COM(2005)646 - Wijziging van richtlijn 89/552/EEG betreffende de harmonisatie van nationale wetgeving inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Stand van zaken

Op 11 december 2007 hebben de Raad en het Europees Parlement het voorstel ondertekend en kan worden overgegaan tot officiële publicatie.

2.

Kengegevens

officiële titel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten

officiële Engelstalige titel

Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council amending Council Directive 89/552/EEC on the coordination of certain provisions laid down by law, regulation or administrative action in Member States concerning the pursuit of television broadcasting activities
 
COM-nummer COM(2005)646
extra com nummer COM(2005)646;SEC(2005)1626;SEC(2005)1625;COM(2007)170;COM(2007)639
interinstitutioneel nummer 2005/0260(COD)

3.

Oorspronkelijk voorstel

Motivering en doel van het voorstel De markt voor Europese televisiediensten heeft als gevolg van de convergentie van technologieën en markten ingrijpende wijzigingen ondergaan. De 'traditionele' televisieomroepdiensten worden nog steeds geregeld op basis van wetgeving uit de jaren 1980 en 1990. Ofschoon deze aanpak tot een spectaculaire ontwikkeling van de audiovisuele markt in de Europese Unie heeft geleid, past deze niet meer bij de steeds ruimere keuze aan audiovisuele diensten die de consument in het digitale tijdperk heeft. Tegelijkertijd moeten omroepen steeds meer concurreren met andere lineaire diensten op andere platforms en met niet-lineaire diensten (diensten op aanvraag) die dezelfde of soortgelijke audiovisuele media-inhoud bieden, maar die onder andere regelgeving vallen. Hierdoor ontstaat een oneerlijk speelveld voor de wijze van aflevering van inhoud. Daarom is er, conform het beginsel van 'betere regelgeving', behoefte aan een nieuwe aanpak.

Algemene context Vanwege de technologische en marktontwikkelingen en met het oog op een verdere verbetering van het concurrentievermogen van de Europese industrie op de gebieden informatie- een communicatietechnologie en media heeft de Commissie besloten het huidige wetgevingskader voor televisieomroep te herzien. De modernisering van de wetgeving inzake audiovisuele mediadiensten in de interne markt is een integrerend deel van de activiteiten van de Commissie ter verbetering van de regelgeving. Tegelijkertijd draagt zij bij tot de realisatie van de Lissabonagenda en vormt zij een cruciaal element van de nieuwe beleidsstrategie i2010, die de Commissie in juni heeft vastgesteld. Bovendien sluit zij aan bij de Mededeling van de Commissie over de versnelde omschakeling van analoge op digitale omroep van mei dit jaar . Met het werkprogramma bij het Vierde verslag over de toepassing van Richtlijn 89/552/EEG 'Televisie zonder grenzen', is de Commissie in 2003 een eerste overlegfase gestart voor de herziening van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad, als gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG (Televisie zonder Grenzen - TZG), onder meer door hoorzittingen en een schriftelijke raadpleging. De Commissie heeft haar conclusies over deze eerste raadpleging verwoord in een mededeling over de toekomst van het Europese audiovisuele regelgevingsbeleid. Naar aanleiding van deze mededeling zijn focusgroepen opgericht om bepaalde kwesties uitvoeriger te bespreken met deskundigen. De resultaten van de focusgroepen zijn op 30 en 31 mei 2005 op een seminar in Luxemburg aan de lidstaten gepresenteerd en in discussienota's vastgelegd die de Commissie in juli 2005 heeft gepubliceerd. De Commissie heeft in deze tweede overlegfase reacties ontvangen van meer dan 200 stakeholders, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de industrie. De discussienota's en de binnengekomen reacties hebben als uitgangspunt gediend voor de organisatie van een grote conferentie over audiovisuele media in samenwerking met het Britse Voorzitterschap in Liverpool in september 2005. Deze conferentie vormde het sluitstuk van de discussie en markeerde het einde van de overlegfase. De belangrijkste conclusie van dit alles was dat de TZG-richtlijn in haar huidige vorm tot steeds meer ongerechtvaardigde verschillen zou leiden in de behandeling van de verschillende wijzen van aflevering van identieke of soortgelijke media-inhoud en dat de EU daarom iets diende te ondernemen om de rechtszekerheid te vergroten om daarmee zo goed mogelijke voorwaarden voor het concurrentievermogen van de sector te scheppen. Het doel van dit voorstel is ervoor te zorgen dat de aanbieders van audiovisuele diensten op aanvraag in de lidstaten ten volle profijt kunnen trekken van de interne markt dankzij het principe van regelgeving door het land van oorsprong. Hierdoor kan de rechtszekerheid voor alle aanbieders van audiovisuele mediadiensten over de gehele linie worden vergroot. Dit is in overeenstemming met het beginsel van technologische neutraliteit. Bij de modernisering van de voorschriften inzake het audiovisueel beleid dient namelijk geen onderscheid te worden gemaakt tussen de verschillende platforms voor de afgifte van soortgelijke inhoud en moet worden gezorgd voor een eerlijk speelveld waarop de verschillende exploitanten eerlijker en beter met elkaar kunnen concurreren en waarbij nieuwe diensten de kans krijgen om tot bloei te komen. Tegelijkertijd is er, gelet op de ontwikkelingen op het gebied van technologie, markt en consumentengedrag (meer keuzevrijheid en verantwoordelijkheid) en met het oog op het behoud van een goede afstemming op doelstellingen van algemeen belang, behoefte aan meer flexibiliteit ten aanzien van de voorschriften inzake lineaire audiovisuele mediadiensten, met name waar het reclame betreft. Kortom, de bedoeling van het voorstel van de Commissie is het regelgevingskader voor omroep en andere lineaire diensten te moderniseren en vereenvoudigen, alsmede minimumvoorschriften in te voeren voor niet-lineaire audiovisuele mediadiensten.

(...)


lees meer

4.

Initieel standpunt Nederlandse regering

Het is van belang de Televisierichtlijn uit 1989 te herzien op die onderdelen, waar de huidige regelgeving vanwege voortschrijdende technologische en economische ontwikkelingen niet meer voldoet. Door de voortschrijdende technologische en economische ontwikkelingen bestaat nu verschillende regulering voor hedendaagse vergelijkbare audiovisuele diensten binnen en tussen verschillende lidstaten, wat (in de toekomst) handelsbeperkend kan werken. Het is belangrijk te zorgen voor een gelijke set aan minimum regels voor vergelijkbare audiovisuele diensten ­ (traditionele omroepdiensten en vergelijkbare nieuwe diensten) ­ en daarmee een gelijk speelveld te creëren. Aanpassing van de richtlijn, en daarmee minimumharmonisatie, is dan ook wenselijk om meer rechtszekerheid en meer uniforme regelgeving te creëren voor hedendaagse grensoverschrijdende audiovisuele mediadiensten in de Europese interne markt. Nederland is echter kritisch over de concrete wijze waarop de Commissie aan de herziening invulling geeft en heeft daarover in dit stadium nog veel vragen.

De standpunten zijn in dat licht als volgt:

  • · 
    Primair kritiekpunt voor Nederland is de vraag of de definities van de te reguleren diensten, die de basis vormen voor de aangepaste Richtlijn, juist gekozen zijn en werkbaar zijn. Het betreft dan vooral de basisaanname dat er een onderscheid gemaakt kan worden tussen lineaire en non-lineaire diensten. De uitleg en concretisering daarvan is op dit moment onvoldoende om de Richtlijn werkbaar te maken en adequaat te implementeren in nationale regelgeving.
  • · 
    De Commissie richt zijn voorstel in volgens een ­ in feite toch nog ­ technisch onderscheid tussen lineaire en non-lineaire diensten. Voor de Commissie is de mate van controle van de gebruiker op de dienst doorslaggevend voor het onderscheid. Nederland plaatst hier twijfels bij. Ontwikkelingen in de audiovisuele contentmarkt leiden voortdurend tot nieuwe vormen van contentdistributie. Nederland voorziet daarom het ontstaan van grijze gebieden waarbij het voor de dienstenaanbieder zelf en voor de toezichthouder moeilijk te bepalen is onder welk regime de betreffende dienst valt.
  • · 
    De onduidelijkheid over het begrip lineaire dienst kan tot gevolg hebben dat een deel van de audiovisuele diensten die echter maar een kleine impact hebben, toch onder het zwaardere regime van de lineaire diensten komt te vallen. Ook de onduidelijkheid over het begrip non-lineaire dienst leidt tot de vraag of niet te veel diensten onder het regime van audiovisuele diensten vallen. Nederland wenst dan ook eerst duidelijkheid over de definities van lineaire en non-lineaire diensten, voordat positief over de proportionaliteit en handhaafbaarheid kan worden geoordeeld.
  • · 
    De definitie van audiovisuele mediadienst en de verschillende criteria die voor deze definitie bepalend zijn, zijn onvoldoende eenduidig en leiden tot twijfel bij Nederland.
  • · 
    Pas als over het begrippenkader ­ dat het fundament is van het voorstel ­ volstrekte opheldering bestaat kan Nederland de andere onderdelen van het voorstel beoordelen.

Met betrekking tot de geharmoniseerde voorschriften in de artikelen 3 ·

quater tot en met 3 nonies (bescherming minderjarigen, bestrijding van aanzetten tot haat, schending van de menselijke waardigheid en de bescherming van de consument) wil Nederland nog bezien of er een noodzaak is om deze op te nemen in deze richtlijn, mede in het licht van andere richtlijnen en verdragen.

  • · 
    Ten aanzien van de modernisering en versoepeling van de reclameregels voor lineaire diensten heeft Nederland nog geen definitief standpunt. Wel erkent Nederland de noodzaak van hervorming van de reclameregels van de huidige Richtlijn met het oog op voortschrijdende technische en economische ontwikkelingen en de opkomst van nieuwe diensten. N.a.v. het lopende onderzoek van EZ en OCW naar nieuwe reclametechnieken (opleverdatum begin mei) zal Nederland een standpunt innemen t.a.v. de specifieke onderdelen van de reclameregels. Ook moet goed beoordeeld worden of de toepassing van de reclameregels bij bepaalde lineaire diensten (zoals IP-TV) niet op handhavingsproblemen stuit.
  • · 
    Zoals al aangegeven is de door de Commissie gemaakte impact assessment momenteel onvolledig, vanwege de onduidelijkheden over de definities in het huidige richtlijnvoorstel en onvoldoende cijfermatige onderbouwing. Nederland zal de Commissie daarom ook vragen om de impact assessment uit te breiden zodra over de definities meer duidelijkheid bestaat. Hierdoor zal ook meer inzicht in de eventuele kosten ontstaan De door het Oostenrijks voorzitterschap gemaakte richtlijnen voor betere regulering (waar ook criteria in staan voor een impact assessment) kunnen hiervoor een goede indicator zijn.
  • · 
    Nederland wil bezien of in het Commissievoorstel aandacht besteed kan worden aan het belang van ondertiteling voor doven en slechthorenden.

Bevoegdheid ten aanzien van een omroeporganisatie In de huidige richtlijn (artikel 2) zijn criteria opgenomen om te bepalen welke lidstaat bevoegd is ten aanzien van een televisieomroeporganisatie. Ten aanzien van deze bepaling heeft een groot aantal lidstaten al eerder aangegeven dat de toepassing van deze bepaling in de praktijk tot problemen leidt. De Commissie heeft een kleine aanpassing gedaan (zie hierboven) die volgens deze lidstaten onvoldoende tegemoet komt aan hun zorgen. Ook Nederland is van mening dat de toepassing van de huidige criteria in de praktijk tot problemen leidt.

Bij de invulling van de bevoegdheidscriteria zou volgens Nederland rekening gehouden moeten worden met de situatie dat een omroeporganisatie vanuit de ene lidstaat uitzendt maar in praktijk gevestigd is in een andere lidstaat, waar ook het publiek zich bevindt waar de omroeporganisatie zich op richt. Het criterium van de daadwerkelijke vestigingsplaats in praktijk zou derhalve volgens Nederland in voornoemde situatie een rol moeten spelen. Onderliggende criteria die daarbij een rol kunnen spelen zijn: in welke lidstaat het publiek zich bevindt waar de omroeporganisatie zich primair op richt, de taal waarin wordt uitgezonden, op welke lidstaat de reclame zich richt en in welke lidstaat de meeste inkomsten met de desbetreffende programma's worden verworven.

Het principe van het land van oorsprong-beginsel staat niet ter discussie. Nederland is ervoor dat slechts één lidstaat bevoegd is. Het gaat er enkel om, in de situatie waarin een (deel van een) omroeporganisatie in praktijk gevestigd is in een andere lidstaat en zich in feite volledig richt op deze lidstaat, te bepalen dat laatstgenoemde lidstaat bevoegd is als het gaat om mediaregelgeving.

Dit standpunt van Nederland komt voort uit het ongelijke speelveld dat momenteel bestaat tussen zenders die met een Nederlandse toestemming uitzenden en zenders die in praktijk wel in Nederland zijn gevestigd en volledig op Nederland zijn gericht maar met een buitenlandse toestemming opereren. Het belang om voor alle zenders die in praktijk in Nederland zijn gevestigd en zich op het Nederlandse publiek richten mediabeleidsdoelstellingen te realiseren (bijvoorbeeld ondertiteling van programma's, bescherming van minderjarigen tegen schadelijke audiovisuele inhoud en het stimuleren van Nederlandstalig product) wordt hierdoor ondermijnd. Bovendien is het onwenselijk als het ongelijke speelveld ertoe leidt dat omroep-organisaties in grote getale een uitzendtoestemming gaan aanvragen in een andere lidstaat.

Overigens beoordeelt Nederland de aanpassing van de jurisdictiebepalingen in het Artikel 2.4 over satellietzenders wel positief. Het criterium waar de «up-link» zich bevindt biedt een beter aanknopingspunt voor het uitoefenen van jurisdictie over satellietzenders dan het criterium van een verstrekte frequentie.

 

5.

Europese rechtsgrond

Deze Richtlijn is gebaseerd op EG-Verdrag artikel 47 lid 2 en 55. Artikel 47 lid 2 maakt onderdeel uit van het hoofdstuk 'Recht van vestiging' van het EG-Verdrag. Het heeft betrekking op vaststelling van richtlijnen inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten betreffende de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan .

6.

Procedure

besluitvormingsprocedure Gewone wetgevingsprocedure (COD)
stemwijze Raad Raad besluit met stemwijze afhankelijk van het exacte beleidsonderwerp
datum online publicatie 13-12-2005
datum besluit 11-12-2007
datum bekendmaking 18-12-2007
datum inwerkingtreding 19-12-2007
datum uiterste omzetting 19-12-2009
datum einde geldigheid 04-05-2010

7.

Juridische context

Dit besluit herziet

Datum Titel
27.10.2004  Samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming ("de ...
Verordening COM(2003)443
 
03.10.1989  Harmonisatie van nationale wetgeving inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten
Richtlijn COM(1986)146
 

8.

Verwante dossiers

Aan dit dossier zijn de volgende trefwoorden toegekend: audiovisuele coproductie, audiovisuele industrie, audiovisuele productie, dienstverrichting, harmonisatie van de wetgevingen, informatieverspreiding, kinderbescherming, radiouitzending, recht van vestiging, reclame, telecommunicatieregelgeving, televisie, toegang tot de informatie, vrij verrichten van diensten.

9.

Betrokkenen

10.

Relevante documenten

(106 stuks, sortering omgekeerd chronologisch)   sortering omkeren

11.

Bronnen en disclaimer

Zie voor uitgebreidere informatie eventueel ook de volgende voor dit dossier gebruikte bronnen


Dit dossier wordt iedere nacht automatisch samengesteld op basis van bovenstaande dossiers. Hierbij is aan de technische programmering veel zorg besteed. Een garantie op de juistheid van de gebruikte bronnen en het samengestelde resultaat kan echter niet worden gegeven.