Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

Hierbij gaat voor de delegaties het voorstel van de Commissie dat bij brief van de heer Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, aan de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, is toegezonden.

Bijlage: COM(2008) 839 definitief

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 10.12.2008 COM(2008) 839 definitief

2008/0234 (CNS)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van de

Samenwerkingsovereenkomst

tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds,

en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds,

ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen

schaden

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van de

Samenwerkingsovereenkomst

tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds,

en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds,

ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen

schaden

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

  • 1. 
    A CHTERGROND VAN DE ONDERHANDELINGEN

Bij de onderhandelingen met het Vorstendom Liechtenstein over de wijze waarop het land wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis

1

, is duidelijk geworden dat er in het kader van uitgebreide specifieke

onderhandelingen inzake fraudebestrijding met Liechtenstein zou kunnen worden ingegaan op het feit dat volgens het intern recht van Liechtenstein er geen rechtshulp wordt verleend voor specifieke delicten op het gebied van belastingen en douane of bij overtreding van regels inzake buitenlandse handel. Derhalve heeft de Commissie een voorstel voor een onderhandelingsmandaat ingediend voor een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en alle andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden

2

.

De Commissie voerde de onderhandelingen nadat de Raad haar hiertoe had gemachtigd op 7 november 2006.

De Commissie nam de bij het besluit van de Raad gevoegde onderhandelingsrichtsnoeren volledig in acht door met name rekening te houden met de positie van Liechtenstein als financieel centrum, zijn integratie in de EER, het huidige acquis communautaire en de verwachte ontwikkelingen op het gebied van samenwerking, met betrekking tot alle financiële belangen en belastingen in het bijzonder.

De brede aanpak van de onderhandelingen blijkt uit de artikelen 7 en 25 van de overeenkomst, waarin is vastgesteld dat de bepalingen van de overeenkomst geen afbreuk doen aan gunstiger bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de partijen, met name met betrekking tot Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Vorstendom Liechtenstein waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling

3

(de Overeenkomst met Liechtenstein

over de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden).

De administratieve samenwerking wordt opgezet overeenkomstig de normen van de overeenkomst inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties

4

(de Napels II-overeenkomst) en Richtlijn 77/799/EEG van de

Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen

5

. Voor de

bepalingen inzake invordering is teruggegrepen op Richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en

1 Besluiten van de Raad 2008/261/EG en 2008/262/EG van 28 februari 2008 (PB L 83 van 26.3.2008, blz. 3). 2 Document 12977/06 van de Raad. 3

PB L 379 van 24.12.2004, blz. 84.

4 PB C 24 van 23.1.1998, blz. 2.

5 PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15.

belastingen, alsmede uit andere maatregelen die het resultaat zijn van verrichtingen die deel uitmaken van het financieringsstelsel van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, alsmede van landbouwheffingen en douanerechten

6

.

Voor de bepalingen inzake justitiële samenwerking is teruggegrepen op de Schengenuitvoeringsovereenkomst

7

, de overeenkomst betreffende de wederzijdse

8

rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU-

overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp) en het protocol bij de EUovereenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp

9

.

De onderhandelingen zijn afgesloten op 27 juni 2008. Zodoende legt de Commissie bijgaande ontwerpbesluiten betreffende de ondertekening en betreffende de sluiting van de overeenkomst namens de Europese Gemeenschap voor aan de Raad.

  • 2. 
    RESULTATEN VAN DE ONDERHANDELINGEN 2.1. Illegale activiteiten betreffende de handel in goederen en diensten

Het is het primaire doel van deze overeenkomst om de beoogde associatie van Liechtenstein en het Schengengebied aan te vullen met bepalingen op het gebied van administratieve en justitiële bijstand die momenteel niet onder de EER of het Schengenacquis vallen, maar wel nodig zijn om elkaar volledige bijstand te verlenen in geval van fraude en alle andere illegale activiteiten, waaronder delicten op het gebied van douane en indirecte belastingen in verband met de handel in goederen en diensten. Hiervoor is teruggegrepen op de overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden

10

(de Zwitserse overeenkomst inzake fraudebestrijding). Deze opzet is

geslaagd, met name omdat de via onderhandeling bereikte overeenkomst voorziet in:

administratieve bijstand en bijstand bij invordering, ook voor illegale activiteiten

·

in verband met subsidies en overheidsopdrachten, die momenteel niet onder de EER-Overeenkomst vallen

11

,

justitiële samenwerking, ter bestrijding van onder meer de ontduiking van de

·

belasting over de toegevoegde waarde, op grond waarvan in het bijzonder huiszoeking, inbeslagneming en toegang tot bankgegevens mogelijk wordt, hetgeen als zodanig niet is geregeld in de associatie van Liechtenstein en het Schengengebied, aangezien Liechtenstein uitdrukkelijk verklaarde dat fiscale delicten die door de Liechtensteinse autoriteiten worden onderzocht geen aanleiding kunnen geven tot het instellen van een beroep bij een ook in strafzaken bevoegde rechter.

6 PB L 73 van 19.3.1976, blz. 18. 7 PB L 239 van 22.9.2000.

8 PB C 197 van 12.7.2000, blz. 3. 9

PB C 326 van 21.11.2001, blz. 2.

10 Document 12352/04 van de Raad. 11 PB L 1 van 3.1.1994, blz. 171.

2.2. Frauduleuze activiteiten betreffende de directe belastingen

Op grond van Liechtensteins betrokkenheid bij de EER en zijn beoogde inachtneming van het Schengenacquis is vanaf het begin van de onderhandelingen ook gezocht naar een oplossing voor illegale activiteiten betreffende elke vorm van belasting, waaronder directe belastingen. Directe belastingen worden echter nog steeds anders behandeld dan andere handelsgerelateerde heffingen, zoals douanerechten en indirecte belastingen. Dit verschil is te wijten aan het feit dat de integratie van de communautaire wetgeving en het recht van de Europese Unie op het gebied van directe belastingen minder ver is gevorderd.

Met de overeenkomst wordt verder beoogd ervoor te zorgen dat Liechtenstein in geval van fraude betreffende directe belastingen administratieve bijstand en rechtshulp verleent op een wijze die verder gaat dan de Overeenkomst met Liechtenstein over de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden. In dit opzicht is de overeenkomst vernieuwend, aangezien Liechtenstein tot dusverre iedere hulp in geval van frauduleuze activiteiten betreffende directe belastingen weigerde en dit de eerste op Europees niveau via onderhandeling tot stand gekomen overeenkomst is die alle vormen van belasting bestrijkt. De overeenkomst heeft een ruimer toepassingsgebied dan het model van de Zwitserse overeenkomst inzake fraudebestrijding, aangezien zij de wijze waarop Liechtenstein hulp verleent in geval van fraude betreffende de directe belastingen aan de Europese normen conformeert. Het voorziet in:

administratieve bijstand in verband met (op documenten betrekking hebbende)

·

frauduleuze gedragingen betreffende directe belastingen, onder dezelfde voorwaarden als die uit hoofde van de communautaire wetgeving van toepassing zijn op de lidstaten; zo kan de overeenkomst via het gemengd comité worden uitgebreid met toekomstige hervormingen en betere bijstandsverlening binnen de Europese Gemeenschap; bijstand bij invordering in geval van (op documenten betrekking hebbende)

·

frauduleuze gedragingen betreffende directe belastingen, zoals de lidstaten die elkaar overeenkomstig de communautaire wetgeving verlenen; justitiële samenwerking bij (op documenten betrekking hebbende) frauduleuze

·

gedragingen betreffende directe belastingen, met inbegrip van huiszoeking, inbeslagneming en toegang tot bankgegevens ­ zaken waarin Liechtensteins associatie met Schengen momenteel niet voorziet.

Met betrekking tot bijstand ten aanzien van stichtingen en andere vormen van investering die door een trustee worden beheerd en waarbij de oprichter en de uiteindelijk gerechtigde van de stichting niet openbaar geregistreerd zijn, moeten de partijen al hun informatie en controlebevoegdheden gebruiken om gevolg te geven aan een verzoek om bijstand in de vorm van informatie-uitwisseling. Overeenkomstig artikel 11, lid 2, doet het feit dat de informatie bij een trustee berust, niets af aan de inwilligbaarheid van een verzoek om bijstand, zodat de belastingautoriteiten van de verzoekende partij de noodzakelijke informatie zo nodig verkrijgen van de trustee die als marktdeelnemer verplicht is mee te werken, zoals is vastgelegd in artikel 19.

  • 3. 
    B EPALINGEN VAN DE OVEREENKOMST 3.1. Algemene bepalingen

· Artikelen 1 en 2 ­ "Voorwerp" en "Werkingssfeer"

In deze artikelen worden het voorwerp en de werkingssfeer van de overeenkomst omschreven, die betrekking heeft op administratieve bijstand en justitiële samenwerking ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en van de financiële belangen van de lidstaten.

Binnen de werkingssfeer van de overeenkomst heeft artikel 2, lid 1, onder a), betrekking op alle fraude en andere illegale activiteiten (btw en accijnzen) en douanedelicten, met inbegrip van smokkel, corruptie, omkoping en het witwassen van de opbrengsten van de activiteiten waarop artikel 2, lid 3, van toepassing is. Als procedures voor het gunnen van opdrachten worden beschouwd procedures die leiden tot het plaatsen van "overheidsopdrachten", zoals vastgelegd in Richtlijn 2004/18/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten

12

.

Artikel 2, lid 1, onder b), heeft verder betrekking op fraude betreffende alle directe belastingen (op inkomsten en op vermogen). Artikel 2, lid 1, onder c), voorziet ten slotte in bijstand bij de terugvordering van bedragen die verloren zijn gegaan ten gevolge van de in artikel 2, lid 1, onder a) en b) vermelde activiteiten.

Voor bijstand op het gebied van het witwassen van geld, zoals vastgelegd in artikel 2, lid 3, wordt teruggegrepen op Richtlijn 2005/60/EG tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

13

; in dit kader wordt ook gewezen op Liechtensteins verplichting uit

hoofde van de EER om het acquis communautair ter zake over te nemen.

De belangrijkste definities die relevant zijn voor werkingssfeer van de overeenkomst zijn vervat in artikel 2, lid 4. Dit is met name belangrijk voor de definitie van directe belastingen in artikel 2, lid 4, onder e), die zowel particuliere als bedrijfsinkomsten bestrijkt, alsook voor de definitie van frauduleuze gedragingen betreffende directe belastingen in artikel 2, lid 4, onder f). De laatste omvat niet alleen een aantal voorbeelden van gedragingen die gelijkstaan aan belastingfraude, maar merkt ook het indienen van onvolledige belastingaangiften aan als frauduleuze gedraging.

Artikel 3 ­ "Minder belangrijke gevallen"

·

Met dit artikel wordt beoogd een toevloed van verzoeken om bijstand met betrekking tot minder belangrijke punten te voorkomen.

· Artikel 4 ­ "Openbare orde"

12 PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114, zoals opgenomen in de EER-Overeenkomst bij Besluit nr. 68/2006 van het Gemengd Comité van de EER van 2 juni 2006 tot wijziging van bijlage XVI (Aanbestedingen) bij de EER-Overeenkomst, PB L 245 van 7.9.2006, blz. 22. 13 PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.

Dit artikel bevat de relevante gronden van openbare orde die kunnen worden aangevoerd krachtens artikel 2, onder b), van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa (Straatsburg, 20.4.1959).

Artikel 5 ­ "Indiening van inlichtingen"

·

Voor dit artikel is teruggegrepen op de overeenkomst met Liechtenstein over de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden. In artikel 5, lid 2, wordt een gedifferentieerde benadering voorgeschreven voor informatie over illegale activiteiten in verband met de handel in goederen en diensten (punt a) en frauduleuze activiteiten betreffende directe belastingen (punt b), aangezien ook het acquis communautair zich op deze gebieden in ongelijke mate heeft ontwikkeld. Er zij op gewezen dat krachtens artikel 5, lid 2, onder b), de bevoegde autoriteit die de aanvankelijke informatie verstrekt, niet uitdrukkelijk hoeft in te stemmen, maar uitdrukkelijk bezwaar moet maken.

Artikel 6 ­ "Vertrouwelijkheid"

·

In dit artikel wordt verwezen naar het vereiste van vertrouwelijkheid bij de behandeling van verzoeken om bijstand door de aangezochte partij.

3.2. Administratieve bijstand

· Artikel 7 ­ "Verhouding ten aanzien van andere overeenkomsten"

De overeenkomst laat Protocol 11 van de EER-Overeenkomst, over wederzijdse bijstand in douanezaken, onverlet

14

. Dit protocol kan verder worden toegepast, met

name voor douaneaspecten die niet onder de werkingssfeer vallen van de overeenkomst inzake fraudebestrijding en de Overeenkomst met Liechtenstein over de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden.

Artikel 8 ­ "Omvang van de administratieve bijstand"

·

Dit artikel is in overeenstemming met de Napels II-overeenkomst, aangezien administratieve bijstand, waar passend, aan de normen van de Napels IIovereenkomst voldoet. Dit omvat het gebruik van informatie voor de doeleinden van de overeenkomst. De werkingssfeer van de overeenkomst inzake fraudebestrijding is ruimer dan die van de Napels II-overeenkomst, die alleen betrekking heeft op douanekwesties.

Artikel 9 ­ "Verjaring"

·

Voor dit artikel is teruggegrepen op een soortgelijke bepaling in artikel 10, lid 2, van de Overeenkomst met Liechtenstein over de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden.

Artikel 10 ­ "Bevoegdheden"

·

14 PB L 1 van 3.1.1994, blz. 171.

Dit artikel is in overeenstemming met de Napels II-overeenkomst, aangezien de bepalingen van de overeenkomst van toepassing zullen zijn binnen de grenzen van de bevoegdheden die overeenkomstig het nationale recht aan de betrokken autoriteiten zijn toegekend in het kader van nationale procedures, zonder dat deze bevoegdheden worden gewijzigd of uitgebreid.

Artikel 11 ­ "Beperkingen van informatie-uitwisseling"

·

Voor artikel 11, lid 1, is teruggegrepen op artikel 8 van Richtlijn 77/799/EEG en de bepaling is derhalve beperkt tot frauduleuze activiteiten betreffende directe belastingen.

Op grond van artikel 11, lid 2, een bepaling die ook voldoet aan de normen van de Napels II-overeenkomst op het gebied van administratieve bijstand, mag een verzoek om bijstand in de vorm van informatie-uitwisseling niet worden afgewezen op grond van het bankgeheim of wegens de eigendomsbelangen van een rechtspersoon (of andere als persoon aan te merken structuur). Eventuele tegenstrijdige bepalingen, bijvoorbeeld in het nationale recht van Liechtenstein, zijn niet toepasselijk op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake fraudebestrijding. De bepalingen van artikel 11, lid 2, prevaleren.

De bepaling staat ook de toezending toe van informatie die een aangezochte autoriteit reeds bezit, zoals ook is vastgelegd in artikel 7 van Protocol 11 bij de EEROvereenkomst.

Het begrip "bank" dat in de gehele overeenkomst wordt gebruikt ­ los, naast "andere financiële instelling" en ook specifiek in combinatie met "-gegevens" of "rekeningen" ­ betekent "kredietinstellingen" en "financiële instellingen" zoals omschreven in artikel 4, de leden 1 en 5, van Richtlijn 2006/48/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

15

.

Artikel 12 ­ "Evenredigheid"

·

Dit artikel sluit aan bij het reeds in artikel 3 onder de aandacht gebrachte punt, zij het binnen de grenzen van de administratieve bijstand.

Artikel 13 ­ "Centrale diensten"

·

Dit artikel is in overeenstemming met de inhoud van artikel 5 van de Napels IIovereenkomst en voldoet aan het in de onderhandelingsrichtsnoeren geformuleerde vereiste om de betrokken autoriteiten op centraal niveau duidelijk te identificeren. Elke partij wijst de centrale diensten aan die bevoegd zijn om de verzoeken om administratieve bijstand te behandelen.

15 PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1. Richtlijn 2006/48/EG is een herschikking van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1), dat is opgenomen in de EER bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 15/2001 van 28 februari 2001 tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-Overeenkomst, PB L 117 van 26.4.2001, blz. 13.

Artikel 14 ­ "Verzoeken om inlichtingen", artikel 15 ­ "Verzoeken tot uitoefening

·

van toezicht" en artikel 16 ­ "Kennisgeving en toezending per post"

Deze artikelen van de ontwerpovereenkomst zijn in overeenstemming met de inhoud van de artikelen 10, 11 en 13 van de Napels II-overeenkomst.

Artikel 14, lid 4, houdt een vernieuwing in: het wordt namelijk mogelijk om aan de beantwoording van bijstandsverzoeken uiterste termijnen te verbinden, zodra er passende communautaire wetgeving van kracht wordt die in dergelijke ­ tussen de lidstaten geldende ­ termijnen voorziet.

Artikel 15 betreft de handel in goederen. Het voorwerp van dit artikel is dan ook beperkt tot illegale activiteiten die samenhangen met de handel in goederen en diensten.

Bij artikel 16, lid 2, is rekening gehouden met de normen van Richtlijn 77/799/EEG betreffende de wederzijdse bijstand op het gebied van de directe belastingen. Artikel 16, lid 3, heeft ten doel ervoor te zorgen dat in Liechtenstein gevestigde subsidieontvangers en contractanten van de Gemeenschappen rechtstreeks kunnen worden benaderd door de aanbestedende dienst en gevolg kunnen geven aan door deze dienst tot hen gerichte verzoeken om documenten en om inlichtingen die verband houden met de betrokken subsidies en contracten.

Artikel 17 ­ "Verzoeken tot onderzoeken" en artikel 18 ­ "Aanwezigheid van

·

ambtenaren die door de autoriteit van de verzoekende overeenkomstsluitende partij zijn gemachtigd"

Deze artikelen zijn in overeenstemming met de inhoud van artikel 12 van de Napels II-overeenkomst. Twee gezamenlijke verklaringen, vergelijkbaar met die over overeenkomende artikelen in de Zwitserse overeenkomst inzake fraudebestrijding, zullen waarborgen dat deze artikelen ten aanzien van Liechtenstein evenzeer van toepassing zijn als ten aanzien van de Zwitserse confederatie.

Artikel 18 voorziet in de mogelijkheid voor het gemachtigde personeel om bij de uitvoering van het verzoek om bijstand aanwezig te zijn, inzage te hebben in documenten en om vragen en onderzoeksmaatregelen voor te stellen, teneinde bij te dragen tot de doeltreffendheid van de wederzijdse bijstand en, waar passend, toegang te hebben tot dezelfde gebouwen, documenten en informatie als het personeel van de aangezochte autoriteit.

Artikel 19 ­ "Verplichting tot samenwerking"

·

Dit artikel is een logisch uitvloeisel van de artikelen 17 en 18 en heeft betrekking op soortgelijke verplichtingen voor marktdeelnemers in de lidstaten met betrekking tot door hun autoriteiten verrichte onderzoeken. Voor de tweede zin is teruggegrepen op de beginselen van Richtlijn 77/799/EG.

Artikel 20 ­ "Vorm en inhoud van de verzoeken om bijstand"

·

Dit artikel is in overeenstemming met de inhoud van artikel 9 van de Napels IIovereenkomst.

Artikel 21 ­ "Gebruik van informatie"

·

Dit artikel is vergelijkbaar met artikel 11 van Protocol 11 bij de EER-Overeenkomst en bevat een specialiteitsbeginsel. De inlichtingen worden uitsluitend gebruikt ter bescherming van de financiële belangen van de partijen, zoals omschreven in artikel 2.

De overeenkomst bevat geen bepalingen over administratieve bijstand op eigen initiatief of over afgevaardigde beambten. Dit hangt samen met de beperkte administratieve capaciteit van Liechtenstein.

Artikel 22 ­ "Gezamenlijke acties" en artikel 23 ­ "Gezamenlijke bijzondere

·

onderzoeksteams"

Deze artikelen zijn in overeenstemming met de inhoud van vergelijkbare maatregelen die onder de Napels II-overeenkomst vallen. Zij zijn zodanig opgesteld dat de toepassing van de maatregelen aan de autoriteiten van de partijen wordt overgelaten.

Artikel 22, lid 3, werd toegevoegd in verband met frauduleuze activiteiten betreffende directe belastingen en is specifiek gebaseerd op artikel 8ter van Richtlijn 77/799/EG.

De leden 4 tot en met 6 van artikel 23 zijn ontleend aan de overeenkomstige bepaling betreffende gezamenlijke bijzondere onderzoeksteams in de Napels II-overeenkomst.

Artikel 24 ­ "Invordering"

·

In dit artikel is de essentie van de artikelen 6, 7, 9, 10 en 13 van Richtlijn 76/308/EEG overgenomen. In artikel 24, lid 2, wordt uitdrukkelijk de Duitse term "Vollstreckungstitel" genoemd, om alle twijfel uit te sluiten over de aard van de akten die ten uitvoer kunnen worden gelegd via bijstand bij invordering.

Met betrekking tot frauduleuze activiteiten betreffende directe belastingen wordt in een gezamenlijke verklaring toegelicht dat bijstand bij invordering alleen wordt verleend binnen de in artikel 2 van de overeenkomst vastgestelde werkingssfeer, en dat de verzoekende autoriteit dus niet mag nalaten de aangezochte autoriteit van de nodige informatie te voorzien, zodat deze kan nagaan of er krachtens de overeenkomst bijstand moet worden verleend.

3.3. Wederzijdse rechtshulp

Artikel 25 ­ "Verhouding ten aanzien van andere overeenkomsten"

·

Aan dit artikel ligt dezelfde gedachte van complementariteit van internationale rechtsinstrumenten ten grondslag als aan artikel 1 van de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp.

Artikel 26 ­ "Procedures waarvoor eveneens wederzijdse rechtshulp wordt

·

verleend"

Dit artikel is in overeenstemming met de inhoud van artikel 49 van de SUO en artikel 3 van de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp. Dit artikel heeft thans met name betrekking op procedures waarin wederzijdse rechtshulp wordt verleend, met inbegrip van feiten of vergrijpen waarvoor een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld. Artikel 26, lid 2, werd behouden om de in het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven van de Raad van Europa (Straatsburg, 8.11.1990) bedoelde maatregelen uit te breiden tot delicten die onder de overeenkomst inzake fraudebestrijding vallen.

· Artikel 27 ­ "Toezending van verzoeken"

De rechtstreekse toezending van verzoeken is in overeenstemming met artikel 6 van de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp.

Artikel 28 ­ "Betekening of kennisgeving per post"

·

Dit artikel is in overeenstemming met de inhoud van artikel 52 van de SUO en artikel 5 van de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp.

Artikel 29 ­ "Voorlopige maatregelen"

·

Dit artikel komt overeen met artikel 24 van het tweede aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa (Straatsburg, 20.4.1959). Lid 2 komt overeen met artikel 11 van het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (Straatsburg, 8.11.1990).

Artikel 30 ­ "Aanwezigheid van de autoriteiten van de verzoekende partij"

·

Dit artikel komt overeen met artikel 4 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa (Straatsburg, 20.4.1959). Aangezien Liechtenstein een klein land is, kunnen de verzoeken om aanwezigheid van buitenlandse autoriteiten bij uitzondering worden afgewezen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van het tweede aanvullend protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Straatsburg, 20.4.1959). Het is ook geïnspireerd op artikel 12, lid 2, van de Napels IIovereenkomst.

Artikel 31 ­ "Huiszoekingen en inbeslagneming van voorwerpen"

·

Justitiële samenwerking, met inbegrip van huiszoekingen en inbeslagneming, wordt zowel verleend voor activiteiten in verband met de handel in goederen en diensten als voor frauduleuze activiteiten betreffende de directe belastingen. In artikel 31, lid 1, onder a), zijn de bewoordingen van artikel 51, onder a), van de SUO overgenomen. Door specifieke kenmerken van de Liechtensteinse wetgeving wijkt artikel 31, lid 2, af van de overeenkomst inzake fraudebestrijding met Zwitserland. Terwijl artikel 31, lid 1, onder a), betrekking heeft op administratieve fiscale delicten in verband met douanerechten en accijnzen waarvoor in het kader van de douaneunie tussen Zwitserland en Liechtenstein beroep kan worden ingesteld bij de Zwitserse federale strafrechter, vormt artikel 31, lid 2, de verbintenis van

Liechtenstein om bijstand te verlenen bij huiszoekingen en inbeslagneming ­ zelfs in verband met ontduiking van btw, wat naar Liechtensteins recht een zuiver administratief delict is en dat als fiscaal delict dat door de Liechtensteinse autoriteiten wordt onderzocht, geen aanleiding kan geven tot het instellen van een beroep bij een ook in strafzaken bevoegde rechter. Deze bepaling schept geen verplichting voor de overige partijen.

Artikel 31, lid 3, voldoet aan de communautaire antiwitwasnormen van Richtlijn 2005/60/EG.

Artikel 32 ­ "Verzoek om financiële en bankgegevens"

·

Verzoeken om gegevens over bankrekeningen en bankverrichtingen en verzoeken om toezicht op bankverrichtingen kunnen ook betrekking hebben op frauduleuze activiteiten betreffende directe belastingen die onder de werkingssfeer van deze overeenkomst vallen, en zij zullen worden behandeld in overeenstemming met de normen die zijn neergelegd in het protocol bij de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp

16

. Dit houdt in dat de betrokkene, indien nodig, niet van de

onderzoeksmaatregelen in kennis wordt gesteld.

Artikel 33 ­ "Gecontroleerde aflevering"

·

Voor dit artikel is teruggegrepen op artikel 12 van de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp, maar aangezien het betrekking heeft op de handel in goederen, is het voorwerp ervan beperkt tot illegale activiteiten in verband met de handel in goederen en diensten.

· Artikel 34 ­ "Overgave met het oog op confiscatie of teruggave"

Voor dit artikel is teruggegrepen op artikel 8 van de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp.

Artikel 35 ­ "Versnelling van de rechtshulp"

·

Dit artikel is erop gericht overdreven lange samenwerkingsprocedures te voorkomen. De tekst is volledig in overeenstemming met artikel 4, leden 2, 3 en 4, van de EUovereenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp.

Artikel 36 ­ "Gebruik van het bewijsmateriaal"

·

Dit artikel is in overeenstemming met artikel 23 van de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp.

Artikel 37 ­ "Het verstrekken van bewijsmateriaal op eigen initiatief"

·

Dit artikel is gebaseerd op artikel 7 van de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp. De aanvullende verwijzing in de ontwerpovereenkomst naar het verstrekken van bewijsmateriaal op eigen initiatief houdt geen substantiële wijziging in ten opzichte van de bestaande voorschriften, aangezien de bewijskracht

16 PB C 326 van 21.11.2001, blz. 1.

ervan uiteraard zal worden vastgesteld overeenkomstig het strafprocesrecht in het land van vervolging. Gelet op het verschil in strafprocesrecht in Liechtenstein en Zwitserland hoefde deze overeenkomst niet te voorzien in een bepaling inzake civiele vorderingen, zoals de Zwitserse overeenkomst inzake fraudebestrijding, waarin de betrokken bepaling uitsluitend werd opgenomen om een specifieke situatie in het kader van de Zwitserse rechtspraak te zetten.

3.4. Slotbepalingen

Artikel 38 ­ "Gemengd comité" en artikel 39 ­ "Geschillenregeling"

·

Bij dit artikel wordt voor het beheer van de overeenkomst een gemengd comité ingesteld, met als voornaamste bevoegdheid het mogelijk maken van toekomstige ontwikkelingen van de technische standaards voor de wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten, of deze nu reeds te voorzien zijn ­ in verband met termijnen voor de beantwoording van verzoeken (artikel 14, lid 4) bijvoorbeeld ­ of een hervorming vereisen van de wetgeving van de Gemeenschap en de Europese Unie, zoals met name de voorgenomen hervorming van Richtlijn 77/799/EEG (artikel 38, lid 5). In verband met de mogelijke impact van deze bevoegdheid op de soevereiniteit van de partijen, bevat artikel 38, lid 5, een constitutioneel voorbehoud.

Aangezien deze aanpassingen wellicht niet volstaan om in de toekomst tot nieuwe communautaire standaards voor wederzijdse rechtshulp te komen, wordt het gemengd comité verzocht aanbevelingen te doen tot herziening van de gehele overeenkomst (artikel 38, lid 6).

Het gemengd comité speelt ook een rol bij de tenuitvoerlegging van bepalingen, aangezien de praktijk bepalend kan zijn voor het goede functioneren van de samenwerking (gemeenschappelijke verklaringen bij artikel 2, lid 4, onder f), en artikel 24), onder meer bij de beslechting van geschillen (artikel 39).

Artikel 40 ­ "Territoriale werkingssfeer"

·

Dit artikel is in overeenstemming met de standaardbepalingen op dat gebied.

· Artikel 41 ­ "Inwerkingtreding"

De overeenkomst bepaalt dat de secretaris-generaal van de Europese Unie als depositaris zal optreden.

Artikel 42 ­ "Opzegging"

·

Dit artikel voorziet in de mogelijkheden om de overeenkomst op te zeggen.

Artikel 43 ­ "Temporele werkingssfeer"

·

Dit artikel bevat aparte bepalingen inzake de toepassing van de overeenkomst op verzoeken betreffende illegale activiteiten die na de ondertekening, doch vóór de inwerkingtreding van de overeenkomst zijn gepleegd.

De temporele werkingssfeer is voor illegale activiteiten in verband met de handel in goederen en diensten (punt a) op dezelfde wijze geregeld als in de overeenkomstige

bepaling in de Zwitserse overeenkomst inzake fraudebestrijding; het nieuwe element van bijstand met betrekking tot frauduleuze activiteiten betreffende directe belastingen (punt b) vereist een langere overgangsperiode. Liechtenstein heeft om deze langere overgangsperiode verzocht om de rechtszekerheid op het gebied van de directe belastingen beter te waarborgen.

Artikel 44 ­ "Uitbreiding van de overeenkomst tot nieuwe lidstaten van de EU"

·

Dit artikel moet het gemakkelijker maken de overeenkomst uit te breiden tot nieuwe lidstaten.

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van de

Samenwerkingsovereenkomst

tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds,

en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds,

ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen

schaden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 280, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin,

17

Gezien het voorstel van de Commissie , Overwegende hetgeen volgt:

(1) Nadat de Raad haar daartoe had gemachtigd op 7 november 2006 heeft de Commissie namens de Gemeenschap en haar lidstaten onderhandeld met het Vorstendom Liechtenstein over een overeenkomst ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden, met inbegrip van de middelen en uitgaven, en in het bijzonder subsidies en belastingen. (2) Onder voorbehoud van de sluiting van de overeenkomst op een latere datum is het wenselijk de op ... geparafeerde overeenkomst te ondertekenen, BESLUIT:

Enig artikel

Onder voorbehoud van de sluiting op een latere datum, wordt de voorzitter van de Raad gemachtigd om de persoon aan te wijzen die bevoegd is namens de Europese Gemeenschap tot ondertekening over te gaan van de overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden.

17 PB C van , blz. .

Gedaan te Brussel, op

Voor de Raad

De Voorzitter

2008/0234 (CNS)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van de

Samenwerkingsovereenkomst

tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds,

en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds,

ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen

schaden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 280, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, en artikel 300, lid 3, eerste alinea,

18

Gezien het voorstel van de Commissie , 19

Gezien het advies van het Europees Parlement , Overwegende hetgeen volgt:

(1) Op 7 november 2006 heeft de Raad de Commissie gemachtigd namens de Gemeenschap en haar lidstaten te onderhandelen met het Vorstendom Liechtenstein over een overeenkomst ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden, met inbegrip van de middelen en uitgaven, en in het bijzonder subsidies en belastingen. (2) Overeenkomstig Besluit [.../...]/EG van de Raad van , en onder voorbehoud van de sluiting op een latere datum, werd de overeenkomst op namens de Europese Gemeenschap ondertekend.

(3) Bij de overeenkomst wordt een gemengd comité ingesteld met besluitvormende bevoegdheden op bepaalde gebieden, zodat moet worden gespecificeerd wie de Gemeenschap in dit comité vertegenwoordigt. (4) Deze overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

18 PB C van , blz. . 19 PB C van , blz. .

BESLUIT:

Artikel 1

De overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden, wordt hierbij namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De Gemeenschap wordt in het bij artikel 38 ingestelde gemengd comité vertegenwoordigd door de Commissie.

Het standpunt dat de Gemeenschap bij de uitvoering van de overeenkomst inneemt ten aanzien van besluiten of aanbevelingen van het gemengd comité, wordt door de Raad op voorstel van de Commissie vastgesteld. De Raad handelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, tenzij een andere meerderheid is vastgesteld voor het onderwerp dat in het gemengd comité aan de orde is.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd om de persoon aan te wijzen die bevoegd is om de in artikel 41, lid 2, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving namens de Europese Gemeenschap te verrichten

20

.

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, op

Voor de Raad

De Voorzitter

20 De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt door het Secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

BIJLAGE

Samenwerkingsovereenkomst

tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom

Liechtenstein, anderzijds,

ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen

schaden

DE EUROPESE GEMEENSCHAP,

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE REPUBLIEK TSJECHIË,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK HONGARIJE,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND, enerzijds,

en tevens

HET VORSTENDOM LIECHTENSTEIN, anderzijds,

hierna "de partijen" genoemd;

HEBBEN BESLOTEN DE VOLGENDE OVEREENKOMST TE SLUITEN:

TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 ­ Voorwerp

Voorwerp van deze overeenkomst is de uitbreiding van de administratieve bijstand en de wederzijdse rechtshulp tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van de in artikel 2 vermelde fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden.

Artikel 2 ­ Werkingssfeer

  • 1. 
    Deze overeenkomst is van toepassing op de volgende gebieden:

(a) het administratief en strafrechtelijk voorkomen, opsporen, onderzoeken, vervolgen en bestraffen van fraude en andere illegale activiteiten die de respectieve financiële belangen van alle betrokken partijen schaden, met betrekking tot: ­ goederenhandel die in strijd is met de douane- en landbouwwetgeving;

­ handel die in strijd is met de wetgeving inzake indirecte belastingen, zoals omschreven in paragraaf 4, onder c);

­ het ontvangen of achterhouden van middelen ­ met inbegrip van het gebruik van deze middelen voor andere doelen dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn toegekend ­ afkomstig van de begroting van de partijen of van de door of voor hen beheerde begrotingen, zoals subsidies en restituties; ­ procedures voor de gunning van opdrachten door de partijen.

(b) het administratief en strafrechtelijk voorkomen, opsporen, onderzoeken, vervolgen en bestraffen van illegale activiteiten die de respectieve financiële belangen van de lidstaten van de lidstaten van de Europese Gemeenschap en het Vorstendom Liechtenstein schaden door frauduleuze gedragingen die strijdig zijn met de wetgeving inzake directe belastingen; (c) inbeslagneming en terugvordering van verschuldigde of ten onrechte ontvangen bedragen die voortvloeien uit de in lid 1, onder a) en b), vermelde illegale activiteiten.

  • 2. 
    Samenwerking in de zin van de titels II (administratieve bijstand) en III (wederzijdse rechtshulp) kan niet worden geweigerd op de enkele grond dat het verzoek betrekking heeft op een delict dat door de aangezochte partij als fiscaal delict wordt aangemerkt of dat de wetgeving van de aangezochte partij niet dezelfde soort belastingen, rechten, heffingen, uitgaven, subsidies of restituties kent of niet dezelfde soort regelgeving of dezelfde juridische kwalificatie van de feiten bevat als de wetgeving van de verzoekende partij.
  • 3. 
    Het witwassen van de opbrengsten van de onder lid 1, onder a), bedoelde activiteiten valt ook onder de werkingssfeer van deze overeenkomst, mits het witwassen onder de werkingssfeer valt van Richtlijn 2005/60/EG, zoals opgenomen in de EEROvereenkomst bij Besluit nr. 87/2006 van 7 juli 2006 tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-Overeenkomst, of de handelingen die het basisdelict vormen naar het recht van zowel de verzoekende als de aangezochte partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste zes maanden. 4. Voor de toepassing van deze overeenkomst geldt het volgende:

(a) "fraude en andere illegale activiteiten", zoals genoemd in lid 1, onder a), omvatten tevens smokkel, corruptie en het witwassen van de opbrengsten van de onder lid 1, onder a), vallende activiteiten, onder voorbehoud van lid 3;

(b) bij "goederenhandel die in strijd is met de douane- en landbouwwetgeving", zoals genoemd in lid 1, onder a), speelt het geen rol of de goederen al dan niet langs het grondgebied van de andere partij gaan (vertrek, bestemming of doorvoer); (c) "indirecte belastingen", zoals genoemd in lid 1, onder a), dienen te worden opgevat als douanerechten, belasting over de toegevoegde waarde, bijzondere verbruiksbelastingen en accijnzen;

(d) bij "handel die in strijd is met de wetgeving inzake indirecte belastingen", zoals genoemd in lid 1, onder a), speelt het geen rol of de goederen of diensten al dan niet langs het grondgebied van de andere partij gaan (vertrek, bestemming of doorvoer);

(d) "directe belastingen", genoemd in lid 1, onder b), zijn belastingen op het inkomen en het vermogen, of deze nu van particuliere of zakelijke herkomst zijn, en ongeacht de wijze waarop deze belastingen worden geheven, op het gehele inkomen, op het gehele vermogen of op bestanddelen van het inkomen of vermogen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van belastingen op winsten uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen op het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen op de waardevermeerdering van vermogen; (e) met "frauduleuze gedragingen die strijdig zijn met de wetgeving inzake directe belastingen", genoemd in lid 1, onder b), wordt bedoeld het ontduiken van directe belastingen door het opzettelijk gebruik van valse, vervalste of onjuiste documenten, met inbegrip van onvolledige belastingaangiften ingediend door natuurlijke personen of rechtspersonen en incorrecte zakelijke bescheiden. De volgende activiteiten vormen, indien opzettelijk begaan, "frauduleuze gedragingen die strijdig zijn met de wetgeving inzake directe belastingen": i) het opstellen, laten opstellen, ondertekenen of indienen van een document dat:

­ van rechtswege ingediend moet worden om de hoogte van het belastbaar

inkomen te staven tegenover de belastingautoriteiten,

­ dient als basis ter vaststelling van de belastingaanslag, en

­ een element dat nodig is ter vaststelling van een dergelijke aanslag, foutief weergeeft; ii) het voeren van een dubbele boekhouding;

  • iii) 
    het registreren van valse boekingen of wijzigingen, of het opstellen van valse facturen of documenten; iv) het vernietigen van boeken of bescheiden; of
  • v) 
    het verbergen van activa of het verhullen van bronnen van inkomsten door valse, vervalste of onjuiste documenten, met inbegrip van onvolledige belastingaangiften ingediend door natuurlijke personen of rechtspersonen en incorrecte zakelijke bescheiden. Artikel 3 Minder belangrijke gevallen
  • 1. 
    De autoriteit van de aangezochte partij kan een verzoek om samenwerking afwijzen wanneer het vermoedelijke te lage of ontdoken bedrag aan belasting of rechten, of de misbruikte subsidie of restitutie, niet meer bedraagt dan 25 000 euro, of, wat betreft artikel 2, lid 1, onder c), juncto artikel 2, lid 1, onder a), wanneer de vermoedelijke waarde van de op onregelmatige wijze in­ of uitgevoerde goederen minder bedraagt dan 100 000 euro. Het minimale bedrag dat gemoeid is met de te weinig betaalde belasting of rechten, of met de misbruikte subsidie of restitutie, of de minimale waarde van de hiervoor bedoelde goederen kan bestaan uit onderling samenhangende verrichtingen waarvan het belastbare feit langere tijd duurt en waarvan de financiële impact groter is dan de drempel, terwijl iedere verrichting afzonderlijk beschouwd onder de drempel blijft. De drempels zijn niet van toepassing, indien de verzoekende partij de zaak op grond van de omstandigheden of de identiteit van de verdachte als uiterst ernstig beschouwt. 2. De autoriteit van de aangezochte partij stelt de autoriteit van de verzoekende partij onverwijld in kennis van de redenen waarom het verzoek om samenwerking wordt afgewezen. Artikel 4 Openbare orde

De samenwerking kan worden geweigerd indien de aangezochte partij van mening is dat uitvoering van het verzoek haar soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen kan aantasten.

Artikel 5 Indiening van inlichtingen en bewijzen

  • 1. 
    De in enigerlei vorm uit hoofde van deze overeenkomst verstrekte of verkregen inlichtingen en bewijzen vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die geldt voor soortgelijke gegevens krachtens de nationale wetgeving van de ontvangende partij en krachtens de overeenkomstige bepalingen die van toepassing zijn op de communautaire instellingen.

Deze inlichtingen en bewijzen mogen niet worden meegedeeld aan andere personen dan degenen die er ambtshalve kennis van moeten nemen in de communautaire instellingen, de lidstaten of het Vorstendom Liechtenstein, en mogen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan die welke onder de werkingssfeer van deze overeenkomst vallen. Deze personen mogen de inlichtingen en bewijzen alleen te dien einde gebruiken, tenzij het gebruik voor een ander doeleinde uitdrukkelijk wordt toegestaan door de bevoegde autoriteit van de aangezochte partij, indien dergelijke inlichtingen en bewijzen volgens de wetgeving van deze partij onder gelijksoortige omstandigheden voor gelijksoortige doeleinden zouden mogen worden gebruikt. Deze personen mogen de gegevens tijdens openbare rechtszittingen of bij rechterlijke uitspraken bekendmaken.

  • 2. 
    De door de verzoekende partij krachtens deze overeenkomst verkregen inlichtingen en bewijzen mogen aan elke partij worden doorgegeven indien laatstbedoelde partij een onderzoek verricht waarvoor samenwerking niet is uitgesloten of indien er concrete aanwijzingen zijn dat deze partij een dergelijk onderzoek nuttig zou kunnen verrichten. (e) Wat betreft bijstand voor activiteiten die vallen onder artikel 2, lid 1, onder a), en artikel 2, lid 1, onder c), juncto artikel 2, lid 1, onder a), dient de verzoekende partij de aangezochte partij mee te delen aan welke andere partij bij deze overeenkomst en met welk doeleinde deze gegevens worden doorgegeven.

(f) Wat betreft bijstand voor activiteiten die vallen onder artikel 2, lid 1, onder b), en artikel 2, lid 1, onder c), juncto artikel 2, lid 1, onder b), mag de verzoekende partij inlichtingen en gegevens doorgeven aan een andere partij bij deze overeenkomst, indien de aangezochte partij hier bij het verstrekken van de inlichtingen geen uitdrukkelijk bezwaar tegen maakt. Deze doorgifte mag alleen de doeleinden dienen die in deze overeenkomst zijn gespecificeerd.

  • 3. 
    Tegen het verstrekken van inlichtingen en bewijzen uit hoofde van deze overeenkomst aan een of meer andere partijen kan geen beroep worden ingesteld in de aanvankelijk aangezochte partij.
  • 4. 
    Elke partij waaraan inlichtingen of bewijzen zijn verstrekt overeenkomstig lid 2 neemt de beperkingen op het gebruik daarvan die door de aangezochte partij zijn opgelegd aan de partij die om de eerste verstrekking heeft verzocht, in acht.
  • 5. 
    Wenst een partij krachtens deze overeenkomst verkregen inlichtingen en bewijzen te verstrekken aan een derde staat, dan is daarvoor de toestemming vereist van de partij waarvan deze gegevens en bewijzen afkomstig zijn. Artikel 6 Vertrouwelijkheid

De verzoekende partij kan verlangen dat de aangezochte partij het verzoek en de inhoud ervan vertrouwelijk behandelt, tenzij dit de uitvoering van het verzoek belemmert. Indien de aangezochte partij niet kan voldoen aan het vereiste van vertrouwelijkheid, stelt zij de autoriteit van de verzoekende partij daarvan vooraf in kennis.

Titel II ADMINISTRATIEVE BIJSTAND

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 7 Verhouding ten aanzien van andere overeenkomsten Deze titel laat onverlet

(g) wat betreft bijstand voor activiteiten die vallen onder artikel 2, lid 1, onder a), en artikel 2, lid 1, onder c), juncto artikel 2, lid 1, onder a), de toepasselijke bepalingen betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, of uitgebreidere verplichtingen op het gebied van administratieve bijstand, of gunstiger bepalingen van bilaterale of multilaterale samenwerkingsovereenkomsten tussen de partijen, in het bijzonder protocol 11 bij de EER-Overeenkomst, inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, en

(h) wat betreft bijstand voor activiteiten die vallen onder artikel 2, lid 1, onder b), en artikel 2, lid 1, onder c), juncto artikel 2, lid 1, onder b), de toepasselijke bepalingen betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, of uitgebreidere verplichtingen op het gebied van administratieve bijstand, of gunstiger bepalingen van bilaterale of multilaterale samenwerkingsovereenkomsten tussen de partijen, in het bijzonder de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Vorstendom Liechtenstein waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling 21

.

Artikel 8 Omvang van de administratieve bijstand

  • 1. 
    De partijen verlenen elkaar wederzijdse bijstand om de in deze overeenkomst bedoelde illegale activiteiten te bestrijden, met name door het voorkomen, opsporen en onderzoeken van transacties en andere handelingen en nalatigheden die in strijd zijn met de relevante wetgeving.
  • 2. 
    De bijstand overeenkomstig deze titel heeft betrekking op alle bevoegde bestuurlijke autoriteiten van de partijen die optreden binnen de werkingssfeer van artikel 2 en in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden inzake administratief onderzoek en strafvervolging, met inbegrip van de gevallen waarin deze autoriteiten bevoegdheden uitoefenen op verzoek van de gerechtelijke autoriteiten. Indien een strafrechtelijk onderzoek wordt verricht door of onder leiding van een gerechtelijke autoriteit, bepaalt deze autoriteit of daarmee samenhangende verzoeken om wederzijdse bijstand of samenwerking in verband daarmee ingediend worden op

21 PB L 379 van 24.12.2004, blz. 84.

grond van de toepasselijke bepalingen betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken dan wel op grond van deze titel.

Artikel 9 Verjaring

Bij het bepalen of informatie of andere in deze titel geregelde bijstand in antwoord op een verzoek kan worden verstrekt, past de staat aan welke het verzoek is gericht, de regels betreffende verjaring toe overeenkomstig de wetgeving van de verzoekende staat in plaats van de regels betreffende verjaring van de staat aan welke het verzoek is gericht.

Artikel 10 Bevoegdheden

De autoriteiten van de partijen passen de bepalingen van deze titel toe in het kader van de bevoegdheden die hun overeenkomstig het interne recht zijn toegekend. Niets in deze titel kan worden uitgelegd als een wijziging van de bevoegdheden die krachtens interne bepalingen aan de autoriteiten van de partijen in de zin van deze titel zijn toegekend.

Zij gaan te werk alsof zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit van dezelfde partij handelen. Daartoe gebruiken zij alle hun in het kader van hun intern recht ter beschikking staande wettelijke bevoegdheden ter inwilliging van het verzoek.

Artikel 11 Beperkingen van informatie-uitwisseling

  • 1. 
    Administratieve bijstand voor activiteiten die vallen onder artikel 2, lid 1, onder b), verplicht een partij waaraan het verzoek gericht is, niet tot het instellen van een onderzoek of het verstrekken van informatie, wanneer de wetgeving of de bestuurlijke praktijk van deze partij de bevoegde administratieve autoriteiten van die partij niet toestaat een onderzoek in te stellen of de gevraagde informatie in te winnen. Bij dergelijke bijstand kan het verstrekken van inlichtingen worden geweigerd indien dit zou leiden tot onthulling van een commercieel, industrieel of beroepsgeheim of van een handelswerkwijze of van gegevens waarvan de onthulling in strijd zou zijn met artikel 4; de bevoegde autoriteit van een lidstaat kan ook weigeren informatie over te dragen wanneer de verzoekende lidstaat op rechts- of feitelijke gronden dergelijke informatie zelf niet kan verstrekken. 2. Een partij mag een verzoek om administratieve bijstand in de vorm van informatieuitwisseling niet afwijzen louter omdat de informatie bij een bank, een andere financiële instelling of een als vertegenwoordiger, agent of trustee optredende persoon berust, of omdat de informatie betrekking heeft op eigendomsbelangen van een persoon, en evenmin wanneer haar bevoegde administratieve autoriteiten reeds over de informatie beschikken. Artikel 12 Evenredigheid

De autoriteit van de aangezochte partij kan een verzoek om samenwerking afwijzen wanneer het duidelijk is dat:

(i) het aantal en de aard van de binnen een bepaalde periode door de verzoekende partij ingediende verzoeken de autoriteit van de aangezochte partij onevenredig zwaar belasten;

(j) de autoriteit van de verzoekende partij voor het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen niet eerst een beroep heeft gedaan op alle gebruikelijke bronnen die zij in de gegeven omstandigheden had kunnen benutten zonder het verkrijgen van het beoogde resultaat in gevaar te brengen. Artikel 13 Centrale diensten

  • 1. 
    Elke partij wijst de centrale dienst of diensten aan die bevoegd zijn om de verzoeken om administratieve bijstand in de zin van deze titel te behandelen. Om de gevraagde bijstand te verlenen, doen deze diensten beroep op alle bevoegde bestuurlijke autoriteiten.
  • 2. 
    De centrale diensten treden rechtstreeks met elkaar in contact.
  • 3. 
    De activiteiten van de centrale diensten sluiten niet uit dat andere autoriteiten van de partijen, met name in spoedgevallen, rechtstreeks samenwerken op de onder deze overeenkomst vallende gebieden. De centrale diensten worden op de hoogte gesteld van alle gevallen waarin een beroep wordt gedaan op deze rechtstreekse samenwerking. 4. De partijen delen bij de in artikel 41, lid 2, bedoelde kennisgeving mee welke autoriteiten voor de toepassing van dit artikel als centrale diensten worden aangemerkt. Hoofdstuk 2 Bijstand op verzoek

Artikel 14 Verzoeken om inlichtingen

  • 1. 
    Binnen de grenzen van de werkingssfeer van deze overeenkomst deelt de autoriteit van de aangezochte partij op verzoek van de autoriteit van de verzoekende partij, deze laatste autoriteit alle inlichtingen mee waarover zij of andere autoriteiten van dezelfde partij beschikken en die deze autoriteit nodig heeft om illegale activiteiten in de zin van deze overeenkomst te voorkomen, op te sporen, te vervolgen en te bestraffen dan wel om schuldvorderingen in te vorderen. De autoriteit van de aangezochte partij verricht elk administratief onderzoek dat nodig is om deze inlichtingen te verkrijgen. 2. De meegedeelde inlichtingen gaan vergezeld van rapporten en andere documenten of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan waarop de verstrekte inlichtingen gebaseerd zijn en waarover de autoriteiten van de aangezochte partij beschikken of die voor het antwoord op het verzoek om inlichtingen zijn opgesteld of verkregen.
  • 3. 
    In onderlinge overeenstemming tussen de autoriteit van de verzoekende partij en die van de aangezochte partij en overeenkomstig de gedetailleerde instructies van de laatstbedoelde autoriteit kunnen ambtenaren die daartoe zijn gemachtigd door de autoriteit van de verzoekende partij in de kantoren van de autoriteiten van de aangezochte partij toegang hebben tot de documenten en inlichtingen in de zin van lid 1 die in het bezit zijn van deze autoriteiten en betrekking hebben op specifieke illegale activiteiten die onder de werkingssfeer van deze overeenkomst vallen. De betrokken ambtenaren mogen deze documenten kopiëren. 4. Het gemengd comité dat krachtens artikel 38 van de overeenkomst wordt ingesteld, stelt de termijnen vast waarbinnen de autoriteit van de aangezochte partij de ontvangst van een verzoek dient te bevestigen aan de verzoekende partij, en maakt de autoriteit van de verzoekende partij zo nodig kenbaar dat het verzoek tekortkomingen bevat, dat zij obstakels ondervindt bij het verstrekken van de inlichtingen of dat zij weigert de inlichtingen te verstrekken. Artikel 15 Verzoeken tot uitoefening van toezicht

Op verzoek van de autoriteit van de verzoekende partij oefent de autoriteit van de aangezochte partij voor zover mogelijk toezicht uit op de goederenhandel die in strijd is met de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde regelgeving. Dit toezicht kan betrekking hebben op personen ten aanzien van wie gegronde vermoedens bestaan dat zij aan deze illegale activiteiten deelnemen of hebben deelgenomen dan wel dat zij daartoe voorbereidingen hebben getroffen, alsmede op gebouwen, vervoermiddelen en goederen die verband houden met deze activiteiten.

Artikel 16 Kennisgeving en toezending per post

  • 1. 
    Op verzoek van de autoriteit van de verzoekende partij en met inachtneming van de interne voorschriften van de aangezochte partij, geeft de autoriteit van de aangezochte partij de geadresseerde kennis of laat zij hem kennis geven van alle besluiten of beslissingen die uitgaan van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende partij en die onder de werkingssfeer van deze overeenkomst vallen.
  • 2. 
    De verzoeken om kennisgeving dienen het onderwerp te vermelden van de besluiten of beslissingen waarvan kennis moet worden gegeven; zij dienen naam en adres van de geadresseerde te vermelden, evenals enige andere informatie op basis waarvan de geadresseerde gemakkelijker achterhaald kan worden en zij gaan vergezeld van een vertaling in een officiële taal van de aangezochte partij of in een voor deze partij aanvaardbare taal. De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van het gevolg dat aan het verzoek tot kennisgeving is gegeven en, meer in het bijzonder, van de datum waarop de kennisgeving van de akte of beslissing aan de geadresseerde heeft plaatsgevonden. 3. De partijen kunnen personen die op het grondgebied van de andere partij verblijven kennisgevingen en verzoeken om inlichtingen en om documenten rechtstreeks toezenden per post. Indien deze kennisgevingen en verzoeken om inlichtingen de in artikel 2, lid 1, onder a), derde en vierde streepje, bedoelde marktdeelnemers rechtstreeks worden toegezonden, kunnen deze personen daaraan gevolg geven en de

relevante documenten en inlichtingen verstrekken in de vorm die is vastgesteld in de voorschriften en regelgeving op basis waarvan de middelen zijn toegekend.

  • 4. 
    Niets in deze overeenkomst dient te worden uitgelegd op een wijze die de kennisgeving of betekening van stukken door een partij overeenkomstig haar wetten ongeldig maakt. Artikel 17 Verzoeken tot onderzoeken
  • 1. 
    Op verzoek van de verzoekende partij verricht de aangezochte partij de passende onderzoeken of doet zij deze verrichten naar transacties of gedragingen die illegale activiteiten in de zin van deze overeenkomst vormen, of die bij de autoriteit van de verzoekende partij het gegronde vermoeden doen ontstaan dat dergelijke illegale activiteiten werden gepleegd. 2. De aangezochte partij gebruikt alle in haar rechtsorde bestaande onderzoeksmiddelen als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere interne autoriteit, met inbegrip van de medewerking van de gerechtelijke autoriteiten of - indien nodig - met toestemming van deze autoriteiten. Deze bepaling laat de krachtens artikel 19 op de marktdeelnemers rustende verplichting tot samenwerking onverlet.

De autoriteit van de aangezochte partij deelt de resultaten van deze onderzoeken mee aan de autoriteit van de verzoekende partij. Artikel 14, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. 
    De autoriteit van de aangezochte partij breidt deze bijstand uit tot alle aspecten, voorwerpen en personen die duidelijk samenhangen met de in het verzoek om bijstand vermelde zaak, zonder dat daartoe een aanvullend verzoek nodig is. In twijfelgevallen neemt de autoriteit van de aangezochte partij eerst contact op met de autoriteit van de verzoekende partij. Artikel 18 Aanwezigheid van ambtenaren die door de autoriteit van de verzoekende partij zijn gemachtigd
  • 1. 
    De autoriteit van de verzoekende partij en die van de aangezochte partij kunnen overeenkomen dat door de eerstbedoelde autoriteit aangewezen ambtenaren aanwezig mogen zijn bij het in het voorgaande artikel bedoelde onderzoek. Hun aanwezigheid is niet afhankelijk van de instemming van de persoon of de marktdeelnemer bij wie het onderzoek plaatsvindt. 2. De ambtenaren van de autoriteit van de aangezochte partij hebben te allen tijde de leiding van het onderzoek. De ambtenaren van de autoriteit van de verzoekende partij mogen niet op eigen initiatief de bevoegdheden die aan ambtenaren van de autoriteit van de aangezochte partij zijn toegekend, uitoefenen. Daarentegen hebben zij wel toegang tot dezelfde gebouwen en documenten als de ambtenaren van de autoriteit van de aangezochte partij, zulks door hun tussenkomst en alleen ten behoeve van het lopende onderzoek.
  • 3. 
    Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.
  • 4. 
    De inlichtingen die ter kennis worden gebracht van de autoriteit van de verzoekende partij kunnen niet als bewijs worden gebruikt voordat toestemming is verleend voor het verstrekken van de stukken betreffende de uitvoering. Artikel 19 Verplichting tot samenwerking

De marktdeelnemers zijn verplicht mee te werken aan de uitvoering van het verzoek om administratieve bijstand, door toegang te verlenen tot hun gebouwen, vervoermiddelen en documenten en door alle relevante inlichtingen te verstrekken. De verzoekende partij kan de aangezochte partij verzoeken erop toe te zien dat deze plicht wordt vervuld binnen de grenzen die door het interne recht van de aangezochte partij zijn gesteld aan gelijkaardig onderzoek dat haar administratieve autoriteiten verrichten om de naleving van dergelijke wetgeving te waarborgen.

Artikel 20 Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand

  • 1. 
    Verzoeken om bijstand worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling ervan dienstig worden geacht. In spoedeisende gevallen worden mondelinge verzoeken aanvaard, die evenwel zo spoedig mogelijk schriftelijk moeten worden bevestigd.
  • 2. 
    De verzoeken bevatten de volgende gegevens: (k) de verzoekende autoriteit; (l) de gevraagde maatregel;

(m) voorwerp en reden van het verzoek;

(n) de betrokken wetgeving, regelgeving en andere wettelijke voorschriften;

(o) zo nauwkeurig en volledig mogelijke inlichtingen betreffende de natuurlijke personen of rechtspersonen waarop de onderzoeken betrekking hebben; (p) een overzicht van de relevante feiten en van het reeds uitgevoerde onderzoek, behalve in de in artikel 16 bedoelde gevallen. 3. De verzoeken worden opgesteld in een officiële taal van de aangezochte partij of in een voor deze partij aanvaardbare taal.

  • 4. 
    Onjuiste of onvolledige verzoeken kunnen worden gecorrigeerd of aangevuld. In afwachting daarvan worden de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van het verzoek reeds getroffen. 5. Verzoeken gericht tot autoriteiten die niet bevoegd zijn, worden onverwijld doorgezonden aan de bevoegde autoriteit.

Artikel 21 Gebruik van informatie

  • 1. 
    De verkregen inlichtingen worden uitsluitend voor de in deze overeenkomst omschreven doeleinden gebruikt. Wanneer een partij dergelijke inlichtingen voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij daarvoor de voorafgaande schriftelijke toestemming te krijgen van de autoriteit die deze inlichtingen heeft verstrekt. Een dergelijk gebruik is dan onderworpen aan de door deze autoriteit opgelegde beperkingen.
  • 2. 
    Lid 1 vormt geen beletsel voor het gebruik van de inlichtingen in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures die worden ingesteld wegens nietnaleving van de in het verzoek om administratieve bijstand bedoelde wetgeving, indien voor deze procedures dezelfde vormen van bijstand beschikbaar zouden zijn. De bevoegde autoriteit van de partij die de inlichtingen heeft verstrekt, wordt van een dergelijk gebruik onverwijld in kennis gesteld. 3. De partijen kunnen de krachtens deze overeenkomst verkregen inlichtingen en geraadpleegde documenten als bewijs gebruiken in hun processen-verbaal, rapporten en getuigenverklaringen en tijdens gerechtelijke procedures en vervolgingen. Hoofdstuk 3 Bijzondere vormen van samenwerking Artikel 22 Gezamenlijke acties
  • 1. 
    Wanneer bij in-, uit- en doorvoer van goederen wegens de omvang van deze transacties en de ermee gepaard gaande risico's op het gebied van belastingen en subsidies grote schadeposten voor de begroting van de partijen kunnen ontstaan, kunnen deze partijen overeenkomen om gezamenlijke grensoverschrijdende acties uit te voeren met het oog op de preventie en de vervolging van onder de werkingssfeer van deze overeenkomst vallende illegale activiteiten. 2. De coördinatie en planning van de grensoverschrijdende acties behoren tot de bevoegdheid van de centrale dienst of een door hem aangewezen dienst.
  • 3. 
    Wanneer de belastingsituatie van een of meer belastingplichtige personen voor de partijen van gezamenlijk of complementair belang is, kunnen de partijen overeenkomen op hun grondgebied gelijktijdige controles uit te voeren om de aldus verkregen informatie uit te wisselen, wanneer dergelijke controles doeltreffender worden geacht dan controles door slechts één lidstaat. Artikel 23 Gemeenschappelijke bijzondere onderzoeksteams
  • 1. 
    In onderlinge overeenstemming kunnen de autoriteiten van verschillende partijen een gezamenlijk bijzonder onderzoeksteam oprichten dat in een van de partijen is gevestigd. 2. Het onderzoeksteam verricht moeilijke onderzoeken die aanzienlijke middelen vereisen en coördineert gezamenlijke acties.
  • 3. 
    Deelname aan een dergelijk team verleent de betrokken vertegenwoordigers van de autoriteiten van de partij geen bevoegdheid op het grondgebied van de partij waar de onderzoeken worden verricht.
  • 4. 
    Indien functionarissen van een partij op het grondgebied van een andere partij optreden en er door hun optreden schade veroorzaken, vergoedt de laatstbedoelde partij overeenkomstig de nationale wetgeving deze schade op dezelfde wijze als zij zou hebben gedaan indien de schade door haar eigen functionarissen veroorzaakt was. Deze partij wordt volledig schadeloos gesteld door de partij waarvan de functionarissen de schade hebben veroorzaakt voor alle bedragen die zijn uitgekeerd aan slachtoffers of aan andere rechthebbende personen of instellingen. 5. Onverminderd zijn rechten tegenover derden en niettegenstaande de verplichting om schade te vergoeden overeenkomstig lid 4, tweede zin, ziet elke partij in het geval als bedoeld in lid 4, eerste zin, ervan af het bedrag van door hem geleden schade op een andere partij te verhalen. 6. Tijdens de operatie worden de functionarissen die optreden op het grondgebied van een andere partij gelijkgesteld met de functionarissen van de betrokken staat voor de inbreuken waarvan zij het slachtoffer worden of die zij begaan. Hoofdstuk 4 Invordering Artikel 24 Invordering
  • 1. 
    Op verzoek van de verzoekende overeenkomstsluitende partij gaat de aangezochte overeenkomstsluitende partij over tot invordering van onder de werkingssfeer van deze

overeenkomst vallende schuldvorderingen als betrof het eigen schuldvorderingen.

  • 2. 
    Het verzoek tot invordering van een schuldvordering moet vergezeld gaan van een officieel of voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de executoriale titel ("Vollstreckungstitel") die is afgegeven door de verzoekende partij en, in voorkomend geval, van het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van andere documenten die nodig zijn voor de invordering. 3. De aangezochte partij neemt conservatoire maatregelen met het oog op de invordering van een schuldvordering.
  • 4. 
    De autoriteit van de aangezochte partij maakt het door haar ingevorderde bedrag van de schuldvordering aan de autoriteit van de verzoekende partij over. In overeenstemming met de verzoekende partij kan zij daarvan het percentage dat overeenkomt met de door haar gemaakte administratieve kosten aftrekken. 5. Niettegenstaande het bepaalde in lid 1, behoeft aan de in te vorderen schuldvorderingen geen preferentiële behandeling te worden toegekend ten opzichte van vergelijkbare schuldvorderingen die zijn ontstaan in de aangezochte partij.

Titel III WEDERZIJDSE RECHTSHULP

Artikel 25 Verhouding ten aanzien van andere overeenkomsten

  • 1. 
    Met de bepalingen van deze titel wordt beoogd het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959 en het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven van 8 november 1990 aan te vullen en de toepassing ervan tussen de partijen te vergemakkelijken. 2. Er wordt geen afbreuk gedaan aan gunstiger bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de partijen. Artikel 26 Procedures waarin wederzijdse rechtshulp wordt verleend
  • 1. 
    Wederzijdse rechtshulp wordt ook verleend in de volgende gevallen:

(q) procedures wegens feiten die volgens het nationale recht van één van beide of beide partijen als vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde door bestuurlijke autoriteiten worden bestraft, mits tegen hun beslissingen beroep openstaat bij een ook in strafzaken bevoegde rechter; (r) burgerlijke rechtsvorderingen welke in een strafrechtelijke procedure zijn ingesteld, zolang de strafrechter nog niet onherroepelijk in de strafzaak heeft beslist; (s) wegens feiten of overtredingen waarvoor een rechtspersoon van de verzoekende partij aansprakelijk kan worden gesteld.

  • 2. 
    Rechtshulp wordt ook verleend ten behoeve van onderzoeken en procedures met het oog op de inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van deze vergrijpen. Artikel 27 Toezending van verzoeken
  • 1. 
    Verzoeken uit hoofde van deze titel worden door de autoriteit van de verzoekende partij gedaan via een bevoegde centrale autoriteit van de aangezochte partij ofwel rechtstreeks bij de autoriteit van de partij die bevoegd is voor de uitvoering van het verzoek van de verzoekende partij. De autoriteit van de verzoekende partij en, in voorkomend geval, de autoriteit van de aangezochte partij zenden hun centrale autoriteit ter informatie een kopie van het verzoek toe. 2. Stukken in verband met het verzoek of de uitvoering ervan kunnen langs dezelfde weg worden toegezonden. Deze stukken, of althans een kopie ervan, worden rechtstreeks aan de autoriteit van de verzoekende partij toegezonden.
  • 3. 
    Wanneer de autoriteit van de partij die het verzoek ontvangt, niet bevoegd is om de rechtshulp te verlenen, zendt zij dit verzoek onverwijld door aan de bevoegde autoriteit.
  • 4. 
    Verzoeken met gebreken of onvolledige verzoeken worden uitgevoerd voor zover zij de voor de uitvoering ervan benodigde essentiële gegevens bevatten, ongeacht de latere rectificatie ervan door de autoriteit van de verzoekende partij. De autoriteit van de aangezochte partij stelt de autoriteit van de verzoekende partij van deze tekortkomingen in kennis en geeft haar een termijn voor de rectificatie ervan. De autoriteit van de aangezochte partij zendt de autoriteit van de verzoekende partij onverwijld alle andere gegevens toe zodat deze haar verzoek eventueel kan aanvullen of uitbreiden tot andere maatregelen.
  • 5. 
    De partijen delen bij de in artikel 41, lid 2, bedoelde kennisgeving mee welke de voor de toepassing van dit artikel bevoegde centrale autoriteiten zijn. Artikel 28 Betekening of kennisgeving per post
  • 1. 
    Gerechtelijke stukken in procedures wegens illegale activiteiten in de zin van deze overeenkomst worden door de partijen in de regel rechtstreeks per post toegezonden aan de personen die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden.
  • 2. 
    Indien de autoriteit van de partij waarvan de documenten afkomstig zijn, weet of redenen heeft om aan te nemen dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dienen de documenten of althans de belangrijkste passages daarvan te worden vertaald in die andere taal. 3. De autoriteit van de verzendende partij stelt de geadresseerde ervan in kennis dat zij op het grondgebied van de andere partij niet rechtstreeks dwangmaatregelen of sancties kan uitvoeren.
  • 4. 
    De gerechtelijke stukken gaan vergezeld van een nota waarin wordt aangegeven dat de geadresseerde bij de in de nota genoemde autoriteit inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en verplichtingen met betrekking tot de stukken. Artikel 29 Voorlopige maatregelen
  • 1. 
    Binnen de grenzen van haar intern recht en haar bevoegdheden en op verzoek van de autoriteit van de verzoekende partij gelast de bevoegde autoriteit van de aangezochte partij de voorlopige maatregelen die nodig zijn om de bestaande situatie te handhaven, bedreigde juridische belangen te beschermen of bewijsmateriaal te vrijwaren, voor zover het verzoek om rechtshulp niet kennelijk niet-ontvankelijk lijkt. 2. Preventieve bevriezing en inbeslagneming worden gelast voor hulpmiddelen en opbrengsten van strafbare feiten waarvoor om rechtshulp wordt verzocht. Indien de opbrengsten van een strafbaar feit geheel of gedeeltelijk niet meer bestaan, worden dezelfde maatregelen gelast voor zich op het grondgebied van de aangezochte partij

bevindende voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de betrokken opbrengsten.

Artikel 30 Aanwezigheid van de autoriteiten van de verzoekende partij

  • 1. 
    De aangezochte partij kan er op verzoek van de verzoekende partij in toestemmen dat vertegenwoordigers van de autoriteiten van de verzoekende partij aanwezig zijn bij de uitvoering van het verzoek om wederzijdse rechtshulp. Deze aanwezigheid is niet afhankelijk van de instemming van de personen op wie de maatregel betrekking heeft. Verzoeken om aanwezigheid van vertegenwoordigers dienen niet te worden afgewezen wanneer de uitvoering van het verzoek om bijstand door hun aanwezigheid waarschijnlijk beter zal inspelen op de behoeften van de verzoekende partij, waardoor er waarschijnlijk geen aanvullende verzoeken nodig zullen zijn.

Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.

  • 2. 
    De aanwezigen hebben toegang tot dezelfde gebouwen en documenten als de vertegenwoordigers van de autoriteit van de aangezochte partij, zulks door hun tussenkomst en alleen ten behoeve van de uitvoering van het verzoek om wederzijdse rechtshulp. Aan de aanwezigen kan met name de toestemming worden verleend om vragen te stellen of voor te stellen en om onderzoeksmaatregelen te suggereren.
  • 3. 
    Deze aanwezigheid mag er niet toe leiden dat feiten onder schending van de geheimhoudingsplicht of van de rechten van de betrokkene bekend worden aan anderen dan aan de op basis van de voorgaande leden bevoegde personen. De inlichtingen die ter kennis worden gebracht van de autoriteit van de verzoekende partij, kunnen niet als bewijs worden gebruikt voordat de beslissing inzake het verstrekken van de stukken betreffende de uitvoering in kracht van gewijsde is gegaan. Artikel 31 Huiszoekingen en inbeslagneming van voorwerpen
  • 1. 
    De partijen onderwerpen de inwilligbaarheid van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming niet aan verdergaande voorwaarden dan dat:

(t) het aan de verzoeken ten grondslag liggende feit naar het recht van beide partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste zes maanden, dan wel naar het recht van één van beide partijen strafbaar gesteld met een sanctie met een zelfde maximum en naar het recht van de andere partij als een vergrijp tegen voorschriften betreffende de orde door de bestuurlijke autoriteiten wordt bestraft, mits tegen hun beslissingen beroep openstaat bij een ook in strafzaken bevoegde rechter; (u) de uitvoering van de verzoeken overigens verenigbaar is met het recht van de aangezochte partij.

  • 2. 
    Verzoeken strekkende tot huiszoeking of inbeslagneming van voorwerpen in verband met zaken die onder artikel 2, lid 1, onder a), vallen, worden door Liechtenstein ook uitgevoerd wanneer het aan het verzoek ten grondslag liggende feit naar Liechtensteins recht strafbaar is gesteld als belastingontduiking en de verzoekende partij dergelijke verzoeken voor het zelfde soort feit eveneens uitvoert. 3. Verzoeken strekkende tot huiszoeking en inbeslagneming wegens in artikel 2, lid 3, bedoelde witwaspraktijken, zijn ook ontvankelijk mits de handelingen die het basisdelict vormen, naar het recht van beide partijen strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van meer dan zes maanden. Artikel 32 Verzoek om financiële en bankgegevens
  • 1. 
    Indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, voert de aangezochte partij verzoeken om rechtshulp uit die betrekking hebben op het verkrijgen en het doorgeven van financiële en bankgegevens, met inbegrip van:

(v) de identificatie van en gegevens over bankrekeningen bij op haar grondgebied gevestigde banken waarvan degenen tegen wie een onderzoek is ingesteld houder of gevolmachtigde zijn, of waarover deze personen de controle uitoefenen; (w) de identificatie van en alle gegevens over transacties en banktransacties die van, naar of via een of meer bankrekeningen dan wel door bepaalde personen gedurende een welbepaalde periode worden verricht.

  • 2. 
    Voor zover dit krachtens haar strafprocesrecht voor soortgelijke interne gevallen is toegestaan, kan de aangezochte partij gelasten dat gedurende een welbepaalde periode wordt toegezien op banktransacties die van, naar of via bankrekeningen dan wel door bepaalde personen worden verricht en dat de resultaten aan de verzoekende partij worden meegedeeld. De beslissing inzake het toezicht op transacties en de mededeling van de resultaten wordt voor elk geval afzonderlijk genomen door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte partij en moet voldoen aan de nationale wetgeving van deze partij. De details van het toezicht worden tussen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte partij overeengekomen. 3. Iedere partij neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de financiële instellingen de betrokken klant of derden niet meedelen dat maatregelen worden uitgevoerd op verzoek van de verzoekende partij of dat een onderzoek loopt, zolang dit noodzakelijk is om de resultaten ervan niet in gevaar te brengen. 4. De autoriteit van de verzoekende partij vermeldt in het verzoek:

(x) waarom zij van mening is dat de gevraagde inlichtingen waarschijnlijk van wezenlijk belang zijn voor het onderzoek naar het strafbare feit;

(y) op welke gronden zij veronderstelt dat banken in de aangezochte partij de betrokken rekeningen onder zich hebben en, voor zover hierover gegevens beschikbaar zijn, om welke banken het zou kunnen gaan;

(z) elke beschikbare informatie die de uitvoering van het verzoek kan vergemakkelijken.

  • 5. 
    Een partij beroept zich niet op het bankgeheim als reden om iedere medewerking bij een rechtshulpverzoek van een andere partij te weigeren. Artikel 33 Gecontroleerde aflevering
  • 1. 
    Wat betreft bijstand voor activiteiten die vallen onder artikel 2, lid 1, onder a), en artikel 2, lid 1, onder c), juncto artikel 2, lid 1, onder a), verbindt de bevoegde autoriteit van de aangezochte partij zich ertoe ervoor te zorgen dat op verzoek van de autoriteit van de verzoekende partij gecontroleerde aflevering op haar grondgebied kan worden toegestaan in het kader van strafrechtelijke onderzoeken naar strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering. 2. De beslissing over een gecontroleerde aflevering wordt voor elk geval afzonderlijk genomen door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte partij, met inachtneming van het nationale recht van deze partij.
  • 3. 
    De gecontroleerde aflevering vindt plaats volgens de in het recht van de aangezochte partij vastgestelde procedures. Het recht om te handelen en om het optreden te leiden en te controleren berust bij de bevoegde autoriteiten van die partij. Artikel 34 Overgave met het oog op confiscatie of teruggave
  • 1. 
    Op verzoek van de verzoekende partij en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, kan de aangezochte partij de verzoekende partij voorwerpen, documenten, gelden of andere waarden ter beschikking stellen met het oog op teruggave aan de rechthebbenden. De aangezochte partij kan de overgave niet weigeren op grond van het feit dat de gelden met een fiscale of douaneschuld overeenstemmen. 2. De aangezochte partij kan afstand doen van het recht op teruggave van voorwerpen, documenten, gelden of andere waarden hetzij vóór, hetzij na de overgave aan de verzoekende partij, indien dit de teruggave van deze voorwerpen, documenten, gelden of andere waarden aan de rechtmatige eigenaar kan bevorderen. Rechten van derden te goeder trouw blijven onverlet.
  • 3. 
    Indien afstand wordt gedaan van het recht op teruggave voordat de voorwerpen, documenten, gelden of andere waarden aan de verzoekende partij zijn overgegeven, oefent de aangezochte partij ten aanzien van deze artikelen geen zekerheidsrecht of ander verhaalrecht krachtens de fiscale of douanewetgeving uit. Het afstand doen zoals bedoeld in lid 2 doet geen afbreuk aan het recht van de aangezochte partij om belastingen of rechten te heffen bij de rechthebbende. Artikel 35 Versnelling van de rechtshulp
  • 1. 
    De autoriteit van de aangezochte partij voldoet zo spoedig mogelijk aan het verzoek om wederzijdse rechtshulp en houdt daarbij zoveel mogelijk rekening met de door de

autoriteit van de verzoekende partij aangegeven procedurele of andere termijnen. Deze partij licht de redenen voor de gestelde termijn toe.

  • 2. 
    Indien aan het verzoek niet of niet geheel volgens de eisen van de autoriteit van de verzoekende partij kan worden voldaan, stelt de autoriteit van de aangezochte partij de autoriteit van de verzoekende partij hiervan onverwijld in kennis, onder vermelding van de voorwaarden waaronder het verzoek zou kunnen worden uitgevoerd. Beide autoriteiten kunnen vervolgens afspreken welk gevolg aan het verzoek zal worden gegeven en, in voorkomend geval, dat bij de uitvoering ervan aan de gestelde voorwaarden zal worden voldaan.

Indien te verwachten valt dat niet binnen de door de autoriteit van de verzoekende partij gestelde termijn aan het verzoek kan worden voldaan en de in lid 1, tweede volzin, bedoelde redenen concrete aanwijzingen bevatten dat elke vertraging de door deze autoriteit gevoerde procedure aanzienlijk zal schaden, geeft de autoriteit van de aangezochte partij onverwijld aan hoeveel tijd zij nodig acht voor de uitvoering van het verzoek. De autoriteit van de verzoekende partij geeft onverwijld te kennen of het verzoek desalniettemin wordt gehandhaafd. Beide autoriteiten kunnen vervolgens afspreken welk gevolg aan het verzoek zal worden gegeven.

Artikel 36 Gebruik van inlichtingen en bewijzen

Behalve voor doeleinden van de procedure waarvoor rechtshulp werd verleend, kunnen de in het kader van de rechtshulpprocedure verstrekte inlichtingen en bewijzen ook worden gebruikt:

(aa) in een strafprocedure in de verzoekende partij die is gericht tegen andere personen die hebben deelgenomen aan het plegen van het strafbare feit waarvoor rechtshulp werd verleend, gesteld dat wederzijdse bijstand ook met betrekking tot deze andere personen mogelijk zou zijn geweest. In dit geval dient de verzoekende partij een dergelijk gebruik te melden aan de aangezochte partij. (bb) wanneer de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten een ander strafbaar feit vormen waarvoor ook rechtshulp zou moeten worden verleend;

(cc) in procedures met het oog op de confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van strafbare feiten waarvoor rechtshulp zou moeten worden verleend en in schadevergoedingsprocedures wegens feiten waarvoor rechtshulp werd verleend. Artikel 37 Het verstrekken van inlichtingen en bewijsmateriaal op eigen initiatief

  • 1. 
    Binnen de grenzen van hun intern recht en hun bevoegdheden kunnen de gerechtelijke autoriteiten van een partij op eigen initiatief inlichtingen en bewijsmateriaal inzake illegale activiteiten in de zin van deze overeenkomst verstrekken aan een gerechtelijke autoriteit van een andere partij wanneer zij van oordeel zijn dat deze nuttig zouden kunnen zijn voor de autoriteit van de ontvangende partij bij het inleiden of uitvoeren van onderzoeken of procedures dan

wel dat deze inlichtingen ertoe kunnen leiden dat deze autoriteit een verzoek om wederzijdse rechtshulp indient.

  • 2. 
    De autoriteit van de partij die de inlichtingen verstrekt, kan overeenkomstig haar intern recht voorwaarden verbinden aan het gebruik van deze inlichtingen door de autoriteit van de ontvangende partij. 3. Alle autoriteiten van de partijen zijn aan deze voorwaarden gebonden.

TITEL IV SLOTBEPALINGEN

Artikel 38 Gemengd comité

  • 1. 
    Er wordt een gemengd comité ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van de partijen, dat belast wordt met de correcte toepassing van deze overeenkomst. Het comité doet hiertoe aanbevelingen en neemt besluiten in de gevallen bedoeld in deze overeenkomst. Het spreekt zich uit met algemene stemmen. 2. Het gemengd comité stelt zijn reglement van orde op, waarin onder meer voorschriften voor het bijeenroepen van een vergadering, de aanwijzing van de voorzitter en de vaststelling van diens taken zijn vervat. 3. Het gemengd comité komt zo vaak als nodig, doch ten minste eenmaal per jaar bijeen. Elke partij kan verzoeken om een vergadering te beleggen.
  • 4. 
    Het gemengd comité kan besluiten werkgroepen of groepen van deskundigen in te stellen om zich bij de uitvoering van zijn taken te laten bijstaan.
  • 5. 
    Het gemengd comité kan besluiten nemen over technische aanpassingen in verband met toekomstige ontwikkelingen inzake wederzijdse administratieve bijstand, voor zover de lidstaten van de Europese Gemeenschap zijn overeengekomen deze op te nemen in de wetgeving van de Europese Gemeenschap of in een wettekst van de Europese Unie. Indien een dergelijk besluit pas bindend kan zijn voor een partij, wanneer aan haar constitutionele eisen is voldaan, wordt het besluit van kracht op de eerste dag van de tweede maand na de laatste kennisgeving dat aan deze constitutionele eisen is voldaan, tenzij het gemengd comité anders besluit. 6. Wanneer een partij de overeenkomst wenst te herzien, legt zij een voorstel daartoe aan het gemengd comité voor, dat aanbevelingen doet, inzonderheid met het oog op het openen van onderhandelingen. Artikel 39 Geschillenregeling
  • 1. 
    Elke partij kan een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van deze overeenkomst voorleggen aan het gemengd comité, met name wanneer zij van mening is dat een andere partij herhaaldelijk geen gevolg heeft gegeven aan de tot haar gerichte verzoeken om samenwerking.
  • 2. 
    Het gemengd comité tracht het geschil zo spoedig mogelijk op te lossen. Het gemengd comité krijgt de beschikking over alle nuttige inlichtingen om de situatie diepgaand te onderzoeken en een aanvaardbare oplossing te vinden. Het gemengd comité onderzoekt hiertoe alle mogelijkheden om de goede werking van deze overeenkomst te behouden.

Artikel 40 Territoriale werkingssfeer

Deze overeenkomst is enerzijds van toepassing op het grondgebied van het Vorstendom Liechtenstein en anderzijds op de grondgebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is en onder de in dat Verdrag neergelegde voorwaarden.

Artikel 41 Inwerkingtreding

  • 1. 
    Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
  • 2. 
    Zij wordt door de partijen volgens hun eigen procedures geratificeerd of goedgekeurd. Zij treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de laatste kennisgeving van de ratificatie- of goedkeuringsinstrumenten. 3. Er wordt kennisgeving gedaan aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie, die depositaris van deze overeenkomst is.
  • 4. 
    Tot de inwerkingtreding van deze overeenkomst kan elke partij bij de kennisgeving als bedoeld in lid 2, of op enig ander later tijdstip, verklaren dat de overeenkomst op haar van toepassing is in haar betrekkingen met de andere partijen die eenzelfde verklaring hebben afgelegd. Deze verklaringen worden van toepassing negentig dagen na ontvangst van de kennisgeving. Artikel 42 Opzegging

De Europese Gemeenschap of het Vorstendom Liechtenstein kan deze overeenkomst opzeggen door kennisgeving aan de andere partij. De opzegging wordt van kracht zes maanden na ontvangst van de kennisgeving van de opzegging.

Artikel 43 Temporele werkingssfeer De bepalingen van deze overeenkomst zijn van toepassing op verzoeken:

(dd) met betrekking tot activiteiten in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), en artikel 2, lid 1, onder c), juncto artikel 2, lid 1, onder a), betreffende illegale activiteiten die ten minste zes maanden na de datum van ondertekening van de overeenkomst zijn gepleegd; en tevens (ee) met betrekking tot activiteiten in de zin van artikel 2, lid 1, onder b), en artikel 2, lid 1, onder c), juncto artikel 2, lid 1, onder b), betreffende illegale activiteiten die ten minste één jaar na de datum van ondertekening van de overeenkomst zijn gepleegd. Artikel 44 Uitbreiding van de overeenkomst tot nieuwe lidstaten van de EU

  • 1. 
    Elke staat die lid wordt van de Europese Unie kan, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de partijen, partij worden bij deze overeenkomst.
  • 2. 
    De tekst van de overeenkomst in de taal van de toetredende nieuwe lidstaat - die door de Raad van de Europese Unie wordt opgesteld - zal worden geauthentiseerd op basis van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Vorstendom Liechtenstein. Hij zal gelden als authentieke tekst in de zin van artikel 45.
  • 3. 
    Deze overeenkomst treedt ten aanzien van elke nieuwe EU-lidstaat die ertoe toetreedt, negentig dagen nadat diens toetredingsakte is neergelegd in werking, of op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst indien deze na afloop van genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking is getreden. 4. Indien deze overeenkomst bij de kennisgeving van de toetredingsakte van de toetredende nieuwe lidstaten nog niet in werking is getreden, is artikel 41, lid 4, van toepassing op deze lidstaten. Artikel 45 Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud, in de volgende talen: Bulgaars, Tsjechisch, Deens, Nederlands, Engels, Ests, Fins, Frans, Duits, Grieks, Hongaars, Italiaans, Iers, Lets, Litouws, Maltees, Pools, Portugees, Roemeens, Sloveens, Slowaaks, Spaans en Zweeds, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Handtekeningen

Gemeenschappelijke verklaringen van de partijen:

Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 17, lid 2

De partijen komen hierbij overeen dat in artikel 17, lid 2, van de overeenkomst het begrip "onderzoeksmiddel" het verhoor van personen, het bezoeken en doorzoeken van gebouwen en vervoermiddelen, het kopiëren van documenten, het verzoek om inlichtingen en de inbeslagneming van voorwerpen, documenten en waarden omvat.

Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 18, lid 2

De partijen komen hierbij overeen dat de tweede alinea in artikel 18, lid 2, van de overeenkomst tevens inhoudt dat de aanwezigen ook de toestemming kan worden verleend om vragen te stellen en onderzoeksmaatregelen voor te stellen.

Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 24

De partijen komen hierbij overeen dat de autoriteiten van de verzoekende partij dienen te bevestigen dat hun verzoek betrekking heeft op een schuldvordering die onder de werkingssfeer van deze overeenkomst valt. Regels inzake deze bevestiging en inzake bijstand bij invordering zullen worden vastgesteld door het in artikel 38 bedoeld gemengd comité.

Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 31, lid 2

De partijen nemen er kennis van dat "belastingontduiking" naar Liechtensteins recht moet worden opgevat als belastingontduiking overeenkomstig artikel 75 van de Liechtensteinse wet op de btw van juni 2000.

Gemeenschappelijke verklaring van de partijen over artikel 38, lid 5

De partijen komen overeen dat een partij het gemengd comité relevante informatie mag voorleggen over ontwikkelingen in hun samenwerking met derde landen die van belang is voor de verdere bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden, waarop het gemengd comité zich vervolgens kan beraden teneinde de goede samenwerking tussen de partijen nog te verbeteren.

Andere verklaringen:

Verklaring van Liechtenstein betreffende artikel 11, lid 2

Voorbij de werkingssfeer van deze overeenkomst, verklaart het Vorstendom Liechtenstein te willen onderhandelen met de lidstaten van de Europese Gemeenschap die hiertoe bereid zijn, over brede bilaterale overeenkomsten tot afschaffing van dubbele belasting, en daarbij de OESO-norm voor de uitwisseling van informatie zoals vervat in artikel 26 van het

modelverdrag inzake belasting naar inkomen en vermogen, zoals goedgekeurd door het Comité voor fiscale aangelegenheden van de OESO op 1 juni 2004, over te nemen.

FINANCIEEL MEMORANDUM

  • 1. 
    NAAM VAN HET VOORSTEL: Overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden
  • 2. 
    ABM/ABB-KADER

Betrokken beleidsterrein(en) en bijbehorende activiteit(en):

Titel 24 -- Fraudebestrijding, en

Titel 14 -- Belastingen en douane-unie.

  • 3. 
    BEGROTINGSONDERDELEN

3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving: 3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

Vanaf de ratificatie door de Europese Gemeenschap, alle lidstaten en het Vorstendom Liechtenstein.

3.3. Begrotingskenmerken: Niet van toepassing.

  • 4. 
    OVERZICHT VAN DE MIDDELEN 4.1. Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK) Niet van toepassing.

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

¤ Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten.

Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten).

¤

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

¤ Het voorstel heeft de volgende financiële gevolgen voor de ontvangsten:

4.2. Personele middelen in voltijdequivalenten (VTE; ambtenaren, tijdelijk en extern personeel) ­ zie punt 8.2.1.

Jaarlijkse behoeften

Jaar n n + 1 n + 2 n + 3 n + 4 n + 5 e.v.

Totale personele 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 middelen in VTE

  • 5. 
    KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN 5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien Er is geen specifieke behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

De communautaire meerwaarde bestaat in een doeltreffender rechtsgrondslag voor administratieve en justitiële samenwerking met Liechtenstein bij de bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Gemeenschap schaadt, waaronder fraude met btw en accijnzen, alsmede het witwassen van de betrokken opbrengsten.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

De beoogde resultaten hebben hoofdzakelijk betrekking op het beperken van het mogelijke risico voor middelen en uitgaven van de begroting van de Europese Gemeenschappen door versterkte samenwerking met Liechtenstein.

Door de deelname van de Commissie aan het overeenkomstig artikel 38 van de overeenkomst op te richten gemengd comité kan de overeenkomst soepel in de praktijk worden toegepast.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief) Gecentraliseerd beheer

rechtstreeks door de Commissie gedelegeerd aan:

¤

uitvoerende agentschappen

¤

¤ door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak

¤

¤ Gedeeld of gedecentraliseerd beheer met lidstaten

¤

¤ met derde landen

¤ Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke)

Opmerkingen: De belangrijkste gevolgen voor de EG-begroting zijn de administratieve kosten in verband met de deelname van de Commissie aan het overeenkomstig artikel 38 van de overeenkomst ingestelde gemengd comité.

  • 6. 
    TOEZICHT EN EVALUATIE 6.1. Toezichtsysteem

Het toezicht wordt voldoende gewaarborgd door de mechanismen in verband met de administratieve uitgaven voor personeel en dienstreizen die voortvloeien uit de deelname, éénmaal per jaar, aan het overeenkomstig artikel 38 van de overeenkomst in te stellen gemengd comité.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Beoordeling vooraf Er worden alleen uitgaven gedaan voor dienstreizen.

6.2.2. aar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

Aangezien de uitgaven beperkt blijven tot kosten in verband met dienstreizen, is geen tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf gepland.

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties Zie punt 6.2.2

  • 7. 
    F RAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN De overeenkomst is een fraudebestrijdingsmaatregel.
  • 8. 
    MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel Niet van toepassing.

8.2. Administratieve uitgaven

8.2.1. Aantal en soort personeelsleden

Huidig of extra personeel dat zal worden ingezet voor het beheer van de actie Soort post

(aantal posten/VTE)

Jaar n Jaar n+1 Jaar n+2 Jaar n+3 Jaar n+4 Jaar n+5

Ambtenaren A*/AD 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 of tijdelijk

personeel B*, C*/AST (XX 01 01)

Uit art. XX 01 02

gefinancierd personeel

Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander

personeel

0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 TOTAAL

8.2.2. Beschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

Ten minste één bijeenkomst per jaar van het gemengd comité van artikel 38 van de overeenkomst, en meer indien nodig.

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma ¤ Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor jaar n

Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd

¤

Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling)

¤

Posten die voor jaar n nodig zijn maar die in het kader van de JBS/VOBprocedure voor dat jaar nog niet zijn toegewezen

¤

8.2.4. Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag (XX 01 04/05 ­ Uitgaven voor administratief beheer)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel Jaar n+5

Jaar Jaar n+1 Jaar n+2 Jaar n+3 Jaar n+4 TOTA

(nummer en omschrijving)

n AL e.v.

1 Technische en administratieve bijstand (inclusief bijbehorende personeelsuitgaven)

Uitvoerende agentschappen Andere technische en administratieve

bijstand

  • intra muros - extra muros Totaal Technische en administratieve bijstand

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Jaar

Jaar Jaar Jaar Jaar n+5

Soort personeel Jaar n

n+1 n+2 n+3 n+4 e.v.

Ambtenaren en tijdelijk 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1 0.1 personeel (XX 01 01)

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale

deskundigen, personeel op contractbasis, enz.)

(vermeld begrotingsonderdeel)

Totaal Personeelsuitgaven 0,011 0,011 0,011 0,011 0,011 0,011 en aanverwante uitgaven die NIET

in het

referentiebedrag zijn begrepen

Berekening ­ Ambtenaren en tijdelijke functionarissen

Niet van toepassing. 117 000 x 0,1 VTE

Berekening ­ Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel

Niet van toepassing.

8.2.6. Berekening - Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Jaar n+5

Jaar Jaar n+1 Jaar n+2 Jaar n+3 Jaar n+4 TOTAA

n L e.v.

XX 01 02 11 01 ­ 0,010 0,010 0,010 0,010 0,010 0,010 Dienstreizen24,.010600.010211 - 0,120 Dienstreizen.

0,010 0,010 0,010 0,010 0,010 0,010

XX 01 02 11 02 ­ Conferenties en vergaderingen

XX 01 02 11 03 ­ Comités

24.010600.010211 ­ Comités 0,005 0,005 0,005 0,005 0,005 0,005 0,030

XX 01 02 11 04 ­ Studies en adviezen XX 01 02 11 05 - Informatiesystemen

2 Totaal Andere beheersuitgaven 0,020 0,020 0,020 0,020 0,020 0,020 0,120 (24.010600.0201)

Gezamenlijke acties en gezamenlijke

onderzoeksteams

3 Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het

begrotingsonderdeel)

Totaal Andere administratieve uitgaven (anders dan

personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven) 0,045 0,045 0,045 0,045 0,045 0,045 0,270 die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen

Berekening - Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

Jaarlijks één bijeenkomst van het comité met drie deelnemers van OLAF en drie van andere DG's.

Twee gezamenlijke acties per jaar.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie