012 nam het Europees Parlement een resolutie aan waarin van verschillende minderheden de rechten werden erkend. Zo stelde het EP dat homoseksualiteit een mensenrecht is.

De Europese Commissie

De Europese Commissie en het Europees Parlement hebben sindsdien steeds gewerkt aan het bespreekbaar maken van homoseksualiteit en het verbeteren van de positie van homo's, vooral in de nieuwe lidstaten. Een eerste serieuze confrontatie tussen de Europese instellingen en een lidstaat ontstond in het voorjaar van 2007. De Poolse minister voor Onderwijs, Roman Jacek Giertych, stelde toen een wet voor, waarin hij dreigde onderwijzers en leerlingen te ontslaan en boetes of zelfs een gevangenisstraf op te leggen, als zij zich schuldig zouden maken aan "homorechten activisme".

Hoewel de Poolse regering de wet uiteindelijk niet invoerde, betekende het incident het startschot voor een actieve campagne van een groep Europarlementariërs om discriminatie op grond van geaardheid met Europese richtlijnen te bestrijden.

Het Parlement vroeg de Commissie in 2007 bijvoorbeeld expliciet om lidstaten voor het Europese Hof van Justitie te dagen als zij zich schuldig zouden maken aan homodiscriminatie. Ook werd de Commissie gevraagd om de bestaande richtlijn tegen discriminatie op het werk uit te breiden naar alle andere sectoren.

Het opstellen van de nieuwe antidiscriminatierichtlijn maakte duidelijk dat de Commissie de oproep van het Parlement serieus had genomen en homodiscriminatie steeds meer als een Europese prioriteit erkende. Het Europees Parlement beloonde deze houding in april 2009 door de richtlijn goed te keuren.

5.

Tegenstellingen

Toch blijkt nog steeds dat lidstaten zich niet altijd gebonden voelen door de Europese antidiscriminatierichtlijnen. In juli 2009 keurde het parlement in Litouwen bijvoorbeeld een wet goed die de verspreiding van informatie over homoseksualiteit op scholen per 2010 zou verbieden. Volgens de indieners van de wet zou op Litouwse scholen alleen het traditionele gezinsmodel onderwezen moeten worden. Homoseksualiteit en homoseksuele samenlevingsvormen bedreigden volgens de tekst van het wetsvoorstel de sociale samenhang in Litouwen en moesten daarom uit schoolboeken, televisieseries en informatiecampagnes geweerd worden.

In september 2009 zette Sophie in 't Veld de Litouwse kwestie op de agenda van het Europees Parlement. Tijdens een plenair debat in Straatsburg bleek opnieuw hoezeer de meningen in Europa verschilden over de positie van homoseksualiteit in de publieke ruimte. Zo stelden verschillende christelijke Europarlementariërs, waaronder Peter van Dalen (ChristenUnie) en Bas Belder (SGP), dat wetgeving over homoseksualiteit een bevoegdheid van de lidstaten is waar Europa zich niet mee moet bemoeien.

Een meerderheid van het parlement vond echter dat de Litouwse wet "duidelijk in strijd was met EU-verdragen voor mensenrechten" (aldus de Britse sociaaldemocraat Michael Cashman). De Litouwse liberaal Leonidas Donskis, tegenstander van de controversiële wet, zei dat "het moeilijk te geloven is dat een EU-land in de eenentwintigste eeuw nog zulke achterhaalde wetten kan aannemen".

Het Europees Parlement steunde uiteindelijk een resolutie die de wet veroordeelde en Litouwen opriep haar wetten met Europese richtlijnen in overeenstemming te brengen. De resolutie werd aangenomen met 349 stemmen vóór en 218 tegen. Het is echter nog niet bekend of, en zo ja, hoe, de controversiële wet aangepast zal worden.

6.

Argumenten in de discussie

Hieronder staan een aantal veel gehoorde argumenten in de discussie over homo-emancipatie. Uiteraard is bij alle standpunten wel een kanttekening te plaatsen, wat de discussie boeiend maar niet eenvoudiger maakt. Europa is wikken en wegen. Door op de links te klikken krijgt u meer informatie én nuancering.

Tip: Na het lezen van de argumenten kunt u zelf Uw reactie geven.

  • De EU moet strenger optreden tegen discriminatie van homoseksuelen

    Discriminatie op grond van geslacht, etniciteit, geloof en seksuele geaardheid is in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De EU zou daarom een voortrekkersrol moeten vervullen in de wereld als het gaat om het afdwingen van gelijke behandeling.

  • De EU moet zich afzijdig houden van onderwerpen als homo-emancipatie

    Alle EU-landen zijn ook lid van de Raad van Europa. Aangezien het bevorderen en beschermen van de mensenrechten de centrale missie is van die organisatie, doet de EU er beter aan om de Raad van Europa niet voor de voeten te lopen. Bovendien mogen landen zelf bepalen of zij homoseksualiteit goedkeuren of niet. De EU moet zich daar niet mee bemoeien.

Door op Uw reactie te klikken kunt u laten weten, wat u van de verschillende argumenten vindt. Ook kunt u natuurlijk andere argumenten aandragen. Uw reactie wordt zeer op prijs gesteld.

7.

Meer informatie

Delen

enveloppe

Terug naar boven