Gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld op xx december 2008, met het oog op de aanneming door het Europees Parlement en de Raad van een Verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en tot vaststelling van de inhoud van de bijbehorende bijlagen

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

ONTWERP-MOTIVERING VAN DE RAAD

I. INLEIDING

1

Op 29 april 2004 hebben het Europees Parlement en de Raad Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna "de basisverordening")

2

aangenomen, die Verordening (EEG) nr. 1408/71 moet vervangen.

De basisverordening bevat bijlagen met bepalingen die betrekking hebben op afzonderlijke

lidstaten. De inhoud van sommige van deze bijlagen was nog niet vastgesteld toen de

verordening werd aangenomen. De basisverordening bepaalt daarom dat de inhoud van de

bijlagen II (bepalingen van verdragen die van toepassing blijven), X (bijzondere, niet op

premie- of bijdragebetaling berustende prestaties) en XI (bijzondere bepalingen betreffende

de toepassing van de wetgeving van de lidstaten), die opengelaten waren, vóór de datum van

toepassing van de verordening dient te worden vastgesteld.

Bovendien moesten sommige bijlagen ook worden aangepast om rekening te houden met de

behoeften van de lidstaten die na de aanneming van de verordening tot de Europese Unie zijn

toegetreden, en met recente ontwikkelingen in andere lidstaten.

Dat is de opzet van de twee verordeningsvoorstellen die de Commissie respectievelijk op 24

januari 2006 en 3 juli 2007 heeft ingediend:

· voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de

socialezekerheidsstelsels, en tot vaststelling van de inhoud van bijlage XI;

1

PB L 166, 30.4.2002, rectificatie in PB L 200, 7.6.2004, blz. 1. 2

Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1992/2006 (PB L 392 van 30.12.2006, blz. 1).

· voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de

socialezekerheidsstelsels.

Beide voorstellen zijn gebaseerd op de artikelen 42 en 308 van het Verdrag.

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag, heeft het Europees Parlement op

9 juli 2008 één advies in eerste lezing aangenomen, dat 77 amendementen omvat op het

voorstel voor een Verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende

de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en tot vaststelling van de inhoud van

3

bijlage XI. Het Europees Parlement beschouwt de procedure ten aanzien van het tweede voorstel als vervallen, omdat de inhoud ervan in de procedure betreffende het eerste voorstel

is opgenomen.

4

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 oktober 2006 advies uitgebracht .

De Commissie heeft op 15 oktober 2008 gewijzigde voorstellen ingediend. In het licht van

amendement 1 van het Europees Parlement, is in de gewijzigde voorstellen de samenvoeging

van de twee oorspronkelijke voorstellen in één tekst bevestigd. De Commissie heeft alle door

het Europees Parlement aangenomen amendementen aanvaard.

De Raad heeft op xx december 2008 zijn gemeenschappelijk standpunt met eenparigheid van

stemmen vastgesteld, overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag. Het

gemeenschappelijk standpunt heeft ook betrekking op de twee oorspronkelijke voorstellen,

die in één tekst zijn samengevoegd.

3 Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad. 4

PB C 161 van 13.7.2007, blz. 61.

II. DOEL

Het voorstel voor een toepassingsverordening voorziet in horizontale regels, terwijl het

voorstel voor een verordening tot vaststelling van de inhoud van bijlage XI in aanvullende

bepalingen betreffende specifieke aspecten van de wetgeving van de individuele lidstaten

voorziet, teneinde ervoor te zorgen dat de basisverordening in de betrokken lidstaten vlot kan

worden toegepast. Overeenkomstig de algemene doelstelling van vereenvoudiging, bevat het

voorstel minder vermeldingen dan de overeenkomstige bijlage VI van de bestaande

Verordening (EEG) nr. 1408/71.

De bijlagen II en X van Verordening 883/2004, waarvan de inhoud nog niet was vastgesteld,

zijn bedoeld ter vervanging van gelijkaardige bepalingen in de bijlagen III en II bis van

Verordening 1408/71. De overige bijlagen waarop de voorgestelde wijzigingen betrekking

hebben, bevatten al bepalingen betreffende verschillende lidstaten, maar dienen te worden

aangevuld in verband met de lidstaten die na 29 april 2004 tot de EU zijn toegetreden.

Bepaalde van deze bijlagen hebben ook overeenkomstige bepalingen in Verordening 1408/71.

Bijlage I, deel 1 (voorschotten op onderhoudsverplichtingen), en de bijlagen III en IV

(speciale regels voor verstrekkingen) betreffen echter alleen Verordening 883/2004.

III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

  • 1. 

    Algemene opmerkingen:

  • a) 

    Gewijzigd Commissievoorstel

Het Europees Parlement heeft 77 amendementen op het Commissievoorstel

aangenomen. Alle amendementen zijn volledig, gedeeltelijk, dan wel in een

andere formulering in de gewijzigde Commissievoorstellen verwerkt

(amendementen 1-5, 7-11, 13-24 en 26-78 rev).

  • b) 

    Gemeenschappelijk standpunt van de Raad:

De Raad kan 69 van de 77 amendementen die geheel of gedeeltelijk in het

gewijzigde Commissievoorstel zijn verwerkt, aanvaarden, namelijk de

amendementen 1-5, 7, 8, 10, 13-19, 21, 22 en 25-77.

De Raad acht het echter niet wenselijk om de amendementen 6, 11, 12, 20, 23, 24

en 78 rev. over te nemen. Bovendien stemde de Raad weliswaar in met de inhoud

van amendement 9 betreffende de definitie van "verstrekkingen", maar was hij van

oordeel dat deze definitie verder moet worden verduidelijkt (artikel 1, punt 3,

onder v bis) van het gemeenschappelijk standpunt.

  • 2. 
    Standpunt van de Raad over amendement 20 en de andere daarmee verband houdende amendementen:

Dit betreft het recht van gezinsleden van een grensarbeider op gezondheidszorg in de

lidstaat waar de arbeider werkt, onder dezelfde voorwaarden als op de arbeider van

toepassing zijn.

In artikel 18, lid 2, van de basisverordening is bepaald dat "de gezinsleden van een

grensarbeider tijdens hun verblijf in de bevoegde lidstaat recht [hebben] op de

verstrekkingen, tenzij de bevoegde lidstaat wordt vermeld in bijlage III". Bijlage III van

de basisverordening bevat een lijst van de zeven lidstaten die beperkingen toepassen op

het recht op verstrekkingen van gezinsleden van een grensarbeider.

Volgens amendement 20 van het Europees Parlement (waarmee de amendementen 6, 11

en 12 nauw verbonden zijn) moet in artikel 87 van de basisverordening een nieuw lid 10

bis worden ingelast, dat als volgt luidt: "Bijlage III wordt 5 jaar na de datum van

toepassing van de verordening ingetrokken."

De Raad heeft geen unaniem akkoord bereikt over dit amendement, gezien het verzet

van vijf delegaties. Deze delegaties gaan er principieel van uit dat de bepaling in

artikel 18, lid 2, van de basisverordening niet op de helling mag worden gezet, met

name omdat nog geen ervaring is opgedaan met de toepassing van de nieuwe

verordening. Ze benadrukken dat in het broze compromis dat in Verordening

nr. 883/2004 gestalte heeft gekregen, en waarin het Parlement een belangrijke rol heeft

gespeeld, geen wijzigingen moeten worden aangebracht. Alvorens verdere stappen te

ondernemen, geven zij er dan ook de voorkeur aan om gezinsleden van grensarbeiders

ruimere rechten inzake gezondheidszorg te bieden dan wat in Verordening (EEG)

1408/71 is bepaald, omdat zij van mening zijn dat een besluit, op dit moment, om

Bijlage III na een periode van 5 jaar in te trekken voorbarig zou zijn.

Alle andere delegaties waren wel voorstander van dit amendement, met het oog op het

bereiken van een compromis. Bovendien namen de delegaties van zes van de in Bijlage

III bij het gemeenschappelijk standpunt genoemde lidstaten een nog soepeler standpunt

in, in die zin dat zij de intrekking van Bijlage III na een periode van 4 jaar kunnen

aanvaarden. In dit verband nam de Italiaanse delegatie, die amendement 24 niet kon

aanvaarden aangezien zij een vermelding in Bijlage III nodig acht, een compromis-

standpunt in met betrekking tot amendement 20, omdat zij accepteerde dat de

geldigheidsperiode van de vermelding tot vier jaar wordt beperkt.

Met het oog op deze situatie, en gezien het belang dat het Europees Parlement aan deze

kwestie hecht, werd uiteindelijk een compromisoplossing met eenparigheid van

stemmen bereikt, die het volgende inhoudt:

· artikel 18, lid 2, en artikel 28, lid 1, van de basisverordening worden gewijzigd in die zin dat Bijlage III 5 jaar na de datum van toepassing wordt herzien, en

· een nieuw lid (10 bis) wordt toegevoegd aan artikel 87 van de basisverordening, waarin wordt bepaald dat de geldigheidsperiode van vermeldingen over bepaalde

lidstaten in Bijlage II tot 4 jaar wordt beperkt.

De Raad is van mening dat dit een realistische en evenwichtige oplossing is, die

duidelijk in de richting gaat van het standpunt van het Europees Parlement. Hij hoopt

dat het Parlement deze oplossing zal kunnen aanvaarden.

  • 3. 

    Standpunt van de Raad over amendement 23

Amendement 23 heeft betrekking op Bijlage II bij de basisverordening (bepalingen van

bilaterale verdragen die van toepassing blijven en die, naargelang van het geval, beperkt

zijn tot de personen die onder deze bilaterale bepalingen vallen). In punt 36 van deze

bijlage, onder de vermelding Portugal-Verenigd Koninkrijk, voegt het Parlement een

referentie toe aan artikel 2, lid 1, van het Protocol betreffende medische behandelingen

van 15 november 1978. Dit protocol wordt reeds door Bijlage III van Verordening

(EEG) nr. 1408/71 van de Raad bestreken.

Het bovengenoemde protocol komt niet voor in Bijlage II van het gemeenschappelijk

standpunt van de Raad, aangezien de twee betrokken lidstaten hebben meegedeeld dat

zij hebben besloten artikel 2, lid 1, van dit protocol niet toe te passen vanaf

1 september 2008.

  • 4. 

    Standpunt van de Raad over amendement 78 rev

Amendement 78 rev strekt ertoe de vermelding "Italië" te behouden in Bijlage IV bij de

basisverordening, volgens dewelke de lidstaten die in deze Bijlage zijn opgenomen

meer rechten verstrekken voor pensioengerechtigden die naar de bevoegde lidstaat

terugkeren (artikel 27, lid 2, van de basisverordening). Dit amendement was voor de

Raad, met eenparigheid van stemmen, niet aanvaardbaar.

Na de aanneming van de basisverordening hebben de Italiaanse autoriteiten hun

standpunt herzien en er de voorkeur aan gegeven voorlopig geen bijkomende rechten

voor pensioengerechtigden te verstrekken. In het licht van deze nieuwe ontwikkelingen

heeft de Commissie in haar oorspronkelijk voorstel tot wijziging van de bijlagen bij

Verordening (EEG) nr. 883/2004 voorgesteld om de vermelding "Italië" in Bijlage IV te

schrappen. De Italiaanse delegatie kon akkoord gaan met het voorstel van de

Commissie.

De Commissie heeft het door de Raad overeengekomen gemeenschappelijk standpunt

aanvaard.

  • 5. 

    Specifieke opmerkingen

De Raad achtte het noodzakelijk de volgende wijzigingen in het Commissievoorstel aan

te brengen:

· artikel 15 van de basisverordening: de term "hulpfunctionarissen" is vervangen door de term "arbeidscontractanten" in het gemeenschappelijk standpunt

overeenkomstig het Statuut;

· artikel 36, lid 1, van de basisverordening: de Raad achtte het nodig ervoor te zorgen dat de artikelen 17, 18, lid 1, 19, lid 1, en 20, lid 1, ook gelden voor

uitkeringen in verband met arbeidsongevallen of beroepsziekten;

· voorts was de Raad van oordeel dat er een nieuw lid moet worden toegevoegd aan artikel 36 van de basisverordening om daarin het beginsel op te nemen dat

vermeld wordt in artikel 33 van het Commissievoorstel voor een verordening tot

vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004;

· artikel 87, lid 8: de Raad achtte het noodzakelijk het huidige lid 8 in de basisverordening te vervangen door een nieuw lid, om de maximale periode te

specificeren waarin een persoon onderworpen zal zijn aan de wetgeving van een

andere lidstaat dan die waaraan die persoon krachtens Titel II van Verordening

(EEG) nr. 1408/71 van de Raad is onderworpen.

IV. CONCLUSIE

De Raad is verheugd over de geest van samenwerking met het Europees Parlement tijdens de

eerste lezing van dit belangrijk onderdeel van aanvullende wetgeving, die de twee instellingen

in staat heeft gesteld om de ruimte voor mogelijke onenigheid in grote mate te verkleinen.

Hij is van mening dat zijn gemeenschappelijk standpunt in ruime mate aansluit bij de punten

van zorg die het Parlement ter sprake heeft gebracht.

Hij kijkt uit naar de voortzetting van deze constructieve dialoog met het Europees Parlement,

teneinde zo spoedig mogelijk definitieve overeenstemming over deze aanvullende wetgeving

te bereiken, gezien het primerende belang van de uitvoering van het volledige pakket nieuwe

regelgeving ter modernisering en vereenvoudiging van de coördinatie van

socialezekerheidsstelsels.

________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie