Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

Voor de delegaties gaat hierbij de tekst van de ontwerp-verordening die het resultaat is van de

besprekingen van de Groep sociale vraagstukken op 9 en 10 oktober 2008.

______________

BIJLAGE

Ontwerp

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de

coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

(Voor de EER en Zwitserland relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 42

en 308,

1

Gelet op Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 2

betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels , en met name op artikel 89,

3

Gezien het voorstel van de Commissie ,

4

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ,

1

Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de sociale zekerheidsstelsels, PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1, rectificatie in PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1. 2

PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1, corrigendum PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1. 3

PB C,, blz. . 4

PB C,, blz. .

5

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Verordening (EG) nr. 883/2004 moderniseert de voorschriften voor de coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten door in de nodige uitvoeringsmaatregelen

en -procedures te voorzien en ze te vereenvoudigen ten behoeve van alle betrokkenen. De

wijze van toepassing hiervan moet worden vastgesteld.

(2) Een efficiëntere en nauwere samenwerking tussen de socialezekerheidsorganen is van essentieel belang om de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen zo spoedig

mogelijk en onder de best mogelijke voorwaarden in het genot van hun rechten te laten

komen.

(3) Het gebruik van elektronische hulpmiddelen is de aangewezen weg voor de snelle en betrouwbare uitwisseling van gegevens tussen de organen van de lidstaten. De elektronische

verwerking van deze gegevens moet bijdragen tot een snellere afwikkeling van de procedures

voor de betrokkenen. Deze moeten overigens alle garanties genieten die door de

communautaire bepalingen inzake de bescherming van natuurlijke personen in verband met

de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens

geboden worden.

(4) De terbeschikkingstelling van de adressen, ook de elektronische, en verdere gegevens van de instanties van de lidstaten die bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betrokken

kunnen zijn, in zodanige vorm dat deze realtime kunnen worden bijgewerkt, moet de

uitwisseling tussen de organen van de lidstaten vergemakkelijken. Deze benadering, waarbij

voorrang wordt gegeven aan de relevantie van de louter feitelijke informatie en de

onmiddellijke beschikbaarheid daarvan voor de burgers, vormt een belangrijke

vereenvoudiging die bij de onderhavige verordening moet worden ingevoerd.

5

PB C,, blz. .

4 bis) Met het oog op het nagestreefde zo vlot mogelijke verloop van de complexe procedures voor

de uitvoering van de voorschriften inzake de coördinatie van de stelsels voor sociale

zekerheid en het efficiënte beheer van deze procedures is een systeem nodig voor de

onmiddellijke bijwerking van bijlage 4. De voorbereiding en toepassing van de bepalingen

daartoe vereist een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie en de

tenuitvoerlegging ervan moet spoedig gebeuren gezien de gevolgen die vertragingen met zich

kunnen meebrengen voor de burgers en de administratieve organen. Daarom is het

noodzakelijk dat de Commissie de bevoegdheid heeft een gegevensbank op te zetten en te

beheren en ervoor te zorgen dat ze operationeel is uiterlijk op de datum van inwerkingtreding

van deze verordening. De Commissie moet met name de nodige maatregelen treffen om de in

bijlage 4 opgesomde informatie te integreren in deze gegevensbank.

(5) De versterking van sommige procedures moet de gebruikers van Verordening (EG) nr. 883/2004 meer rechtszekerheid en transparantie bieden. Met name de vaststelling van

gemeenschappelijke termijnen voor de vervulling van bepaalde verplichtingen of

administratieve fasen moet de relaties tussen de verzekerden en de organen helpen

verduidelijken en structureren.

(6) De lidstaten, hun bevoegde autoriteiten of de socialezekerheidsorganen moeten de mogelijkheid krijgen onderling afspraken te maken over vereenvoudigde procedures en

administratieve regelingen die zij efficiënter achten en beter vinden aansluiten bij hun

respectieve socialezekerheidsstelsels. Dergelijke afspraken mogen echter de rechten van de

onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen niet aantasten.

(7) Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd om

de betrokkenen die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens

de voorschriften en procedures van Verordening (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige

verordening hebben ingediend, niet te benadelen.

(8) Voor de vaststelling van het bevoegd orgaan, dat wil zeggen het orgaan waarvan de wettelijke regeling van toepassing is of dat bepaalde uitkeringen verschuldigd is, moet de objectieve

situatie van een verzekerde en van de gezinsleden door de organen van verscheidene lidstaten

worden onderzocht. Om ervoor te zorgen dat de betrokkene gedurende deze onvermijdelijke

uitwisselingen tussen de organen verzekerd is, moet hij of zij voorlopig worden aangesloten

bij een van de socialezekerheidsstelsels.

8 bis) De lidstaten dienen samen te werken met het oog op de vaststelling van de woonplaats van de

personen op wie deze verordening en Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing zijn, en

elke lidstaat dient in geval van geschillen rekening te houden met alle relevante criteria om de

kwestie op te lossen. De lidstaten kunnen rekening houden met de desbetreffende bepalingen

in deze verordening.

(9) Tal van maatregelen en procedures in deze verordening hebben ten doel de criteria die de organen van de lidstaten in het kader van Verordening (EG) nr. 883/2004 moeten hanteren,

transparanter te maken. Deze verduidelijkingen vloeien voort uit de jurisprudentie van het

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de besluiten van de Administratieve

Commissie en de gedurende meer dan dertig jaar opgedane ervaring met de coördinatie van

de socialezekerheidsstelsels in het kader van de in het Verdrag verankerde fundamentele

vrijheden.

9 bis) Deze verordening voorziet in maatregelen en procedures om de mobiliteit van werknemers en

werklozen te bevorderen. Volledig werkloos geworden grensarbeiders kunnen zich ter

beschikking stellen van de arbeidsvoorzieningsdienst in zowel het woonland als de lidstaat

waar zij hun laatste werkzaamheden hebben verricht. Zij hebben evenwel alleen aanspraak op

een uitkering van de lidstaat waar zij wonen.

(10) Een aantal specifieke voorschriften en procedures is nodig om te bepalen in de verschillende

lidstaten welke wettelijke regeling van toepassing is voor het in aanmerking nemen van de

tijdvakken die een verzekerde heeft gewijd aan de opvoeding van kinderen.

(11) Bij sommige procedures moet bovendien rekening worden gehouden met de vereiste

evenwichtige verdeling van de kosten tussen de lidstaten. Met name in het kader van de

ziekteverzekering moet bij deze procedures rekening worden gehouden met de situatie van

enerzijds de lidstaten die de kosten dragen van de gezondheidsvoorzieningen die zij de

verzekerden ter beschikking stellen, en anderzijds van de lidstaten waarvan de organen de

kosten van de verstrekkingen dragen die hun verzekerden in een andere lidstaat dan die waar zij woonachtig zijn, hebben ontvangen.

(12) In het specifieke kader van Verordening (EG) nr. 883/2004 moeten de voorwaarden voor de

rechtstreekse betaling van de kosten in verband met verstrekkingen bij ziekte in het kader van

een geplande geneeskundige verzorging, dat wil zeggen een behandeling waarvoor een

verzekerde zich naar een andere lidstaat begeeft dan die waar hij verzekerd of woonachtig is,

verduidelijkt worden. De verplichtingen van de verzekerde met betrekking tot het verzoek om

voorafgaande toestemming worden nader omschreven, evenals de verplichtingen van het

orgaan ten aanzien van de patiënt betreffende de voorwaarden voor de toestemming. Ook

moeten de gevolgen voor de rechtstreekse betaling van de kosten van een met voorafgaande

toestemming in een andere lidstaat ontvangen medische behandeling worden verduidelijkt.

12 bis) De toepassingsverordening, en met name de bepalingen betreffende het verblijf buiten de bevoegde lidstaat en betreffende een geplande behandeling, vormen geen beletsel voor de

toepassing van gunstiger nationale bepalingen, met name met betrekking tot de vergoeding

van de in een andere lidstaat gemaakte kosten.

(13) Dwingender procedures om de termijnen voor de betaling van schuldvorderingen tussen de

organen van de lidstaten te bekorten, blijken van essentieel belang om het vertrouwen in de

uitwisselingen te handhaven en te voldoen aan de eisen van goed beheer die aan de

socialezekerheidsstelsels van de lidstaten worden gesteld. De procedures voor de behandeling

van schuldvorderingen in het kader van de ziekte- en werkloosheidsuitkeringen moeten dus

worden aangescherpt.

(14) Met het oog op een effectievere inning en een soepeler werking van de coördinatieregels

dienen de procedures inzake de onderlinge bijstand tussen de organen bij de inning van

schuldvorderingen op het gebied van de sociale zekerheid te worden versterkt. Effectieve

inning is tevens een middel om misbruik en fraude te voorkomen en aan te pakken en een

manier om de houdbaarheid van de socialezekerheidsregelingen te verzekeren. Dit houdt in

dat er uitgaande van een aantal bestaande bepalingen van Richtlijn 76/308/EEG van de Raad

nieuwe procedures dienen te worden aangenomen. Deze nieuwe procedures, met name die

van artikel 73 tot en met 81, dienen na vijf jaar toepassing in het licht van de opgedane

ervaring te worden geëvalueerd en indien nodig te worden aangepast, in het bijzonder om

ervoor te zorgen dat ze volledig werkbaar zijn.

14 bis) Voor de toepassing van titel IV, hoofdstuk III van deze verordening betreffende wederzijdse bijstand, is de bevoegdheid van de aangezochte lidstaat beperkt tot

rechtsvorderingen inzake uitvoeringsmaatregelen. Alle andere rechtsvorderingen vallen onder

de bevoegdheid van de verzoekende lidstaat.

14 ter) De in de aangezochte lidstaat getroffen uitvoeringsmaatregelen impliceren niet dat deze lidstaat de gegrondheid of de grondslagen van de schuldvordering erkent.

(15) Informatie van de verzekerden over hun rechten en plichten is een essentieel onderdeel van

een vertrouwensrelatie met de bevoegde autoriteiten en de organen van de lidstaten.

(16) Aangezien de doelstelling van het voorgenomen optreden, namelijk de vaststelling van

coördinerende maatregelen om te waarborgen dat het recht van vrij verkeer van personen

daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, niet voldoende door de lidstaten kan worden

verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van dit optreden beter door de

Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in

artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen.

Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze

verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(17) Deze verordening is bedoeld ter vervanging van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad

van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr.

1408/71, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en

6

hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ,

6

PB L 74 van 27.03.72, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 647/2005, PB L 117 van 4.05.2005, blz. 1.

T ITEL I ­ A LGEMENE BEPALINGEN

Hoofdstuk I ­ Definities

Artikel 1

Definities

  • 1. 
    In deze verordening wordt verstaan onder:
  • b) 
    "toepassingsverordening", deze verordening; en tevens
  • c) 
    de definities van de basisverordening zijn van toepassing.
  • 2. 
    Naast de in lid 1 bedoelde definities wordt verstaan onder:
  • a) 
    "toegangspunt", een instantie die de functies vervult van
  • i) 
    elektronisch contactpunt, en
  • ii) 
    automatische routing op basis van het adres.
  • iii) 
    intelligente routing op basis van software die automatische controle en routing

mogelijk maakt (bv. kunstmatige intelligentie-applicatie) en/of menselijke

tussenkomst].

  • b) 
    "verbindingsorgaan", elke door de bevoegde autoriteit van een lidstaat voor een of meer van de in artikel 3 van de basisverordening bedoelde takken van sociale

zekerheid aangewezen instantie die in staat is de verzoeken om inlichtingen of

bijstand ten behoeve van de toepassing van de basisverordening en de

toepassingsverordening te beantwoorden en die de haar krachtens titel IV van de

toepassingsverordening toegewezen taken moet uitvoeren;

  • c) 
    "document", een verzameling gegevens op ongeacht welke drager, zodanig gestructureerd dat zij langs elektronische weg kan worden uitgewisseld en waarvan de

mededeling noodzakelijk is voor de goede werking van de basisverordening en de

toepassingsverordening;

  • d) 
    "gestructureerd elektronisch document", elk gestructureerd document waarvan de opmaak is bestemd voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten;
  • e) 
    "verzending langs elektronische weg", de verzending van gegevens met behulp van elektronische apparatuur voor de verwerking (met inbegrip van digitale compressie)

daarvan en met gebruikmaking van draden, radio, optische technologie of andere

elektromagnetische middelen;

  • f) 
    "Technische Commissie", de in artikel 73 van de basisverordening bedoelde commissie;
  • g) 
    "Rekencommissie", de in artikel 74 van de basisverordening bedoelde commissie.

Hoofdstuk II ­ Bepalingen inzake samenwerking en gegevensuitwisseling

Artikel 2

Tussen de organen uit te wisselen informatie en wijze waarop deze uitwisseling moet plaatsvinden

-1. Voor de toepassing van de toepassingsverordening wordt de uitwisseling tussen de autoriteiten en organen van de lidstaten en de personen die onder de basisverordening vallen,

gebaseerd op de beginselen van openbare dienst, efficiëntie, actieve bijstand, snelle

verstrekking en toegankelijkheid, inclusief e-toegankelijkheid, met name voor mensen met

een handicap en ouderen.

  • 1. 
    Door de organen worden onverwijld alle gegevens verstrekt of uitgewisseld die nodig zijn voor de vaststelling van de rechten en plichten van degenen op wie de basisverordening van

toepassing is. De uitwisseling van deze gegevens tussen de lidstaten geschiedt hetzij

rechtstreeks tussen de organen zelf, hetzij indirect via de verbindingsorganen.

  • 2. 
    Informatie, documenten en aanvragen die de verzekerde bij vergissing heeft toegezonden aan een orgaan in een andere lidstaat dan die waar het volgens de toepassingsverordening

aangewezen orgaan is gevestigd, moeten onverwijld door het eerste orgaan worden

doorgestuurd aan het volgens de toepassingsverordening aangewezen orgaan, onder

vermelding van de datum waarop zij oorspronkelijk zijn ingediend. Deze datum is bindend

voor het aangewezen orgaan. De organen van een lidstaat worden echter niet aansprakelijk

gesteld of geacht een beslissing te hebben genomen op grond van het feit dat zij nagelaten

hebben te handelen omdat de organen van een andere lidstaat informatie, documenten of

aanvragen laattijdig hebben doorgegeven.

  • 3. 
    (geschrapt)
  • 4. 
    Indien de gegevens indirect via het verbindingsorgaan van de aangewezen lidstaat zijn medegedeeld, gaan de termijnen voor het beantwoorden van aanvragen in op de datum

waarop het verbindingsorgaan de aanvraag heeft ontvangen, alsof de aanvraag was ontvangen

door het orgaan in deze lidstaat.

Artikel 3

Tussen de betrokkenen en de organen uit te wisselen informatie en wijze van uitwisseling

  • 1. 
    Degenen op wie de basisverordening van toepassing is, zijn verplicht het bevoegde orgaan alle informatie, documenten en bewijsstukken te verstrekken die nodig zijn voor de

vaststelling van hun situatie of van die van hun gezin, voor de vaststelling en het behoud van

hun rechten en plichten, alsook voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving en de

daaruit voor hen voortvloeiende verplichtingen.

  • 2. 
    Bij het overeenkomstig hun eigen wetgeving verzamelen, doorgeven en verwerken van persoonsgegevens voor de uitvoering van de basisverordening zorgen de lidstaten ervoor dat

de betrokkenen hun rechten ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens ten volle

kunnen uitoefenen, overeenkomstig de communautaire bepalingen inzake de bescherming

van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende

het vrije verkeer van die gegevens.

  • 3. 
    Voorzover dit nodig is voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening, worden de informatie en de documenten door de bevoegde organen

onverwijld aan de betrokkenen verstrekt.

Het betrokken orgaan stelt de aanvrager die in een andere lidstaat woont of verblijft, rechtstreeks dan wel via het verbindingsorgaan van de lidstaat van woonplaats of verblijf van

zijn beslissing in kennis. In geval van weigering vermeldt het de redenen voor deze

weigering, de rechtsmiddelen en de beroepstermijnen. Van deze beslissing wordt een kopie

gestuurd naar de andere betrokken organen.

  • 4. 
    (geschrapt)
  • 5. 
    (geschrapt)
  • 6. 
    (geschrapt)
  • 7. 
    (geschrapt)
  • 8. 
    (geschrapt)

Artikel 4

Vorm en wijze van uitwisseling van gegevens

  • 1. 
    De Administratieve Commissie stelt de structuur, de inhoud en de opmaak van de documenten en de gestructureerde elektronische documenten vast, alsmede de wijze waarop

deze worden uitgewisseld.

  • 2. 
    De gegevensuitwisseling tussen de organen of verbindingsorganen geschiedt langs elektronische weg, hetzij direct, hetzij indirect via de toegangspunten, in een

gemeenschappelijke beveiligde omgeving die borg staat voor de vertrouwelijkheid en de

bescherming van de uitgewisselde gegevens.

  • 3. 
    In hun communicatie met de betrokkenen maken de bevoegde organen gebruik van de per geval passende regelingen en geven zij zoveel mogelijk de voorkeur aan elektronische media.

De Administratieve Commissie stelt de praktische regelingen vast voor het toezenden van

informatie, documenten of beslissingen via elektronische media aan de betrokkene.

Artikel 5

Juridische waarde van in een andere lidstaat opgestelde documenten en bewijsstukken

  • 1. 
    De door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op

grond waarvan de documenten zijn afgegeven, zijn voor de organen van de andere lidstaten

bindend zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn opgesteld,

zijn ingetrokken of ongeldig verklaard.

  • 2. 
    Bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, verzoekt het orgaan van de lidstaat dat het

document ontvangt, het orgaan van afgifte om opheldering en eventueel om intrekking van

het document. Het orgaan van afgifte heroverweegt de gronden voor de afgifte van het

document en, indien nodig, de intrekking van het document.

2 bis. Overeenkomstig lid 2, wordt, bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of

ondersteunend bewijs of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten

grondslag liggen, de noodzakelijke verificatie van deze informatie of dit document op

verzoek van het bevoegde orgaan uitgevoerd door het orgaan van de woon- of verblijfplaats,

afhankelijk van de mogelijkheid daartoe.

  • 3. 
    Worden de betrokken organen het niet eens, dan kan via de bevoegde autoriteiten de Administratieve Commissie worden ingeschakeld, zulks op zijn vroegst één maand na de

datum van het verzoek van het orgaan dat het document heeft ontvangen. De Administratieve

Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop zij is ingeschakeld, een voor

beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden.

Artikel 6

Voorlopige toepassing van een wettelijke regeling en voorlopige betaling van uitkeringen

  • 1. 
    Tenzij in de toepassingsverordening anders is bepaald, wordt in geval van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten over de

toepasselijke wettelijke regeling, op de betrokkene voorlopig de wettelijke regeling van een

van deze lidstaten toegepast, waarbij de rangorde als volgt wordt bepaald:

  • a) 
    de wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene daadwerkelijk in loondienst of als zelfstandige werkzaam is, indien de werkzaamheid in slechts één lidstaat wordt

uitgeoefend;

  • b) 
    de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats, indien de betrokkene daar een deel van zijn werkzaamheden verricht of indien hij niet in loondienst of als zelfstandige

werkzaam is;

  • c) 
    in andere gevallen, wanneer de betrokkene in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, de wetgeving van de lidstaat waar het eerst om toepassing van de wetgeving is

verzocht.

  • 2. 
    Indien tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten een meningsverschil bestaat over de vaststelling van het orgaan dat de uitkeringen of verstrekkingen moet

verlenen, ontvangt de betrokkene die aanspraak op prestaties zou kunnen maken indien dit

geschil niet bestond, voorlopige prestaties als bepaald in de wettelijke regeling die door het

orgaan van de woonplaats wordt toegepast of, indien de betrokkene niet op het grondgebied

van een der betrokken lidstaten woont, prestaties krachtens de wettelijke regeling die wordt

toegepast door het orgaan waarbij de aanvraag het eerst is ingediend.

2 bis. Worden de betrokken organen of autoriteiten het niet eens, dan kan via de bevoegde

autoriteiten de Administratieve Commissie worden ingeschakeld, zulks op zijn vroegst één

maand na de datum waarop de onzekerheid of het meningsverschil als bedoeld in lid 1 en lid

2 is ontstaan. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop

zij is ingeschakeld, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden.

  • 3. 
    Indien is komen vast te staan dat de toepasselijke wettelijke regeling niet die van de lidstaat is waar voorlopige aansluiting heeft plaatsgevonden, of dat het orgaan dat voorlopige

uitkeringen heeft verleend, niet het bevoegde orgaan was, wordt het als bevoegd aangemerkte

orgaan geacht retroactief bevoegd te zijn alsof er geen meningsverschil heeft bestaan uiterlijk

vanaf de datum van voorlopige aansluiting of van de eerste voorlopige betaling van de

uitkeringen.

  • 4. 
    Zo nodig wordt de financiële situatie van de betrokkene met betrekking tot de premies en uitkeringen die voorlopig worden betaald, door het als bevoegd aangemerkte orgaan en het

orgaan dat voorlopig uitkeringen heeft verstrekt dan wel voorlopig premies heeft ontvangen,

geregeld, waar zulks passend is, overeenkomstig titel IV, hoofdstuk III, van de

toepassingsverordening.

Door een orgaan overeenkomstig lid 2 voorlopig gedane verstrekkingen worden vergoed door het overeenkomstig de bepalingen van titel IV van de toepassingsverordening bevoegde

orgaan.

Artikel 7

Voorlopige berekening van uitkeringen en premies

  • 1. 
    Tenzij in de toepassingsverordening anders is bepaald, wordt, indien een persoon in aanmerking komt voor het ontvangen van een uitkering of een premie verschuldigd is

overeenkomstig de basisverordening, terwijl het bevoegde orgaan niet beschikt over alle

gegevens betreffende de situatie in een andere lidstaat die nodig zijn voor de definitieve

berekening van de hoogte van die uitkering of premie, door dit orgaan de uitkering op

verzoek van de betrokkene verleend of de premie voorlopig berekend, mits deze berekening

mogelijk is aan de hand van de gegevens waarover het orgaan beschikt.

  • 2. 
    De uitkering of premie wordt opnieuw berekend zodra het orgaan in het bezit is van de nodige bewijsstukken of documenten.

Hoofdstuk III ­ Overige algemene bepalingen voor de toepassing van de basisverordening

Artikel 8

Administratieve regelingen tussen twee of meer lidstaten

  • 1. 
    De toepassingsverordening treedt in de plaats van de regelingen betreffende de toepassing van de in artikel 8, lid 1, van de basisverordening bedoelde verdragen, met uitzondering van

de in bijlage II van de basisverordening bedoelde verdragen, voor zover de bepalingen van de

bedoelde akkoorden in bijlage 1 van de toepassingsverordening worden vermeld.

  • 2. 
    De lidstaten kunnen zo nodig onderling regelingen overeenkomen betreffende de toepassing van de in artikel 8, lid 2, van de basisverordening bedoelde verdragen, mits deze regelingen

de rechten en verplichtingen van de betrokkenen onverlet laten en zijn opgenomen in bijlage

1 van de toepassingsverordening.

Artikel 9

Andere procedures tussen de autoriteiten en de organen

  • 1. 
    Twee of meer lidstaten of hun bevoegde autoriteiten kunnen andere procedures overeenkomen dan die welke in de toepassingsverordening zijn vastgesteld, mits deze

procedures de rechten en verplichtingen van de betrokkenen onverlet laten.

  • 2. 
    De hiertoe gesloten overeenkomsten worden ter kennis gebracht van de Administratieve Commissie en worden vermeld in bijlage 1 bij de toepassingsverordening..
  • 3. 
    Bepalingen die vervat zijn in uitvoeringsovereenkomsten, door twee of meer lidstaten met hetzelfde doel gesloten, of die overeenstemmen met de bepalingen bedoeld in lid 2, en die

van kracht zijn op de dag vóór de inwerkingtreding van de toepassingsverordening, en

opgenomen zijn in bijlage 5 bij Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad, blijven, met het

oog op het treffen van regelingen tussen die lidstaten, toepasselijk voor zover zij ook in

bijlage 1 zijn opgenomen.

Artikel 10

on-cumulatie van uitkeringen

Onverminderd andere bepalingen in de basisverordening worden, indien krachtens de wettelijke

regeling van twee of meer lidstaten verschuldigde uitkeringen wederzijds worden verminderd,

geschorst of ingetrokken, de bedragen die bij een strikte toepassing van de wettelijke regelingen van

de betrokken lidstaten inzake vermindering, schorsing of intrekking niet zouden worden uitbetaald,

gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan vermindering, schorsing of intrekking wordt

onderworpen..

Artikel 11

Gegevens voor de vaststelling van de woonplaats

  • 1. 
    Indien tussen de organen van twee of meer lidstaten een verschil van mening bestaat over de vaststelling van de woonplaats van een persoon op wie de basisverordening van toepassing is,

stellen deze organen in onderling overleg het belangencentrum van de betrokkene vast op

basis van een algemene beoordeling van alle beschikbare informatie met betrekking tot

relevante feiten. Hiertoe behoren onder meer, naar gelang van het geval:

  • a) 
    de duur en de continuïteit van de aanwezigheid op het grondgebied van de betrokken lidstaten;
  • b) 
    de persoonlijke situatie van de betrokkene, waaronder:
  • i) 
    de aard en de specifieke kenmerken van een uitgeoefende werkzaamheid, met name de plaats waar deze gewoonlijk wordt uitgeoefend, het stabiele karakter van

de werkzaamheid of de duur van een arbeidsovereenkomst;

  • ii) 
    de gezinssituatie en de familiebanden;
  • iii) 
    de uitoefening van onbezoldigde werkzaamheden;
  • iv) 
    in het geval van studenten, de bron van hun inkomsten;
  • v) 
    de huisvestingssituatie, met name hoe permanente deze is;
  • vi) 
    de lidstaat waar de betrokkene geacht wordt te verblijven voor

belastingdoeleinden.

  • c) 
    (geschrapt)
  • d) 
    (geschrapt)
  • e) 
    (geschrapt)
  • 2. 
    Indien de organen het na toepassing van de in lid 1 genoemde, op relevante feiten gebaseerde criteria niet eens kunnen worden, wordt de wens van de betrokkene, zoals deze blijkt uit de

feiten en omstandigheden, met name de redenen om te verhuizen, voor de vaststelling van

zijn woonplaats als doorslaggevend beschouwd.

Artikel 12

Samentelling van tijdvakken

  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 6 van de basisverordening wordt de organen van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling ook op de betrokkene van toepassing was, door het bevoegde

orgaan verzocht om een opgave van de overeenkomstig die wettelijke regeling vervulde

tijdvakken.

  • 2. 
    Voor zover dit nodig is voor de toepassing van artikel 6 van de basisverordening, worden de krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van

werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst, of van wonen, gevoegd bij de

krachtens de wettelijke regeling van andere lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering,

van werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst, of van wonen, mits deze

tijdvakken elkaar niet overlappen.

  • 3. 
    Indien een tijdvak van verzekering of van wonen, vervuld op grond van een verplichte verzekering krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, samenvalt met een op grond van

een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering krachtens de wettelijke regeling van een

andere lidstaat vervuld tijdvak van verzekering, wordt alleen het tijdvak in aanmerking

genomen dat is vervuld op grond van de verplichte verzekering.

  • 4. 
    Indien een krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat vervuld tijdvak van verzekering of van wonen dat geen gelijkgesteld tijdvak is, samenvalt met een krachtens de wettelijke

regeling van een andere lidstaat gelijkgesteld tijdvak, wordt alleen het niet-gelijkgestelde

tijdvak in aanmerking genomen.

  • 5. 
    Elk krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten gelijkgesteld tijdvak wordt slechts in aanmerking genomen door het orgaan van de lidstaat waarvan de

wettelijke regeling laatstelijk vóór het genoemde tijdvak op de betrokkene verplicht van

toepassing was. Indien de wettelijke regeling van een lidstaat vóór genoemd tijdvak niet

verplicht van toepassing was op de betrokkene, wordt dit tijdvak in aanmerking genomen

door het orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling na bedoeld tijdvak voor het

eerst verplicht van toepassing was op de betrokkene.

  • 6. 
    Indien de periode waarin bepaalde tijdvakken van verzekering of van wonen werden vervuld krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, niet nauwkeurig kan worden bepaald, wordt

ervan uitgegaan dat deze tijdvakken de krachtens de wettelijke regeling van een andere

lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen niet overlappen, en wordt

hiermede, indien gunstig voor de betrokkene, rekening gehouden, voor zover de tijdvakken in

aanmerking kunnen worden genomen.

  • 7. 
    (geschrapt)

Artikel 13

Regels voor de omrekening van tijdvakken

  • 1. 
    Indien de tijdvakken, vervuld krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, worden uitgedrukt in andere eenheden dan in de wettelijke regeling van een andere lidstaat worden

gebezigd, geschiedt de omrekening die krachtens artikel 6 van de basisverordening voor de

samentelling nodig is volgens de onderstaande regels:

  • a) 
    het tijdvak dat moet worden gebruikt als basis voor de omrekening is het tijdvak dat wordt meegedeeld door het orgaan van de lidstaat volgens de wetgeving waarvan het

tijdvak is voltooid;

  • b) 
    in het geval van regelingen waarin de tijdvakken in dagen worden uitgedrukt, geschiedt de omrekening van dagen in andere eenheden, en omgekeerd, alsook de omrekening

tussen verschillende op dagen gebaseerde regelingen, volgens de onderstaande tabel:

Regeling 1 dag komt 1 week komt 1 maand 1 kwartaal maximum

gebaseerd overeen overeen met komt overeen komt overeen aantal dagen op met met met in één kalenderjaar

5 dagen 9 uur 5 dagen 22 dagen 66 dagen 264 dagen 6 dagen 8 uur 6 dagen 26 dagen 78 dagen 312 dagen 7 dagen 6 uur 7 dagen 30 dagen 90 dagen 360 dagen c) in het geval van regelingen waarin de tijdvakken in andere eenheden dan dagen worden uitgedrukt:

  • i) 
    drie maanden of dertien weken gelden als een kwartaal, en omgekeerd;
  • ii) 
    één jaar geldt als vier kwartalen, 12 maanden of 52 weken, en omgekeerd;
  • iii) 
    voor de omzetting van weken in maanden, en omgekeerd, worden weken en

maanden omgerekend in dagen volgens de in punt b) bepaalde omrekening voor

de regelingen op basis van zes dagen;

  • d) 
    in het geval van tijdvakken die in gedeelten worden uitgedrukt, worden deze omgerekend naar de volgende kleinere eenheid, door toepassing van de punten b) en c).

Gedeelten van jaren worden omgerekend in maanden, tenzij de betrokken regeling is

gebaseerd op kwartalen;

  • e) 
    indien de omrekening krachtens dit lid leidt tot een gedeelte van een eenheid, wordt het resultaat afgerond naar de volgende hogere eenheid.
  • 2. 
    De toepassing van lid 1 mag er niet toe leiden dat de samentelling van de tijdvakken die gedurende één kalenderjaar zijn vervuld, een totaal van meer dan de in de laatste kolom van

de tabel in lid 1, onder b), vermelde dagen, dan tweeënvijftig weken, dan twaalf maanden of

dan vier kwartalen oplevert.

Indien de om te rekenen tijdvakken overeenkomen met het maximale aantal tijdvakken per jaar krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat waar zij zijn vervuld, mag de toepassing

van lid 1 in één kalenderjaar niet leiden tot tijdvakken die korter zijn dan het eventuele

maximale aantal tijdvakken per jaar waarin de betrokken wettelijke regeling voorziet.

  • 3. 
    De omrekening wordt uitgevoerd, hetzij in een enkele operatie die betrekking heeft op alle tijdvakken die als een geheel zijn meegedeeld, hetzij voor elk jaar indien de tijdvakken op

jaarbasis zijn meegedeeld.

  • 4. 
    Het orgaan dat in dagen uitgedrukte tijdvakken meedeelt, geeft tegelijkertijd aan of de toegepaste regeling is gebaseerd op vijf, zes of zeven dagen.

TITEL II - VASTSTELLING VAN DE TOEPASSELIJKE WETGEVING

Artikel 14

Verduidelijkingen bij de artikelen 12 en 13 van de basisverordening

  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 12, lid 1, van de basisverordening slaat degene "die werkzaamheden in loondienst verricht in een lidstaat voor rekening van een werkgever ... en

die door deze werkgever naar een andere lidstaat wordt gedetacheerd" ook op een persoon die

is aangeworven met het oog op detachering naar een andere lidstaat, op voorwaarde dat de

betrokkene, onmiddellijk voor het begin van zijn werkzaamheden in loondienst, reeds

onderworpen is aan de wetgeving van de lidstaat waar de onderneming die hem in dienst

neemt, gevestigd is.

  • 2. 
    Voor de toepassing van artikel 12, lid 1, van de basisverordening hebben de woorden "die daar zijn werkzaamheden normaliter verricht" betrekking op een werkgever die normaliter op

het grondgebied van de lidstaat waar hij is gevestigd wezenlijke werkzaamheden verricht die

verder gaan dan louter intern beheer. Dit wordt vastgesteld aan de hand van alle criteria die

de door de onderneming uitgevoerde werkzaamheden kenmerken. De ter zake dienende

criteria moeten zijn toegesneden op de specifieke kenmerken van elke werkgever en de ware

aard van de werkzaamheden.

  • 3. 
    Voor de toepassing van artikel 12, lid 2, van de basisverordening is degene "die werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten" iemand die normaliter

wezenlijke werkzaamheden verricht op het grondgebied van de lidstaat waar hij is gevestigd.

Met name moet hij zijn werkzaamheid reeds enige tijd hebben uitgeoefend voor de datum

waarop hij een beroep wenst te doen op de bovengenoemde bepaling en, gedurende iedere

periode van tijdelijke werkzaamheid in een andere lidstaat, in de lidstaat waar hij is gevestigd

de nodige voorwaarden blijven handhaven voor de uitoefening van zijn werkzaamheid zodat

hij hiermee kan doorgaan na zijn terugkeer.

  • 4. 
    Voor de toepassing van artikel 12, lid 2, van de basisverordening is het criterium om te bepalen of de werkzaamheid die een zelfstandige in een andere lidstaat gaat uitoefenen, 'van

gelijke aard' is als de normaliter anders dan in loondienst uitgeoefende werkzaamheid, de

werkelijke aard van de werkzaamheid en niet het feit dat deze werkzaamheid eventueel door

deze andere lidstaat als werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst wordt

betiteld.

  • 5. 
    Voor de toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening wordt onder degene die "in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten" met name verstaan,

iemand die

  • a) 
    terwijl hij een werkzaamheid in een andere lidstaat handhaaft, gelijktijdig een andere afzonderlijke werkzaamheid uitoefent op het grondgebied van één of meer andere

lidstaten, ongeacht de duur en de aard van deze afzonderlijke werkzaamheid;

  • b) 
    permanent in twee of meer lidstaten afwisselende werkzaamheden uitoefent, met uitzondering van marginale werkzaamheden, ongeacht de frequentie of het al dan niet

regelmatige karakter van de afwisseling.

  • 6. 
    Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, van de basisverordening wordt onder degene die "in twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten" met

name verstaan, iemand die gelijktijdig of afwisselend op het grondgebied van twee of meer

lidstaten een of meer afzonderlijke werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent,

ongeacht de aard van deze werkzaamheden.

6 bis. Ten behoeve van het onderscheid tussen de in de leden 5 en 6 bedoelde werkzaamheden en de

in artikel 12, leden 1 en 2, van de basisverordening bedoelde gevallen, is de duur van de

werkzaamheid in een of meer lidstaten (of zij permanent, dan wel ad hoc of tijdelijk van aard

is) doorslaggevend. Daartoe wordt een algemene beoordeling verricht van alle relevante

feiten, waaronder met name, met betrekking tot een persoon in loondienst, de in de

arbeidsovereenkomst bepaalde arbeidsplaats.

  • 7. 
    Voor de toepassing van artikel 13, leden 1 en 2, van de basisverordening betekent een `substantieel gedeelte van de werkzaamheden die in loondienst of anders dan in loondienst' in

een lidstaat worden verricht dat een kwantitatief belangrijk deel van alle werkzaamheden van

de werknemer of zelfstandige daar wordt verricht, zonder dat het hierbij om het grootste deel

van deze werkzaamheden hoeft te gaan.

Of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in een lidstaat wordt verricht, wordt

mede op grond van de volgende indicatieve criteria bepaald:

  • a) 
    in geval van een activiteit in loondienst, de arbeidstijd en/of de bezoldiging; en tevens
  • b) 
    in geval van een werkzaamheid anders dan in loondienst, de omzet, de arbeidstijd, het aantal verleende diensten en/of het inkomen.

In het kader van een algemene beoordeling geldt een aandeel van minder dan 25% voor de

bovengenoemde criteria als aanwijzing dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden

niet in de betrokken lidstaat wordt verricht.

  • 8. 
    Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening wordt het 'centrum van belangen' van de werkzaamheid van een zelfstandige bepaald aan de hand van alle

elementen waaruit zijn beroepswerkzaamheden bestaan, met name de vaste en blijvende

plaats van waaruit hij zijn werkzaamheden verricht, de gebruikelijke aard of de duur van de

uitgeoefende werkzaamheden, het aantal verleende diensten, alsmede de wens van de

betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt.

  • 9. 
    Voor de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling krachtens de leden 7 en 8, houden de betrokken organen rekening met de verwachte situatie in de volgende twaalf

kalendermaanden.

  • 10. 
    Degene die zijn werkzaamheid in loondienst in twee of meer lidstaten voor rekening van een buiten het grondgebied van de Unie gevestigde werkgever uitoefent en in een lidstaat woont

zonder daar een substantiële werkzaamheid uit te oefenen, valt onder de wettelijke regeling

van de lidstaat van de woonplaats.

Artikel 15

Procedures voor de toepassing van artikel 11, lid 3, punt b)en punt d), artikel 11, lid 4, en

artikel 12 van de basisverordening (betreffende de verstrekking van informatie aan de

betrokken organen)

  • 1. 
    Indien een persoon zijn werkzaamheid uitoefent in een andere lidstaat dan de krachtens titel II van de basisverordening bevoegde lidstaat, stelt de werkgever of, in het geval van iemand die

niet werkzaamheid is in loondienst, de betrokkene zelf, indien mogelijk van tevoren het

bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling van toepassing blijft, daarvan

in kennis, tenzij anders is bepaald in artikel 17 van de toepassingsverordening. Door dit

orgaan wordt onverwijld informatie betreffende de overeenkomstig artikel 11, lid 3, punt b),

of artikel 12 van de basisverordening op de betrokkene van toepassing zijnde wettelijke

regelingen ter beschikking gesteld van het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde

autoriteit van de lidstaat waar de werkzaamheid wordt uitgeoefend.

  • 2. 
    Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op personen die onder artikel 11, lid 3, punt d), van de basisverordening vallen.
  • 3. 
    Een werkgever als bedoeld in artikel 11, lid 4, van de basisverordening bij wie een persoon in loondienst werkzaam is aan boord van een schip dat onder de vlag van een andere lidstaat

vaart, stelt, indien mogelijk van tevoren, het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de

wettelijke regeling van toepassing is, daarvan in kennis. Dit orgaan stelt onverwijld

informatie betreffende de wetgeving die op grond van artikel 11, lid 4, van de

basisverordening op de betrokkene van toepassing is, ter beschikking van het orgaan dat is

aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat onder de vlag waarvan het schip aan

boord waarvan de werknemer de werkzaamheden zal verrichten, vaart.

Artikel 16

(geschrapt)

Artikel 17

Procedure voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening

  • 1. 
    Degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, stelt het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij woont, daarvan in kennis.
  • 2. 
    Het aangewezen orgaan van de lidstaat waar de betrokkene woont stelt onverwijld de op de betrokkene toepasselijke wettelijke regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in

artikel 13 van de basisverordening en artikel 14 van de toepassingsverordening. Deze

vaststelling heeft aanvankelijk een voorlopig karakter. Het orgaan brengt de aangewezen

organen van elke lidstaat waar werkzaamheden worden verricht op de hoogte van zijn

voorlopige vaststelling.

  • 3. 
    De voorlopige vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, bedoeld in lid 2, wordt definitief binnen twee maanden nadat het door de bevoegde autoriteit van de betrokken

lidstaten aangewezen orgaan ervan in kennis is gesteld, tenzij de wettelijke regeling reeds

definitief is vastgesteld op basis van lid 4, of tenzij ten minste een van de betrokken organen

de door de bevoegde autoriteit van de staat van woonplaats aangewezen organen aan het eind

van de periode van twee maanden ervan in kennis stelt dat het nog niet met de vaststelling

kan instemmen of hierover een ander standpunt inneemt.

  • 4. 
    Indien onzekerheid betreffende de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling noopt tot contacten tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten wordt, op verzoek

van een of meer van de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten aangewezen

organen of van de bevoegde autoriteiten zelf, de op de betrokkene toepasselijke wettelijke

regeling in onderling overleg vastgesteld, met inachtneming van artikel13 van de

basisverordening en de desbetreffende bepalingen van artikel14 van de

toepassingsverordening.

Indien er een verschil van mening bestaat tussen de betrokken organen of bevoegde

autoriteiten, streven deze instanties naar een akkoord overeenkomstig bovengenoemde

voorwaarden; artikel 6 van de toepassingsverordening is van toepassing.

  • 5. 
    Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling voorlopig of definitief van toepassing is verklaard, stelt de betrokkene onverwijld in kennis.
  • 6. 
    Indien de betrokkene nalaat de in lid 1 vermelde informatie te verstrekken, worden de bepalingen van dit artikel toegepast op initiatief van het door de bevoegde autoriteit van de

lidstaat waar de betrokkene woont aangewezen orgaan, zodra het, eventueel via een ander

betrokken orgaan, in kennis is gesteld van de situatie van de betrokkene.

Artikel 18

Procedure voor de toepassing van artikel 15 van de basisverordening

De arbeidscontractant oefent bij de sluiting van de arbeidsovereenkomst het keuzerecht

overeenkomstig artikel 15 van de basisverordening uit. De tot het sluiten van deze overeenkomst

bevoegde autoriteit stelt het aangewezen orgaan van de lidstaat voor de wettelijke regeling waarvan

de arbeidscontractant heeft gekozen, hiervan in kennis.

Artikel 18 bis

Procedure voor de toepassing van artikel 16, lid 2, van de basisverordening

Elk verzoek van de werkgever of de betrokkene om een afwijking van de artikelen 11 tot en met 15

van de basisverordening wordt, indien mogelijk vooraf, ingediend bij de bevoegde autoriteit of het

orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de lidstaat waarvan de werknemer of de betrokkene

toepassing van de wettelijke regeling wenst.

Artikel 19

Verstrekking van informatie aan betrokkenen en werkgevers

  • 1. 
    Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling krachtens titel II van de basisverordening van toepassing wordt, informeert de betrokkene en eventueel zijn

werkgever over de uit deze wettelijke regeling voortvloeiende verplichtingen. Het verleent

hun de nodige hulp bij het vervullen van de op grond van deze wetgeving verplichte

formaliteiten.

  • 2. 
    Op verzoek van de betrokkene of de werkgever verstrekt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling krachtens een bepaling van titel II van de basisverordening

van toepassing is, een verklaring dat deze wettelijke regeling van toepassing is en vermeldt

het eventueel tot welke datum en onder welke voorwaarden.

Artikel 20

Samenwerking tussen organen

  • 1. 
    De betrokken organen verstrekken het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving krachtens titel II van de basisverordening van toepassing is, de nodige gegevens voor de

vaststelling van de datum waarop deze wettelijke regeling van toepassing wordt, alsook de

premies en bijdragen die de betrokkene en zijn werkgevers ingevolge de wettelijke regeling

verschuldigd zijn.

  • 2. 
    Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling op een persoon van toepassing wordt krachtens titel II van de basisverordening, stelt het orgaan dat is

aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling het

laatst op die persoon van toepassing was, in kennis van de datum waarop de toepassing van

de wettelijke regeling ingaat.

Artikel 21

Verplichtingen van de werkgever

  • 1. 
    De werkgever die zijn statutaire zetel of vestiging buiten de bevoegde lidstaat heeft, dient de verplichtingen na te komen waarin de op de werknemer toepasselijke wettelijke regeling

voorziet, met name de verplichting tot het betalen van de in de wettelijke regeling bedoelde

premies en bijdragen, alsof hij zijn statutaire zetel of vestiging in de bevoegde lidstaat zou

hebben.

  • 2. 
    De werkgever die geen vestiging heeft in de lidstaat waarvan de wettelijke regeling van toepassing is, enerzijds, en de werknemer anderzijds kunnen overeenkomen dat de

werknemer de verplichtingen van de werkgever inzake de betaling van premies en bijdragen

voor rekening van deze laatste nakomt, zonder afbreuk te doen aan de onderliggende

verplichtingen van de werkgever. De werkgever is verplicht een dergelijke regeling ter kennis

te brengen van het bevoegde orgaan van deze lidstaat.

Titel III ­ Bijzondere bepalingen voor verschillende categorieën uitkeringen

Hoofdstuk I ­ Prestaties bij ziekte, en moederschaps- en daarmee gelijkgestelde

vaderschapsuitkeringen

Artikel 22

Algemene toepassingsbepalingen

  • 1. 
    De bevoegde autoriteiten of organen zien erop toe dat alle nodige informatie ter beschikking van de verzekerden wordt gesteld betreffende de procedures en voorwaarden voor de

toekenning van verstrekkingen wanneer deze verstrekkingen worden ontvangen op het

grondgebied van een andere lidstaat dan die van het bevoegde orgaan.

  • 2. 
    (geschrapt)
  • 3. 
    (geschrapt)
  • 4. 
    Niettegenstaande artikel 5, onder a), van de basisverordening kunnen de kosten van de verstrekkingen in de zin van artikel 22 van de basisverordening, respectievelijk de artikelen

23 tot en met 30 van de basisverordening, slechts dan ten laste komen van een lidstaat, indien

de verzekerde op grond van de wetgeving van die lidstaat een aanvraag voor een pensioen

heeft ingediend, respectievelijk een pensioen ontvangt.

Artikel 23

Toe te passen stelsel als er in het land van de woon- of verblijfplaats meer dan één stelsel bestaat

Indien de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats of van de verblijfplaats voor diverse

categorieën verzekerden meer dan één verzekeringsstelsel voor ziekte en moederschap of

vaderschap kent, worden voor de toepassing van artikel 17, artikel 19, lid 1, en de artikelen 20, 22,

24 en 26 van de basisverordening de bepalingen van de wetgeving met betrekking tot het algemeen

stelsel voor werknemers gevolgd.

Artikel 24

Woonplaats in een andere dan de bevoegde lidstaat

  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 17 van de basisverordening zijn de verzekerde en/of zijn gezinsleden verplicht zich te laten inschrijven bij het orgaan van de woonplaats. Hun recht op

verstrekkingen in de lidstaat van de woonplaats blijkt uit een verklaring die door het

bevoegde orgaan op verzoek van de verzekerde of op verzoek van het orgaan van de

woonplaats is verstrekt.

  • 2. 
    Het in lid 1 bedoelde document blijft geldig totdat het bevoegde orgaan het orgaan van de woonplaats in kennis stelt van de intrekking ervan.

Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving die het overeenkomstig lid 1 heeft verricht en van iedere wijziging of schrapping daarvan.

  • 3. 
    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 22, 24, 25 en 26 van basisverordening bedoelde personen.

Artikel 25

Verblijf in een andere dan de bevoegde lidstaat

  • A) 
    Procedure en draagwijdte van het recht
  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 19 van de basisverordening verstrekt de verzekerde de

zorgverlener in de lidstaat van verblijf een door zijn bevoegd orgaan uitgereikt document

waaruit blijkt dat hij recht heeft op verstrekkingen. Indien de verzekerde niet in het bezit

is van een dergelijk document, vraagt het orgaan van de verblijfplaats op verzoek, of

indien anderszins noodzakelijk, bij het bevoegde orgaan het benodigde document op.

  • 2. 
    Uit dat document moet blijken dat de verzekerde volgens de voorwaarden van artikel 19

van de basisverordening recht heeft op verstrekkingen onder dezelfde voorwaarden als

die welke gelden voor verzekerden in de zin van de wetgeving van de lidstaat van

verblijf.

  • 3. 
    Met de in artikel 19, lid 1, van de basisverordening genoemde verstrekkingen worden

verstrekkingen bedoeld die in de lidstaat van verblijf volgens de daar geldende

wetgeving worden verleend en die medisch noodzakelijk blijken om te voorkomen dat

de verzekerde vóór het einde van zijn geplande verblijf naar de bevoegde lidstaat moet

terugkeren om er de behandeling te ontvangen die hij nodig heeft.

  • 4. 
    (geschrapt)
  • B) 
    Procedure en regelingen voor de rechtstreekse betaling en/of vergoeding van verstrekkingen
  • 5. 
    Indien de verzekerde de kosten van alle of een deel van de op grond van artikel 19 van de basisverordening verleende verstrekkingen zelf heeft betaald en indien de door het

orgaan van de verblijfplaats toegepaste wetgeving voorziet in de mogelijkheid van

vergoeding van deze kosten aan de verzekerde, kan hij het verzoek om vergoeding aan

het orgaan van de verblijfplaats richten.. In dat geval wordt hem het bedrag van de

kosten van de verstrekkingen door het orgaan rechtstreeks vergoed, binnen de grenzen

en onder de voorwaarden van de volgens de wetgeving van, het orgaan geldende

vergoedingstarieven.

  • 6. 
    Indien het verzoek om vergoeding van de kosten niet rechtstreeks bij het orgaan van de verblijfplaats is ingediend, worden de kosten door het bevoegde orgaan aan de

betrokkene vergoed tegen het vergoedingstarief dat het orgaan van de verblijfplaats in

het betrokken geval toepast, dan wel ten bedrage van de vergoeding die door het orgaan

van de verblijfplaats zou zijn uitbetaald indien artikel 61 van de toepassingsverordening

van toepassing was geweest.

Het orgaan van de verblijfplaats is verplicht het bevoegde orgaan desgevraagd de nodige inlichtingen over de tarieven c.q. bedragen te verstrekken.

  • 7. 
    In afwijking van lid 6 kan het bevoegde orgaan de gemaakte kosten binnen de grenzen van en volgens de in zijn wetgeving vastgestelde tarieven vergoeden, op voorwaarde dat

de verzekerde ermee akkoord gaat dat deze bepaling op hem wordt toegepast.

7 bis. Indien de wetgeving van de lidstaat van verblijf in het betrokken geval niet voorziet in

vergoeding overeenkomstig de leden 5 en 6, mag het bevoegde orgaan de gemaakte

kosten binnen de grenzen en onder de voorwaarden van het tarief van zijn wettelijke

regeling vergoeden zonder dat instemming van de verzekerde vereist is.

7 ter. De vergoeding voor de verzekerde mag het bedrag van de werkelijk door hem gemaakte

kosten nooit overschrijden.

  • 8. 
    Indien het om aanzienlijke uitgaven gaat, kan het bevoegde orgaan een passend voorschot aan de verzekerde uitbetalen zodra deze het verzoek tot vergoeding bij dit

orgaan indient.

B bis) Gezinsleden

B bis. De leden 1 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de verzekerde.

7

Artikel 26 Geplande geneeskundige verzorging

  • A) 
    Toestemmingsprocedure
  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 20, lid 1, van de basisverordening wordt door de verzekerde een door het bevoegde orgaan verstrekt document aan het orgaan van de

verblijfplaats overgelegd. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bevoegd

orgaan verstaan het orgaan dat de kosten van de geplande behandeling voor zijn

rekening neemt; in de in artikel 20, lid 4, en artikel 27, lid 5, van de basisverordening

bedoelde gevallen, waarin de in de lidstaat van de woonplaats toegekende

verstrekkingen op basis van vaste bedragen worden vergoed, is het bevoegde orgaan het

orgaan van de woonplaats.

  • 2. 
    De verzekerde die niet in de bevoegde lidstaat verblijft verzoekt om de toestemming aan het orgaan van de woonplaats, dat het verzoek onverwijld aan het bevoegde orgaan

doorzendt.

7

UK maakte een studievoorbehoud bij dit artikel.

In dat geval attesteert het orgaan van de woonplaats dat in de lidstaat van de woonplaats is voldaan aan de voorwaarden van artikel 20, lid 2, tweede zin, van de basisverordening.

De gevraagde toestemming kan door het bevoegde orgaan alleen geweigerd worden indien, volgens het oordeel van het orgaan van de woonplaats, in de lidstaat van de woonplaats van

de verzekerde niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 20, lid 2, tweede zin, van de

basisverordening, of indien dezelfde behandeling binnen een medisch verantwoorde termijn,

gelet op de gezondheidstoestand van dat moment en het te verwachten ziekteverloop van de

betrokkene, in de bevoegde lidstaat zelf kan worden gegeven.

Het bevoegde orgaan stelt het orgaan van de lidstaat van de woonplaats in kennis van zijn besluit.

Is binnen de in de nationale wetgeving vastgestelde termijnen geen antwoord ontvangen, dan wordt de toestemming geacht door het bevoegde orgaan te zijn verleend.

  • 3. 
    Indien een niet in de bevoegde lidstaat woonachtige verzekerde een dringende en levensreddende behandeling nodig heeft, kan de toestemming niet worden geweigerd op

grond van de tweede zin van artikel 20, lid 2, van de basisverordening. In dergelijke

omstandigheden wordt de toestemming door het orgaan van de woonplaats verleend namens

het bevoegde orgaan, dat onverwijld door het orgaan van de woonplaats wordt ingelicht.

Het bevoegde orgaan is verplicht om met betrekking tot de noodzaak van een dringende en levensreddende behandeling de bevindingen en behandelingskeuzen van artsen die zijn

erkend door het orgaan van de woonplaats dat toestemming verleent, te aanvaarden.

  • 4. 
    Tijdens de procedure voor het verlenen van de toestemming behoudt het bevoegde orgaan steeds de mogelijkheid de verzekerde door een door het orgaan gekozen arts in de lidstaat van

de woon- of verblijfplaats te laten onderzoeken.

4 bis. Het orgaan van de verblijfplaats stelt, onverminderd een eventuele beslissing inzake de

toestemming, het bevoegde orgaan in voorkomend geval ervan in kennis dat een aanvulling

op de door de toestemming bestreken behandeling uit medisch oogpunt nodig blijkt.

  • B) 
    Rechtstreekse betaling van de door de verzekerde gemaakte kosten in verband met verstrekkingen

4 ter. Onverminderd lid 5, is artikel 25, leden 5 en 6, van de toepassingsverordening van

overeenkomstige toepassing.

  • 5. 
    Indien de verzekerde de kosten voor een medische behandeling waarvoor toestemming is verleend, geheel of gedeeltelijk zelf heeft betaald en de kosten die het bevoegde

orgaan op grond van lid 4 bis verplicht is aan het orgaan van de verblijfplaats of aan de

verzekerde zelf te vergoeden (feitelijke kostprijs) lager zijn dan de kosten die het voor

dezelfde behandeling in de bevoegde lidstaat zou hebben moeten dragen (fictieve

kostprijs), dan vergoedt het bevoegde orgaan op verzoek de door de verzekerde

gemaakte kosten van de behandeling tot het bedrag waarmee de fictieve kostprijs de

feitelijke kostprijs overstijgt. Het vergoede bedrag mag evenwel niet hoger zijn dan de

daadwerkelijk kosten van de verzekerde, waarbij ook rekening kan worden gehouden

met het bedrag dat de verzekerde zou hebben moeten betalen indien de behandeling in

de bevoegde lidstaat had plaatsgevonden.

  • C) 
    Reis- en verblijfkosten in het kader van een geplande behandeling
  • 6. 
    Indien toestemming is verleend in het geval van behandeling in een andere lidstaat, en de nationale wetgeving van het bevoegde orgaan voorziet in de vergoeding van de aan

de behandeling verbonden reis- en verblijfkosten van de verzekerde, worden deze kosten

voor de betrokkene en zo nodig voor een begeleider door dat orgaan betaald.

  • D) 
    Gezinsleden
  • 7. 
    De leden 1 tot en met 6 zijn van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de verzekerden.

Artikel 27

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het geval dat de woon- of verblijfplaats zich in een andere

dan de bevoegde lidstaat bevindt

  • A) 
    Door de verzekerde te volgen procedure
  • 1. 
    Indien de wetgeving van de bevoegde lidstaat voorschrijft dat de verzekerde een bewijs overlegt om in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zin

van artikel 21, lid 1, van de basisverordening, vraagt de verzekerde de arts van de

lidstaat van de woonplaats die zijn gezondheidstoestand heeft vastgesteld, om een bewijs

van arbeidsongeschiktheid, met vermelding van de vermoedelijke duur ervan.

  • 2. 
    Het bewijs wordt door de verzekerde binnen de door de wetgeving van de bevoegde lidstaat bepaalde termijn aan het bevoegde orgaan toegezonden.
  • 3. 
    Indien door de behandelende artsen van de lidstaat van de woonplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid worden afgegeven en deze volgens de wetgeving van de

bevoegde lidstaat vereist zijn, wendt de betrokkene zich rechtstreeks tot het orgaan van

de woonplaats. Dit orgaan zorgt er onmiddellijk voor dat de arbeidsongeschiktheid van

de betrokkene medisch wordt beoordeeld en het in lid 1 bedoelde bewijs wordt

uitgeschreven. Het bewijs wordt onverwijld naar het bevoegde orgaan doorgezonden.

  • 4. 
    De doorzending van het in de leden 1, 2 en 3 bedoelde document ontslaat de verzekerde niet van de in de toepasselijke wetgeving vervatte verplichtingen, met name ten aanzien

van zijn werkgever. In voorkomend geval kan de werkgever en/of het bevoegde orgaan

de werknemer oproepen deel te nemen aan activiteiten om de terugkeer naar het

arbeidsproces te bevorderen en te ondersteunen.

  • B) 
    Door het orgaan van de lidstaat van de woonplaats te volgen procedure
  • 5. 
    Telkens als het bevoegde orgaan daarom verzoekt, worden door het orgaan van de verblijfplaats, in overeenstemming met de door dat orgaan toegepaste wetgeving, ten

aanzien van de betrokkene de nodige administratieve controles of medische onderzoeken

verricht. Het verslag van de controlerend arts, waarin met name de vermoedelijke duur

van de arbeidsongeschiktheid wordt vermeld, wordt door het orgaan van de woonplaats

onverwijld aan het bevoegde orgaan gezonden.

  • 6. 
    (geschrapt)
  • 7. 
    (geschrapt)
  • C) 
    Door het bevoegde orgaan te volgen procedure

7 bis. Het bevoegde orgaan behoudt het recht de verzekerde te laten onderzoeken door een

arts die het orgaan zelf heeft gekozen.

  • 8. 
    Onverminderd artikel 21, lid 1, tweede zin, van de basisverordening, betaalt het bevoegde orgaan de uitkeringen rechtstreeks aan de betrokkene en stelt het indien nodig

het orgaan van de woonplaats hiervan in kennis.

  • 9. 
    Voor de toepassing van artikel 21, lid 1, van de basisverordening hebben de vermeldingen op het bewijs van arbeidsongeschiktheid van de verzekerde, dat in een

andere lidstaat op grond van de medische bevindingen van de controlerend arts of het

controlerend orgaan is opgesteld, dezelfde juridische waarde als het in de bevoegde

lidstaat opgesteld bewijs.

  • 10. 
    Het bevoegde orgaan dat besluit de uitkeringen te weigeren, stelt de verzekerde en

tegelijkertijd het orgaan van de woonplaats hiervan in kennis.

  • D) 
    Procedure bij verblijf in een andere dan de bevoegde lidstaat
  • 11. 
    De leden 1 tot en met 10 zijn van overeenkomstige toepassing in het geval dat de

verzekerde in een andere dan de bevoegde lidstaat verblijft.

Artikel 27 bis

Uitkeringen bij langdurige zorg in het geval dat de woon- of verblijfplaats

zich in een andere dan de bevoegde lidstaat bevindt

  • A) 
    Door de verzekerde te volgen procedure
  • 1. 
    Om in aanmerking te komen voor uitkeringen bij langdurige zorg krachtens artikel 21, lid 1, van de basisverordening, wendt de verzekerde zich tot het bevoegde orgaan. Het

bevoegde orgaan stelt zo nodig het orgaan van de woonplaats daarvan in kennis.

  • B) 
    Door het orgaan van de woonplaats te volgen procedure
  • 2. 
    Het orgaan van de woonplaats onderzoekt op verzoek van het bevoegde orgaan de toestand van de verzekerde, met het oog op zijn behoefte aan langdurige zorg. Het

bevoegde orgaan verschaft het orgaan van de woonplaats alle voor dit onderzoek

benodigde gegevens.

  • C) 
    Door het bevoegde orgaan te volgen procedure
  • 3. 
    Het bevoegde orgaan heeft het recht om, teneinde de mate van behoefte aan langdurige zorg te bepalen, de verzekerde te laten onderzoeken door een arts of andere deskundige

die het orgaan zelf heeft gekozen.

  • 4. 
    Artikel 27, lid 8, van de toepassingsverordening is van overeenkomstige toepassing.
  • D) 
    Procedure bij verblijf in een andere dan de bevoegde lidstaat
  • 5. 
    De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de verzekerde die in een andere dan de bevoegde lidstaat verblijft.
  • E) 
    Gezinsleden
  • 6. 
    De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de verzekerde.

Artikel 28

Toepassing van artikel 28 van de basisverordening

Indien de lidstaat waar de voormalige grensarbeider het laatst werkzaam was niet langer bevoegd is

en de voormalige grensarbeider of een lid van zijn gezin er heen reist om er verstrekkingen in de zin

van artikel 28 van de basisverordening te verkrijgen, legt hij aan het orgaan van de plaats van

verblijf een door het bevoegde orgaan afgegeven document over.

Artikel 29

Premies en bijdragen ten laste van de pensioengerechtigden

  • 1. 
    (geschrapt)
  • 2. 
    In het geval van degene die van meer dan één lidstaat een pensioen ontvangt, is het bedrag van de op alle betaalde pensioenen geheven premies en bijdragen in geen geval hoger dan het

bedrag dat geheven wordt ten aanzien van iemand die hetzelfde bedrag aan pensioen van de

bevoegde lidstaat ontvangt.

Artikel 30

Toepassing van artikel 34 van de basisverordening

  • A) 
    Door het bevoegde orgaan te volgen procedure
  • 1. 
    Het bevoegde orgaan stelt de betrokkene in kennis van de bepaling van artikel 34 van de basisverordening, ter voorkoming van samenloop van prestaties. De toepassing van

deze voorschriften garandeert aan de persoon die niet op het grondgebied van de

bevoegde lidstaat woont, het recht op prestaties die ten minste gelijk zijn aan het totale

bedrag of de totale waarde waarop hij aanspraak zou kunnen maken als hij in die

lidstaat woonde.

  • 2. 
    Het bevoegde orgaan stelt voorts het orgaan van de woon- of verblijfplaats in kennis van de betaling van uitkeringen bij langdurige zorg, indien de door laatstbedoeld

orgaan toegepaste wetgeving voorziet in verstrekkingen voor langdurige zorg die zijn

vermeld op de in artikel 34, lid 2, van de basisverordening bedoelde lijst.

  • B) 
    Door het orgaan van de woon- of verblijfplaats te volgen procedure
  • 3. 
    Na ontvangst van de in lid 2 bedoelde informatie stelt het orgaan van de woon- of verblijfplaats het bevoegde orgaan onverwijld in kennis van elke voor hetzelfde doel

bestemde verstrekking bij langdurige zorg die het krachtens zijn wetgeving aan de

betrokkene verleent, en van het vergoedingstarief daarvan.

  • 4. 
    De Administratieve Commissie neemt de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 31

Bijzondere toepassingsmaatregelen

  • 1. 
    Wanneer een persoon of een groep personen op verzoek is vrijgesteld van verplichte ziekteverzekering en die personen dus niet zijn gedekt door een ziekteverzekeringsstelsel

waarop de basisverordening van toepassing is, wordt het orgaan van een andere lidstaat,

louter ten gevolge van die vrijstelling, niet verantwoordelijk voor de kosten van de

verstrekkingen of uitkeringen die uit hoofde van titel III, hoofdstuk I, van de

basisverordening aan die personen of hun gezinsleden worden verleend.

  • 2. 
    Voor de in bijlage 2 bedoelde lidstaten zijn de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, van de basisverordening betreffende verstrekkingen slechts van toepassing op personen die

uitsluitend op basis van een bijzonder stelsel voor ambtenaren recht hebben op

verstrekkingen, voor zover zulks in die bijlage is gespecificeerd.

Het orgaan van een andere lidstaat wordt niet, louter op die grond, verantwoordelijk voor de kosten van de verstrekkingen of uitkeringen die aan die personen of hun gezinsleden worden

verleend.

  • 3. 
    Wanneer de in de leden 1 en 2 bedoelde personen en hun gezinsleden wonen in een lidstaat waar het recht op verstrekkingen niet is onderworpen aan verzekeringsvoorwaarden of de

uitoefening van werkzaamheden, al dan niet in loondienst, worden zij aangesproken voor de

volledige kosten van de verstrekkingen die hun in hun land van woonplaats worden verleend.

H OOFDSTUK II ­ P RESTATIES BIJ ARBEIDSONGEVALLEN EN BEROEPSZIEKTEN

Artikel 32

Recht op verstrekkingen en uitkeringen voor degene die

in een andere dan de bevoegde lidstaat woont of verblijft

  • 1. 
    De in de artikelen 24 tot en met 27 van de toepassingsverordening vastgestelde procedures zijn van overeenkomstige toepassing op artikel 36 van de basisverordening.
  • 2. 
    Indien krachtens de nationale wetgeving van de lidstaat van woonplaats of verblijf specifieke verstrekkingen worden gedaan in verband met arbeidsongeval en beroepsziekte, stelt het

orgaan van deze lidstaat het bevoegde orgaan hiervan onverwijld op de hoogte.

  • 3. 
    (geschrapt)

Artikel 33

Vergunde behandelingen

(geschrapt)

Artikel 34

Procedure in geval van een arbeidsongeval of beroepsziekte

in een andere dan de bevoegde lidstaat

  • 1. 
    Indien het arbeidsongeval plaatsvindt of de beroepsziekte voor de eerste maal medisch wordt vastgesteld op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat, en de nationale

wetgeving in een aangifte voorziet, wordt de aangifte of de kennisgeving van het

arbeidsongeval of van de beroepsziekte gedaan overeenkomstig de wettelijke regeling van de

bevoegde lidstaat, in voorkomend geval onverminderd de andersluidende wettelijke

bepalingen die op het grondgebied van de lidstaat waar het arbeidsongeval plaatsvond of

waar de beroepsziekte voor de eerste maal medisch werd vastgesteld, gelden en die in dat

geval van toepassing blijven. De verklaring of kennisgeving wordt gericht aan het bevoegde

orgaan.

  • 2. 
    Het orgaan van de lidstaat op het grondgebied waarvan het arbeidsongeval plaatsvond of waar de beroepsziekte voor de eerste maal medisch werd vastgesteld, zendt aan het bevoegde

orgaan de op het grondgebied van deze lidstaat opgestelde geneeskundige verklaringen toe.

  • 3. 
    Indien wegens een ongeval op weg van of naar het werk dat op het grondgebied van een andere lidstaat dan de bevoegde lidstaat heeft plaatsgevonden, op dat grondgebied een

onderzoek moet worden verricht om een mogelijk recht op de desbetreffende prestaties vast

te stellen, kan het bevoegde orgaan hiertoe een persoon aanwijzen, waarna het de autoriteiten

van eerstgenoemde lidstaat van deze aanwijzing in kennis stelt. De organen werken samen

om alle nuttige informatie te onderzoeken en om de verslagen en andere documenten in

verband met het ongeval te onderzoeken.

  • 4. 
    Het bevoegde orgaan ontvangt, na afloop van de behandeling, op verzoek een uitvoerig verslag, vergezeld van de geneeskundige verklaringen betreffende de blijvende gevolgen van

het ongeval of de ziekte en in het bijzonder de huidige toestand van de getroffene alsmede de

genezing of de consolidatie van de letsels. De honoraria worden betaald door het orgaan van

de woonplaats of de plaats van verblijf, naargelang het geval, overeenkomstig het door dit

orgaan toegepaste tarief, maar komen voor rekening van het bevoegde orgaan.

  • 5. 
    Op verzoek van het bevoegde orgaan van de woon- of de verblijfplaats geeft het bevoegde orgaan in voorkomend geval kennis van de beslissing waarin de datum van de genezing of

van de consolidatie der letsels wordt vastgesteld, alsmede, indien van toepassing, van de

beslissing betreffende de toekenning van een rente.

Artikel 35

Geschillen naar aanleiding van de vraag of het ongeval of de ziekte

al dan niet het gevolg is van de uitoefening van een beroep

  • 1. 
    Indien het bevoegde orgaan betwist dat in het kader van artikel 36, lid 2, van de basisverordening de wettelijke regeling inzake arbeidsongevallen of beroepsziekten van

toepassing is, stelt het het orgaan van de woon- of van de verblijfplaats, dat de verstrekkingen

heeft verleend, hiervan onverwijld in kennis; de verstrekkingen worden dan als

verstrekkingen van de ziekteverzekering beschouwd.

  • 2. 
    Wanneer hieromtrent een definitieve beslissing is genomen, stelt het bevoegde orgaan het orgaan van de woon- of de verblijfplaats dat de verstrekkingen heeft verleend, hiervan

onverwijld in kennis.

Indien niet is komen vast te staan dat van een arbeidsongeval of beroepsziekte sprake is,

worden de verstrekkingen waarop de betrokkene recht heeft, voortgezet als verstrekkingen bij

ziekte.

Indien is komen vast te staan dat van een arbeidsongeval of beroepsziekte sprake is, worden

met ingang van de dag waarop het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden of de beroepsziekte

voor de eerste maal medisch werd vastgesteld, de aan betrokkene toegekende verstrekkingen

beschouwd als verstrekkingen wegens arbeidsongeval of beroepsziekte.

  • 3. 
    De tweede alinea van artikel 6, lid 4, van de toepassingsverordening is van overeenkomstige

toepassing.

Artikel 36

Procedure bij blootstelling aan het risico van een beroepsziekte in meer dan één lidstaat

  • 1. 
    In het geval bedoeld in artikel 38 van de basisverordening wordt de aangifte of kennisgeving van de beroepsziekte doorgezonden aan het voor beroepsziekten bevoegde orgaan van de

staat onder de wetgeving waarvan de betrokkene werkzaamheden heeft verricht waardoor de

bedoelde beroepsziekte kon ontstaan.

Indien het orgaan waaraan de verklaring of kennisgeving was toegezonden, vaststelt dat

werkzaamheden waardoor de betrokken beroepsziekte kon ontstaan, het laatst onder de

wetgeving van een andere lidstaat zijn uitgeoefend, zendt het dit document en alle daarbij

gevoegde stukken aan het overeenkomstige orgaan van deze lidstaat door.

  • 2. 
    Indien het orgaan van de lidstaat onder de wetgeving waarvan de betrokkene laatstelijk een werkzaamheid heeft uitgeoefend waardoor de betrokken beroepsziekte kan ontstaan, vaststelt

dat de getroffene of zijn nabestaanden niet voldoen aan de voorwaarden van deze wetgeving,

bijvoorbeeld omdat de betrokkene in de betreffende lidstaat nooit een werkzaamheid heeft

uitgeoefend die de beroepsziekte veroorzaakt heeft of omdat de betreffende lidstaat de ziekte

niet als beroepszieke erkent, zendt genoemd orgaan de kennisgeving en alle daarbij

behorende bescheiden, met inbegrip van de bevindingen en verslagen van het geneeskundig

onderzoek dat door dit orgaan is verricht, onverwijld door aan het orgaan van de lidstaat

onder de wetgeving waarvan de getroffene voordien een werkzaamheid heeft verricht

waardoor de betrokken beroepsziekte kan ontstaan.

  • 3. 
    Zo nodig kan door de organen volgens dezelfde procedure verder worden teruggegaan tot aan het overeenkomstige orgaan van de lidstaat onder de wettelijke regeling waarvan de

betrokkene het eerst werkzaamheden heeft verricht waardoor de bedoelde beroepsziekte kan

ontstaan.

Artikel 37

Uitwisseling van inlichtingen tussen organen en betaling van voorschotten

bij beroep tegen een afwijzende beslissing

  • 1. 
    Indien beroep wordt ingesteld tegen een afwijzende beslissing van het orgaan van één der lidstaten onder de wetgeving waarvan de betrokkene werkzaamheden heeft verricht waardoor

de betrokken beroepsziekte kan ontstaan, is dit orgaan verplicht hiervan kennis te geven aan

het orgaan waaraan de aangifte of kennisgeving werd doorgestuurd, volgens de procedure van

artikel 36, lid 2, van de toepassingsverordening, en het later, wanneer de definitieve

beslissing genomen is, hiervan op de hoogte te stellen.

  • 2. 
    Indien krachtens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het orgaan waaraan de aangifte of kennisgeving werd doorgestuurd, recht op uitkeringen is ingegaan, betaalt dit

orgaan voorschotten waarvan het bedrag eventueel na raadpleging van het orgaan

tegen welks beslissing beroep was ingesteld, en wel zodanig dat overbetaling wordt

voorkomen. Laatstgenoemd orgaan betaalt het bedrag der uitbetaalde voorschotten terug,

indien het, ingevolge het ingestelde beroep, verplicht is de prestaties te verstrekken. Dit

bedrag wordt dan ingehouden op het bedrag van de aan de belanghebbende verschuldigde

prestaties, volgens de procedure van de artikelen 71 en 72 van de toepassingsverordening.

  • 3. 
    De tweede alinea van artikel 6, lid 4, van de toepassingsverordening is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38

Verergering van een beroepsziekte

In de gevallen bedoeld in artikel 39 van de basisverordening is de aanvrager verplicht aan het

orgaan van de lidstaat tegenover hetwelk hij het recht op prestaties doet gelden, alle inlichtingen te

verstrekken omtrent vroeger voor de bedoelde beroepsziekte toegekende prestaties. Dit orgaan kan

zich, ter verkrijging van de inlichtingen die het noodzakelijk acht, wenden tot elk ander orgaan dat

eerder bevoegd is geweest.

Artikel 39

Beoordeling van de mate van ongeschiktheid bij een eerder of een later voorgekomen

arbeidsongeval of beroepsziekte

Indien een eerdere of latere arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een ongeval dat plaatsvond

terwijl de betrokkene onderworpen was aan de wetgeving van een lidstaat waarin geen onderscheid

wordt gemaakt naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid, gaat het bevoegde orgaan van de

betrokken lidstaat of de instelling die door de bevoegde instantie van deze lidstaat daartoe is

aangewezen, als volgt te werk:

  • op verzoek van het bevoegde orgaan van een andere lidstaat verstrekt het inlichtingen over de mate van een eerdere of latere arbeidsongeschiktheid, alsmede, voor zover mogelijk,

gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de arbeidsongeschiktheid het

gevolg is van een arbeidsongeval in de zin van de door het orgaan van de tweede lidstaat

toegepaste wetgeving;

  • houdt het, overeenkomstig de wetgeving die het toepast, bij de vaststelling van het recht op prestaties en van de hoogte daarvan, rekening met de mate van ongeschiktheid die in deze

eerdere of latere gevallen is ontstaan.

Artikel 40

Indiening en behandeling van een aanvraag om renten of aanvullende uitkeringen

  • 1. 
    Door de betrokkene of diens nabestaanden die op grond van de wetgeving van een lidstaat een rente of een aanvullende uitkering willen ontvangen en op het grondgebied van een

andere lidstaat wonen, wordt een aanvraag gericht tot het bevoegde orgaan, of tot het orgaan

van de woonplaats, dat de aanvraag aan het bevoegde orgaan doorzendt.

De aanvraag gaat vergezeld van alle informatie die overeenkomstig de door het bevoegde

orgaan toegepaste wetgeving noodzakelijk is.

  • 2. 
    (geschrapt)

Artikel 41

Bijzondere toepassingsmaatregelen

  • 1. 
    Voor de in bijlage 2 bedoelde lidstaten zijn de bepalingen van titel III, hoofdstuk 2, van de basisverordening betreffende verstrekkingen ten aanzien van personen die hierop uitsluitend

op basis van een bijzonder stelsel voor ambtenaren recht hebben, slechts van toepassing in de

mate waarin zulks in die bijlage is bepaald.

  • 2. 
    Artikel 31, lid 2, tweede alinea, en lid 3, van de toepassingsverordening zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III ­ Uitkeringen bij overlijden

Artikel 42

Aanvraag van uitkeringen bij overlijden

Voor de toepassing van de artikelen 42 en 43 van de basisverordening worden uitkeringen bij

overlijden aangevraagd bij het bevoegde orgaan dan wel bij het orgaan in de woonplaats van de

aanvrager, dat de aanvraag aan het bevoegde orgaan toezendt.

De aanvraag gaat vergezeld van alle informatie die overeenkomstig de door het bevoegde orgaan

toegepaste wetgeving noodzakelijk is.

Hoofdstuk IV ­ Uitkeringen bij invaliditeit, ouderdoms- en nabestaandenpensioenen.

Artikel 43

Aanvullende bepalingen ter berekening van de uitkeringen

  • 1. 
    Artikel 12, leden 3 tot en met 6, van de toepassingsverordening is van toepassing op de berekening van het theoretische bedrag en het werkelijke bedrag van de uitkering

overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van de basisverordening.

  • 2. 
    Indien overeenkomstig artikel 12, lid 3, van de toepassingsverordening geen rekening is gehouden met tijdvakken van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, wordt het met

deze tijdvakken overeenkomende bedrag berekend door het orgaan van de lidstaat onder de

wetgeving waarvan deze tijdvakken vervuld zijn, volgens de wetgeving die het toepast. Het

overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van de basisverordening berekende werkelijke

bedrag van de uitkering wordt verhoogd met het bedrag dat overeenkomt met de tijdvakken

van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering.

  • 3. 
    Het orgaan van elke lidstaat berekent, volgens de wetgeving die het toepast, het voor de tijdvakken van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering verschuldigde bedrag dat

overeenkomstig artikel 53, lid 3, onder c), van de basisverordening niet aan de voorschriften

inzake vermindering, schorsing of intrekking van een andere lidstaat is onderworpen.

Indien dit bedrag niet rechtstreeks kan worden bepaald omdat de door het bevoegde orgaan

toegepaste wetgeving andere waarden aan de verzekeringstijdvakken toekent, kan een fictief

bedrag worden vastgesteld. De Administratieve Commissie bepaalt op welke wijze het

fictieve bedrag wordt vastgesteld.

Artikel 44

Inaanmerkingneming van tijdvakken van kinderopvoeding

  • 1. 
    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "tijdvak van kinderopvoeding" verstaan een tijdvak dat krachtens de pensioenwetgeving van een lidstaat wordt meegeteld of dat recht

geeft op een aanvulling op het pensioen met kinderopvoeding als expliciete reden, ongeacht

volgens welke methode dit tijdvak wordt berekend en ongeacht of het tijdvak tijdens de

kinderopvoeding wordt verdiend dan wel met terugwerkende kracht wordt erkend.

  • 2. 
    Indien krachtens de wetgeving van de op grond van titel II van de basisverordening bevoegde lidstaat geen kinderopvoedingstijdvak in aanmerking wordt genomen, blijft het orgaan van de

lidstaat waarvan de wetgeving overeenkomstig titel II van de basisverordening op de

betrokkene van toepassing was omdat deze aldaar, al dan niet in loondienst, werkzaam was

op het tijdstip waarop krachtens die wetgeving de inaanmerkingneming van het

kinderopvoedingstijdvak voor het kind aanving, verantwoordelijk voor de

inaanmerkingneming van dat tijdvak als tijdvak van kinderopvoeding krachtens de door dat

orgaan toegepaste wetgeving, alsof de kinderopvoeding op het grondgebied van de

desbetreffende lidstaat had plaatsgevonden.

  • 3. 
    Lid 2 geldt niet indien de wetgeving van een andere lidstaat wegens een al dan niet in loondienst uitgeoefende werkzaamheid op de betrokkene van toepassing is of wordt.

Artikel 45

Aanvraag om uitkeringen

  • A) 
    Indiening van de aanvraag om uitkeringen onder A-wetgevingen overeenkomstig artikel 44,

lid 2, van de basisverordening.

  • 1. 
    Om in aanmerking te komen voor uitkeringen onder A-wetgevingen overeenkomstig artikel 44, lid 2, van de basisverordening, richt de aanvrager een aanvraag tot het orgaan

van de lidstaat onder de wetgeving waarvan hij viel op het tijdstip waarop de

arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan of deze invaliditeit is

verergerd of tot het orgaan van de woonplaats, dat de aanvraag aan eerstgenoemd orgaan

doorzendt.

  • 2. 
    Indien ziekengeld werd toegekend, wordt de dag waarop het tijdvak van de toekenning van deze uitkering eindigt, in voorkomend geval beschouwd als de datum van indiening

van de aanvraag.

  • 3. 
    In het in artikel 47, lid 1, van de basisverordening bedoelde geval deelt het orgaan waarbij de betrokkene het laatst aangesloten is geweest, aan het orgaan dat deze

uitkeringen oorspronkelijk verschuldigd was, de hoogte en de datum van ingang van de

krachtens de door eerstgenoemd orgaan toegepaste wetgeving verschuldigde uitkeringen

mee. Met ingang van deze datum worden de vóór de verergering van de invaliditeit

verschuldigde uitkeringen ingetrokken of verminderd tot het bedrag van de aanvulling

bedoeld in artikel 47, lid 2, van de basisverordening.

  • B) 
    Indiening van andere aanvragen voor uitkeringen
  • 4. 
    In andere situaties dan de in lid 1 bedoelde richt de aanvrager een aanvraag hetzij aan het orgaan van zijn woonplaats, hetzij aan het orgaan van de lidstaat aan de wetgeving

waarvan hij het laatst onderworpen is geweest. Indien de betrokkene nimmer

onderworpen is geweest aan de door het orgaan van zijn woonplaats toegepaste

wetgeving, zendt dit orgaan de aanvraag door aan het orgaan van de lidstaat aan de

wetgeving waarvan hij het laatst onderworpen is geweest.

  • 5. 
    De datum van indiening van de aanvraag geldt voor alle betrokken organen.
  • 6. 
    Indien de aanvrager, hoewel hem daarom is verzocht, niet vermeldt dat hij in andere lidstaten werkzaam is geweest of heeft gewoond, geldt in afwijking van lid 5 als datum

van indiening van de aanvraag bij het orgaan dat de wetgeving toepast - onder

voorbehoud van gunstiger bepalingen in die wetgeving - de datum waarop de aanvrager

zijn oorspronkelijke aanvraag completeert of een nieuwe aanvraag indient voor de

ontbrekende tijdvakken van werkzaamheid, al dan niet in loondienst, of van wonen.

  • 7. 
    (geschrapt)
  • 8. 
    (geschrapt)

Artikel 46

Door de aanvrager bij de aanvraag te voegen stukken en gegevens

  • 1. 
    De aanvraag wordt door de aanvrager ingediend volgens de bepalingen van de wetgeving die door het in artikel 45, lid 1 en 4, bedoelde orgaan wordt toegepast, en gaat vergezeld van de

bij die wetgeving voorgeschreven bewijsstukken. Meer bepaald verstrekt de aanvrager alle

beschikbare relevante gegevens en bewijsstukken betreffende de tijdvakken van verzekering

(organen, identificatienummers) van werkzaamheid in loondienst (werkgevers) of anders dan

in loondienst (aard en plaats van de werkzaamheid) en van wonen (adressen) die in

voorkomend geval onder een andere wetgeving vervuld zijn, alsmede betreffende de duur van

die tijdvakken.

  • 2. 
    Indien de aanvrager overeenkomstig artikel 50, lid 1, van de basisverordening verzoekt om uitstel van de toekenning van ouderdomsuitkeringen krachtens de wetgeving van een of meer

lidstaten, vermeldt hij dit in zijn aanvraag en specificeert hij krachtens welke wetgeving hij

om uitstel verzoekt. Om de aanvrager in de gelegenheid te stellen van dit recht gebruik te

maken, delen de betrokken organen de aanvrager op diens verzoek alle gegevens mee

waarover zij beschikken zodat hij zich een oordeel kan vormen over de gevolgen van de

gelijktijdige of successieve toekenning van de uitkeringen waarop hij aanspraak kan maken.

2 bis. Indien een aanvrager overeenkomstig de wetgeving van een bepaalde lidstaat een

uitkeringsaanvraag intrekt, geldt dit niet als gelijktijdige intrekking van de overeenkomstig de

wetgeving van andere lidstaten ingediende uitkeringsaanvragen.

Artikel 47

Behandeling van de aanvragen door de betrokken organen

  • A) 
    Contactorgaan
  • 1. 
    Het orgaan waaraan de aanvraag overeenkomstig artikel 45, lid 1 of lid 4, is gericht of doorgezonden, wordt hierna als "contactorgaan" aangeduid. Het orgaan van de

woonplaats wordt niet als contactorgaan aangeduid indien de betrokkene nimmer

onderworpen is geweest aan de door dat orgaan toegepaste wetgeving.

Het als contactorgaan aangeduide orgaan behandelt de uitkeringsaanvraag krachtens de

wetgeving die het toepast; voorts bevordert het de gegevensuitwisseling, de mededeling

van beslissingen en de verrichtingen die noodzakelijk zijn voor de behandeling van de

aanvraag door de betrokken organen, verstrekt het de aanvrager op diens verzoek alle in

communautair opzicht relevante aspecten van de behandeling en houdt het hem op de

hoogte van de voortgang hiervan.

  • B) 
    Behandeling van de aanvraag om uitkeringen onder A-wetgevingen overeenkomstig artikel 44 van de basisverordening.
  • 2. 
    In het in artikel 44, lid 3, van de basisverordening bedoelde geval geeft het contactorgaan alle gegevens in verband met de betrokkene door aan het orgaan waarbij

deze voorheen aangesloten is geweest; dit orgaan neemt het dossier in behandeling.

  • 3. 
    De artikelen 48 tot en met 52 zijn niet van toepassing op de behandeling van de in artikel 44 van de basisverordening bedoelde aanvragen.
  • C) 
    Behandeling van andere aanvragen voor uitkeringen
  • 4. 
    In andere situaties dan de in lid 2 bedoelde zendt het contactorgaan de uitkeringsaanvragen, alle stukken waarover het beschikt en, in voorkomend geval, de

relevante door de aanvrager verstrekte stukken onverwijld door aan alle betrokken

organen zodat de behandeling van de aanvraag door al deze organen tegelijkertijd kan

worden aangevangen. Het contactorgaan stelt de andere organen in kennis van de

tijdvakken van verzekering of van wonen die krachtens de wetgeving die het toepast zijn

vervuld. Het contactorgaan vermeldt welke stukken op een later tijdstip zullen worden

verstrekt en vult de aanvraag zo spoedig mogelijk aan.

  • 5. 
    Elk van de betrokken organen stelt het contactorgaan en de overige betrokken organen zo spoedig mogelijk in kennis van de tijdvakken van verzekering of van wonen die

krachtens de wetgeving die het toepast zijn vervuld.

  • 6. 
    Elk betrokken orgaan berekent het bedrag van de uitkeringen overeenkomstig artikel 52 van de basisverordening en stelt het contactorgaan en de overige betrokken organen in

kennis van zijn beslissing, van het bedrag van de verschuldigde uitkeringen en van alle

inlichtingen die nodig zijn voor de toepassing van de artikelen 53 tot en met 55 van de

basisverordering.

  • 7. 
    Mocht een orgaan op grond van de in de leden 4 en 5 bedoelde inlichtingen vaststellen dat artikel 46, lid 2, of artikel 57, lid 2 of lid 3, van de basisverordening moet worden

toegepast, dan stelt dit orgaan het contactorgaan en de overige betrokken organen

hiervan in kennis.

  • 8. 
    (geschrapt)

Artikel 48

Kennisgeving van de beslissingen aan de aanvrager

  • 1. 
    Elk orgaan stelt de aanvrager volgens de wetgeving die het toepast in kennis van de beslissing die het heeft genomen. In elke beslissing worden de toegestane rechtsmiddelen en

beroepstermijnen vermeld. Zodra het contactorgaan in kennis is gesteld van de beslissing van

elk orgaan, wordt een samenvatting van de beslissingen aan de aanvrager en de overige

betrokken organen toegezonden. Een modelsamenvatting wordt opgesteld door de

Administratieve Commissie. De aanvrager krijgt de samenvatting toegezonden in de taal van

het orgaan of in een taal, naar keuze van de aanvrager, die als overeenkomstig artikel 290 van

het Verdrag als officiële taal van de instellingen van de Gemeenschap is erkend.

  • 2. 
    De aanvrager die, na ontvangst van de samenvatting, meent in zijn rechten te zijn benadeeld door de wisselwerking tussen de beslissingen van twee of meer organen, heeft het recht om,

binnen de termijnen die daartoe in hun wetgeving zijn gesteld, de beslissingen door de

betrokken organen te laten heroverwegen. De termijnen gaan in op de datum van ontvangst

van de samenvatting. De aanvrager wordt schriftelijk in kennis gesteld van het resultaat van

de heroverweging.

Artikel 49

Bepaling van de mate van invaliditeit

  • 1. 
    In geval van toepassing van artikel 46, lid 3, van de basisverordening, is het contactorgaan als enige bevoegd de beslissing omtrent de mate van invaliditeit van de aanvrager te nemen

indien de door dit orgaan toegepaste wetgeving in bijlageVII is vermeld; is dit niet het geval,

dan is het orgaan bevoegd dat de onder bijlageVII vallende wetgeving toepast waaraan de

aanvrager het laatst onderworpen was. Het orgaan neemt deze beslissing zodra het in staat is

te bepalen of de voorwaarden zijn vervuld die in de door het orgaan toegepaste wetgeving

worden gesteld voor het ingaan van het recht, in voorkomend geval met inachtneming van de

artikelen 6 en 51 van de basisverordening. Het stelt de andere betrokken organen onverwijld

van deze beslissing in kennis.

Indien blijkt dat de in de door het orgaan toegepaste wetgeving gestelde voorwaarden voor

het ingaan van het recht, afgezien van de voorwaarden betreffende de mate van invaliditeit,

met inachtneming van de artikelen 6 en 51 van de basisverordening, niet zijn vervuld, deelt

het contactorgaan dit onverwijld mee aan het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de

wetgeving waarvan de aanvrager het laatst onderworpen was. Dit laatste orgaan is bevoegd de

beslissing omtrent de mate van invaliditeit van de aanvrager te nemen, indien de in de door

dit orgaan toegepaste wetgeving gestelde voorwaarden voor het ingaan van het recht zijn

vervuld. Het stelt de andere betrokken organen onverwijld van deze beslissing in kennis.

Bij het bepalen of de voor het ingaan van het recht gestelde voorwaarden zijn vervuld, kan

het nodig zijn dat op dezelfde wijze verder wordt teruggegaan tot aan het inzake invaliditeit

bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wetgeving waarvan de aanvrager het eerst

onderworpen is geweest.

  • 2. 
    Indien artikel 46, lid 3, van de basisverordening niet van toepassing is, kan elk orgaan, volgens de wetgeving die het toepast, de aanvrager door een arts of andere deskundige die het

kiest te laten onderzoeken, teneinde de mate van invaliditeit te bepalen. Het orgaan van een

lidstaat houdt evenwel rekening met de medische documenten en rapporten alsmede met de

inlichtingen van administratieve aard die door het orgaan van andere lidstaten zijn vergaard

alsof deze in zijn eigen lidstaat waren opgesteld.

  • 3. 
    (geschrapt)

Artikel 50Vooruitbetalingen en voorschotten op uitkeringen

  • 1. 
    Onverminderd artikel 7 van de toepassingsverordening wordt door het orgaan dat overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder a), van de basisverordening tijdens de behandeling

van een uitkeringsaanvraag vaststelt dat de aanvrager krachtens de door het orgaan toegepaste

wetgeving recht heeft op een autonome uitkering, deze uitkering onverwijld betaald. Deze

betaling wordt als voorlopig beschouwd als het toegekende bedrag nog aan wijzigingen

onderhevig is afhankelijk van het resultaat van de behandeling van de aanvraag.

  • 2. 
    Indien uit de beschikbare inlichtingen blijkt dat de aanvrager recht heeft op een uitkering van een orgaan krachtens artikel 52, lid 1, onder b), van de basisverordening, betaalt dat orgaan

hem een voorschot dat zo dicht mogelijk het bedrag benadert dat vermoedelijk krachtens

artikel 52, lid 1, onder b), van de basisverordening zal worden vastgesteld.

  • 3. 
    Elk orgaan dat krachtens lid 1 of 2 verplicht is voorlopige uitkeringen of een voorschot te betalen, stelt de aanvrager hiervan onverwijld in kennis, waarbij het uitdrukkelijk diens

aandacht vestigt op het voorlopige karakter van de genomen maatregel en op de

rechtsmiddelen die daartegen krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving openstaan.

Artikel 51Herberekening van uitkeringen

  • 1. 
    In geval van een herberekening van uitkeringen op grond van artikel 48, leden 3 en 4, artikel 50, lid 4, en artikel 59, lid 1, van de basisverordening is artikel 50 van de

toepassingsverordening van overeenkomstige toepassing.

  • 2. 
    in geval van herberekening, intrekking of schorsing van de uitkering worden de betrokkene en elk der organen ten aanzien waarvan de betrokkene een recht heeft, onverwijld in kennis

gesteld door het orgaan dat de beslissing heeft genomen.

8

Artikel 52 Maatregelen ter bespoediging van de pensioenberekening

  • 1. 
    De organen die wetgeving toepassen waaraan de aanvrager is onderworpen, bespoedigen de behandeling van de aanvraag en de betaling van de uitkeringen als volgt:
  • a) 
    de identiteitbepalende elementen van personen die onder de door een orgaan van een andere lidstaat toegepaste wetgeving komen te vallen, worden door hen uitgewisseld

met of beschikbaar gesteld aan de organen van andere lidstaten; tezamen zorgen zij

ervoor dat de identiteitbepalende elementen behouden en in overeenstemming blijven

of, indien dit niet mogelijk is, geven zij de betrokkenen rechtstreeks toegang tot de

elementen die hun identiteit bepalen;

  • b) 
    ruim voordat hij de minimum pensioengerechtigde of een nader te bepalen leeftijd bereikt, worden met betrekking tot de pensioenrechten van degene die onder een door

een orgaan van een andere lidstaat toegepaste wetgeving komt te vallen, gegevens

(vervulde tijdvakken of andere belangrijke elementen) uitgewisseld met of beschikbaar

gesteld aan de betrokkene en de organen van andere lidstaten, of, indien dit niet

mogelijk is, wordt hij ingelicht over of in staat gesteld zich vertrouwd te maken met

zijn toekomstige rechten op uitkeringen.

  • 2. 
    Voor de toepassing van lid 1 bepaalt de Administratieve Commissie welke informatieve elementen worden uitgewisseld of beschikbaar worden gesteld en volgens procedures en

mechanismen dat geschiedt, met inaanmerkingneming van de kenmerken van de

administratieve en technische aspecten van hun organisatie en de technologische middelen

waarover de nationale pensioenregelingen beschikken.. De Administratieve Commissie

verzekert de tenuitvoerlegging van deze pensioenregelingen door zorg te dragen voor een

follow-up van de genomen maatregelen en de toepassing daarvan.

2 bis. Voor de toepassing van lid 1 wordt de bovengenoemde informatie verstrekt aan het orgaan

van de eerste lidstaat waar een persoon een Persoonlijk Identificatienummer (PIN) ten

behoeve van het beheer van de sociale zekerheid heeft ontvangen.

8

Naar aanleiding van een opmerking van DK werd opgemerkt dat deze bepaling betrekking heeft op personen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving van een bevoegde lidstaat (staatlozen of vluchtelingen).

Artikel 53Coördinatiemaatregelen binnen de lidstaten

  • 1. 
    Onverminderd artikel 51 van de basisverordening worden in voorkomende gevallen de voorschriften van de nationale wetgeving toegepast aan de hand waarvan wordt bepaald welk

orgaan verantwoordelijk is, welke regeling van toepassing is of welke verzekeringstijdvakken

aan een specifieke regeling worden toegewezen, en worden uitsluitend de krachtens de

wetgeving van de bewuste lidstaat vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking genomen.

  • 2. 
    De bepalingen van de basisverordening en de toepassingsverordening laten de voorschriften van de nationale wetgeving voor de coördinatie tussen de bijzondere stelsels voor ambtenaren

en het algemene stelsel voor werknemers onverlet .

Hoofdstuk V ­ Werkloosheidsuitkeringen

Artikel 54Samentelling van tijdvakken en berekening van de uitkering

-1. Artikel 12, lid 1, van de toepassingsverordening is van overeenkomstige toepassing op artikel 61 van de basisverordening. Onverminderd de onderliggende verplichtingen van de betrokken

organen, kan de betrokkene aan het bevoegde orgaan een document overleggen dat is

afgegeven door het orgaan van de lidstaat aan de wetgeving waarvan hij tijdens zijn laatste al

dan niet in loondienst verrichte werkzaamheid onderworpen was, en waarin de krachtens die

wetgeving vervulde tijdvakken worden vermeld.

  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 62, lid 3, van de basisverordening deelt het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wetgeving waarvan de betrokkene tijdens zijn laatste al dan niet in

loondienst uitgeoefende werkzaamheid onderworpen was, aan het orgaan van de woonplaats

op verzoek onverwijld alle voor de berekening van de werkloosheidsuitkering vereiste

gegevens mede die het in de lidstaat waar het gevestigd is kan verkrijgen, met name het

bedrag van het ontvangen loon of beroepsinkomen.

  • 2. 
    (geschrapt)
  • 3. 
    Voor de toepassing van artikel 62 van de basisverordening en onverminderd artikel 63 daarvan, houdt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving bepaalt dat de

hoogte van de uitkering varieert volgens het aantal gezinsleden, eveneens rekening met de

gezinsleden van de betrokkene die in een andere lidstaat wonen, alsof zij in de bevoegde

lidstaat woonden. Deze bepaling is niet van toepassing als in de lidstaat waar de gezinsleden

wonen, een andere persoon recht heeft op een werkloosheidsuitkering bij de berekening

waarvan met het aantal gezinsleden rekening is gehouden.

Artikel 55Voorwaarden voor en beperkingen van het behoud van het recht op uitkering van de

werkloze die zich naar het grondgebied van een andere lidstaat begeeft

  • 1. 
    Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 64 van de basisverordening stelt de werkloze die zich naar een andere lidstaat begeeft, vóór zijn vertrek het bevoegde orgaan

daarvan in kennis en verzoekt hij dit orgaan om een document waaruit blijkt dat hij onder de

in artikel 64, lid 1, onder b), van de basisverordening vastgestelde voorwaarden het recht op

de uitkering behoudt.

Dit orgaan informeert hem over de verplichtingen die op hem rusten, en verstrekt hem het

document, waarin met name worden vermeld:

  • a) 
    de datum met ingang waarvan de werkloze niet langer ter beschikking staat van de diensten voor arbeidsvoorziening van de bevoegde staat;
  • b) 
    de overeenkomstig artikel 64, lid 1, onder b), van de basisverordening toegestane termijn voor de inschrijving als werkzoekende in de lidstaat waarheen de werkloze zich heeft

begeven;

  • c) 
    het maximumtijdvak gedurende welk het recht op uitkeringen kan worden behouden overeenkomstig artikel 64, lid 1, onder c), van de basisverordening;
  • d) 
    de feiten waardoor het recht op uitkering kan worden gewijzigd.
  • 2. 
    De werkloze schrijft zich overeenkomstig artikel 64, lid 1, onder b), van de basisverordening in als werkzoekende bij de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat waarheen hij zich

begeeft, en verstrekt het orgaan van deze lidstaat het in lid 1 bedoelde document. Indien hij

overeenkomstig lid 1 het bevoegde orgaan heeft geïnformeerd, maar het document niet heeft

verstrekt, wordt door het orgaan van de plaats waarheen de werkloze zich heeft begeven, de

nodige informatie ingewonnen bij het bevoegde orgaan.

  • 3. 
    De diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat waarheen de werkloze zich heeft begeven om daar werk te zoeken, informeren de werkloze over zijn verplichtingen.
  • 4. 
    Het orgaan van de plaats waarheen de werkloze zich heeft begeven, zendt het bevoegde orgaan onmiddellijk een document met de datum van inschrijving van de werkloze bij de

diensten voor arbeidsvoorziening en zijn nieuwe adres.

Indien zich gedurende het tijdvak dat de werkloze recht heeft op behoud van zijn uitkering,

feiten voordoen die het recht op uitkering kunnen beïnvloeden, zendt het orgaan van de plaats

waarheen de werkloze zich heeft begeven aan het bevoegde orgaan en aan de betrokkene

onmiddellijk een document met de desbetreffende informatie.

Op verzoek van het bevoegde orgaan verstrekt het orgaan van de plaats waarheen de

werkloze zich heeft begeven elke maand relevante informatie over de follow-up van diens

situatie, met name of deze nog steeds is ingeschreven bij de diensten voor arbeidsvoorziening

en of hij zich houdt aan de georganiseerde controleprocedures.

  • 5. 
    Het orgaan van de plaats waarheen de werkloze zich heeft begeven, voert de controles uit of laat deze uitvoeren alsof het een werkloze betrof die uitkeringen geniet krachtens de door dit

orgaan toegepaste wetgeving. In voorkomend geval stelt het het bevoegde orgaan

onmiddellijk in kennis van elk feit als bedoeld in lid 1, onder d).

  • 6. 
    De bevoegde autoriteiten of de bevoegde organen van twee of meer lidstaten kunnen onderling specifieke procedures en termijnen voor de follow-up van de situatie van de

werkloze vaststellen, alsmede andere maatregelen om het zoeken van werk door werklozen

die zich krachtens artikel 64 van de basisverordening naar een van deze lidstaten begeven, te

stimuleren.

Artikel 56Werkloze die in een andere dan de bevoegde lidstaat woonde

  • 1. 
    Indien de werkloze overeenkomstig artikel 65, lid 2, van de basisverordening besluit zich ook ter beschikking te stellen van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de lidstaat waar hij het

laatst, al dan niet in loondienst, werkzaam is geweest, door zich daar als werkzoekende in te

schrijven, stelt hij het orgaan en de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat van de

woonplaats daarvan in kennis.

Op verzoek van de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat waar de betrokkene het

laatst, al dan niet in loondienst, werkzaam is geweest, geven de diensten voor

arbeidsvoorziening van de woonplaats de relevante informatie door over de inschrijving van

de werkloze en diens pogingen om werk te vinden.

  • 2. 
    Wanneer de in de betrokken lidstaten toepasselijke wetgeving vereist dat een werkloze aan bepaalde verplichtingen voldoet en/of werk zoekt, wordt voorrang verleend aan de

verplichtingen en of de pogingen om werk te vinden in de lidstaat van de woonplaats.

Het feit dat een werkloze in de lidstaat waar hij het laatst werkzaam is geweest, niet heeft

voldaan aan alle verplichtingen en/of geen werk heeft gezocht, heeft geen invloed op in de

lidstaat van de woonplaats toegekende uitkeringen.

  • 3. 
    Voor de toepassing van artikel 65, lid 5, onder b), van de basisverordening deelt het orgaan van de lidstaat aan de wetgeving waarvan de werknemer het laatst onderworpen is geweest,

het orgaan van de woonplaats desgevraagd mede of de werknemer recht heeft op uitkeringen

op grond van artikel 64 van de basisverordening.

Artikel 56 bisOnder een bijzonder stelsel voor ambtenaren vallende personen

  • 1. 
    De artikelen 54 en 55 zijn van overeenkomstige toepassing op personen die onder een bijzonder werkloosheidsstelsel voor ambtenaren vallen.
  • 2. 
    Artikel 56 is niet van toepassing op personen die onder een bijzonder werkloosheidsstelsel voor ambtenaren vallen. De werkloze die onder een bijzonder werkloosheidsstelsel voor

ambtenaren valt, volledig of gedeeltelijk werkloos is en gedurende zijn laatste

werkzaamheden in een andere dan de bevoegde lidstaat woonde, heeft recht op de krachtens

het bijzonder werkloosheidsstelsel voor ambtenaren verstrekte uitkeringen volgens de

wetgeving van de bevoegde lidstaat alsof hij in die lidstaat woonde. De uitkeringen worden

door het bevoegde orgaan op eigen kosten verleend.

Hoofdstuk VI ­ Gezinsbijslagen

Artikel 57Prioriteitsregels bij samenloop

Voor de toepassing van artikel 68, lid 1, onder b), punten i) en ii), van de basisverordening berekent

elke betrokken lidstaat, wanneer de volgorde van prioriteit niet aan de hand van de woonplaats van

de kinderen kan worden vastgesteld, het bedrag van de bijslagen inclusief de kinderen die niet op

zijn grondgebied wonen. Bij het toepassen van artikel 68, lid 1, onder b), punt i), betaalt het

bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving de hoogste uitkering biedt, het gehele

bedrag uit. Het bevoegde orgaan van de andere lidstaat vergoedt dat orgaan, binnen de grenzen van

de in de wetgeving van die lidstaat voorziene bedragen, de helft van dat bedrag.

Artikel 58Voorschriften in geval van wijziging van de toepasselijke wetgeving

en/of de bevoegdheid tot het toekennen van gezinsbijslagen

  • 1. 
    Indien, in de loop van een kalendermaand, de toepasselijke wetgeving van een andere lidstaat gaat gelden en/of de bevoegdheid om gezinsbijslagen toe te kennen van de ene lidstaat naar

de andere verschuift, ongeacht de in de wetgeving van die lidstaten bepaalde vervaldagen

voor de betaling van de gezinsbijslagen, neemt het orgaan dat de gezinsbijslagen heeft betaald

op grond van de wetgeving waaronder de bijslagen aan het begin van de maand zijn

toegekend, deze kosten tot het einde van de lopende maand voor zijn rekening.

  • 2. 
    Het deelt het orgaan van de andere betrokken lidstaat of lidstaten mede met ingang van welke datum het de betaling van de gezinsbijslagen in kwestie staakt. De betalingen van de andere

betrokken lidstaat of lidstaten gaat in op die datum.

Artikel 59Procedure voor toepassing van de artikelen 67 en 68 van de basisverordening

  • 1. 
    De aanvraag om gezinsbijslagen wordt gericht aan de bevoegde instantie. Voor de toepassing van de artikelen 67 en 68 van de basisverordening wordt rekening gehouden met de situatie

van het gehele gezin alsof alle betrokkenen onderworpen zijn aan de wetgeving van de

betrokken lidstaat en er verblijven, vooral wat het recht van een persoon op deze uitkeringen

betreft. Indien een persoon die recht heeft op prestaties dit recht niet uitoefent, houdt het

bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving van toepassing is rekening met een

aanvraag om gezinsbijslagen die is ingediend door de andere ouder, een als ouder

beschouwde persoon of een persoon of instelling die de voogdij over het kind of de kinderen

uitoefent.

  • 2. 
    Het orgaan waarbij een aanvraag overeenkomstig lid 1 is ingediend, onderzoekt deze op grond van de gedetailleerde informatie die door de aanvrager is verstrekt, rekening houdend

met de algehele feitelijke en wettelijke situatie van het gezin van de aanvrager.

Indien dat orgaan concludeert dat zijn wetgeving overeenkomstig artikel 68, leden 1 en 2, van

de basisverordening prioritair van toepassing is, verstrekt het de gezinsbijslagen

overeenkomstig de wetgeving die het toepast.

Indien het bevoegde orgaan oordeelt dat de betrokkene krachtens de wetgeving van een

andere lidstaat overeenkomstig artikel 68, lid 2, van de basisverordening recht kan hebben op

aanvullende bijslag, zendt het de aanvraag onverwijld door aan het bevoegde orgaan van die

lidstaat en informeert het de betrokkene. Het stelt tevens het orgaan van de andere lidstaat in

kennis van zijn besluit betreffende de aanvraag en het bedrag van de toegekende

gezinsbijslagen.

  • 3. 
    Indien het orgaan waarbij de aanvraag is ingediend, oordeelt dat zijn wetgeving toepasselijk is, maar niet op grond van het prioritaire recht overeenkomstig artikel 68, leden 1 en 2, van de

basisverordening, neemt het onverwijld een voorlopig besluit betreffende de toepasselijke

prioriteitsregels, en zendt het de aanvraag overeenkomstig artikel 68, lid 3, van de

basisverordening door naar het orgaan van de andere lidstaat en stelt het de aanvrager daarvan

tevens in kennis. Dit orgaan heeft twee maanden de tijd om zijn standpunt te bepalen ten

aanzien van het genomen voorlopige besluit.

Indien het orgaan waaraan de aanvraag is doorgezonden, binnen twee maanden na ontvangst

van de aanvraag geen standpunt inneemt, is het bovengenoemde voorlopige besluit

toepasselijk en betaalt het orgaan de bijslagen waarin zijn wetgeving voorziet en stelt het het

orgaan waarbij de aanvraag is ingediend in kennis van het bedrag van de toegekende

bijslagen.

  • 4. 
    In geval van meningsverschil tussen de betrokken organen over de op grond van het prioritaire recht toepasselijke wetgeving, is artikel 6, leden 2 tot en met 4 van deze

verordening van toepassing. In dit verband is het in artikel 6, lid 2, genoemde orgaan van de

woonplaats het orgaan van de woonplaats van het kind of de kinderen.

  • 5. 
    Het orgaan dat voorlopige bijslagen heeft betaald voor een hoger bedrag dan uiteindelijk voor zijn rekening komt, kan zich volgens de procedure van artikel 72 tot het primair

verantwoordelijke orgaan richten om het te veel betaalde terug te vorderen.

Artikel 60Procedure voor toepassing van artikel 69 van de basisverordening

Voor de toepassing van artikel 69 van de basisverordening stelt de Administratieve Commissie een

lijst op van de aanvullende of bijzondere gezinsbijslagen voor wezen die onder dat artikel vallen.

Indien niet is bepaald dat het prioritair bevoegde orgaan op grond van de wetgeving die het toepast

dergelijke aanvullende of bijzondere gezinsbijslagen voor wezen toekent, zendt het de aanvraag

voor gezinsbijslagen, vergezeld van alle nodige documenten en inlichtingen, onverwijld door aan

het orgaan van de lidstaat aan de wetgeving waaraan de betrokkene het langst onderworpen is

geweest en die voorziet in dergelijke aanvullende of bijzondere gezinsbijslagen voor wezen. In

bepaalde gevallen kan dit betekenen dat onder dezelfde voorwaarden verder moet worden

teruggegaan tot aan het orgaan van de lidstaat onder welks wetgeving de betrokkene het kortste

tijdvak van verzekering of wonen heeft vervuld.

T ITEL IV ­ FINANCIËLE BEPALINGEN

Hoofdstuk I ­ Vergoeding van de kosten voor prestaties krachtens de artikelen 35 en

41 van de basisverordening

Afdeling 1 - Vergoeding op basis van de werkelijke uitgaven

Artikel 61

Beginselen

  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 41 van de basisverordening wordt het werkelijke bedrag van de uitgaven voor de verleende verstrekkingen door het bevoegde orgaan aan het

orgaan dat genoemde verstrekkingen heeft verleend, vergoed, zoals dit bedrag uit de

boekhouding van laatstgenoemd orgaan blijkt, behoudens toepassing van artikel 62 van de

toepassingsverordening.

  • 2. 
    (geschrapt)
  • 3. 
    Indien het gehele of een gedeelte van het werkelijke bedrag van de uitgaven voor de in lid 1 bedoelde verstrekkingen niet blijkt uit de boekhouding van het orgaan dat deze heeft

verleend, wordt het te vergoeden bedrag bepaald op basis van een vast bedrag dat wordt

vastgesteld op grond van alle ter zake dienende referenties die aan de beschikbare gegevens

zijn ontleend. De Administratieve Commissie beoordeelt de grondslagen die voor de

berekening van de vaste bedragen dienen, en stelt de hoogte ervan vast.

  • 4. 
    Voor de vergoeding kunnen geen hogere tarieven in rekening worden gebracht dan die welke gelden voor de verstrekkingen verleend aan verzekerden die zijn onderworpen aan de

wetgeving die wordt toegepast door het orgaan dat de in lid 1 bedoelde verstrekkingen heeft

verleend.

  • 5. 
    (geschrapt)

Afdeling 2 ­ Vergoeding op basis van vaste bedragen

Artikel 62Vaststelling van de betrokken lidstaten

  • 1. 
    De in artikel 35, lid 2, van de basisverordening bedoelde lidstaten met zodanige juridische of administratieve structuren dat toepassing van vergoeding op grond van de werkelijke

uitgaven niet passend is, worden vermeld in bijlage 3 van de toepassingsverordening.

  • 2. 
    (geschrapt)
  • 3. 
    Voor de in bijlage 3 bij de toepassingsverordening vermelde lidstaten worden de bedragen van de verstrekkingen aan
  • a) 
    gezinsleden die niet in dezelfde lidstaat als de verzekerde wonen, als bedoeld in artikel 17 van de basisverordening, en aan
  • b) 
    gepensioneerden en hun gezinsleden, als bedoeld in artikel 24, lid 1, en de artikelen 25 en 26 van de basisverordening,

door de bevoegde organen vergoed aan de organen die deze verstrekkingen hebben verleend,

op basis van een voor elk kalenderjaar vastgesteld vast bedrag. Dit vaste bedrag moet het

bedrag van de werkelijke uitgaven zo dicht mogelijk benaderen.

Artikel 63Methode voor de berekening van de vaste maandelijkse bedragen

en van het vaste totaalbedrag

  • 1. 
    Voor elke crediteurlidstaat wordt het vaste maandelijkse bedrag per persoon (Fi) voor een kalenderjaar vastgesteld door de gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon (Yi), opgesplitst

per leeftijdsklasse (i), te delen door 12 en door op het resultaat een aftrek (X) toe te passen

volgens de volgende formule:

Fi = Yi*1/12*(1-X)

waarbij:

  • De index i (waarden i = 1, 2 en 3) staat voor de drie leeftijdsklassen die voor de berekening van de vaste bedragen worden gehanteerd:

i = 1: personen onder de 20 jaar

i = 2: personen tussen 20 en 64 jaar

i = 3: personen van 65 jaar en ouder.

  • Yi staat voor de gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon in leeftijdsklasse i, zoals gedefinieerd in lid 2.
  • De coëfficiënt X (0,20 of 0,15) staat voor de toegepaste aftrek, zoals omschreven in lid 3.
  • 2. 
    De gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon (Yi) in leeftijdsklasse i worden verkregen door de jaarlijkse uitgaven voor het totaal van de verstrekkingen die door de organen van de

crediteurlidstaat zijn verleend aan alle personen van de betreffende leeftijdsklasse die onder

zijn wetgeving vallen en op zijn grondgebied wonen, te delen door het gemiddelde aantal

betrokkenen in deze leeftijdsklasse in het kalenderjaar in kwestie. De berekening wordt

gebaseerd op de uitgaven uit hoofde van de in artikel 23 van de toepassingsverordening

bedoelde stelsels.

  • 3. 
    De op het vaste maandelijkse bedrag toe te passen aftrek is in beginsel gelijk aan 20 % (X = 0,20). Deze aftrek is gelijk aan 15% (X = 0,15) voor gepensioneerden en hun

gezinsleden wanneer de bevoegde lidstaat niet in bijlage IV van de basisverordening wordt

vermeld.

  • 4. 
    Voor elke debiteurlidstaat is het vaste totaalbedrag voor een kalenderjaar de som van de producten die worden verkregen door in elke leeftijdsklasse i de vastgestelde vaste

maandelijkse bedragen per persoon te vermenigvuldigen met het aantal maanden dat door de

betrokkenen in de crediteurlidstaat in die leeftijdsklasse is vervuld.

Het aantal maanden dat door de betrokkenen in de crediteurlidstaat is vervuld is de som van

de kalendermaanden in een kalenderjaar waarin de betrokkenen vanwege hun woonplaats op

het grondgebied van de crediteurlidstaat

in aanmerking kwamen voor verstrekkingen op dat grondgebied voor rekening van de

debiteurlidstaat. Deze maanden worden vastgesteld aan de hand van een inventaris die voor

dit doel wordt bijgehouden door het orgaan van de woonplaats, zulks op basis van de door het

bevoegde orgaan verstrekte bewijsstukken inzake de rechten van de rechthebbenden.

4 bis. Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Administratieve

Commissie een specifiek verslag in over de toepassing van dit artikel, en met name over de in

lid 3 bedoelde aftrekken. Op basis van dat verslag kan de Administratieve Commissie een

voorstel indienen met wijzigingen die nodig kunnen blijken om ervoor te zorgen dat de

berekening van de vaste bedragen de werkelijke uitgaven zo dicht mogelijk benadert en dat

de in lid 3 bedoelde aftrekken geen aanleiding geven tot onevenwichtige betalingen of

dubbele betalingen voor de lidstaten.

  • 5. 
    De Administratieve Commissie bepaalt volgens welke methoden en op welke wijze de in de vorige leden bedoelde factoren voor de berekening van de vaste bedragen worden vastgesteld.

5 bis. Onverminderd de leden 1 tot en met 4 kunnen de lidstaten de artikelen 94 en 95 van

9

Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad voor de berekening van het vaste bedrag blijven toepassen gedurende vijf jaar na de inwerkingtreding van de toepassingsverordening, op

voorwaarde dat de in lid 3 bedoelde aftrek wordt toegepast.

Artikel 64

Kennisgeving van de gemiddelde jaarlijkse kosten

  • 1. 
    Het bedrag van de gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon in elke leeftijdsklasse voor een bepaald jaar wordt uiterlijk aan het eind van het tweede jaar na het jaar in kwestie aan de

Rekencommissie meegedeeld. Bij niet-inachtneming van deze termijnen wordt het bedrag

gehanteerd van de gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon dat de Administratieve

Commissie laatstelijk voor een jaar daarvoor heeft vastgesteld.

9

PB L 323 van 13.12.1996, blz. 38.

  • 2. 
    De gemiddelde jaarlijkse kosten, vastgesteld in overeenstemming met het vorige lid, worden elk jaar bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Afdeling 3 ­ Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 65

Procedure voor de vergoeding tussen organen onderling

  • 1. 
    De vergoeding tussen de betrokken lidstaten vindt zo snel mogelijk plaats. Elk betrokken orgaan is verplicht de schuldvorderingen vóór de in deze afdeling vermelde termijnen te

vergoeden zodra het daartoe in de mogelijkheid verkeert. Een betwisting betreffende een

bepaalde schuldvordering mag de vergoeding van een andere schuldvordering of andere

schuldvorderingen niet in de weg staan.

  • 2. 
    De in de artikelen 35 en 41 van de basisverordening bedoelde vergoedingen tussen de organen van de lidstaten lopen via het verbindingsorgaan. Er kan worden voorzien in een afzonderlijk

verbindingsorgaan voor vergoedingen krachtens artikel 35 en voor vergoedingen krachtens

artikel 41 van de basisverordening.

Artikel 66

Termijnen voor de indiening en betaling van schuldvorderingen

  • 1. 
    De op grond van de werkelijke uitgaven vastgestelde schuldvorderingen worden uiterlijk twaalf maanden na afloop van het kalenderhalfjaar waarin deze vorderingen in de rekeningen

van het crediteurorgaan zijn ingeschreven, bij het verbindingsorgaan van de debiteurlidstaat

ingediend.

  • 2. 
    De voor een kalenderjaar op grond van vaste bedragen vastgestelde schuldvorderingen moeten bij het verbindingsorgaan van de debiteurlidstaat worden ingediend binnen

twaalf maanden na de maand waarin de gemiddelde kosten voor het jaar in kwestie in het

Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt. De in artikel 63, lid 4, van de

toepassingsverordening bedoelde inventarissen worden uiterlijk aan het eind van jaar volgend

op het referentiejaar ingediend.

2 bis. In het in artikel 6, lid 4, tweede alinea, van de toepassingsverordening bedoelde geval neemt

de in de leden 1 en 2 bedoelde termijn geen aanvang voordat het bevoegde orgaan is

vastgesteld.

  • 3. 
    Schuldvorderingen die na de in de leden 1 en 2 genoemde termijnen worden ingediend, worden niet in aanmerking genomen.
  • 4. 
    De schuldvorderingen worden door het debiteurorgaan binnen 18 maanden na afloop van de maand waarin zij bij het verbindingsorgaan van de debiteurlidstaat zijn ingediend, betaald aan

het in artikel 65 van de toepassingsverordening bedoelde verbindingsorgaan van de

crediteurlidstaat. Dit geldt niet voor de schuldvorderingen die het debiteurorgaan om een

gegronde reden binnen deze termijn heeft afgewezen.

  • 5. 
    Betwistingen betreffende een schuldvordering worden geregeld uiterlijk binnen 36 maanden na de maand waarin de schuldvordering is ingediend.
  • 6. 
    De Rekencommissie faciliteert de definitieve afsluiting van de rekeningen in gevallen waarin er geen regeling binnen de in lid 5 lid bedoelde termijn kan worden getroffen, en zij neemt op

gemotiveerd verzoek van een van de partijen een beslissing over een betwisting binnen zes

maanden na de maand waarin de zaak aan haar is voorgelegd.

Artikel 67

Moratoire interesten en interesten op voorschotten

  • 1. 
    Vanaf het einde van de in artikel 66, lid 4, van de toepassingsverordening bedoelde periode van 18 maanden, kan door het crediteurorgaan interest worden geïnd op openstaande

schuldvorderingen, tenzij het debiteurorgaan binnen zes maanden vanaf het einde van de

maand waarin de schuldvordering is ingediend, een voorschot heeft betaald van ten minste

90% van de totale schuldvordering ingediend uit hoofde van artikel 66, lid 1 of 2, van de

toepassingsverordening. Voor de gedeelten van de schuldvordering die buiten het voorschot

vallen, kan enkel interest worden aangerekend vanaf het einde van de in artikel 66, lid 5, van

de toepassingsverordening bedoelde periode van 36 maanden.

  • 2. 
    De interest wordt berekend op basis van de referentievoet die door de Europese Centrale Bank wordt toegepast op haar belangrijkste herfinancieringsverrichtingen. De toegepaste

referentievoet is die welke geldt op de eerste dag van de maand waarin de betaling

verschuldigd is.

2 bis. Een verbindingsorgaan kan niet worden verplicht een voorschot als bedoeld in lid 1 te

aanvaarden. Indien het verbindingsorgaan zulk een aanbod afwijst, heeft het crediteurorgaan

evenwel niet meer het recht om moratoire interesten in verband met de betrokken

schuldvorderingen aan te rekenen buiten het bepaalde in de tweede zin van lid 1.

Artikel 68

Afsluiting van de jaarrekeningen

  • 1. 
    Overeenkomstig artikel 72, onder g), van de basisverordening stelt de Administratieve Commissie op basis van het verslag van de Rekencommissie voor elk kalenderjaar een stand

van de schuldvorderingen op. Hiertoe delen de verbindingsorganen de Rekencommissie

binnen de door haar vastgestelde termijnen en op de door haar vastgestelde wijze het bedrag

mede van de ingediende, betaalde of betwiste schuldvorderingen (crediteurpositie) enerzijds,

en het bedrag van de ontvangen, betaalde of betwiste schuldvorderingen (debiteurpositie)

anderzijds.

  • 2. 
    De Administratieve Commissie kan elk onderzoek laten instellen, dienstig voor de controle op de statistische en boekhoudkundige gegevens, aan de hand waarvan de jaarlijkse stand van

de schuldvorderingen bedoeld in lid 1 wordt opgesteld, inzonderheid om na te gaan of deze

gegevens in overeenstemming zijn met de voorschriften van deze titel.

10

Artikel 68 bis

Tijdschema voor het inkorten van bepaalde in artikel 66 genoemde termijnen

Onverminderd lid 2, worden de in artikel 66, leden 2, 4 en 5, van de toepassingsverordening

genoemde termijnen van respectievelijk 12, 18 en 36 maanden ingekort tot respectievelijk 9, 12 en

24 maanden vanaf de datum van vergoeding van de rechten betreffende het vierde volledige

kalenderjaar van uitvoering van de toepassingsverordening.

Voor de uitvoering van dit tijdschema voor de inkorting van bepaalde termijnen dient de

Administratieve Commissie een verslag over de haalbaarheid ervan in. In voorkomend geval stelt

zij wijzigingen van het tijdschema voor of aanvullende maatregelen die voor de uitvoering ervan

vereist zijn.

Hoofdstuk II ­ Vergoeding van werkloosheidsuitkeringen op grond van artikel 65 van de

basisverordening

Artikel 69

Vergoeding van werkloosheidsuitkeringen

Bij ontstentenis van het in artikel 65, lid 8, van de basisverordening bedoelde akkoord richt het

orgaan van de woonplaats aan het orgaan van de lidstaat aan de wetgeving waarvan de

rechthebbende het laatst onderworpen is geweest, een verzoek om vergoeding van

werkloosheidsuitkeringen op grond van artikel 65, leden 6 en 7, van de basisverordening. Het

verzoek wordt gedaan binnen zes maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de laatste

betaling van de werkloosheidsuitkering, waarvan terugbetaling wordt verzocht, is verricht. Het

verzoek vermeldt het bedrag van de uitkeringen die gedurende de in artikel 65, leden 6 en 7, van de

basisverordening bedoelde tijdvakken van drie of vijf maanden zijn betaald, het tijdvak waarvoor

deze uitkeringen zijn betaald en de identificatiegegevens van de werkloze. Aanvragen worden

ingediend en betaald via de verbindingsorganen van de betrokken lidstaten.

10

Door het voorzitterschap tijdens de vergadering van de groep op 9 oktober voorgestelde, nog verder te bespreken nieuwe tekst.

Verzoeken die na de in de eerste alinea genoemde termijn worden ingediend, behoeven niet in

aanmerking te worden genomen.

Artikel 65, lid 1, en artikel 66, leden 4 tot en met 6, van deze verordening zijn van overeenkomstige

toepassing.

Na afloop van de in artikel 66, lid 4, van deze verordening bedoelde periode van achttien maanden

kan het crediteurorgaan de nog openstaande schuldvorderingen vermeerderen met interest. De

interest wordt berekend overeenkomstig artikel 67, lid 2, van deze verordening.

Het maximumbedrag van de in de derde zin van artikel 65, lid 6, van de basisverordening bedoelde

vergoeding is per geval het bedrag van de uitkering waarop een betrokkene recht zou hebben op

grond van de wetgeving van de lidstaat waaraan hij het laatst was onderworpen, indien hij

geregistreerd was bij de diensten voor arbeidsvoorziening van die lidstaat. In de betrekkingen tussen

de in bijlage 5 vermelde lidstaten stellen de bevoegde instanties van één van deze lidstaten aan de

wetgeving waarvan de betrokkene het laatst was onderworpen, echter het maximumbedrag per

geval vast op basis van het gemiddelde bedrag van de werkloosheidsuitkeringen die in het

voorgaande kalenderjaar onder de wetgeving van die lidstaat van toepassing waren.

Hoofdstuk III ­ Terugvordering van ten onrechte verstrekte prestaties, terugvordering van

voorlopige betalingen en premies, verrekening en bijstand inzake invordering

Afdeling 1 ­ Beginselen

Artikel 70

Gemeenschappelijke bepalingen

  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 84 van de basisverordening en in het bij dit artikel vastgestelde kader vindt de invordering van schuldvorderingen zoveel mogelijk plaats door

middel van verrekening, zowel tussen de organen van de lidstaten, als ten aanzien van de

betrokken natuurlijke of rechtspersoon.

overeenkomstig de artikelen 71 tot en met 72 bis van de toepassingsverordening. Wanneer de

schuldvordering geheel of gedeeltelijk niet door middel van de in de vorige zin bedoelde

verrekening kan worden geïnd, wordt het resterende deel van de verschuldigde bedragen

ingevorderd overeenkomstig de artikelen 72 ter tot en met 81 van de toepassingsverordening.

  • 2. 
    (geschrapt)

Afdeling 2 ­ Compensatie

Artikel 71

Ten onrechte ontvangen prestaties

  • 1. 
    Indien het orgaan van een lidstaat aan een persoon onverschuldigd uitkeringen heeft verstrekt, dan kan dit orgaan, op de wijze en binnen de grenzen als bepaald in de door dit orgaan

toegepaste wetgeving, aan het orgaan van een andere lidstaat dat verantwoordelijk is voor het

betalen van uitkeringen aan de betrokkene, verzoeken om, ongeacht de tak van de sociale

zekerheid in het kader waarvan de uitkeringen worden betaald, het onverschuldigde bedrag in

te houden op eventuele achterstallige of lopende betalingen aan de betrokkene. Het orgaan

van de laatstgenoemde lidstaat houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voor

een dergelijke verrekeningsprocedure is bepaald bij de wetgeving die door dit orgaan wordt

toegepast alsof het door dit orgaan zelf te veel betaalde bedragen betreft, en maakt het

ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de onverschuldigde bedragen heeft uitbetaald.

  • 2. 
    In afwijking van lid 1 kan het orgaan van een lidstaat, indien het een persoon een onverschuldigd uitkeringsbedrag heeft uitbetaald bij de vaststelling of de herziening van een

invaliditeitsuitkering of een oudersdoms- of nabestaandenpensioen krachtens titel III,

hoofdstukken 4 en 5, van de basisverordening, het orgaan van een andere lidstaat dat

verantwoordelijk is voor de betaling van een overeenkomstige uitkering aan de betrokkene,

verzoeken het onverschuldigd betaalde bedrag in te houden op de aan de betrokken persoon

verschuldigde achterstallige bedragen. Nadat het laatstgenoemde orgaan het orgaan dat een

onverschuldigd bedrag heeft betaald, op de hoogte heeft gesteld van zijn achterstallige betalingen, deelt de instelling die het onverschuldigde bedrag heeft betaald binnen twee

maanden het verschuldigde bedrag mede. Indien het orgaan dat achterstallige bedragen

verschuldigd is, de mededeling binnen de termijn ontvangt, draagt het het ingehouden bedrag

over aan het orgaan dat de onverschuldigde bedragen had uitbetaald. Na het verstrijken van

de termijn worden de achterstallige bedragen onverwijld aan de betrokkene uitbetaald.

  • 3. 
    Indien een persoon in een lidstaat sociale bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarin hij krachtens de wetgeving van een andere lidstaat recht op uitkeringen had, kan het orgaan

dat de bijstand heeft verleend en een wettelijk verhaalsrecht heeft ten aanzien van de

uitkeringen die aan de betrokkene verschuldigd zijn, aan het orgaan van een andere lidstaat

dat uitkeringen aan hem verschuldigd is, verzoeken het voor bijstand uitgegeven bedrag in te

houden op de sommen die deze lidstaat aan de betrokkene betaalt.

Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op het gezinslid van een betrokken persoon

dat op het grondgebied van een lidstaat bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarin

de verzekerde vanwege dat gezinslid krachtens de wetgeving van een andere lidstaat recht op

uitkeringen had.

Het orgaan van een lidstaat dat een onverschuldigd bedrag aan bijstand heeft betaald, zendt

de berekening van het hem verschuldigde bedrag aan het orgaan van de andere lidstaat, dat dit

bedrag inhoudt, op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke

verrekeningsprocedure is bepaald bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving, en het

ingehouden bedrag onverwijld overmaakt aan het orgaan dat het onverschuldigde bedrag had

uitbetaald.

Artikel 72

Voorlopige verstrekte prestaties in geld of voorlopig betaalde premies

  • 1. 
    Met het oog op de toepassing van artikel 6 van de toepassingsverordening stelt het orgaan dat voorlopige uitkeringen heeft betaald, hoogstens drie maanden nadat de toepasselijke

wetgeving of het voor de verstrekking van de prestaties verantwoordelijke orgaan is

vastgesteld, de berekening op van het bedrag dat voorlopig is betaald, en maakt het dit aan het

als bevoegd aangemerkte orgaan over.

Het orgaan dat is aangemerkt als bevoegd voor de betaling van de uitkeringen, houdt het uit hoofde van de voorlopige betaling verschuldigde bedrag in op de achterstallige betalingen

van de overeenkomstige uitkeringen die het aan de betrokkene verschuldigd is en maakt

onverwijld het ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de voorlopige uitkering heeft

betaald.

Indien de voorlopig betaalde uitkeringen de achterstallige betalingen overtreffen of indien er geen achterstallige betalingen zijn, houdt het als bevoegd aangemerkte orgaan het bedrag in

op de lopende betalingen op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke

verrekeningsprocedure is bepaald bij de wetgeving die door dit orgaan wordt toegepast, en

maakt het het ingehouden bedrag onverwijld over aan het orgaan dat de voorlopige uitkering

heeft betaald.

  • 2. 
    Het orgaan dat van een rechtspersoon en/of natuurlijke persoon voorlopige premies heeft geïnd, gaat pas over tot terugbetaling van de bedragen in kwestie aan de persoon die deze

heeft betaald, nadat het bij het als bevoegd aangemerkte orgaan navraag heeft gedaan naar de

bedragen die op grond van artikel 6, lid 3, van de toepassingsverordening eventueel aan dit

orgaan verschuldigd zijn.

Op verzoek van het als bevoegd aangemerkte orgaan, welk verzoek uiterlijk drie maanden na de vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt ingediend, maakt het orgaan dat

voorlopige premies heeft geïnd, deze premies aan dit orgaan over, opdat een regeling kan

worden getroffen voor de door de betrokken rechts- of natuurlijke persoon aan het voor de

betrokken periode als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigde premies. De overgemaakte

premies worden met terugwerkende kracht geacht betaald te zijn aan het als bevoegd

aangemerkte orgaan.

Indien de voorlopig betaalde premies meer bedragen dan de betrokken natuurlijke of

rechtspersoon aan het als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigd is, betaalt het orgaan dat

de premies voorlopig had geïnd, het teveel betaalde bedrag aan de betrokken natuurlijke of

rechtspersoon terug.

Artikel 72 bis

Kosten voor de verrekening

Er worden geen kosten in rekening gebracht indien de schuld wordt ingevorderd volgens de in de

artikelen 71 en 72 van de toepassingsverordening bedoelde verrekeningsmethode.

Afdeling 3 ­ Invordering

Artikel 72 ter

Definities en algemene bepaling

  • 1. 
    In deze afdeling wordt verstaan onder
  • "schuldvordering", alle schuldvorderingen betreffende premies of onverschuldigd betaalde of verstrekte prestaties, met inbegrip van interesten, boetes, administratieve

sancties, en alle overige lasten en kosten in verband met de schuldvordering

overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waaruit de schuldvordering afkomstig is;

  • "verzoekende partij", per lidstaat een orgaan dat ten aanzien van een schuldvordering in bovenstaande zin om inlichtingen, notificatie dan wel invordering verzoekt;
  • "aangezochte partij", per lidstaat een orgaan waaraan een verzoek om informatie, notificatie dan wel een invordering is gericht.
  • 2. 
    Het verzoek en de desbetreffende contacten tussen de lidstaten vinden in de regel plaats via de aangewezen organen.
  • 3. 
    De praktische toepassingsmaatregelen, waaronder die met betrekking tot artikel 4 van de toepassingsverordening en die tot vaststelling van het minimumbedrag waarop een verzoek

om invordering betrekking kan hebben, worden getroffen door de Administratieve

Commissie.

Artikel 73

Verzoek om inlichtingen

  • 1. 
    Op verzoek van de verzoekende partij verstrekt de aangezochte partij de inlichtingen die voor de verzoekende partij van nut kunnen zijn voor de invordering van haar schuldvordering.

Teneinde deze inlichtingen te verkrijgen, oefent de aangezochte partij de bevoegdheden uit

die zijn vastgesteld bij de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke van toepassing

zijn voor de invordering van soortgelijke schuldvorderingen, ontstaan in de eigen lidstaat.

  • 2. 
    Het verzoek om inlichtingen vermeldt de naam, het laatst bekende adres en eventuele andere relevante informatie tot identificatie van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon waarop de

te verstrekken inlichtingen betrekking hebben, alsmede de aard en het bedrag van de

schuldvordering uit hoofde waarvan het verzoek wordt ingediend.

  • 3. 
    De aangezochte partij is niet gehouden inlichtingen te verstrekken:
  • a) 
    welke zij niet zou kunnen verkrijgen voor de invordering van soortgelijke schuldvorderingen, ontstaan in de lidstaat waar zij gevestigd is;
  • b) 
    waarmee een commercieel, een industrieel of een beroepsgeheim zou worden onthuld; of
  • c) 
    waarvan mededeling de veiligheid of de openbare orde van de lidstaat zou kunnen

aantasten.

  • 4. 
    De aangezochte partij stelt de verzoekende partij op de hoogte van de redenen voor het weigeren van een verzoek tot inlichtingen.

Artikel 74

otificatie

  • 1. 
    Op verzoek van de verzoekende partij gaat de aangezochte partij volgens de in de eigen lidstaat voor de notificatie van overeenkomstige akten en beslissingen geldende rechtsregels

over tot notificatie aan de geadresseerde van alle akten en beslissingen, met inbegrip van de

gerechtelijke, met betrekking tot een schuldvordering en/of de invordering daarvan, die uit de

lidstaat van de verzoekende partij afkomstig zijn.

  • 2. 
    Het verzoek tot notificatie vermeldt de naam en het adres van de geadresseerde en alle andere relevante informatie met betrekking tot diens identiteit waartoe de verzoekende partij

normaliter toegang heeft, de aard en het onderwerp van de te notificeren akte of beslissing,

en, in voorkomend geval, naam en adres van de debiteur en alle andere relevante informatie

betreffende diens identiteit en de in de akte of de beslissing bedoelde schuldvordering,

alsmede alle andere nuttige inlichtingen.

  • 3. 
    De aangezochte partij stelt de verzoekende partij onverwijld op de hoogte van het gevolg dat aan het verzoek tot notificatie is gegeven en in het bijzonder van de datum waarop de akte of

de beslissing aan de geadresseerde is toegezonden.

Artikel 75

Verzoek tot invordering

  • 1. 
    Het verzoek tot invordering van een schuldvordering dat de verzoekende partij tot de aangezochte partij richt, dient vergezeld te gaan van een officieel exemplaar of van een voor

eensluidend gewaarmerkt afschrift van de executoriale titel dat is afgegeven in de lidstaat van

de verzoekende partij, alsmede, in voorkomend geval, van het origineel of van een voor

eensluidend gewaarmerkt afschrift van andere voor de invordering benodigde documenten.

  • 2. 
    De verzoekende partij kan slechts een verzoek tot invordering indienen:
  • a) 
    indien de schuldvordering of de executoriale titel in haar eigen lidstaat niet wordt betwist, behalve wanneer artikel 78, lid 2, tweede alinea, van de

toepassingsverordening wordt toegepast;

  • b) 
    wanneer zij in de eigen lidstaat de daartoe ter beschikking staande passende invorderingsprocedures heeft ingesteld welke op grond van de in lid 1 bedoelde titel

kunnen worden uitgevoerd, en de genomen maatregelen niet tot volledige betaling van

de schuldvordering zullen leiden;

  • c) 
    indien de in haar eigen wetgeving vastgestelde uiterste termijn nog niet is overschreden.
  • 3. 
    In het verzoek tot invordering worden vermeld:
  • a) 
    naam, adres en alle andere relevante informatie betreffende de identiteit van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon en/of de derde die houder is van hem

toebehorende vermogensbestanddelen;

  • b) 
    naam, adres en alle andere relevante informatie betreffende de identiteit van de verzoekende partij;
  • c) 
    een verwijzing naar de executoriale titel die is afgegeven in de lidstaat van de verzoekende instantie;
  • d) 
    aard en bedrag van de schuldvordering, met inbegrip van hoofdsom, interesten, boetes en administratieve sancties en alle overige lasten en kosten, uitgedrukt in de valuta van

de lidstaten van de verzoekende en van de aangezochte partij;

  • e) 
    de datum waarop de geadresseerde door de verzoekende instantie en/of door de aangezochte instantie van de titel kennis is gegeven;
  • f) 
    de datum met ingang waarvan en de periode gedurende welke de executie mogelijk is volgens het geldende recht van de lidstaat van de verzoekende instantie;
  • g) 
    alle overige relevante informatie.
  • 4. 
    Het verzoek tot invordering bevat voorts een verklaring waarin de verzoekende partij bevestigt dat aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan.
  • 5. 
    De verzoekende partij doet alle nuttige inlichtingen die haar bereiken met betrekking tot de zaak die de aanleiding was voor het verzoek tot invordering, onverwijld aan de aangezochte

instantie toekomen.

Artikel 76

Executoriale titel van de schuldvordering

  • 1. 
    Overeenkomstig artikel 84, lid 2, van de basisverordening wordt de executoriale titel van de schuldvordering rechtstreeks erkend en automatisch behandeld als een executoriale titel van

een schuldvordering uit de lidstaat van de aangezochte partij.

  • 2. 
    Onverminderd lid 1 kan de executoriale titel van de schuldvordering, in voorkomend geval en volgens de bepalingen welke van toepassing zijn in de lidstaat van de aangezochte partij,

worden bekrachtigd als, erkend als, aangevuld met of vervangen door een op het grondgebied

van die lidstaat geldende executoriale titel.

Tenzij de derde alinea van toepassing is, beijveren de lidstaten zich om binnen drie maanden

na ontvangst van het verzoek tot invordering de formaliteiten betreffende bekrachtiging,

erkenning, aanvulling of vervanging van de titel te vervullen. Die formaliteiten kunnen niet

worden geweigerd indien de executoriale titel in behoorlijke vorm is opgesteld. De

aangezochte partij stelt de verzoekende partij in kennis van de redenen waarom de periode

van drie maanden niet kan worden nageleefd.

Ingeval het vervullen van één van deze formaliteiten aanleiding geeft tot een betwisting van

de schuldvordering en/of de door de verzoekende partij afgegeven executoriale titel, is

artikel 78 van de toepassingsverordening van toepassing.

Artikel 77

Wijze en termijnen van betaling

  • 1. 
    De invordering geschiedt in de valuta van de lidstaat van de aangezochte partij. De aangezochte partij dient het volledige door haar ingevorderde bedrag van de schuldvordering

aan de verzoekende partij over te maken.

  • 2. 
    De aangezochte partij kan, indien de in haar lidstaat geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen dit toelaten, en na raadpleging van de verzoekende partij, aan de debiteur uitstel

van betaling verlenen of een betaling in termijnen toestaan. De door de aangezochte partij uit

hoofde van dit uitstel van betaling geïnde interesten dienen eveneens te worden overgemaakt

aan de verzoekende partij.

Met ingang van de datum waarop de executoriale titel van de schuldvordering rechtstreeks is

erkend overeenkomstig artikel 76, lid 1, dan wel is bekrachtigd, erkend, aangevuld of

vervangen overeenkomstig artikel 76, lid 2, wordt interest geïnd wegens niet-tijdige betaling

krachtens de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn in de lidstaat

van de aangezochte partij, welke interest eveneens dient te worden overgemaakt aan de

verzoekende partij.

Artikel 78

Betwisting van de schuldvordering of de executoriale titel van de schuldvorderingen of betwisting

van de uitvoeringsmaatregelen

  • 1. 
    Indien gedurende de invorderingsprocedure de schuldvordering en/of de in de lidstaat van de verzoekende partij afgegeven executoriale titel door een belanghebbende partij worden

betwist, wordt de zaak door deze partij voor de bevoegde instantie van de lidstaat van de

verzoekende partij gebracht, overeenkomstig de in deze laatste lidstaat geldende rechtsregels.

Deze vordering wordt door de verzoekende instantie onverwijld aan de aangezochte instantie

genotificeerd. Bovendien kan de belanghebbende partij de aangezochte partij over de

vordering inlichten.

  • 2. 
    Zodra de aangezochte autoriteit de in lid 1 bedoelde notificatie of informatie heeft ontvangen, hetzij van de verzoekende, hetzij van de belanghebbende partij, schorst zij de

executieprocedure in afwachting van de beslissing van de op dit gebied bevoegde instantie,

tenzij de verzoekende partij overeenkomstig de tweede alinea anders verzoekt. Indien de

aangezochte partij dit nodig acht, en onverminderd artikel 80, kan zij overgaan tot het nemen

van conservatoire maatregelen om de invordering te waarborgen, voor zover de in haar

lidstaat geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zulks toestaan voor soortgelijke

schuldvorderingen.

Niettegenstaande de eerste alinea kan de verzoekende partij overeenkomstig de in haar

lidstaat geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijken

de aangezochte partij verzoeken een betwiste schuldvordering in te vorderen, mits de

desbetreffende in de lidstaat van de aangezochte partij geldende wettelijke en

bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijken zulks toelaten. Indien de

uitkomst van deze betwisting vervolgens voor de schuldenaar gunstig uitvalt, is de

verzoekende partij gehouden tot terugbetaling van elk ingevorderd bedrag, vermeerderd met

de vergoedingen die overeenkomstig de in de lidstaat van de aangezochte partij geldende

wetgeving verschuldigd kunnen zijn.

  • 3. 
    Wanneer de betwisting betrekking heeft op uitvoeringsmaatregelen die zijn getroffen in de lidstaat van de aangezochte partij, wordt de zaak voor de passende instantie van deze lidstaat

gebracht, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van deze lidstaat.

  • 4. 
    Wanneer de passende instantie waarvoor de zaak overeenkomstig lid 1 is gebracht, een gewone of administratieve rechter is, vormt de uitspraak van deze rechter, voor zover zij

gunstig is voor de verzoekende partij en zij het mogelijk maakt om de schuldvordering in de

lidstaat waar de verzoekende partij gevestigd is, in te vorderen, de "executoriale titel" in de

zin van de artikelen 75 en 76 van de toepassingsverordening, en wordt de schuldvordering op

grond van deze uitspraak ingevorderd.

Artikel 79

Beperkingen van de bijstand

  • 1. 
    De aangezochte partij is niet gehouden:
  • a) 
    de in de artikelen 75 tot en met 78 van de toepassingsverordening genoemde bijstand te verlenen, indien de invordering van de schuldvordering, wegens de situatie van de

debiteur, in de lidstaat van de aangezochte partij ernstige moeilijkheden van

economische of sociale aard zou kunnen opleveren, voor zover de wettelijke en

bestuursrechtelijke bepalingen en de administratieve praktijken die gelden in de lidstaat

van de aangezochte partij zulks toelaten voor soortgelijke binnenlandse

schuldvorderingen;

  • b) 
    de in de artikelen 73 tot en met 78 van de toepassingsverordening bedoelde bijstand te verlenen, indien het eerste verzoek krachtens de artikelen 73, 74 en 75 van de

toepassingsverordening betrekking heeft op schuldvorderingen die meer dan vijf jaar

bestaan, te rekenen vanaf het tijdstip van vaststelling van de executoriale titel in

overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de

administratieve praktijken die gelden in de lidstaat van de verzoekende partij, tot de

datum van het verzoek. In gevallen waarin de schuldvordering of de titel wordt betwist,

wordt de termijn evenwel berekend vanaf het tijdstip waarop de lidstaat van de

verzoekende partij vaststelt dat de schuldvordering of executoriale titel van de

schuldvordering niet langer kan worden betwist.

  • 2. 
    De aangezochte partij stelt de verzoekende partij op de hoogte van de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan het verzoek om bijstand.

Artikel 79 bis

Verjaring

  • 1. 
    Vraagstukken met betrekking tot de verjaring worden als volgt geregeld:
  • a) 
    wat de schuldvordering en de executoriale titel betreft, volgens de geldende wetgeving van de lidstaat van de verzoekende partij; en tevens
  • b) 
    wat de uitvoeringsmaatregelen in de lidstaat van de aangezochte partij betreft, volgens de geldende wetgeving van de lidstaat van de aangezochte partij;

De verjaring overeenkomstig de geldende wetgeving van de lidstaat van de aangezochte partij

begint te lopen op de dag waarop de titel rechtstreeks is erkend dan wel is bekrachtigd,

erkend, aangevuld of vervangen overeenkomstig artikel 76 van de toepassingsverordening.

  • 2. 
    De overeenkomstig een verzoek om bijstand door de aangezochte partij genomen maatregelen tot invordering van schuldvorderingen, die, indien zij door de verzoekende partij

zouden zijn genomen, tot gevolg zouden hebben gehad dat de verjaring volgens de

rechtsregels die gelden in de lidstaat waar de verzoekende partij is gevestigd, zou zijn

opgeschort of onderbroken, worden, voor wat dit gevolg betreft, beschouwd als te zijn

genomen in deze laatste staat.

Artikel 80

Conservatoire maatregelen

Op met redenen omkleed verzoek van de verzoekende partij gaat de aangezochte partij over tot het

nemen van conservatoire maatregelen teneinde de invordering van een schuldvordering te

waarborgen, voor zover de in de lidstaat van de aangezochte partij geldende wettelijke en

bestuursrechtelijke bepalingen zulks toestaan.

Voor de uitvoering van de eerste alinea zijn de artikelen 75, 76, 78 en 79 van de toepassings-

verordening van overeenkomstige toepassing.

Artikel 81

Kosten voor de terugvordering

  • 1. 
    De aangezochte partij verricht de invordering bij de betrokken natuurlijke of rechtspersoon en houdt daarbij overeenkomstig de in de lidstaat van de aangezochte partij, ten aanzien van

vergelijkbare schuldvorderingen geldende wettelijke of administratiefrechtelijke bepalingen,

alle door haar in verband met de invordering gemaakte kosten in.

  • 2. 
    De wederzijdse bijstand die uit hoofde van deze afdeling wordt verstrekt is in de regel kosteloos. Wanneer zich echter bij een invordering een bijzonder probleem voordoet of de

kosten zeer hoog zijn, kunnen de verzoekende en de aangezochte partij per geval specifieke

afspraken maken over de modaliteiten van de vergoeding.

  • 3. 
    (geschrapt)
  • 4. 
    De lidstaat van de verzoekende partij blijft ten opzichte van de lidstaat van de aangezochte partij aansprakelijk voor de kosten en mogelijke verliezen welke het gevolg zijn van eisen die

niet gerechtvaardigd zijn bevonden wat de gegrondheid van de schuldvordering of de

geldigheid van de door de verzoekende partij afgegeven titel betreft.

11

Artikel 81 bis Evaluatieclausule

Uiterlijk vijf jaar na de in artikel 91 van de toepassingsverordening vastgestelde datum dient de

Administratieve Commissie een specifiek verslag in waarin de toepassing van Titel IV,

hoofdstukken II en III, wordt geëvalueerd, met name met betrekking tot de procedures en termijnen

van artikel 66, leden 2, 4 en 5, en de invorderingsprocedures van de artikelen 72 ter tot en met 81.

Naar aanleiding van dit verslag kan de Europese Commissie in voorkomend geval passende

voorstellen indienen om deze procedures doeltreffender en evenwichtiger te maken.

11

Voorstel van het voorzitterschap dat samenhangt met artikel 68 bis: zie voetnoot 10.

Titel V ­ DIVERSE BEPALINGEN, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 82

Geneeskundig onderzoek en administratieve controle

  • 1. 
    Onverminderd andere specifieke bepalingen wordt, indien een rechthebbende op of aanvrager van prestaties, dan wel een lid van diens gezin, op het grondgebied van een andere lidstaat

woont of verblijft dan die waar zich het debiteurorgaan bevindt, het geneeskundig onderzoek

op verzoek van laatstgenoemd orgaan verricht door het orgaan van de woon- of verblijfplaats

van de rechthebbende, volgens de procedure die is vastgelegd in de door dit orgaan

toegepaste wetgeving.

Het debiteurorgaan stelt het orgaan van de woon- of verblijfplaats in kennis van eventuele

speciale vereisten waaraan moet worden voldaan en van de aspecten die geneeskundig

moeten worden onderzocht.

  • 2. 
    Het orgaan van de woon- of verblijfplaats doet aan het debiteurorgaan dat om het geneeskundig onderzoek heeft verzocht een rapport toekomen. Dit orgaan is gebonden door

de bevindingen van het orgaan van de woon- of verblijfplaats.

Het debiteurorgaan behoudt zich het recht voor de rechthebbende door een arts van eigen

keuze te laten onderzoeken. De rechthebbende kan echter niet worden verzocht zich naar de

lidstaat van het debiteurorgaan te begeven, dan indien hij in staat is de reis te ondernemen

zonder dat dit zijn gezondheid schaadt en mits de daaraan verbonden reis- en verblijfkosten

voor rekening komen van het debiteurorgaan.

  • 3. 
    Indien een rechthebbende op of aanvrager van prestaties, of een lid van diens gezin, op het grondgebied van een andere lidstaat woont of verblijft dan die waar zich het debiteurorgaan

bevindt, wordt de administratieve controle op verzoek van dit orgaan uitgeoefend door het

orgaan van de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende .

Het bepaalde in lid 2 is van toepassing.

  • 4. 
    De leden 2 en 3 zijn tevens van toepassing wanneer de mate van afhankelijkheid van een rechthebbende op of aanvrager van langdurige-zorgprestaties in de zin van artikel 34 van de

basisverordening wordt bepaald of getoetst..

De bevoegde autoriteiten of de bevoegde organen van twee of meer lidstaten kunnen

specifieke bepalingen en procedures vaststellen om de geschiktheid van rechthebbenden of

aanvragers voor de arbeidsmarkt en hun deelname aan plannen of programma's in de lidstaat

waar zij wonen of verblijven, geheel of ten dele te verbeteren.

  • 5. 
    In afwijking van het in artikel 76, lid 2, van de basisverordening neergelegde beginsel van kosteloze administratieve samenwerking, worden de daadwerkelijke uitgaven voor de in de

leden 1 tot en met 4 genoemde controles, door het debiteurorgaan dat om de controles had

verzocht, terugbetaald aan het orgaan dat werd verzocht de controles uit te voeren.

Artikel 83

Kennisgevingen

  • 1. 
    De lidstaten stellen de Europese Commissie in kennis van de gegevens betreffende de in artikel 1, onder m), q) en r), van de basisverordening en in artikel 1, lid 2, onder a) en b), van

de toepassingsverordening bedoelde instanties en de overeenkomstig de

toepassingsverordening aangewezen organen.

  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde instanties beschikken over een elektronische identiteit in de vorm van een identificatiecode en een elektronisch adres.

3 De Administratieve Commissie stelt de structuur, de inhoud en de wijze vast waarop de in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt, inclusief de gemeenschappelijke vorm en het model

van de kennisgeving.

  • 4. 
    Bijlage 4 vermeldt nadere gegevens van de voor het publiek toegankelijke gegevensbank met de in lid 1 bedoelde informatie. De gegevensbank wordt opgericht en beheerd door de

Europese Commissie. De lidstaten zijn echter verantwoordelijk voor het invoeren van hun

eigen nationale contactinformatie in deze gegevensbank. Voorts zorgen de lidstaten ervoor

dat de krachtens lid 1 vereiste ingevoerde nationale contactinformatie correct is.

  • 5. 
    De lidstaten dragen zorg voor de permanente bijwerking van de in lid 1 bedoelde informatie.

Artikel 84

Documenten

  • 1. 
    (geschrapt)
  • 2. 
    (geschrapt)

Artikel 85

Informatie

  • 1. 
    De Administratieve Commissie verschaft de informatie die de betrokkenen nodig hebben om hun rechten te kennen en te weten welke administratieve formaliteiten zij dienen te vervullen

om deze rechten geldend te maken. De informatie wordt bij voorkeur langs elektronische weg

verspreid, door deze online te publiceren op openbare sites. De Administratieve Commissie

draagt er zorg voor dat de informatie regelmatig wordt bijgewerkt en ziet toe op de kwaliteit

van de aan de klanten verleende diensten.

  • 2. 
    Het in artikel 75 van de basisverordening bedoelde Raadgevend Comité kan advies uitbrengen en aanbevelingen doen ter verbetering van de informatie en de verspreiding

daarvan.

  • 3. 
    De lidstaten zien erop toe dat de onder de basisverordening vallende personen kunnen vernemen welke veranderingen bij deze basisverordening en de toepassingsverordening

worden doorgevoerd, zodat zij hun rechten geldend kunnen maken. Zij zorgen ook voor

gebruikersvriendelijke diensten.

  • 4. 
    De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat hun organen geïnformeerd worden en dat zij alle wettelijke en andere voorschriften van de Gemeenschap, met inbegrip van de besluiten van de

Administratieve Commissie, op de gebieden en onder de voorwaarden van de

basisverordening en de toepassingsverordening toepassen.

  • 5. 
    (geschrapt)

Artikel 86

Valutaomrekening

Voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening is de wisselkoers tussen

twee valuta's de door de Europese Centrale Bank bekendgemaakte referentiekoers. De peildatum

voor de berekening van de wisselkoers wordt vastgesteld door de Administratieve Commissie.

Artikel 87

Statistieken

De bevoegde autoriteiten stellen de statistieken betreffende de toepassing van de basisverordening

en de toepassingsverordening op en doen deze aan het secretariaat van de Administratieve

Commissie toekomen. Deze gegevens worden verzameld en gestructureerd volgens het plan en de

methode die door de Administratieve Commissie worden vastgesteld. De Europese Commissie

draagt zorg voor de verspreiding van deze informatie.

Artikel 88

Wijziging van de bijlagen

De bijlagen 1, 2, 3, 4 en 5 van de toepassingsverordening en de bijlagen VI, VII, VIII en IX van de

basisverordening kunnen op verzoek van de Administratieve Commissie bij een verordening van de

Commissie worden gewijzigd.

Artikel 89

Overgangsbepalingen

De bepalingen van artikel 87 van de basisverordening zijn van toepassing op de onder de

onderhavige verordening vallende situaties.

Artikel 89 bis

Overgangsbepalingen betreffende pensioenen

(1) Indien de verzekerde gebeurtenis voorafgaat aan de datum waarop de verordening in de betrokken lidstaat van toepassing wordt en er vóór die datum nog geen uitkering op grond

van de aanvraag om pensioen is vastgesteld, worden er, voor zover de verzekerde gebeurtenis

recht geeft op een uitkering voor een aan die datum voorafgaand tijdvak, uit hoofde van de

aanvraag twee uitkeringen vastgesteld:

  • a) 
    voor het tijdvak voorafgaand aan de datum waarop de onderhavige verordening op het grondgebied van de betrokken lidstaat van toepassing wordt, overeenkomstig

Verordening (EEG) nr. 1408/71 of de verdragen die tussen de betrokken lidstaten van

kracht zijn;

  • b) 
    voor het tijdvak dat ingaat op de datum waarop de onderhavige verordening op het grondgebied van de betrokken lidstaat van toepassing wordt, overeenkomstig de

basisverordening.

Indien evenwel het bedrag dat berekend is krachtens het onder a) bepaalde, hoger is

dan het bedrag dat is berekend krachtens het onder b) bepaalde, blijft de betrokkene

recht houden op het bedrag dat is berekend krachtens het onder a) bepaalde.

(2) De aanvraag om invaliditeitsuitkeringen, ouderdomsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, die bij een orgaan van een lidstaat wordt ingediend vanaf de datum waarop de

toepassingsverordening op het grondgebied van de betrokken lidstaat van toepassing wordt,

leidt overeenkomstig het bepaalde in de basisverordening ambtshalve tot herziening van de

uitkeringen welke reeds door het orgaan of de organen van één of meer lidstaten vóór deze

datum voor hetzelfde geval zijn vastgesteld, zonder dat als gevolg van deze herziening een

lagere uitkering wordt toegekend.

Artikel 89 ter

Overgangstermijn voor uitwisseling van elektronische gegevens

  • 1. 
    Aan iedere lidstaat kan voor de elektronische uitwisseling van gegevens in de zin van artikel 4, lid 2, een overgangsperiode worden toegestaan.

Deze overgangsperiode bedraagt ten hoogste 24 maanden te rekenen van de in artikel 91

bedoelde datum van inwerkingtreding.

Indien de aanleg van de nodige communautaire infrastructuur (EESSI) evenwel aanzienlijke

vertraging oploopt ten opzichte van de inwerkingtreding van de toepassingsverordening, kan

de Administratieve Commissie besluiten deze perioden op passende wijze te verlengen.

  • 2. 
    Ter wille van de noodzakelijke gegevensuitwisseling met het oog op de toepassing van de basisverordening en de onderhavige verordening, worden de praktische regels voor de in lid 1

bedoelde overgangstermijnen vastgesteld door de Administratieve Commissie.

Artikel 90

Intrekking

  • 1. 
    Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van de toepassingsverordening ingetrokken.

Verordening (EEG) nr. 574/72 blijft evenwel van kracht en behoudt haar rechtsgevolgen voor

de toepassing van:

onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze

12

bepalingen vallen , zulks zolang genoemde verordening niet wordt ingetrokken of gewijzigd;

13

sociale zekerheid van migrerende werknemers met betrekking tot Groenland , zulks zolang genoemde verordening niet wordt ingetrokken of gewijzigd;

  • c) 
    de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 14 , de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse

15

Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen , alsmede andere overeenkomsten die een verwijzing bevatten naar Verordening (EEG) nr. 574/72, zulks

zolang genoemde overeenkomsten niet worden gewijzigd als gevolg van deze

verordening.

  • 2. 
    Verwijzingen naar Verordening (EEG) nr. 574/72 in Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werk-

16

nemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen , en meer in het algemeen in alle andere handelingen van de Gemeenschap, moeten worden gelezen als

verwijzingen naar de toepassingsverordening.

12

PB L 124 van 20.5.2003, blz. 1. 13

PB L 160 van 20.6.1985, blz. 7. 14

PB L 1 van 31.1.1994, blz. 1. 15

PB L 114 van 30.4.2002, blz. 6. Overeenkomst zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 2/2003 van het Gemengd Comité EU-Zwitserland (PB L 187 van 26.7.2003, blz. 55). 16

PB L 209 van 25.7.1998, blz. 46.

Artikel 91

Slotbepalingen

Deze verordening wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt en treedt in

17

werking op

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter

_________________

17

Opmerking voor de diensten van het Publicatieblad: "als datum invullen de eerste dag van de maand volgend op de periode van zes maanden na de datum van bekendmaking, maar in geen geval vóór 1 januari 2010."

Bijlage 1

Van kracht gebleven toepassingsbepalingen van bilaterale overeenkomsten, en andere

uitvoeringsovereenkomsten

(artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 2)

OOSTENRIJK ­ DUITSLAND

Afdeling II, nummer 1, en afdeling III van de overeenkomst van 2 augustus 1979 betreffende de

tenuitvoerlegging van het verdrag betreffende de werkloosheidsverzekering van 19 juli 1978.

blijven van toepassing op personen die op of vóór 1 januari 2005 als grensarbeider werkzaam zijn

geweest en vóór 1 januari 2011 werkloos worden.

BELGIË-DUITSLAND

Overeenkomst van 29 januari 1969 betreffende de inning en terugvordering van sociale-

zekerheidspremies.

BELGIË-IERLAND

Briefwisseling van 19 mei 1981 en 28 juli 1981 betreffende artikel 36, lid 3, en artikel 70, lid 3, van

de verordening (wederzijds afzien van vergoeding van de kosten van verstrekkingen en

werkloosheidsuitkeringen uit hoofde van de hoofdstukken 1 en 6 van titel III van de verordening)

en artikel 105, lid 2, van de toepassingsverordening (wederzijds afzien van vergoeding van de

kosten van administratieve en medische controles).

BELGIË-SPANJE

Overeenkomst van 25 mei 1999 over de vergoeding van de uitgaven voor verstrekkingen die

verleend zijn overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72.

BELGIË - FRANKRIJK

  • a) 
    Akkoord van 4 juli 1984 betreffende de medische controles van in het ene land woonachtige en in het andere land werkende grensarbeiders.
  • b) 
    Overeenkomst van 14 mei 1976 betreffende het afzien van vergoeding van de kosten van administratieve en medische controle, gesloten op grond van artikel 105, lid 2, van de

toepassingsverordening.

  • c) 
    Akkoord van 3 oktober 1977 ter uitvoering van artikel 92 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (inning van sociale-zekerheidspremies).
  • d) 
    Overeenkomst van 29 juni 1979 waarbij wederzijds van vergoeding wordt afgezien op grond van artikel 70, lid 3, van de verordening (kosten van werkloosheidsuitkeringen).
  • e) 
    Administratieve regeling van 6 maart 1979 betreffende de procedures voor de uitvoering van de Aanvullende Overeenkomst van 12 oktober 1978 inzake sociale zekerheid tussen België en

Frankrijk met betrekking tot de op zelfstandigen betrekking hebbende bepalingen van deze

Overeenkomst.

  • f) 
    Briefwisseling van 21 november 1994 en van 8 februari 1995 betreffende de modaliteiten van de vereffening van wederzijdse vorderingen uit hoofde van de artikelen 93, 94, 95 en 96 van

de toepassingsverordening.

BELGIË - ITALIË

  • a) 
    Akkoord van 12 januari 1974 ter toepassing van artikel 105, lid 2, van de toepassingsverordening.
  • b) 
    Akkoord van 31 oktober 1979 ter toepassing van artikel 18, lid 9, van de toepassingsverordening.
  • c) 
    Briefwisseling van 10 december 1991 en 10 februari 1992 betreffende de terugbetaling van wederzijdse schuldvorderingen krachtens artikel 93 van de toepassingsverordening.
  • d) 
    Overeenkomst van 21 november 2003 betreffende de modaliteiten voor de vereffening van wederzijdse vorderingen uit hoofde van de artikelen 94 en 95 van Verordening (EEG) nr.

574/72 van de Raad.

BELGIË - LUXEMBURG

  • a) 
    Akkoord van 28 januari 1961 inzake de inning van sociale-zekerheidspremies.
  • b) 
    Overeenkomst van 16 april 1976 betreffende het afzien van vergoeding van de kosten van administratieve en medische controle, gesloten op grond van artikel 105, lid 2, van de

toepassingsverordening.

BELGIË-VERENIGD KONINKRIJK

  • a) 
    Briefwisseling van 4 mei en 14 juni 1976 betreffende artikel 105, lid 2, van de toepassingsverordening (afzien van vergoeding voor de kosten van administratieve controle

en medisch onderzoek).

  • b) 
    Briefwisseling van 18 januari en 14 maart 1977 betreffende artikel 36, lid 3, van de verordening (regeling betreffende de vergoeding of het afzien van vergoeding van de uitgaven

voor verstrekkingen verleend in toepassing van titel III, hoofdstuk I, van de verordening), als

gewijzigd bij briefwisseling van 4 mei en 23 juli 1982 (regeling betreffende de vergoeding

van kosten ingevolge artikel 22, lid 1, onder a), van de verordening).

BULGARIJE -- TSJECHIË

Artikel 29, leden 1 en 3, van het Administratieve Akkoord van 25 november 1998 en artikel 5, lid 4,

van het Administratieve Akkoord van 30 november 1999 met betrekking tot het wederzijds afzien

van vergoeding van de kosten van administratieve en medische controles.

BULGARIJE-DUITSLAND

Artikel 8 en artikel 9 van het Administratieve Akkoord betreffende de toepassing van het Verdrag

betreffende de sociale zekerheid van 17 december 1997 op het gebied van pensioenen.

TSJECHIË - SLOWAKIJE

Artikelen 15 en 16 van het administratief akkoord van 8 januari 1993 betreffende de bepaling van

een zetel van de werkgever en de plaats van verblijf met het oog op de toepassing van artikel 20 van

het Verdrag van 29 oktober 1992 betreffende sociale zekerheid

DENEMARKEN - BELGIE

Briefwisseling van 8 mei 2006 en 21 juni 2006 betreffende de overeenkomst inzake de vergoeding

van het werkelijke bedrag van de prestatie die is verleend aan de gezinsleden van een in België

verzekerde persoon die al dan niet in loondienst werkzaam is, in het geval dat het gezinslid in

Denemarken verblijft, en aan in België verzekerde, maar in Denemarken verblijvende

gepensioneerden en/of hun gezinsleden

DENEMARKEN-IERLAND

Briefwisseling van 22 december 1980 en 11 februari 1981 betreffende het wederzijds afzien van

vergoeding van de kosten voor verstrekkingen van de verzekering bij ziekte, moederschap,

arbeidsongeval en beroepsziekte, de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen, alsmede de kosten

voor administratieve en medische controle (artikel 36, lid 3, artikel 63, lid 3, van de verordening en

artikel 105, lid 2, van de toepassingsverordening).

DENEMARKEN-GRIEKENLAND

Overeenkomst van 8 mei 1986 betreffende het gedeeltelijk afzien van vergoeding van de

kosten voor verstrekkingen bij ziekte, moederschap, arbeidsongeval en beroepsziekte, en het

afzien van vergoeding van de kosten voor administratieve en medische controle.

DENEMARKEN-SPANJE

Overeenkomst van 11 december 2006 betreffende de vooruitbetaling, de termijnen en de

terugbetaling van het werkelijke bedrag van de prestatie die is verleend aan de gezinsleden van een

in Spanje verzekerde persoon die al dan niet in loondienst werkzaam is, in het geval dat het

gezinslid in Denemarken verblijft, en aan in Spanje verzekerde, maar in Denemarken verblijvende

gepensioneerden en/of hun gezinsleden.

DENEMARKEN-FRANKRIJK

De regeling van 29 juni 1979 en de aanvullende regeling van 2 juni 1993 betreffende het

gedeeltelijk afzien van vergoeding op grond van artikel 36, lid 3, en artikel 63, lid 3, van de

verordening en het wederzijds afzien van vergoeding op grond van artikel 105, lid 2, van de

toepassingsverordening (gedeeltelijk afzien van vergoeding van de kosten van verstrekkingen bij

ziekte, moederschap, arbeidsongevallen en beroepsziekten alsmede afzien van vergoeding van de

kosten van administratieve en medische controle).

DENEMARKEN-ITALIË

Overeenkomst van 18 november 1998 betreffende vergoeding van de kosten voor verstrekkingen

van de verzekering bij ziekte, moederschap, arbeidsongeval en beroepsziekte, alsmede van de

kosten voor administratieve en medische controle.

DENEMARKEN-LUXEMBURG

Akkoord van 19 juni 1978 betreffende het wederzijds afzien van vergoedingen als bedoeld in

artikel 36, lid 3, artikel 63, lid 3, en artikel 70, lid 3, van de verordening en artikel 105, lid 2, van de

toepassingsverordening (uitgaven voor verstrekkingen bij ziekte, moederschap, arbeidsongevallen

en beroepsziekten, uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen, kosten van administratieve en

medische controle).

DENEMARKEN-NEDERLAND

Briefwisseling van 30 maart en 25 april 1979, zoals gewijzigd bij overeenkomst van 12 december

2006, betreffende de vergoeding voor verstrekkingen van de verzekering bij ziekte, moederschap,

arbeidsongevallen en beroepsziekten.

DENEMARKEN-FINLAND

Artikel 15 van het Noordse Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 18 augustus 2003:

Overeenkomst inzake het wederzijds afzien van terugbetaling van kosten en uitgaven in de zin van

de artikelen 36, 63 en 70 van de verordening (voor verstrekkingen wegens ziekte en moederschap,

arbeidsongeval en beroepsziekte, en voor werkloosheidsuitkeringen) en artikel 105 van de

toepassingsverordening (voor administratieve en medische controle).

DENEMARKEN-PORTUGAL

Overeenkomst van 17 april 1998 betreffende het gedeeltelijk afzien van terugbetaling van de

vergoeding voor verstrekkingen van de verzekering bij ziekte, moederschap, arbeidsongevallen en

beroepsziekten, alsmede van de kosten voor administratieve en medische controle.

DENEMARKEN-ZWEDEN

Artikel 15 van het Noordse Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 18 augustus 2003:

Overeenkomst inzake het wederzijds afzien van terugbetaling van kosten en uitgaven in de zin van

de artikelen 36, 63 en 70 van de verordening (voor verstrekkingen wegens ziekte en moederschap,

arbeidsongeval en beroepsziekte, en voor werkloosheidsuitkeringen) en artikel 105 van de

toepassingsverordening (voor administratieve en medische controle).

DENEMARKEN-VERENIGD KONINKRIJK

Briefwisseling van 30 maart en 19 april 1977, gewijzigd bij briefwisseling van 8 november 1989 en

10 januari 1990, over de overeenkomst betreffende het afzien van vergoeding van de kosten voor

verstrekkingen en voor administratieve en medische controles

ESTLAND-VERENIGD KONINKRIJK

Overeenkomst van 29 maart 2006 tussen de bevoegde organen van de Republiek Estland en van het

Verenigd Koninkrijk uit hoofde van artikel 36, lid 3, en artikel 63, lid 3, van Verordening (EEG) nr.

1408/71 tot vaststelling van andere wijzen van vergoeding van de kosten van verstrekkingen uit

hoofde van deze verordening door beide landen met ingang van 1 mei 2004.

IERLAND-LUXEMBURG

Briefwisseling van 26 september 1975 en 5 augustus 1976 betreffende artikel 36, lid 3, en

artikel 63, lid 3, van de verordening en artikel 105, lid 2, van de toepassingsverordening (afzien van

vergoeding van de verstrekkingen verleend in toepassing van titel III, hoofdstuk 1 of 4, van de

verordening alsmede van de kosten van administratieve en medische controle als bedoeld in

artikel 105 van de toepassingsverordening).

IERLAND-NEDERLAND

Briefwisseling van 22 april en 27 juli 1987 betreffende artikel 70, lid 3, van de verordening (het

afzien van vergoeding van de kosten voor uitkeringen verleend krachtens artikel 69 van de

verordening) en artikel 105, lid 2, van de toepassingsverordening (het afzien van de vergoeding van

de kosten voor administratieve en medische controle in de zin van artikel 105 van de

toepassingsverordening).

IERLAND-ZWEDEN

Overeenkomst van 8 november 2000 over het wederzijds afzien van vergoeding van de kosten van

verstrekkingen bij ziekte en moederschap, arbeidsongevallen en beroepsziekten, en van de kosten

van administratieve en medische controles.

IERLAND-VERENIGD KONINKRIJK

Briefwisseling van 9 juli 1975 betreffende artikel 36, lid 3, en artikel 63, lid 3, van de verordening

(regeling betreffende de vergoeding of het afzien van vergoeding van de kosten voor verstrekkingen

verleend op grond van titel III, hoofdstuk 1 of 4, van de verordening) en artikel 105, lid 2, van de

toepassingsverordening (afzien van vergoeding van de kosten voor administratieve en medische

controle).

FINLAND-ZWEDEN

Artikel 15 van het Noordse Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 18 augustus 2003:

Overeenkomst inzake het wederzijds afzien van terugbetaling van kosten en uitgaven in de zin van

de artikelen 36, 63 en 70 van de verordening (voor verstrekkingen wegens ziekte en moederschap,

arbeidsongeval en beroepsziekte, en voor werkloosheidsuitkeringen) en artikel 105 van de

toepassingsverordening (voor administratieve en medische controle).

FINLAND-VERENIGD KONINKRIJK

Briefwisseling van 1 en 20 juni 1995 betreffende artikel 36, lid 3, en artikel 63, lid 3, van

Verordening (EEG) nr. 1408/71 (terugbetaling of afzien van vergoeding van de kosten van

verstrekkingen) en artikel 105, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 574/72 (afzien van vergoeding van

de kosten van administratieve en medische controle).

FRANKRIJK ­ DUITSLAND

Overeenkomst van 26 mei 1981 voor de toepassing van artikel 92 van de verordening (inning van

premies of bijdragen).

FRANKRIJK-ITALIË

  • a) 
    Briefwisseling van 14 mei en 2 augustus 1991 betreffende de wijze van vereffening van de wederzijdse schuldvorderingen krachtens artikel 93 van de toepassingsverordening.
  • b) 
    Aanvullende briefwisseling van 22 maart en van 15 april 1994 betreffende de modaliteiten voor de vereffening van wederzijdse vorderingen uit hoofde van de artikelen 93, 94, 95 en 96

van de toepassingsverordening.

  • c) 
    Briefwisseling van 2 april 1997 en 20 oktober 1998 tot wijziging van de briefwisseling onder b) en c) betreffende de wijze van vereffening van de wederzijdse schuldvorderingen uit

hoofde van de artikelen 93, 94, 95 en 96 van de toepassingsverordening.

  • d) 
    Overeenkomst van 28 juni 2000 betreffende het afzien van de vergoeding bedoeld in artikel 105, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72 voor de kosten van administratieve controles en

geneeskundige onderzoeken die gevraagd zijn in het kader van artikel 51 van deze

verordening.

FRANKRIJK-LUXEMBURG

  • a) 
    Overeenkomst van 2 juli 1976 betreffende het afzien van vergoeding als bedoeld in artikel 36, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 van de uitgaven voor

verstrekkingen uit hoofde van de ziekte- en moederschapsverzekering, verleend aan de

gezinsleden van een werknemer die niet in hetzelfde land wonen als die werknemer.

  • b) 
    Overeenkomst van 2 juli 1976 betreffende het afzien van vergoeding als bedoeld in artikel 36, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 van de uitgaven voor

verstrekkingen uit hoofde van de ziekte- en moederschapsverzekering, verleend aan gewezen

grensarbeiders, aan hun gezinsleden of aan hun nagelaten betrekkingen.

  • c) 
    Overeenkomst van 2 juli 1976 betreffende het afzien van vergoeding van de kosten van administratieve en medische controle als bedoeld in artikel 105, lid 2, van Verordening (EEG)

nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972.

  • d) 
    Briefwisseling van 17 juli en 20 september 1995 betreffende de modaliteiten voor de vereffening van wederzijdse vorderingen uit hoofde van de artikelen 93, 95 en 96 van de

toepassingsverordening.

FRANKRIJK-NEDERLAND

  • a) 
    Akkoord van 28 april 1997 betreffende het afzien van vergoeding van de kosten van administratieve en medische controle op grond van artikel 105 van de

toepassingsverordening.

  • b) 
    Overeenkomst van 29 september 1998 betreffende de modaliteiten voor het vaststellen van de te vergoeden uitgaven voor verstrekkingen uit hoofde van de Verordeningen (EEG)

nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72.

  • c) 
    De overeenkomst van 3 februari 1999 betreffende de modaliteiten voor het beheer en de vereffening van wederzijdse vorderingen voor verstrekkingen bij ziekte uit hoofde van de

Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72.

FRANKRIJK-PORTUGAL

Overeenkomst van 28 april 1999 betreffende de modaliteiten voor het beheer en de vereffening van

wederzijdse vorderingen voor medische verstrekkingen uit hoofde van de Verordeningen (EEG)

nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72.

FRANKRIJK­SPANJE

Overeenkomst van 17 mei 2005 over de regels voor het beheer en de betalingen van wederzijdse

vorderingen voor verstrekkingen bij ziekte in toepassing van de bepalingen van Verordening (EEG)

nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72.

FRANKRIJK-VERENIGD KONINKRIJK

  • a) 
    Briefwisseling van 25 maart en 28 april 1997 betreffende artikel 105, lid 2, van de toepassingsverordening (afzien van vergoeding voor de kosten van administratieve controle

en medisch onderzoek).

  • b) 
    Overeenkomst van 8 december 1998 over de wijze van vaststellen van de te vergoeden uitgaven voor verstrekkingen uit hoofde van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG)

nr. 574/72.

DUITSLAND-LUXEMBURG

  • a) 
    Overeenkomst van 14 oktober 1975 betreffende het afzien van vergoeding van de kosten van administratieve en medische controle, gesloten op grond van artikel 105, lid 2, van de

toepassingsverordening.

  • b) 
    Overeenkomst van 14 oktober 1975 betreffende de inning en terugvordering van sociale zekerheidspremies.
  • c) 
    Overeenkomst van 25 januari 1990 betreffende de toepassing van artikel 20 en artikel 22, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EEG) nr. 1408/71..

GRIEKENLAND-NEDERLAND

Briefwisseling van 8 september 1992 en 30 juni 1993 betreffende de wijze van vergoeding tussen

organen.

HONGARIJE-VERENIGD KONINKRIJK

Overeenkomst van 1 november 2005 tussen de bevoegde organen van de Republiek Hongarije en

van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van artikel 35, lid 3, en artikel 41, lid 2, van Verordening

(EEG) nr. 883/2004 tot vaststelling van andere wijzen van vergoeding van de kosten van

verstrekkingen uit hoofde van deze verordening door beide landen met ingang van 1 mei 2004.

ITALIË-UITSLAND

Akkoord van 3 april 2000 over de inning en invordering van socialezekerheidspremies.

ITALIË-SPANJE

Overeenkomst betreffende een nieuwe procedure ter verbetering en vereenvoudiging van de

terugbetaling van ziektekosten van 21 november 1997 betreffende artikel 36, lid 3, van de

verordening (vergoeding van verstrekkingen bij ziekte en moederschap) en de artikelen 93, 94, 95

en 100, en artikel 102, lid 5, van de toepassingsverordening (wijze van vergoeding van

verstrekkingen van de ziekte/moederschapsverzekering en achterstallige vereffeningen).

ITALIË-VERENIGD KONINKRIJK

Overeenkomst ondertekend op 15 december 2005 tussen de bevoegde organen van de Republiek

Italië en van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van artikel 36, lid 3, en artikel 63, lid 3, van

Verordening (EEG) nr. 1408/71 tot vaststelling van andere wijzen van vergoeding van de kosten

van verstrekkingen uit hoofde van deze verordening door beide landen met ingang van 1 januari

2005.

ITALIË-NEDERLAND

Overeenkomst van 24 december 1996/27 februari 1997 betreffende artikel 36, lid 3, en artikel 63,

lid 3, van de verordening.

LUXEMBURG-ITALIË

Artikel 4, leden 5 en 6, van de administratieve regeling van 19 januari 1955 betreffende de wijze

van toepassing van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid (ziekteverzekering van

werknemers in de landbouw).

LUXEMBURG-VERENIGD KONINKRIJK

Briefwisseling van 18 december 1975 en 20 januari 1976 betreffende artikel 105, lid 2, van de

toepassingsverordening (afzien van vergoeding voor de kosten van administratieve controle en

medisch onderzoek als bedoeld in artikel 105 van de toepassingsverordening).

NEDERLAND-BELGIË

  • a) 
    Overeenkomst van 21 maart 1968 betreffende de invordering van sociale verzekeringspremies, alsmede de administratieve schikking van 25 november 1970 ter

uitvoering van die Overeenkomst.

  • b) 
    Overeenkomst van 13 maart 2006 betreffende zorgverzekering.
  • c) 
    Overeenkomst van 12 augustus 1982 inzake ziekengeld, moederschaps- en invaliditeitsverzekering.

NEDERLAND-DUITSLAND

  • a) 
    Artikel 9 van het technisch akkoord van 18 april 2001 bij het Verdrag van 18 april 2001 (betaling van pensioenen en renten)
  • b) 
    Overeenkomst van 21 januari 1969 inzake de invordering van premies voor de sociale zekerheid.

NEDERLAND-SPANJE

Overeenkomst van 21 februari 2000 tussen Nederland en Spanje ter facilitering van de afdoening

van wederzijdse vorderingen inzake verleende prestaties van de ziekte- en

moederschapsverzekering bij de toepassing van de bepalingen van de Verordeningen (EEG)

nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72.

NEDERLAND-LUXEMBURG

Overeenkomst van 1 november 1976 betreffende het afzien van vergoeding van de kosten van

administratieve en medische controle, gesloten op grond van artikel 105, lid 2, van de

toepassingsverordening.

NEDERLAND-PORTUGAL

Overeenkomst van 11 december 1987 betreffende de vergoeding van verstrekkingen bij ziekte en

moederschap.

NEDERLAND-VERENIGD KONINKRIJK

  • a) 
    Artikel 3, tweede zin, van het Administratieve Akkoord van 12 juni 1956 voor de toepassing van het Verdrag van 11 augustus 1954.
  • b) 
    Briefwisseling van 25 april en van 26 mei 1986 betreffende artikel 36, lid 3, van de verordening (de vergoeding of het afzien van de vergoeding van de uitgaven voor

verstrekkingen), zoals gewijzigd.

MALTA-VERENIGD KONINKRIJK

Overeenkomst van 17 januari 2007 tussen de bevoegde organen van Malta en van het Verenigd

Koninkrijk uit hoofde van artikel 35, lid 3, en artikel 41, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 883/2004

tot vaststelling van andere wijzen van vergoeding van de kosten van verstrekkingen uit hoofde van

deze verordening door beide landen met ingang van 1 mei 2004.

POLEN-DUITSLAND

Overeenkomst van 11 januari 1977 betreffende de toepassing van de Overeenkomst van

9 oktober 1975 inzake ouderdomspensioenen en prestaties bij arbeidsongevallen

PORTUGAL-VERENIGD KONINKRIJK

Akkoord van 8 juni 2004 tot vaststelling van andere vormen van vergoeding van de kosten voor

verstrekkingen door beide landen, in werking tredend op 1 januari 2003.

SPANJE-PORTUGAL

  • a) 
    De artikelen 42, 43 en 44 van het administratief akkoord van 22 mei 1970 (uitvoer van werkloosheidsuitkeringen). Deze vermelding blijft geldig gedurende twee jaar te rekenen

vanaf de datum van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004.

  • b) 
    Overeenkomst van 2 oktober 2002 houdende nadere regeling van het beheer en de afwikkeling van wederzijdse vorderingen inzake gezondheidszorg, teneinde de afwikkeling te

vergemakkelijken en te bespoedigen.

SPANJE-VERENIGD KONINKRIJK

Overeenkomst van 18 juni 1999 over de vergoeding van de uitgaven voor verstrekkingen die

verleend zijn overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72.

ZWEDEN-SPANJE

Overeenkomst van 1 december 2004 over de vergoeding van de kosten voor verstrekkingen in de

zin van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72.

ZWEDEN-VERENIGD KONINKRIJK

De regeling van 15 april 1997 betreffende artikel 36, lid 3, en artikel 63, lid 3, van de verordening

(terugbetaling of afzien van de vergoeding van de kosten van verstrekkingen) en artikel 105, lid 2,

van de toepassingsverordening (afzien van vergoeding van de kosten van administratieve en

medische controle).

ZWEDEN-LUXEMBURG

Regeling van 27 november 1996 over de terugbetaling van de kosten op het gebied van de sociale

zekerheid.

Bijlage 2

Bijzondere stelsels voor ambtenaren

(Artikelen 31 en 41)

A. Bijzondere stelsels voor ambtenaren waarop de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende verstrekkingen niet van toepassing zijn

Duitsland

Bijzonder ziektestelsel voor ambtenaren:

B. Bijzondere stelsels voor ambtenaren op wie de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, van Verordening (EG) nr. 883/2004, met uitzondering van artikel 19, lid 1, artikel 27 en artikel 35

betreffende verstrekkingen, niet van toepassing zijn.

Spanje

Speciaal socialezekerheidsstelsel voor ambtenaren.

Speciaal socialezekerheidsstelsel voor de strijdkrachten.

Speciaal socialezekerheidsstelsel voor functionarissen en administratief personeel van het gerechtelijk apparaat

C. Bijzondere stelsels voor ambtenaren waarop de bepalingen van titel III, hoofdstuk II, van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende verstrekkingen niet van toepassing zijn

Duitsland

Bijzonder ongevallenstelsel voor ambtenaren

Bijlage 3

Lidstaten die vergoeding eisen van de kosten voor verstrekkingen

op basis van vaste bedragen

(artikel 62, lid 1)

IERLAND

SPANJE

ITALIË

MALTA

NEDERLAND

18

PORTUGAL

FINLAND

ZWEDEN VERENIGD KONINKRIJK

18

AT heeft verklaard dat het zijn besluit om niet in bijlage 3 te worden opgenomen wellicht zal heroverwegen in het licht van het resultaat van de besprekingen in de Rekencommissie over de vergoeding van alle in Oostenrijk ontstane kosten in geval van behandeling in een Oostenrijks ziekenhuis (nota CA.SS.TM 120/08).

Bijlage 4

Bijzonderheden van de in artikel 83, lid 4, bedoelde gegevensbank.

  • 1. 
    Inhoud van de gegevensbank

Een elektronische lijst (URL) van de betrokken organen vermeldt:

  • a) 
    de namen van de organen in de officiële taal/talen van de lidstaat alsmede in het Engels
  • b) 
    de identificatiecode en het elektronisch adres (EESSI)
  • c) 
    hun functie ten opzichte van de definities in artikel 1, onder m), q) en r) van de verordening

en artikel 1, onder a) en b) van de toepassingsverordening

  • d) 
    hun bevoegdheid ten aanzien van de verschillende risico's, soorten uitkeringen, regelingen

en geografische werkingssfeer

  • e) 
    welk deel van de verordening door de organen wordt toegepast
  • f) 
    de volgende contactgegevens: postadres, telefoon, fax, e-mailadres en het URL-adres
  • g) 
    alle andere informatie die nodig is voor de toepassing van de verordening of de

toepassingsverordening.

  • 2. 
    Beheer van de gegevensbank
  • a) 
    De elektronische lijst wordt in EESSI beheerd op het niveau van de Europese Commissie.
  • b) 
    De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het verzamelen en controleren van de nodige

informatie van de organen en voor de tijdige indiening bij de Commissie van elke vermelding

of wijziging van vermeldingen die onder hun verantwoordelijkheid vallen.

  • 3. 
    Toegang

Voor operationele en administratieve doeleinden gebruikte informatie is niet toegankelijk voor

het publiek.

  • 4. 
    Veiligheid

Alle wijzigingen in de gegevensbank (opnemen, actualiseren, wissen) worden opgeslagen.

Gebruikers worden geïdentificeerd en erkend alvorens zij toegang krijgen tot de lijst met het

doel vermeldingen te wijzigen. Voorafgaand aan elke poging tot wijziging van een vermelding,

wordt gecontroleerd of de gebruiker gemachtigd is de wijziging door te voeren. Elke niet-

gemachtigde wijziging wordt afgewezen en geregistreerd.

  • 5. 
    Taalregeling

De algemene gebruikstaal voor de gegevensbank is Engels. De naam van organen en hun

contactgegevens moeten tevens in de officiële taal/talen van de lidstaat worden vermeld.

Bijlage 5

Lidstaten die op basis van wederkerigheid het maximumbedrag van de in de derde zin van

artikel 65, lid 6, van de basisverordening bedoelde vergoeding vaststellen op basis van het

gemiddelde bedrag van de werkloosheidsuitkeringen die in het voorgaande kalenderjaar onder hun

wetgevingen van toepassing waren

(Artikel 69)

BELGIË

TSJECHIË

DUITSLAND

OOSTENRIJK

SLOWAKIJE

FINLAND

_____________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie