Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, en de inhoud van de verleende bescherming

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

  yh    DG H 1 B    NL  

  Brussel, 21.10.2009  COM(2009) 551 definitief  2009/0164 (COD)     Voorstel voor een   RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD   inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en  staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, en de inhoud van de  verleende bescherming      (herschikking)    {SEC (2009) 1373}  {SEC (2009) 1374}    NL    

A CHTERGROND VAN HET VOORSTEL     Motivering en doel van het voorstel  1  (de "erkenningsrichtlijn" of "de richtlijn").  2  heeft de Commissie voorgesteld ter afronding  3  gepresenteerd om mogelijke invullingen  voor  de  tweede  fase  van  het  CEAS  te  vinden.  Deze  openbare  raadpleging  leverde  89  bijdragen  van  een  breed  scala  belanghebbenden  op,  waaronder  een  groot  aantal  lidstaten  en  ngo's 4 ,  die  met  uiteenlopende  ideeën  over  mogelijke  wijzigingen  van  de  richtlijn kwamen.   richtlijn  via  haar  gewone  toezichtactiviteiten  en  heeft  ook  rekening  gehouden  met  verschillende  studies  van  de  UNHCR  en  ngo's 5   waarin  de  toepassing  van  de  richtlijn  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.  Asielbeleidsplan "Een geïntegreerde aanpak van bescherming in de hele EU" COM(2008) 360.  COM(2007) 301.  Beschikbaar op:  http://ec.europa.eu/justice_home/doc_centre/immigration/integration/doc/2007/handbook_2007_en.pdf  UNHCR,  "Asylum  in  the  European  Union,  A  study  on  the  implementation  of  the  Qualification  Directive",  november  2007;  ELENA/ECRE,  "The  impact  of  the  EU  Qualification  Directive  on  International  protection",  oktober  2008;  France  Terre  d'Asile,  "Asile  La  protection  subsidiaire  en  Europe:  Un  mosaïque  de  droits",  Les  cahiers  du  social  nr.  18,  september  2008;  Vluchtelingenwerk  Nederland/ECRE  "Networking  on  the  Transposition  of  the  Qualification  Directive",  december  2008,  Universiteit  Nijmegen,  "The  Qualification  Directive:  Central  themes,  Problem  issues,  and  Implementation in selected member states", Karin Zwaan (ed), 2007.  NL  2    

Commissie heeft voorgelegd aan alle lidstaten en het maatschappelijk middenveld.   bestaande  gegevens  en  de  resultaten  van  de  raadplegingen  en  vragenlijsten  werden  geanalyseerd ter voorbereiding van de effectbeoordeling bij dit voorstel 7 .   om  mogelijke  wijzigingen  van  de  richtlijn  te  bespreken:  een  bijeenkomst  met  rechters,  academici,  UNHCR-vertegenwoordigers  en  een  aantal  nationale  deskundigen  op  26  juni  2008;  twee  bijeenkomsten  met  de  lidstaten  (een  op  deskundigenniveau  op  19  november  2008  en  een  in  het  kader  van  het  Comité  voor  immigratie  en  asiel  op  12  december 2008) en twee bijeenkomsten  met ngo's, op 8 januari 2009 en op 23 februari  2009.   voldoen  zij  niet  om  volledig  te  beantwoorden  aan  de  zich  ontwikkelende  normen  op  hebben zij tot onvoldoende harmonisatie geleid, en  hebben zij een negatief effect op de kwaliteit en de efficiëntie van de besluitvorming.   8 .  Beschikbaar op  http://ec.europa.eu/justice_home/doc_centre/asylum/studies/wai/doc_asylum_studies_en.htm   GHK, Effectbeoordelingen "The future development of measures on the qualification and status of third  country nationals or stateless persons as persons in need of international protection and on the content  of  the  protection  granted,  based  on  Council  Directive  2004/83/EC"  en  "The  future  development  of  measures  on  procedures  in  member  states  for  granting  and  withdrawing  refugee  status,  based  on  Council Directive 2005/85/EC", meervoudig raamcontract voor diensten JLS/2006/A1/004.   PB L 326 van 13.12.2005, blz.13.   NL  3    

integratieprogramma's.  De  desbetreffende  administratieve  procedures  worden    Algemene context  NL  4    

  Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie  R AADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN   9   en  de  richtlijn  opvangvoorzieningen 10 .  Bij  de  definitie  van  de  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de criteria en  instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om  internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de  lidstaten wordt ingediend, (COM(2008) 820 definitief).   Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen  voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (COM(2008) 815 definitief).   NL  5    

11 .  Het  Hof  heeft  bepaald  onder  welke  voorwaarden  een  dergelijke  bedreiging  kan  J URIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL     Samenvatting van de voorgestelde maatregelen  bescherming betreft, die aansluiten bij de internationale normen en met name leiden tot de  volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève betreffende de status  van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld bij het Protocol van New York van 31  januari 1967 ("Verdrag  van Genève") en tot de  volledige  eerbiediging van het EVRM en  het Handvest van de grondrechten van de EU ("EU-handvest"); en  voor  zover  deze  het  gevolg  zijn  van  de  verschillen  in  de  nationale  wetgevingen  en  besluitvormingsprocedures  en  van  de  verschillen  in  de  rechten  die  in  de  diverse  lidstaten  worden toegekend.   Het  Hof  werd  om  een  prejudiciële  beslissing  verzocht  over  de  vraag  of  pas  sprake  is  van  ernstige  en  individuele  bedreiging  van  het  leven  of  de  persoon  van  degene  die  om  subsidiaire  bescherming  verzoekt,  indien  deze  persoon  aantoont  dat  hij  specifiek  wordt  geviseerd  om  redenen  die  te  maken  hebben  met  zijn  persoonlijke  omstandigheden,  en  indien  dit  niet  het  geval  is,  aan  de  hand  van  welk  criterium dan kan worden uitgemaakt of er een dergelijke bedreiging is.   NL  6    

12 .  De  huidige  definitie  mist  niet  alleen  Arrest van 11 januari 2007, Salh Sheekh tegen Nederland, punt 141.  NL  7    

NL  8    

13 ,  en  met  het  VN-Verdrag  inzake  de  kunnen  uitoefenen,  moet  worden  ingegaan  op  de  specifieke  14 , wordt in  Arresten van 15 februari 2006 in de zaken Niedzwiecki tegen Duitsland en Okpisz tegen Duitsland.  Tweede  uitgave,  beschikbaar  op  http://ec.europa.eu/justice_home/doc_centre/immigration/integration/doc/2007/handbook_2007_nl.pdf,  blz. 32-36  NL  9    

  Rechtsgrondslag    Subsidiariteitsbeginsel  NL  10    

  Evenredigheidsbeginsel    Effect op de grondrechten  NL  11    

OE 2004/83/EG   nieuw  2009/0164 (COD)  Voorstel voor een   RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD   inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en  staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming   personen die internationale bescherming genieten   , en de inhoud van de  verleende bescherming  15 ,  16 ,  17 ,  nieuw  Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de  erkenning  van  onderdanen  van  derde  landen  en  staatlozen  als  vluchteling  of  als  persoon  die  anderszins  internationale  bescherming  behoeft,  en  de  inhoud  van  de  verleende bescherming, moet op een aantal punten ingrijpend worden gewijzigd 18 . Ter  wille  van  de  duidelijkheid  dient  tot  herschikking  van  deze  richtlijn  te  worden  overgegaan.  PB C , , blz. .  PB C , , blz. .  PB C , , blz. .  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.  NL  12    

OE  2004/83/EG overweging 1  Een gemeenschappelijk asielbeleid, met inbegrip van een gemeenschappelijk Europees  asielstelsel,  behoort  tot  de  doelstelling  van  de  Europese  Unie  geleidelijk  een  ruimte  van  vrijheid,  veiligheid  en  rechtvaardigheid  tot  stand  te  brengen  die  openstaat  voor  degenen die onder druk van de omstandigheden op legale wijze om bescherming in de  Gemeenschap verzoeken.  OE  2004/83/EG overweging 2  De  Europese  Raad  is  tijdens  zijn  bijzondere  bijeenkomst  in  Tampere  op  15  en  16  oktober  1999  overeengekomen  te  streven  naar  de  invoering  van  een  gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en niet-restrictieve  toepassing van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28  juli 1951 (,,Verdrag van Genève"), zoals aangevuld door het Protocol van New York  van 31 januari 1967 (,,Protocol"), en zo het verbod tot uitzetting of terugleiding (non refoulement) te handhaven en te garanderen dat niemand naar het land van vervolging  wordt teruggestuurd.  OE  2004/83/EG overweging 3  Het Verdrag van Genève en het Protocol vormen de hoeksteen van het internationale  rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.  OE  2004/83/EG overweging 4  Volgens de conclusies van Tampere dient een gemeenschappelijk Europees asielstelsel  op korte termijn op elkaar afgestemde regels te omvatten inzake de toekenning en de  inhoud van de vluchtelingenstatus.  OE  2004/83/EG overweging 5  De  conclusies  van  Tampere  houden  tevens  in,  dat  de  bepalingen  ten  aanzien  van  de  vluchtelingenstatus  moeten  worden  aangevuld  met  maatregelen  inzake  subsidiaire  vormen  van  bescherming  die  eenieder  die  een  dergelijke  bescherming  behoeft  een  passende status verlenen.  nieuw  De eerste fase van de opbouw van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel is nu  voltooid.  De  Europese  Raad  van  4 november  2004  heeft  het  Haags  programma  aangenomen  waarin  de  doelstellingen  zijn  opgenomen  die  in  de  ruimte  van  vrijheid,  NL  13    

In  het  Europees  pact  over  immigratie  en  asiel,  dat  op  16  oktober  2008  werd  goedgekeurd, constateerde de Europese Raad dat er tussen de lidstaten nog altijd grote  verschillen bestaan wat het verlenen en de vormen van bescherming betreft, en drong  hij  aan  op  nieuwe  initiatieven  om  de  in  het  Haags  programma  opgenomen  invoering  van  het  gemeenschappelijk  Europees  asielstelsel  te  voltooien  en  op  die  manier  een  hoger beschermingsniveau te bieden.   Gezien  de  resultaten  van  de  verrichte  evaluaties  is  het  moment  gekomen  om  de  onderliggende  beginselen  van  Richtlijn  2004/83/EG  te  bevestigen  en  om  te  streven  naar een hoger harmonisatieniveau van de regels inzake de verlening en de inhoud van  internationale  bescherming  op  basis  van  hogere  normen,  teneinde  verdere  stappen  te  zetten  in  de  richting  van  een  uniforme  beschermingsstatus  voor  de  gehele  Unie,  overeenkomstig de doelstelling van het Haags programma.   Er  dient  gebruik  te  worden  gemaakt  van  de  middelen  van  het  Europees  Vluchtelingenfonds en van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken om de  lidstaten  voldoende  ondersteuning  te  geven  bij  de  toepassing  van  de  normen  die  worden vastgesteld in de tweede fase van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel,  in het bijzonder die lidstaten waarvan het asielstelsel specifiek  en onevenredig onder  druk  staat,  met  name  als  gevolg  van  de  ligging  of  de  demografische  situatie  van  die  lidstaten.   OE  2004/83/EG overweging 6   Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat er in alle lidstaten een  minimaal  niveau  aan  bescherming  wordt  geboden  aan  personen  die  werkelijk  bescherming behoeven omdat zij redelijkerwijze niet erop kunnen vertrouwen dat hun  land  van  herkomst  of  het  land  van  de  gewone  verblijfplaats  deze  bescherming  verstrekt  en  anderzijds  ervoor  te  zorgen  dat  deze  personen  in  alle  lidstaten  over  bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.  OE  2004/83/EG overweging 7   nieuw  De  onderlinge  aanpassing  van  bepalingen  inzake  de  erkenning  en  de  inhoud  van  de  vluchtelingenstatus  en  de  subsidiaire  bescherming  dient  ertoe  bij  te  dragen  de  secundaire  migratie  van  asielzoekers   personen  die  om  internationale  bescherming  verzoeken    tussen  de  lidstaten  te  beperken,  voor  zover  deze  migratie  louter  door  verschillen in de wetgevingen wordt veroorzaakt.  NL  14    

OE  2004/83/EG overweging 8  Het ligt in de aard van minimumnormen, dat de lidstaten ten aanzien van onderdanen  van  derde  landen  en  staatlozen  die  om  internationale  bescherming  van  een  lidstaat  verzoeken,  gunstiger  bepalingen  kunnen  treffen  of  in  stand  houden,  mits  het  desbetreffende verzoek door een vluchteling in de zin van artikel 1 A van het Verdrag  van  Genève  of  door  een  persoon  die  anderszins  internationale  bescherming  behoeft,  wordt geacht te zijn ingediend.  OE  2004/83/EG overweging 9  Onderdanen  van  derde  landen  of  staatlozen  die  op  het  grondgebied  van  de  lidstaten  mogen  blijven  om  redenen  die  geen  verband  houden  met  een  behoefte  aan  internationale  bescherming,  maar,  op  discretionaire  basis,  uit  mededogen  of  op  humanitaire gronden, vallen niet onder deze richtlijn.  OE  2004/83/EG  overweging  10  (aangepast)   nieuw  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name  zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie    19    . In  het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, en het recht op asiel van  asielzoekers  en  hun  begeleidende  familieleden  en  de  bescherming  bij  verwijdering,  uitzetting  en  uitlevering  op  grond  van  de  artikelen  1,  18  en  19  van  het  Handvest  ten  volle te eerbiedigen   en de toepassing van de artikelen 1, 7, 14, 15, 16, 18, 21, 24, 34  en  35  van  het  Handvest  te  bevorderen,  en  dient  dienovereenkomstig  te  worden  toegepast  .   OE  2004/83/EG overweging 11  Met betrekking tot de behandeling van personen die onder de werkingssfeer van deze  richtlijn  vallen,  zijn  de  lidstaten  gebonden  aan  de  verplichtingen  uit  hoofde  van  de  instrumenten  van  internationaal  recht  waarbij  zij  partij  zijn  en  die  discriminatie  verbieden.  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.  NL  15    

OE  2004/83/EG overweging 12   nieuw  Het  ,,belang  van  het  kind"  dient  bij  de  uitvoering  van  deze  richtlijn  een  van  de  hoofdoverwegingen  van  de  lidstaten  te  zijn   ,  overeenkomstig  het  Verdrag  van  de  Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989   .   nieuw   Het  begrip  "gezinsleden"  dient  te  worden  verruimd,  waarbij  rekening  moet  worden  gehouden  met  de  verschillende  vormen  van  afhankelijkheid  en  bijzondere  aandacht  moet worden besteed aan het belang van het kind.   OE  2004/83/EG overweging 13  Deze richtlijn geldt onverminderd het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese  Gemeenschap  gehechte  Protocol  inzake  asiel  voor  onderdanen  van  lidstaten  van  de  Europese Unie.  OE  2004/83/EG overweging 14  De erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht.  OE  2004/83/EG overweging 15  Het Handboek over procedures en criteria voor het bepalen van de vluchtelingenstatus  van Overleg met het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor vluchtelingen  bevat kan voor de lidstaten waardevolle aanwijzingen opleveren bij het vaststellen van  de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 1 van het Verdrag van Genève.  OE  2004/83/EG overweging 16  Er  dienen  minimumnormen  voor  de  omschrijving  en  de  inhoud  van  de  vluchtelingenstatus te worden vastgesteld om de bevoegde nationale instanties van de  lidstaten bij de toepassing van het Verdrag van Genève voor te lichten.  NL  16    

OE  2004/83/EG overweging 17  Het  is  noodzakelijk  gemeenschappelijke  begrippen  in  te  voeren  van  de  criteria  op  grond waarvan asielzoekers als vluchtelingen in de zin van artikel 1 van het Verdrag  van Genève worden aangemerkt.   OE  2004/83/EG overweging 18   Met name is het nodig tot gemeenschappelijke begrippen te komen ten aanzien van de  behoefte  aan  bescherming  ter  plaatse;  de  oorsprong  van  schade  en  bescherming;  en  binnenlandse  bescherming  en  vervolging,  met  inbegrip  van  de  redenen  van  de  vervolging.  OE  2004/83/EG overweging 19   nieuw  Bescherming  wordt  niet  alleen  geboden  door  de  staat,  maar  ook  door  partijen  of  organisaties, met inbegrip van internationale organisaties, die voldoen  aan de criteria  van deze richtlijn, leden 2 en 3, en die een regio of een deel van enige omvang van het  grondgebied  van  de  staat  beheersen   en  bereid  en  in  staat  zijn  de  rechtsstaat  te  handhaven. Deze bescherming moet doeltreffend en duurzaam zijn.     nieuw  De  verzoeker  dient  daadwerkelijk  binnenlandse  bescherming  te  genieten  in  een  deel  van  het  land  van  herkomst  waar  hij  op  een  veilige  en  wettige  manier  naartoe  kan  reizen, wordt toegelaten en zich kan vestigen.  OE  2004/83/EG overweging 20  Met  name  Het  is  het  nodig  dat  de  lidstaten  bij  de  beoordeling  van  aanvragen  om  internationale  bescherming  van  minderjarigen,  met  specifiek  op  kinderen  gerichte  vormen  van  vervolging  rekening  houden,  zoals  het  ronselen  van  kinderen  voor  strijdkrachten, mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en dwangarbeid.    nieuw  Een van de voorwaarden om te worden erkend als vluchteling in de zin van artikel 1,  onder  A,  van  het  Verdrag  van  Genève  is  het  bestaan  van  een  oorzakelijk  verband  tussen de vervolging als zodanig en redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke  overtuiging  of  het  behoren  tot  een  bepaalde  sociale  groep.  Wanneer  de  vervolging  uitgaat  van  niet-overheidsactoren,  is  het  voldoende  dat  er  een  oorzakelijk  verband  NL  17    

OE  2004/83/EG overweging 21   nieuw  Met  name  Het  is  het  tevens  nodig  tot  een  gemeenschappelijke  opvatting  te  komen  aangaande  de  vervolgingsgrond  ,,het  behoren  tot  een  bepaalde  sociale  groep"  ,  die  zodanig  moet  worden  uitgelegd  dat  daaronder  zowel  groepen  vallen  die  kunnen  worden  gedefinieerd op  grond van bepaalde fundamentele kenmerken, zoals geslacht  of seksuele gerichtheid, als groepen, zoals vakbonden, die uit personen bestaan die een  achtergrond of gemeenschappelijke eigenschappen bezitten, die dermate fundamenteel  is  voor  de  identiteit  of  de  morele  integriteit  dat  van  deze  personen  niet  mag  worden  gedwongen  het  lidmaatschap  van  die  groep  op  te  geven.   Bij  het  omschrijven  van  een  bepaalde  sociale  groep  moet  terdege  rekening  worden  gehouden  met  genderaspecten.     OE  2004/83/EG overweging 22  Handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde  Naties zijn omschreven in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van  de  Verenigde  Naties,  en  zijn  onder  andere  neergelegd  in  de  resoluties  van  de  Verenigde  Naties  betreffende  maatregelen  ter  bestrijding  van  het  terrorisme,  waarin  wordt verklaard dat ,,terroristische daden, methoden en werkwijzen strijdig zijn met de  doelstellingen  en  beginselen  van  de  Verenigde  Naties",  en  dat  het  doelbewust  financieren en plannen van en het aanzetten tot terroristische daden eveneens strijdig  zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.  OE  2004/83/EG overweging 23  Als bedoeld in artikel 14, kan het begrip ,,status" ook de vluchtelingenstatus omvatten.  OE  2004/83/EG overweging 24  Tevens  dienen  minimumnormen  te  worden  vastgesteld  voor  de  omschrijving  en  inhoud van subsidiaire bescherming. De subsidiaire beschermingsregeling moet de in  het  Verdrag  van  Genève  vastgelegde  regeling  ter  bescherming  van  vluchtelingen  aanvullen.  OE  2004/83/EG overweging 25  Er  dienen  criteria  te  worden  vastgesteld  om  degenen  die  om  internationale  bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in  NL  18    

OE  2004/83/EG overweging 26  Gevaren  waaraan  de  bevolking  van  een  land  of  een  deel  van  de  bevolking  in  het  algemeen is blootgesteld, vormen normaliter op  zich geen individuele bedreiging die  als ernstige schade kan worden aangemerkt.   OE  2004/83/EG overweging 27  Zich  ervan  bewust  dat  de  Ggezinsleden  zijn  louter  door  hun  verwantschap  met  de  vluchteling  normaal  gezien  op  zodanige  wijze  kwetsbaar  zijn  voor  daden  van  vervolging dat zulks een grond voor de toekenning van de status van vluchteling zou  kunnen vormen.  OE  2004/83/EG overweging 28  Het  begrip  nationale  veiligheid  en  openbare  orde  heeft  ook  betrekking  op  gevallen  waarin een onderdaan van een derde land behoort tot een vereniging die steun verleent  aan het internationale terrorisme of een dergelijke vereniging steunt.  OE  2004/83/EG overweging 29  De  voordelen  die  aan  de  gezinsleden  van  personen  met  subsidiaire  bescherming  worden toegekend, hoeven niet noodzakelijkerwijs dezelfde te zijn als die welke aan  de statushouder worden toegekend, doch moeten in vergelijking daarmee wel billijk  zijn.   nieuw  Er dient op te worden toegezien dat bij het beantwoorden van de oproep in het Haags  programma  om  een  uniforme  status  in  te  voeren,  het  non-discriminatiebeginsel  ten  volle  wordt  nageleefd.  Daarom  dienen  aan  personen  die  subsidiaire  bescherming  genieten,  behalve  in  noodzakelijke  en  objectief  gerechtvaardigde  gevallen,  dezelfde  rechten en voordelen te  worden toegekend als aan vluchtelingen, en dienen voor hen  dezelfde voorwaarden te gelden.   NL  19    

OE  2004/83/EG overweging 30  Binnen de grenzen van hun internationale verplichtingen kunnen de lidstaten bepalen  dat  alvorens  voordelen  inzake  de  toegang  tot  werkgelegenheid,  sociale  zekerheid,  gezondheidszorg  en  integratievoorzieningen  kunnen  worden  toegekend,  een  verblijfstitel overeenkomstig artikel 22 moet zijn afgegeven.   nieuw  Om  ervoor  te  zorgen  dat  personen  die  internationale  bescherming  genieten  beter  gebruik kunnen maken van de in deze richtlijn beschreven rechten en voordelen, moet  rekening  worden  gehouden  met  hun  speciale  behoeften  en  met  de  specifieke  integratieproblemen waarmee zij worden geconfronteerd.  In dit verband dienen met name inspanningen te worden geleverd om iets te doen aan  de  problemen  als  gevolg  van  de  financiële  beperkingen  waardoor  personen  die  internationale  bescherming  genieten,  onvoldoende  toegang  hebben  tot  werkgebonden  onderwijsaanbod en beroepsopleiding.  OE  2004/83/EG overweging 31  Deze  richtlijn  is  niet  van  toepassing  op  financiële  voordelen  die  door  de  lidstaten  worden toegekend om onderwijs en opleiding te bevorderen.  OE  2004/83/EG overweging 32  Er dient rekening te worden gehouden met de praktische problemen die personen met  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire-beschermingsstatus  ondervinden  bij  het  waarmerken van hun buitenlandse diploma's, getuigschriften of andere bewijzen van  officiële kwalificaties.   nieuw  Er dienen speciale maatregelen te worden overwogen om een oplossing te vinden voor  de  praktische  problemen  die  personen  die  internationale  bescherming  genieten,  ondervinden  bij  het  waarmerken  van  hun  buitenlandse  diploma's,  getuigschriften  of  andere  bewijzen  van  officiële  kwalificaties,  in  het  bijzonder  als  gevolg  van  het  ontbreken  van  bewijsstukken  en  hun  onvermogen  om  de  kosten  van  de  erkenningsprocedures te betalen.  NL  20    

OE  2004/83/EG overweging 33   nieuw  Met  name  om  sociale  problemen  te  voorkomen  is  het  dienstig  dat  personen  met  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire-beschermingsstatus   die  internationale  bescherming  genieten    in  het  kader  van  de  sociale  bijstand  zonder  discriminatie  passende sociale voorzieningen en bestaansmiddelen ontvangen.  OE  2004/83/EG overweging 34  Wat sociale bijstand en gezondheidszorg betreft moeten de gedetailleerde bepalingen  inzake  de  verstrekking  van  de  fundamentele  prestaties  in  de  nationale  wetgeving  worden  vastgesteld.  De  mogelijkheid  om  de  prestaties  voor  personen  met  de  subsidiaire-beschermingsstatus  te  beperken  tot  de  fundamentele  prestaties  moet  zodanig  worden  opgevat  dat  hieronder  ten  minste  is  begrepen  minimale  inkomenssteun, steun bij ziekte, bij zwangerschap en bij hulpverlening aan ouders, in  de  mate  waarin  deze  overeenkomstig  de  wetgeving  van  de  betreffende  lidstaat  aan  eigen onderdanen worden toegekend.  OE  2004/83/EG overweging 35   nieuw  Personen  met  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire-beschermingsstatus   die  internationale bescherming genieten,   behoren toegang te krijgen tot lichamelijke en  geestelijke gezondheidszorg.   nieuw  In  de  integratieprogramma's  die  worden  aangeboden  aan  personen  die  internationale  bescherming  genieten,  dient  rekening  te  worden  gehouden  met  hun  specifieke  behoeften en omstandigheden.  OE  2004/83/EG overweging 36  De  uitvoering  van  deze  richtlijn  dient  met  regelmatige  tussenpozen  te  worden  geëvalueerd,  met  name  rekening  houdend  met  de  ontwikkeling  van  de  internationale  verplichtingen  van  de  lidstaten  inzake  non-refoulement,  met  de  ontwikkeling  van  de  arbeidsmarkt  in  de  lidstaten  alsook  met  de  ontwikkeling  van  de  gemeenschappelijke  basisbeginselen op het stuk van de integratie.  NL  21    

OE  2004/83/EG overweging 37  Aangezien de doelstellingen van de voorgestelde richtlijn, namelijk minimumnormen  vast te stellen voor de toekenning door de lidstaten van internationale bescherming aan  onderdanen  van  derde  landen  en  staatlozen  en  de  inhoud  van  de  verleende  bescherming,  niet  voldoende  door  de  lidstaten  kunnen  worden  verwezenlijkt,  en  derhalve wegens de omvang en de gevolgen van de voorgestelde maatregel beter door  de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig  het  in  artikel  5  van  het  Verdrag  neergelegde  subsidiariteitsbeginsel,  maatregelen  nemen.  Overeenkomstig  het  in  hetzelfde  artikel  neergelegde  evenredigheidsbeginsel  gaat  de  onderhavige  richtlijn  niet  verder  dan  nodig  is  om  deze  doelstellingen  te  verwezenlijken.  OE  2004/83/EG overweging 38   Overeenkomstig  artikel  3  van  het  Protocol  betreffende  de  positie  van  het  Verenigd  Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het  Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft het Verenigd Koninkrijk  bij  brief  van  28  januari  2002  kennis  gegeven  van  zijn  wens  deel  te  nemen  aan  de  aanneming en toepassing van deze richtlijn.  OE  2004/83/EG overweging 39   Overeenkomstig  artikel  3  van  het  Protocol  betreffende  de  positie  van  het  Verenigd  Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het  Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft Ierland bij brief van 13  februari  2002  kennis  gegeven  van  zijn  wens  deel  te  nemen  aan  de  aanneming  en  toepassing van deze richtlijn.  OE  2004/83/EG overweging 40  Overeenkomstig  de  artikelen  1  en  2  van  het  Protocol  betreffende  de  positie  van  Denemarken,  gehecht  aan  het  Verdrag  betreffende  de  Europese  Unie  en  het  Verdrag  tot  oprichting  van  de  Europese  Gemeenschap,  neemt  Denemarken  niet  deel  aan  de  aanneming  van  deze  richtlijn  en  is  deze  richtlijn  niet  bindend  voor,  noch  van  toepassing in Denemarken.,   nieuw  De  verplichting  tot  omzetting  van  deze  richtlijn  in  nationaal  recht  dient  te  worden  beperkt  tot  de  bepalingen  die  ten  opzichte  van  de  vorige  richtlijn  zijn  gewijzigd.  De  verplichting  tot  omzetting  van  de  ongewijzigde  bepalingen  vloeit  voort  uit  de  vorige  richtlijn.  NL  22    

OE  2004/83/EG (aangepast)   nieuw  HOOFDSTUK I  Algemene bepalingen  Artikel 1  Onderwerp en werkingssfeer   Doel    Het doel van deze richtlijn is minimumnormen vast te stellen voor de erkenning van  onderdanen  van  derde  landen  en  staatlozen  als   personen  die  internationale  bescherming  genieten    vluchteling  of  als  persoon  die  anderszins  internationale  bescherming behoeft, alsmede de inhoud van de verleende bescherming.  Artikel 2  Definities  In deze richtlijn wordt verstaan onder   gelden de volgende definities   :  ,,internationale  bescherming":  de  vluchtelingenstatus  en  de  subsidiaire  bescherming  zoals omschreven in de punten e)d) en g)f);   nieuw  "personen  die  internationale  bescherming  genieten":  personen  aan  wie  de  vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming is verleend in de zin van de punt e) en  g);  OE  2004/83/EG  ,,Verdrag  van  Genève":  het  Verdrag  betreffende  de  status  van  vluchtelingen  dat  op  28  juli  1951  te  Genève  tot  stand  is  gekomen,  zoals  gewijzigd  bij  het  Protocol  van  New York van 31 januari 1967;  NL  23    

,,vluchtelingenstatus":  de  erkenning  door  een  lidstaat  van  een  onderdaan  van  een  derde land of een staatloze als vluchteling;  ,,persoon  die  voor  de  subsidiaire-beschermingsstatus  in  aanmerking  komt":  een  onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in  aanmerking  komt,  doch  ten  aanzien  van  wie  er  zwaarwegende  gronden  bestaan  om  aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een  staatloze,  naar  het  land  waar  hij  vroeger  gewoonlijk  verbleef,  terugkeert,  een  reëel  risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17,  leden 1  en 2, niet van toepassing is, en die zich  niet onder de bescherming van dat  land kan of, wegens dat risico, wil stellen;   ,,subsidiaire-beschermingsstatus", de erkenning door een lidstaat van een onderdaan  van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming  in aanmerking komt;  ,,verzoek  om  internationale  bescherming":  een  verzoek  van  een  onderdaan  van  een  derde  land  of  een  staatloze  om  bescherming  van  een  lidstaat  die  kennelijk  de  vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk  verzoekt  om  een  andere,  niet  onder  deze  richtlijn  vallende  vorm  van  bescherming  waarom afzonderlijk kan worden gevraagd;   nieuw  "verzoeker": een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om  internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing  is genomen;  OE  2004/83/EG    nieuw  ,,gezinsleden":  voor  zover  het  gezin  reeds  bestond  in  het  land  van  herkomst,  de  volgende  leden  van  het  gezin  van  de  persoon  aan  wie  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire-beschermingsstatus  is  verleend   die  internationale  bescherming  geniet,   die in verband met het verzoek om internationale bescherming in dezelfde  lidstaat aanwezig zijn:   ­  de  echtgenoot  van  de  persoon  aan  wie  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire-beschermingsstatus  is  verleend   die  internationale  bescherming  geniet    of  diens  niet-gehuwde  partner  met  wie  hij  een  NL  24    

vreemdelingenwetgeving  op  een  vergelijkbare  wijze  behandelt  als  gehuwde paren;  ­  de  minderjarige  kinderen  van  de  bij  het  eerste  gedachtestreepje  bedoelde  paren  of  de  persoon  aan  wie  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire-beschermingsstatus  is  verleend   die  internationale  bescherming  geniet    ,  mits  zij  ongehuwd  zijn  en  ten  laste  komen,  ongeacht de vraag of zij naar nationaal recht wettige, buitenechtelijke of  geadopteerde kinderen zijn;   nieuw  ­  de  gehuwde  minderjarige  kinderen  van  de  bij  het  eerste  gedachtestreepje  bedoelde  paren  of  de  persoon  die  internationale  bescherming  geniet,  ongeacht  de  vraag  of  zij  naar  nationaal  recht  wettige,  buitenechtelijke  of  geadopteerde  kinderen  zijn,  indien  het  in  hun  belang  is  in  hetzelfde  land  te  verblijven  als  degene  die  internationale bescherming geniet;  ­  de vader, moeder of een ander volwassen familielid dat volgens de wet  of  het  gewoonterecht  verantwoordelijk  is  voor  de  persoon  die  internationale  bescherming  geniet,  indien  laatstgenoemde  minderjarig  en ongehuwd is, of indien hij minderjarig en gehuwd is maar het in zijn  belang is om in hetzelfde land te verblijven als zijn vader of moeder of  een ander volwassen familielid dat verantwoordelijk voor hem is;   ­  de  minderjarige  ongehuwde  broers  en  zussen  van  de  persoon  die  internationale  bescherming  geniet,  indien  laatstgenoemde  minderjarig  en  ongehuwd  is,  of  indien  de  persoon  die  internationale  bescherming  geniet of zijn broers en zussen minderjarig en gehuwd zijn maar het in  het  belang  van  een  of  meer  van  hen  is  om  in  hetzelfde  land  te  verblijven;  "minderjarige": een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan  18 jaar;  OE  2004/83/EG (aangepast)   nieuw  i),,niet-begeleide minderjarigen": onderdanen van derde landen en staatlozen jonger  dan 18 jaar   een minderjarige   die zonder begeleiding van een voor henm hetzij  wettelijk,  hetzij  volgens  het  gewoonterecht  verantwoordelijke  volwassene  op  het  grondgebied  van  de  lidstaten  aankomten,  zolang  hzij  niet  daadwerkelijk  onder  de  hoede van een dergelijke volwassene iszijn gesteld. Ook vallen onder deze definitie  minderjarigen  die,  nadat  zij  het  grondgebied  van  de  lidstaten  zijn  binnengekomen,  zonder begeleiding zijn komen te verkeren;   NL  25    

,,land  van  herkomst":  het  land  of  de  landen  van de  nationaliteit  of,  voor staatlozen,  van de vroegere gewone verblijfplaats.  Artikel 3  Gunstiger normen  De  lidstaten  kunnen  ter  bepaling  van  wie  als  vluchteling  of  als  voor  subsidiaire  bescherming  in  aanmerking  komend  persoon  wordt  erkend  en  ter  bepaling  van  de  inhoud  van  de  internationale  bescherming,  gunstiger  normen  vaststellen  of  handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.  HOOFDSTUK II  Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming  Artikel 4  Beoordeling van feiten en omstandigheden  De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van  het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat  heeft  tot  taak  om  de  relevante  elementen  van  het  verzoek  in  samenwerking  met  de  verzoeker te beoordelen.  De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle  documentatie  in  het  bezit  van  de  verzoeker  over  zijn  leeftijd,  achtergrond,  ook  die  van  relevante  familieleden,  identiteit,  nationaliteit(en),  land(en)  en  plaats(en)  van  eerder  verblijf,  eerdere  asielverzoeken,  reisroutes,  identiteits-  en  reisdocumenten  en  de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.  De  beoordeling  van  een  verzoek  om  internationale  bescherming  moet  plaatsvinden  op individuele basis en houdt onder meer rekening met:  a)  alle  relevante  feiten  in  verband  met  het  land  van  herkomst  op  het  tijdstip  waarop  een  beslissing  inzake  het  verzoek  wordt  genomen  met  inbegrip  van  wettelijke  en  bestuursrechtelijke  bepalingen  van  het  land  van  herkomst  en  de  wijze waarop deze worden toegepast;  b)  de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen  met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige  schade is blootgesteld dan wel blootgesteld zou kunnen worden;  NL  26    

  • d) 
    de vraag of zijn activiteiten, sedert hij zijn land  heeft verlaten, uitsluitend ten  doel  hadden  de  nodige  voorwaarden  te  scheppen  om  een  verzoek  om  internationale  bescherming  te  kunnen  indienen,  teneinde  na  te  gaan  of  de  betrokkene,  in  geval  van  terugkeer  naar  dat  land,  door  die  activiteiten  aan  vervolging of ernstige schade zal worden blootgesteld;  e)  de  vraag  of  in  redelijkheid  kan  worden  verwacht  dat  de  verzoeker  zich  onder  de  bescherming  kan  stellen  van  een  ander  land  waar  hij  zich  op  zijn  staatsburgerschap kan beroepen.  Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan  ernstige  schade  of  dat  hij  rechtstreeks  is  bedreigd  met  dergelijke  vervolging  of  dergelijke  schade,  is  een  duidelijke  aanwijzing  dat  de  vrees  van  de  verzoeker  voor  vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er  goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet  opnieuw zal voordoen.  Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker  is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks  het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van  de  verzoeker,  geloofwaardig  geacht  en  wordt  hem  het  voordeel  van  de  twijfel  gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:  a)  de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;  b)  alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, of er  is  een  bevredigende  verklaring  gegeven  omtrent  het  ontbreken  van  andere  relevante elementen;  c)  de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden  en  zijn  niet  in  strijd  met  beschikbare  algemene  en  specifieke  informatie  die  relevant is voor zijn verzoek;  d)  de  verzoeker  heeft  zijn  verzoek  om  internationale  bescherming  zo  spoedig  mogelijk  ingediend,  tenzij  hij  goede  redenen  kan  aanvoeren  waarom  hij  dit  heeft nagelaten, en  e)  vast  is  komen  te  staan  dat  de  verzoeker  in  grote  lijnen  als  geloofwaardig  kan  worden beschouwd.  NL  27    

Ter plaatse ontstane behoefte aan internationale bescherming  Een  gegronde  vrees  voor  vervolging  of  een  reëel  risico  op  het  lijden  van  ernstige  schade  kan  gegrond  zijn  op  gebeurtenissen  die  hebben  plaatsgevonden  nadat  de  verzoeker het land van herkomst heeft verlaten.  Een  gegronde  vrees  voor  vervolging  of  een  reëel  risico  op  het  lijden  van  ernstige  schade  kan  gegrond  zijn  op  activiteiten  van  de  verzoeker  sedert  hij  het  land  van  herkomst  heeft  verlaten,  met  name  wanneer  wordt  vastgesteld  dat  de  betrokken  activiteiten  de  uitdrukking  en  de  voortzetting  vormen  van  overtuigingen  of  strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.  Onverminderd  het  Verdrag  van  Genève,  kunnen  de  lidstaten  vaststellen  dat  een  verzoeker die een herhaalde aanvraag indient, normaliter niet de vluchtelingenstatus  wordt verleend indien het risico van vervolging gegrond is op omstandigheden die de  verzoeker zelf heeft veroorzaakt nadat hij het land van herkomst heeft verlaten.  Artikel 6  Actoren van vervolging of ernstige schade  Actoren van vervolging of ernstige schade kunnen onder meer zijn:  a)  de staat;   b)  partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied  beheersen;  c)  niet-overheidsactoren,  indien  kan  worden  aangetoond  dat  de  actoren  als  bedoeld  in  de  punten  a)  en  b),  inclusief  internationale  organisaties,  geen  bescherming als bedoeld in artikel 7 kunnen of willen bieden tegen vervolging  of ernstige schade.  Artikel 7  Actoren van bescherming  Bescherming   tegen vervolging of ernstige schade moet doeltreffend en duurzaam  zijn en   kan   alleen   worden geboden door:  a)  de staat; of   b)  partijen of organisaties, inclusief internationale organisaties, die de staat of een  aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen   en die bereid en in staat zijn  de rechtsstaat te handhaven  .  NL  28    

Bij het beoordelen of een internationale organisatie een staat of een aanzienlijk deel  van  zijn  grondgebied  beheerst  en  bescherming  verleent  als  omschreven  in  lid  2,  houden  de  lidstaten  rekening  met  de  richtsnoeren  die  worden  gegeven  in  toepasselijke Raadsbesluiten.  Artikel 8  Binnenlandse bescherming  Als  onderdeel  van  de  beoordeling  van  het  verzoek  om  internationale  bescherming  kunnen  de  lidstaten  vaststellen  dat  een  verzoeker  geen  behoefte  heeft  aan  internationale  bescherming,  indien  er  in  een  deel  van  het  land  van  herkomst  geen  gegronde vrees bestaat voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade   hij  in  een  deel  van  het  land  van  herkomst  waar  hij  op  een  veilige  en  wettige  manier  naartoe  kan  reizen,  wordt  toegelaten  en  zich  kan  vestigen,  toegang  heeft  tot  bescherming tegen vervolging of ernstige schade in de zin van artikel 7   , en van de  verzoeker  redelijkerwijs  kan  worden  verwacht  dat  hij  naar  in  dat  deel  van  het  land  blijft.   Bij  de  beoordeling  of   een  verzoeker  toegang  heeft  tot  bescherming  tegen  vervolging  of  ernstige  schade  in    een  deel  van  het  land  van  herkomst  aan  de  in   overeenkomstig    lid  1  genoemde  voorwaarden  voldoet,  houden  de  lidstaten  bij  hun  beslissing  over  het  verzoek  rekening  met  de  algemene  omstandigheden  in  dat  deel  van  het  land  en  met  de  persoonlijke  omstandigheden  van  de  verzoeker  op  het  tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen.   Daartoe zorgen  de  lidstaten  ervoor  dat  zij  beschikken  over  nauwkeurige  en  actuele  informatie  uit  verschillende  bronnen,  zoals  de  Hoge  Commissaris  van  de  Verenigde  Naties  voor  Vluchtelingen en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken.     Lid  1  kan  van  toepassing  zijn  ondanks  het  feit  dat  er  technische  belemmeringen  bestaan om terug te keren naar het land van herkomst.  NL  29    

Voorwaarden voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus  Artikel 9  Daden van vervolging   Om  te  worden  beschouwd  als  een    dDaaden  van  vervolging  in  de  zin  van  artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moeten   de daad   :  a)  zo  ernstig  van  aard  zijn  of  zo  vaak  voorkomen  dat  zij  een  ernstige  schending  vormten  van  de  grondrechten  van  de  mens,  met  name  de  rechten  ten  aanzien  waarvan  geen  afwijking  mogelijk  is  uit  hoofde  van  artikel  15,  lid  2,  van  het  Europees  Verdrag  tot  bescherming  van  de  rechten  van  de  mens  en  de  fundamentele vrijheden; of  b)  een  samenstel  zijn  van  verschillende  maatregelen,  waaronder  mensenrechtenschendingen,  die  voldoende  ernstig  zijn  om  iemand  op  een  soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a).  Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:   a)  daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;  b)  wettelijke,  administratieve,  politiële  en/of  gerechtelijke  maatregelen  die  op  zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;  c)  onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;  d)  ontneming  van  de  toegang  tot  rechtsmiddelen,  waardoor  een  onevenredig  zware of discriminerende straf wordt opgelegd;  e)  vervolging  of  bestraffing  wegens  de  weigering  militaire  dienst  te  vervullen  tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten  of  handelingen  inhoudt  die  onder  de  uitsluitingsclausule  van  artikel  12,  lid  2  vallen;  f)  daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.  Overeenkomstig  artikel  2,  punt  c),  moet  er  een  verband  zijn  tussen  de  in  artikel  10  genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van  lid 1   of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden   .  NL  30    

Gronden van vervolging  Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met  de volgende elementen:  a)  het  begrip  ,,ras"  omvat  met  name  de  aspecten  huidskleur,  afkomst  of  het  behoren tot een bepaalde etnische groep;  b)  het  begrip  ,,godsdienst"  omvat  met  name  theïstische,  niet-theïstische  en  atheïstische  geloofsovertuigingen,  het  deelnemen  aan  of  het  zich  onthouden  van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in  gemeenschap  met  anderen,  andere  religieuze  activiteiten  of  uitingen,  dan  wel  vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige  overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;  c)  het begrip ,,nationaliteit" is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken  daarvan,  maar  omvat  met  name  ook  het  behoren  tot  een  groep  die  wordt  bepaald  door  haar  culturele,  etnische  of  linguïstische  identiteit,  door  een  gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap  met de bevolking van een andere staat;  d)  een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:  ­  leden  van  de  groep  een  aangeboren  kenmerk  vertonen  of  een  gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een  kenmerk of  geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de  betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden  geëist dat zij dit opgeven, en  ­  de  groep  in  het  betrokken  land  een  eigen  identiteit  heeft,  omdat  zij  in  haar  directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.  Afhankelijk  van  de  omstandigheden  in  het  land  van  herkomst  kan  een  specifieke  sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid  heeft.  Seksuele  gerichtheid  omvat  geen  handelingen  die  volgens  het  nationale  recht  van  de  lidstaten  als  strafbaar  worden  beschouwd.   Er  dient  ter  dege  rekening  te  worden gehouden met   gGenderaspecten kunnen in overweging worden genomen,  maar zijn op zichzelf geen aanleiding voor de toepassing van dit artikel   wanneer  moet  worden  vastgesteld  of  iemand  tot  een  bepaalde  sociale  groep  behoort  of  wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt beschreven   ;  e)  het  begrip  ,,politieke  overtuiging"  houdt  met  name  in  dat  de  betrokkene  een  opvatting,  gedachte  of  mening  heeft  betreffende  een  aangelegenheid  die  verband  houdt  met  de  in  artikel  6  genoemde  actoren  van  vervolging  en  hun  beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze  opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.  Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het  niet  terzake  of  de  verzoeker  in  werkelijkheid  de  raciale,  godsdienstige,  nationale,  NL  31    

Artikel 11  Beëindiging  Een onderdaan van een derde land of staatloze houdt op vluchteling te zijn wanneer  hij:  a)  vrijwillig  opnieuw  de  bescherming  inroept  van  het  land  van  zijn  nationaliteit;  of  b)  na verlies van zijn nationaliteit deze vrijwillig opnieuw heeft verworven; of  c)  een  nieuwe  nationaliteit  heeft  verworven  en  de  bescherming  geniet  van  het  land van zijn nieuwe nationaliteit; of  d)  zich  vrijwillig  opnieuw  gevestigd  heeft  in  het  land  dat  hij  had  verlaten  of  waarbuiten hij zich bevond uit vrees voor vervolging; of  e)  omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling werd erkend,  hebben  opgehouden  te  bestaan,  niet  langer  kan  weigeren  zich  onder  de  bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit;  f)  indien  hij  geen  nationaliteit  bezit   staatloos  is  ,  kan  terugkeren  naar  het  land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden  in  verband  waarmee  hij  als  vluchteling  is  erkend,  hebben  opgehouden  te  bestaan.  Bij de toepassing van de punten e) en f), van lid 1, dienen   gaan   de lidstaten na  te gaan of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand  karakter  heeft  om  de  gegronde  vrees  van  de  vluchteling  voor  vervolging weg te nemen.   nieuw  De punten e) en f) van lid 1 zijn niet van toepassing op vluchtelingen die dwingende  redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kunnen aanvoeren om te weigeren  de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezitten, of, in het geval van  staatlozen,  van  het  land  waar  zij  vroeger  hun  gewone  verblijfplaats  hadden,  in  te  roepen.  NL  32    

OE  2004/83/EG (aangepast)  Artikel 12  Uitsluiting  Een  onderdaan  van  een  derde  land  of  staatloze  wordt  uitgesloten  van  de  vluchtelingenstatus wanneer:  a)  hij onder artikel 1 D van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op  het  genieten  van  bescherming  of  bijstand  van  andere  organen  of  instellingen  van  de  Verenigde  Naties  dan  de  Hoge  Commissaris  van  de  Verenigde  Naties  voor  de  vluchtelingen.  Is  die  bescherming  of  bijstand  om  welke  reden  ook  opgehouden  zonder  dat  de  positie  van  de  betrokkene  definitief  geregeld  is  in  overeenstemming  met  de  desbetreffende  resoluties  van  de  algemene  vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit  feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;  b)  hij  door  de  bevoegde  autoriteiten  van  het  land  waar  hij  zich  heeft  gevestigd,  beschouwd wordt de rechten en verplichtingen te hebben, welke met het bezit  van  de  nationaliteit  van  dat  land  verbonden  zijn,  of  daarmee  gelijkwaardige  rechten en verplichtingen.  Een  onderdaan  van  een  derde  land  of  staatloze  wordt  uitgesloten  van  de  vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:  a)  hij  een  misdrijf  tegen  de  vrede,  een  oorlogsmisdrijf  of  een  misdrijf  tegen  de  menselijkheid  heeft  gepleegd,  zoals  gedefinieerd  in  de  internationale  instrumenten  waarmee  wordt  beoogd  regelingen  te  treffen  ten  aanzien  van  dergelijke misdrijven;  b)  hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan  voordat  hij  tot  dit  land  als  vluchteling  is  toegelaten,  dat  wil  zeggen  vóór  de  afgifte  van  een  verblijfsvergunning  op  grond  van  de  toekenning  van  de  vluchtelingenstatus; bijzonder wrede handelingen kunnen, zelfs indien zij met  een  beweerd  politiek  oogmerk  zijn  uitgevoerd,  als  ernstige,  niet-politieke  misdrijven aangemerkt worden;  c)  hij  zich  schuldig  heeft  gemaakt  aan  handelingen  welke  in  strijd  zijn  met  de  doelstellingen  en  beginselen  van  de  Verenigde  Naties  als  vervat  in  de  preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.  Lid 2 is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de  daar genoemde misdrijven of daden.  NL  33    

Vluchtelingenstatus  Artikel 13  Verlening van de vluchtelingenstatus  De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of  staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.  Artikel 14  Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus  Met  betrekking  tot  verzoeken  om  internationale  bescherming  die  worden  ingediend  na de inwerkingtreding van deze Rrichtlijn   2004/83/EG   , trekken de lidstaten  de  door  een  regerings-,  administratieve,  rechterlijke  of  quasi-rechterlijke  instantie  verleende vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze  in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij volgens de criteria  van artikel 11 geen vluchteling meer is.  Onverminderd  de  plicht  van  de  vluchteling  uit  hoofde  van  artikel  4,  lid  1,  om  melding te maken van alle relevante feiten en alle relevante documenten waarover hij  beschikt,  over  te  leggen,  toont  de  lidstaat  die  de  vluchtelingenstatus  heeft  verleend  per geval aan dat de betrokken persoon geen vluchteling meer is of dat nooit geweest  is, overeenkomstig lid 1.  De lidstaten trekken de vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of  staatloze  in,  beëindigen  deze  of  weigeren  deze  te  verlengen,  indien,  nadat  hem  de  vluchtelingenstatus is verleend, door de betrokken lidstaat wordt vastgesteld dat  a)  hij  op  grond  van  artikel  12  van  de  vluchtelingenstatus  uitgesloten  is  of  had  moeten zijn;  b)  hij  feiten  verkeerd  heeft  weergegeven  of  heeft  achtergehouden,  of  valse  documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening  van de vluchtelingenstatus.  De  lidstaten  kunnen  de  door  een  regerings-,  administratieve,  rechterlijke  of  quasi rechterlijke  instantie  aan  een  vluchteling  verleende  status  intrekken,  beëindigen  of  weigeren te verlengen wanneer:   a)  er  goede  redenen  bestaan  om  hem  te  beschouwen  als  een  gevaar  voor  de  veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt;  b)  hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief  veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf.  NL  34    

Personen  op  wie  lid  4  of  lid  5  van  toepassing  is,  genieten  de  rechten  die  zijn  vastgelegd in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het Verdrag van Genève of  daarmee vergelijkbare rechten, voor zover zij in de lidstaat aanwezig zijn.  HOOFDSTUK V  Voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming  Artikel 15  Ernstige schade  Ernstige schade bestaat uit:  a)  doodstraf of executie; of  b)  foltering  of  onmenselijke  of  vernederende  behandeling  of  bestraffing  van  een  verzoeker in zijn land van herkomst;  c)  ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger  als  gevolg  van  willekeurig  geweld  in  het  kader  van  een  internationaal  of  binnenlands gewapend conflict.  Artikel 16  Beëindiging  Een  onderdaan  van  een  derde  land  of  staatloze  komt  niet  meer  in  aanmerking  voor  subsidiaire  bescherming  wanneer  de  omstandigheden  op  grond  waarvan  de  subsidiaire  bescherming  is  verleend,  niet  langer  bestaan,  of  zodanig  zijn  gewijzigd  dat deze bescherming niet langer nodig is.  Bij de toepassing van lid 1, nemen de lidstaten in aanmerking of de wijziging van de  omstandigheden  zo  ingrijpend  en  niet-voorbijgaand  is  dat  de  persoon  die  in  aanmerking  komt  voor  subsidiaire  bescherming  niet  langer  een  reëel  risico  op  ernstige schade loopt.   nieuw  Lid 1 is niet van toepassing op personen die subsidiaire bescherming genieten en die  dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere  ernstige schade, kunnen  aanvoeren  NL  35    

OE  2004/83/EG   nieuw  Artikel 17  Uitsluiting  Een  onderdaan  van  een  derde  land  of  staatloze  wordt  uitgesloten  van  subsidiaire  bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:  a)  hij  een  misdrijf  tegen  de  vrede,  een  oorlogsmisdrijf  of  een  misdrijf  tegen  de  menselijkheid  heeft  gepleegd,  zoals  gedefinieerd  in  de  internationale  instrumenten  waarmee  wordt  beoogd  regelingen  te  treffen  ten  aanzien  van  dergelijke misdrijven;  b)  hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd;  c)  hij  zich  schuldig  heeft  gemaakt  aan  handelingen  welke  in  strijd  zijn  met  de  doelstellingen  en  beginselen  van  de  Verenigde  Naties  als  vervat  in  de  preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;  d)  hij een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de veiligheid van de lidstaat  waar hij zich bevindt.  Lid 1 is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de  daar genoemde misdrijven of daden.  De  lidstaten  mogen  een  onderdaan  van  een  derde  land  of  staatloze  van  subsidiaire  bescherming  uitsluiten,  indien  hij,  voordat  hij  tot  de  betrokken  lidstaat  werd  toegelaten, een of meer andere dan de in lid 1 bedoelde misdrijven heeft gepleegd die  strafbaar  zouden  zijn  met  gevangenisstraf  indien  zij  in  de  betrokken  lidstaat  waren  gepleegd,  en indien hij zijn land van herkomst alleen heeft verlaten om straffen als  gevolg van deze misdrijven te ontlopen.  NL  36    

Subsidiaire-beschermingsstatus  Artikel 18  Verlening van de subsidiaire-beschermingsstatus  De  lidstaten  verlenen  de  subsidiaire-beschermingsstatus  aan  een  onderdaan  van  een  derde  land  of  staatloze  die  overeenkomstig  de  hoofdstukken  II  en  V  in  aanmerking  komt voor subsidiaire bescherming.  Artikel 19  Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de subsidiaire beschermingsstatus  Met  betrekking  tot  na  de  inwerkingtreding  van  deze  richtlijn  ingediende  verzoeken  om  internationale  bescherming,  trekken  de  lidstaten  de  door  een  regerings-,  administratieve,  rechterlijke  of  quasi-rechterlijke  instantie  verleende  subsidiaire beschermingsstatus  van  een  onderdaan  van  een  derde  land  of  een  staatloze  in,  beëindigen  zij  deze  of  weigeren  zij  deze  te  verlengen  indien  hij  volgens  de  criteria  van artikel 16 niet langer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.  De  lidstaten  kunnen  de  door  een  regerings-,  administratieve,  rechterlijke  of  quasi rechterlijke  instantie  verleende  subsidiaire-beschermingsstatus  van  een  onderdaan  van  een  derde  land  of  een  staatloze  intrekken,  beëindigen  of  weigeren  te  verlengen  indien  hij,  nadat  hem  de  subsidiaire-beschermingsstatus  was  verleend,  had  moeten  worden uitgesloten van subsidiaire bescherming overeenkomstig artikel 17, lid 3.  De  lidstaten  trekken  de  subsidiaire-beschermingsstatus  van  een  onderdaan  van  een  derde land of staatloze in, beëindigen deze of weigeren deze te verlengen indien:  a)  hij,  nadat  hem  de  subsidiaire-beschermingsstatus  is  verleend,  op  grond  van  artikel  17,  leden  1  en  2,  van  subsidiaire  bescherming  uitgesloten  is  of  had  moeten zijn;  b)  hij  feiten  verkeerd  heeft  weergegeven  of  heeft  achtergehouden,  of  valse  documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening  van de subsidiaire-beschermingsstatus.  Onverminderd  de  plicht,  uit  hoofde  van  artikel  4,  lid  1,  van  de  onderdaan  van  een  derde  land  of  staatloze  om  melding  te  maken  van  alle  relevante  feiten  en  alle  relevante documenten waarover hij beschikt over te leggen, toont de lidstaat die de  subsidiaire-beschermingsstatus  heeft  verleend  per  geval  aan  dat  de  betrokken  persoon  niet  of  niet  langer  in  aanmerking  komt  voor  subsidiaire  bescherming,  overeenkomstig de leden 1, 2 en 3.  NL  37    

Kenmerken van de internationale bescherming  Artikel 20  Algemene bepalingen  Dit  hoofdstuk  geldt  onverminderd  de  in  het  Verdrag  van  Genève  neergelegde  rechten.  Dit hoofdstuk geldt zowel voor vluchtelingen als voor personen die voor subsidiaire  bescherming in aanmerking komen, tenzij anders is bepaald.  Bij de toepassing van dit hoofdstuk houden de lidstaten rekening met de  specifieke  situatie  van  kwetsbare  personen  zoals  minderjarigen,  niet-begeleide  minderjarigen,  personen  met  een  handicap,  ouderen,  zwangere  vrouwen,  alleenstaande  ouders  met  minderjarige  kinderen   ,  slachtoffers  van  mensenhandel,  personen  met  geestelijke  gezondheidsproblemen    en  personen  die  folteringen  hebben  ondergaan,  zijn  verkracht  of  aan  andere  ernstige  vormen  van  psychologisch,  fysiek  of  seksueel  geweld zijn blootgesteld.  Lid  3  is  uitsluitend  van  toepassing  op  personen  die  volgens  een  individuele  beoordeling van hun situatie bijzondere behoeften hebben.  Bij  de  uitvoering  van  de  bepalingen  van  dit  hoofdstuk  die  betrekking  hebben  op  minderjarigen, laten de lidstaten zich primair leiden door het belang van het kind.  6.  Binnen  de  beperkingen  die  het  Verdrag  van  Genève  stelt,  mogen  de  lidstaten  de  voorzieningen  van  dit  hoofdstuk  beperken  voor  vluchtelingen  die  hun  vluchtelingenstatus  hebben  verkregen  op  basis  van  activiteiten  die  uitsluitend  of  in  hoofdzaak ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om als vluchteling te  worden erkend.  Artikel 21  Bescherming tegen refoulement  De  lidstaten  eerbiedigen  het  beginsel  van  non-refoulement  met  inachtneming  van  hun internationale verplichtingen.  NL  38    

  • a) 
    er  goede  redenen  bestaan  om  hem  te  beschouwen  als  een  gevaar  voor  de  veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt; of  b)  hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief  veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf.  De lidstaten mogen de verblijfstitel van een vluchteling op wie lid 2 van toepassing  is, intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen of te verstrekken.  Artikel 22  Informatie  De  lidstaten  verschaffen  personen  ten  aanzien  van  wie  is  erkend  dat  zij   die    internationale  bescherming  behoeven   genieten    zo  spoedig  mogelijk  nadat  hun  de  desbetreffende  beschermingsstatus  is  verleend,  toegang  tot  in  een  voor  hen  begrijpelijke taal duidelijke informatie betreffende de rechten en plichten die verband  houden met die status   , in een taal die zij redelijkerwijs geacht kunnen worden te  begrijpen   .  Artikel 23  Instandhouding van het gezin  De lidstaten zorgen ervoor dat het gezin in stand kan worden gehouden.  De lidstaten waarborgen dat gezinsleden van de persoon met de vluchtelingenstatus  of de subsidiaire-beschermingsstatus   die internationale bescherming geniet,   die  zelf  niet  in  aanmerking  komen  voor  die  statussen   bescherming  ,  aanspraak  kunnen  maken  op  de  in  de  artikelen  24  tot  en  met  34  genoemde  voordelen,  overeenkomstig  de  nationale  procedures  en  voor  zover  verenigbaar  met  de  persoonlijke juridische status van het gezinslid.  Ten aanzien van de gezinsleden van personen met de subsidiaire-beschermingsstatus  kunnen de lidstaten de voorwaarden voor de betrokken voordelen bepalen.  In  dat  geval  zien  de  lidstaten  erop  toe  dat  de  toegekende  rechten  een  toereikende  levensstandaard waarborgen.  De  leden  1  en  2  zijn  niet  van  toepassing  wanneer  het  gezinslid  op  grond  van  de  hoofdstukken  III  en  V  van  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire beschermingsstatus uitgesloten is   van internationale bescherming   .  NL  39    

    De lidstaten kunnen besluiten dat dit artikel ook geldt voor andere naaste verwanten  die ten tijde van het vertrek uit het land van herkomst deel uitmaakten van het gezin  van de persoon aan wie de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus  is verleend   die internationale bescherming geniet  , en die op dat tijdstip volledig  of grotendeels te zijnen laste kwamen.  Artikel 24  Verblijfstitels  Zo spoedig mogelijk nadat de vluchtelingenstatus is verleend en zonder dat afbreuk  wordt  gedaan  aan  artikel  21,  lid  3,  verstrekken  de  lidstaten  aan  personen  met  de  vluchtelingenstatus   die  internationale  bescherming  genieten    een  verblijfstitel  die ten minste drie jaar geldig is en kan worden verlengd, tenzij dwingende redenen  van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten.  Onverminderd  het  bepaalde  in  artikel  23,  lid  1,  kan  de  aan  de  gezinsleden  van  de  personen met de vluchtelingenstatus   die internationale bescherming genieten   af  te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig zijn en verlengbaar zijn.  2.  Zo  spoedig  mogelijk  nadat  de  subsidiaire-beschermingsstatus  is  verleend,  verstrekken  de  lidstaten  personen  die  subsidiaire  bescherming  genieten  een  verblijfstitel  die  ten  minste  één  jaar  geldig  is  en  kan  worden  verlengd,  tenzij  dwingende  redenen  van  nationale  veiligheid  of  openbare  orde  zich  daartegen  verzetten.  Artikel 25  Reisdocumenten  De  lidstaten  verstrekken  personen  met  de  vluchtelingenstatus  reisdocumenten  in  de  in  de  bijlage  bij  het  Verdrag  van  Genève  vermelde  vorm  voor  reizen  buiten  hun  grondgebied,  tenzij  dwingende  redenen  van  nationale  veiligheid  of  openbare  orde  zich daartegen verzetten.  De  lidstaten  verstrekken  aan  personen  met  de  subsidiaire  beschermingsstatus  die  geen  nationaal  paspoort  kunnen  verkrijgen  documenten  waarmee  zij   buiten  hun  grondgebied    kunnen  reizen,  ten  minste  indien  om  ernstige  humanitaire  redenen  hun  aanwezigheid  in  een  andere  staat  is  vereist,  tenzij  dwingende  redenen  van  nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten.  NL  40    

Toegang tot werk  De  lidstaten  staan  personen  met  een  vluchtelingenstatus   die  internationale  bescherming genieten   toe onmiddellijk nadat hun deze status   bescherming   is  verleend,  een  beroepsactiviteit  als  werknemer  of  zelfstandige  op  te  nemen,  waarbij  de algemene voorschriften die gelden voor het beroep en de overheidsdienst moeten  worden nageleefd.  De  lidstaten  zorgen  ervoor  dat  personen  met  een  vluchtelingenstatus   die  internationale bescherming genieten   onder vergelijkbare voorwaarden als voor de  eigen onderdanen gelden, toegang krijgen tot voorzieningen zoals het werkgebonden  onderwijsaanbod  voor  volwassenen,  beroepsopleiding   ,  met  inbegrip  van  bijscholing,   en praktische werkervaring op de arbeidsplaats   en begeleiding van  arbeidsbemiddelingsbureaus  .   nieuw  De lidstaten spannen zich in om de in lid 2 bedoelde toegang tot het werkgebonden  onderwijsaanbod  en  de  beroepsopleiding  voor  personen  die  internationale  bescherming  genieten,  te  bevorderen  door  middel  van  maatregelen  als  het  zo  nodig  verstrekken  van  uitkeringen  of  leningen  voor  levensonderhoud  of  door  de  mogelijkheid te bieden in deeltijd te werken en te studeren.  OE  2004/83/EC   nieuw  3.  De  lidstaten  staan  personen  met  de  subsidiaire-beschermingsstatus  toe  onmiddellijk nadat hun deze status is verleend een beroepsactiviteit als werknemer of  zelfstandige  op  te  nemen,  waarbij  de  algemene  voorschriften  die  gelden  voor  het  beroep  en  de  overheidsdienst  moeten  worden  nageleefd.  Hierbij  kan  rekening  gehouden worden met de toestand van de arbeidsmarkt in de lidstaten, inclusief met  het  oog  op  de  eventuele  prioritering  van  de  toegang  tot  de  arbeidsmarkt  voor  een  beperkte, overeenkomstig de nationale wetgeving vast te stellen periode. De lidstaten  zorgen  ervoor  dat  personen  met  een  subsidiare-beschermingsstatus  toegang  hebben  tot  banen  die  hen  worden  aangeboden  overeenkomstig  de  nationale  voorschriften  inzake prioritering op de arbeidsmarkt.  4.  De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de subsidiaire-beschermingsstatus  onder  door  de  lidstaten  te  bepalen  voorwaarden  toegang  krijgen  tot  voorzieningen  zoals  het  werkgebonden  onderwijsaanbod  voor  volwassenen,  beroepsopleiding  en  praktische werkervaring op de arbeidsplaats.  Het  recht  dat  in  de  lidstaten  van  toepassing  is  op  de  beloning,  de  toegang  tot  socialezekerheidsstelsels  in  verband  met  beroepsactiviteiten  als  werknemer  of  zelfstandige, en de andere arbeidsvoorwaarden zijn van toepassing.  NL  41    

Toegang tot onderwijs  De  lidstaten  bieden  alle  minderjarigen  aan  wie  de  vluchtelingen-  of  de  subsidiaire beschermingsstatus   internationale  bescherming    is  verleend,  onder  dezelfde  voorwaarden  als  voor  de  eigen  onderdanen  gelden,  onbeperkt  toegang  tot  het  onderwijsstelsel.  De  lidstaten  bieden  volwassenen  aan  wie  de  vluchtelingen-  of  de  subsidiaire beschermingsstatus   internationale  bescherming    is  verleend,  onder  de  voorwaarden  die  voor  legaal  verblijvende  onderdanen  van  derde  landen  gelden,  toegang  tot  het  algemene  onderwijsstelsel,  voortgezette  opleidingsvoorzieningen  en  om- en herscholing.   3.  De  lidstaten  zorgen  ervoor  dat  personen  met  de  vluchtelingen-  of  de  subsidiaire-status  dezelfde  behandeling  krijgen  als  de  eigen  onderdanen,  wat  de  erkenning  van  buitenlandse  diploma's,  getuigschriften  en  andere  bewijzen  van  officiële kwalificaties betreft.   nieuw  Artikel 28  Toegang tot procedures voor de erkenning van kwalificaties  De  lidstaten  zorgen  ervoor  dat  personen  die  internationale  bescherming  genieten  dezelfde  behandeling  krijgen  als  de  eigen  onderdanen,  wat  de  erkenning  van  buitenlandse diploma's, getuigschriften en andere bewijzen van officiële kwalificaties  betreft.  De lidstaten spannen zich in personen die internationale bescherming genieten en die  geen bewijsstukken kunnen overleggen van hun kwalificaties, toegang te bieden tot  passende  regelingen  voor  de  beoordeling,  validering  en  erkenning  van  hun  eerdere  scholing. Dergelijke maatregelen moeten in overeenstemming zijn met artikel 2, lid  2,  en  artikel  3,  lid  3,  van  Richtlijn  2005/36/EG  van  het  Europees  Parlement  en  de  Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties 20 .  De  lidstaten  spannen  zich  in  om  te  voorkomen  dat  het  personen  die  internationale  bescherming  genieten,  onmogelijk  wordt  gemaakt  hun  buitenlandse  diploma's,  getuigschriften  en  andere  bewijzen  van  officiële  kwalificaties  te  laten  erkennen,  of  hun  eerdere  scholing  te  laten  valideren,  vanwege  de  kosten  die  daaraan  zijn  verbonden.  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.   NL  42    

OE  2004/83/EG   nieuw  Artikel 2928  Sociale voorzieningen  De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus   die  internationale  bescherming  genieten,    in  de  lidstaat  die  deze  statussen   bescherming    heeft  toegekend  de  nodige  bijstand  in  de  zin  van  sociale bijstand ontvangen zoals de onderdanen van die lidstaat.  2.  In  afwijking  van  de  algemene  regel  in  lid  1,  kunnen  de  lidstaten  de  sociale  bijstand voor personen met de subsidiaire-beschermingsstatus beperken tot de meest  fundamentele  prestaties  die  qua  niveau  en  toegangsvoorwaarden  moeten  overeenkomen met die welke voor de eigen onderdanen gelden.  Artikel 3029   Gezondheidszorg  De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus   die  internationale  bescherming  genieten    toegang  tot  de  gezondheidszorg  krijgen  onder  dezelfde  voorwaarden  als  de  onderdanen  van  de  lidstaat die de status   bescherming   heeft toegekend.  2.  In  afwijking  van  de  algemene  regel  in  lid  1  kunnen  de  lidstaten  de  gezondheidszorg  voor  personen  met  de  subsidiaire-beschermingsstatus  beperken  tot  de  meest  fundamentele  prestaties,  die  qua  niveau  en  toegangsvoorwaarden  moeten  overeenkomen met die welke voor de eigen onderdanen gelden.   De  lidstaten  verstrekken  personen  met  de  vluchtelingen-  of  de  subsidiaire beschermingsstatus   die  internationale  bescherming  genieten  en    die  bijzondere  behoeften  hebben,  zoals  zwangere  vrouwen,  gehandicapten,  personen  die  foltering,  verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld  hebben ondergaan of minderjarigen die het slachtoffer zijn geweest van enige vorm  van  mishandeling,  verwaarlozing,  uitbuiting,  foltering,  wrede,  onmenselijke  en  vernederende  behandeling  of  die  onder  een  gewapend  conflict  hebben  geleden,  passende  gezondheidszorg   ,  met  inbegrip  van  geestelijke  gezondheidszorg  waar  nodig,    onder  dezelfde  voorwaarden  als  onderdanen  van  de  lidstaat  die  de  status  heeft toegekend.  NL  43    

Niet-begeleide minderjarigen  De  lidstaten  nemen  zo  spoedig  mogelijk  nadat  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire-beschermingsstatus   internationale  bescherming    is  verleend,  de  nodige  maatregelen  om  te  verzekeren  dat  niet-begeleide  minderjarigen  worden  vertegenwoordigd  door  een  wettelijke  voogd,  dan  wel,  indien  nodig,  door  een  organisatie die belast is met de zorg voor en het welzijn van minderjarigen, of op een  andere  passende  wijze  worden  vertegenwoordigd,  zoals  op  basis  van  wetgeving  of  een rechterlijke uitspraak.  De lidstaten zorgen ervoor dat de voor elke niet-begeleide minderjarige aangewezen  voogd  of  vertegenwoordiger  in  verband  met  de  toepassing  van  deze  richtlijn  naar  behoren  in  de  behoeften  van  de  minderjarige  voorziet.  De  bevoegde  instanties  evalueren zulks regelmatig.  De lidstaten zorgen ervoor dat niet-begeleide minderjarigen worden geplaatst:  a)  bij volwassen familieleden, of  b)  in een pleeggezin, of  c)  in speciale centra voor minderjarigen, of  d)  in andere voor minderjarigen geschikte tehuizen.  In  dit  verband  krijgt  het  kind  inspraak  in  overeenstemming  met  zijn  leeftijd  en  rijpheid.  Voor  zover  mogelijk,  worden  broers  en  zusters  bij  elkaar  gehuisvest,  daarbij  rekening houdend met het belang van de betrokken minderjarige en in het bijzonder  met  zijn  leeftijd  en  rijpheid.  Veranderingen  in  de  verblijfplaats  van  niet-begeleide  minderjarigen worden tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt.   De lidstaten stellen procedures vast die het mogelijk maken zo snel mogelijk na de  verlening  van  de  internationale  bescherming  de  gezinsleden  van  de  niet-begeleide  minderjarige  op  te  sporen,  waarbij  zij    In  het  belang  van  niet-begeleide  minderjarigen trachten de lidstaten hun gezinsleden zo spoedig mogelijk op te sporen   vooropstellen  .  In  gevallen  waarin  gevaar  bestaat  voor  het  leven  of  de  lichamelijke  integriteit  van  de  minderjarige  of  zijn  naaste  familieleden,  met  name  indien  zij  in  het  land  van  herkomst  zijn  achtergebleven,  moet  bij  het  verzamelen,  verwerken  en  verspreiden  van  gegevens  over  deze  personen  de  vertrouwelijkheid  worden gewaarborgd.  Personen  die  met  niet-begeleide  minderjarigen  werken,  moeten  een  passende  opleiding met betrekking tot hun behoeften volgen of gevolgd hebben   en blijven  volgen   .  NL  44    

Toegang tot huisvesting  De lidstaten zorgen ervoor dat personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus   die  internationale  bescherming  genieten,    toegang  tot  huisvesting  hebben,  onder  vergelijkbare  voorwaarden  als  andere  onderdanen  van  derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven.   De lidstaten spannen zich  in  een  beleid  te  voeren  dat  erop  is  gericht  discriminatie  van  personen  die  internationale  bescherming  genieten,  te  voorkomen  en  gelijke  kansen  te  bieden  op  het gebied van toegang tot huisvesting.    Artikel 3332  Vrij verkeer binnen de lidstaat  De  lidstaten  staan  op  hun  grondgebied  het  vrije  verkeer  toe  van  personen  met  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire-beschermingsstatus   die  internationale  bescherming  genieten    onder  dezelfde  voorwaarden  en  beperkingen  als  gelden  voor  de  andere  onderdanen  van  derde  landen  die  legaal  op  hun  grondgebied  verblijven.  Artikel 3433  Toegang tot integratievoorzieningen  Teneinde de integratie van vluchtelingen   personen die internationale bescherming  genieten    in  de  samenleving  te  vergemakkelijken,  voorzien   bieden    de  lidstaten in   toegang tot   integratieprogramma's  welke zij passend achten   om  rekening  te  houden  met  de  specifieke  behoeften  van  personen  die  internationale  bescherming  genieten,    of  zorgen  zij  voor  de  omstandigheden  waaronder  de  toegang tot dergelijke programma's gewaarborgd is.  Wanneer  de  lidstaten  zulks  passend  achten,  wordt  personen  met  de  subsidiaire beschermingsstatus toegang verleend tot de integratieprogramma's.   nieuw  Bij  deze  integratieprogramma's  kan  het  gaan  om  introductieprogramma's  en  taalcursussen die zo veel mogelijk zijn afgestemd op de behoeften van personen die  internationale bescherming genieten.   NL  45    

OE  2004/83/EG (aangepast)   nieuw  Artikel 3534  Repatriëring  De  lidstaten  kunnen  personen  met  de  vluchtelingenstatus  of  de  subsidiaire beschermingsstatus   die  internationale  bescherming  genieten  en    die  wensen  te  repatriëren, bijstand verlenen.  HOOFDSTUK VIII  Administratieve samenwerking  Artikel 3635  Samenwerking  Elke lidstaat wijst een nationaal contactpunt aan en deelt het adres daarvan mee aan  de Commissie., die   De Commissie stelt   de andere lidstaten daarvan   deze  gegevens   in kennis stelt.   De lidstaten nemen in overleg met de Commissie alle passende maatregelen om een  rechtstreekse  samenwerking  en  uitwisseling  van  gegevens  tussen  de  bevoegde  instanties tot stand te brengen.  Artikel 3736  Personeel  De lidstaten zorgen ervoor dat de instanties en andere organisaties die deze richtlijn  uitvoeren  de  nodige  opleiding  ontvangen  en  wat  de  informatie  betreft  die  zij  uit  hoofde van hun werk verkrijgen, gebonden zijn aan geheimhouding als omschreven  in de nationale wetgeving.  NL  46    

Slotbepalingen  Artikel 3837  Verslagen  Uiterlijk  op  10  april  2008   [...]    brengt  de  Commissie  verslag  uit  aan  het  Europees  Parlement  en  de  Raad  over  de  toepassing  van  deze  richtlijn  en  stelt  zij  eventueel  noodzakelijke  wijzigingen  voor.  De  wijzigingsvoorstellen  hebben  bij  voorrang  betrekking  op  de  artikelen  15,  26  en  33.  De  lidstaten  doen  de  Commissie  alle  nuttige  informatie  toekomen  om  dat  verslag  uiterlijk  op  10  oktober  2007   [...]   te kunnen opstellen.   Na  de  indiening  van  het  verslag  brengt  de  Commissie  ten  minste  om  de  vijf  jaar  verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad omtrent de toepassing van deze  richtlijn.  Artikel 3938     Omzetting  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking  treden om uiterlijk op 10 oktober 2006   [...]   aan deze richtlijn   de artikelen  [...]  [De  artikelen  die  materieel  zijn  gewijzigd  ten  opzichte  van  de  vroegere  richtlijn]   te voldoen. Zij stellen   delen   de Commissie daarvan   de tekst  van  die  bepalingen    onverwijld  in  kennis   mede,  alsmede  een  tabel  ter  weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.    Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de  officiële  bekendmaking  daarvan  naar  deze  richtlijn  verwezen.  De  regels  voor  deze  verwijzing  worden  vastgesteld  door  de  lidstaten.   In  de  bepalingen  wordt  tevens  vermeld  dat  verwijzingen  in  bestaande  wettelijke  en  bestuursrechtelijke  bepalingen  naar  de  bij  deze  richtlijn  ingetrokken  richtlijn,  gelden  als  verwijzingen  naar  de  onderhavige  richtlijn.  De  regels  voor  die  verwijzing  en  de  formulering  van  die  vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.    De  lidstaten  delen  de  Commissie  de  tekst  mee  van  de   belangrijkste    bepalingen  van  nationaal  recht  die  zij  op  het  door  deze  richtlijn  bestreken  gebied  vaststellen   alsmede  een  concordantietabel  die  het  verband  weergeeft  tussen  die  bepalingen en deze richtlijn   .  NL  47    

OE    Artikel 40  Intrekking  OE  2004/83/EG   Artikel 4139  Inwerkingtreding  OE    OE  2004/83/EG (aangepast)  Artikel 4240  Adressaten  NL  48    

Voor de Raad  De voorzitter  [...]  NL  49    

OE   BIJLAGE I  Deel A  Ingetrokken richtlijn  (bedoeld in artikel 40)  Richtlijn 2004/83/EG van de Raad  (PB  L  304  van  30.9.2004,  blz.  12)  Deel B  Termijn voor omzetting in nationaal recht  (bedoeld in artikel 39)  Richtlijn  Omzettingstermijn  2004/83/EG  10 oktober 2006  _____________ NL  50    

C ONCORDANTIETABEL   Richtlijn 2004/83/EG  Deze richtlijn  Artikel 1  Artikel 2, inleidende formulering  Artikel 2, onder a)   Artikel 2, onder b)   Artikel 2, onder c) tot h)  Artikel 2 , onder i)  Artikel 2 , onder j) eerste en tweede streepje  Artikel 2 , onder j) derde, vierde en vijfde  streepje  Artikel 2, onder k)  Artikel 2, onder l)   Artikel 2 , onder m)  Artikel 2, onder n)  Artikel 3  Artikel 4  Artikel 5  Artikel 6  Artikel 7  Artikel 8, leden 1 en 2  -    Artikel 9  Artikel 10   Artikel 11, leden 1 en 2  NL  51    

Artikel 12   Artikel 13  Artikel 14  Artikel 15  Artikel 16, leden 1 en 2  Artikel 16, lid 3  Artikel 17   Artikel 18   Artikel 19  Artikel 20, leden 1 tot 5  -  Artikel 21  Artikel 22   Artikel 23, lid 1  Artikel 23, lid 2, eerste alinea  -  -  Artikel 23, leden 3 tot 5   Artikel 24, lid 1  -  Artikel 25  Artikel 26, leden 1 tot 3  -  Artikel 26, lid 4   Artikel 27, leden 1 en 2   Artikel 28, lid 1  NL  52    

Artikel 29, lid 1  -  Artikel 30, lid 1  -  Artikel 30, lid 2  Artikel 31  Artikel 32  Artikel 33  Artikel 34  Artikel 35  Artikel 36  Artikel 37   Artikel 38  Artikel 39  Artikel 40  Artikel 41  Artikel 42  Bijlage I  Bijlage II  NL  53    

 
 

2.

Meer informatie