Gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld op 15 september 2008 met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

MOTIVERING VAN DE RAAD

I. INLEIDING

  • 1. 
    De Commissie heeft op 19 juli 2006 bij de Raad een voorstel ingediend voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt

1

brengen van gewasbeschermingsmiddelen . Het voorstel is gebaseerd op artikel 37, lid 2, en artikel 152, lid 4, onder b), van het Verdrag.

  • 2. 
    Het Europees Parlement heeft op 23 oktober 2007 zijn advies in eerste lezing 2

uitgebracht . Het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's hebben op respectievelijk 14 maart en 1 februari 2007 advies uitgebracht.

  • 3. 
    De Raad heeft op 15 september 2008 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag.

II. DOELSTELLINGEN

Het voorstel komt in de plaats van Richtlijn 91/414/EEG en strekt tot -

een betere bescherming van mens, dier en milieu in de context van het toelaten en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen;

  • een betere harmonisatie en beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen; en
  • een bijwerking en vereenvoudiging van de procedures voor goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. De voornaamste punten betreffen met name:
  • de goedkeuring van werkzame stoffen op EU-niveau conform een lijst met duidelijkere en striktere criteria op grond waarvan zeer gevaarlijke stoffen van de markt zullen worden uitgesloten;
  • een regeling inzake wederzijdse erkenning van toelatingen door lidstaten die tot dezelfde zone behoren, waarbij het grondgebied van de EU wordt verdeeld in drie zones met vergelijkbare agrarische, klimatologische en ecologische omstandigheden; - een procedure voor stoffen en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico;
  • de omschrijving van de rol van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA); en - bepalingen ter voorkoming van onnodige dierproeven.

De Raad heeft nieuwe bepalingen opgenomen betreffende parallelhandel, de behandeling van zaaizaad en de invoering van nationale voorlopige toelatingen.

1

Er is een gewijzigd voorstel ingediend op 11 maart 2008. 2

14184/07.

III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

  • 1. 
    ALGEMENE OPMERKINGEN

De Raad heeft de volgende amendementen volledig overgenomen: 41, 59, 67, 79, 81,

96, 124, 153, 155, 157, 159, 195, 196, 197, 212, 213, 226, 286 en 301.

Hij heeft ook de amendementen 5, 6, 10, 11, 14, 18, 22, 29, 31, 32, 33, 34, 39, 43, 45,

46, 54, 62, 64, 66, 77, 78, 80, 82, 84, 87, 89, 95, 97, 109, 121, 122, 126, 130, 134, 136,

141, 143, 149, 163, 169, 175, 176, 177, 180, 181, 183, 185, 188, 189, 190, 201, 206,

248, 251, 296, 300 en 305 gedeeltelijk of in beginsel overgenomen.

De amendementen 1, 2, 3, 8, 15-17, 23, 28, 30, 35, 37, 38, 40, 42, 44, 47-48, 52, 55, 58,

68-69, 70-71, 73-74, 83, 85-86, 88, 91, 101, 103-106, 110-111, 113, 117-118, 120,

127-129, 132, 135, 137-139, 142, 144, 146-148, 150, 152, 154,158, 161-162, 164-166,

168, 171, 173, 179, 191-192, 194, 198, 202, 204-205, 207-208, 211, 214, 216, 219,

221-222, 226, 228-230, 232, 235-242, 245-246, 249-250, 253, 255, 267, 276, 287, 293,

295, 299, 303 en 304 zijn niet in het gemeenschappelijk standpunt opgenomen,

aangezien de Raad dezelfde mening is toegedaan als de Commissie.

De amendementen 7, 9, 11, 20-21, 24-26, 36, 49-51, 53, 56, 57, 75-76, 92-94, 98-100,

107-108, 114-116, 119, 131, 133, 140, 145, 156, 160, 167, 170, 184, 199, 203, 215, 217,

218, 220, 224-225, 244, 252, 274 en 297, die volledig of gedeeltelijk door de

Commissie zijn aanvaard, zijn niet in het gemeenschappelijk standpunt opgenomen,

waarmee de Raad afwijkt van het standpunt van de Commissie.

Enkele amendementen, zoals 281 (voorlopige toelatingen), 90 (periode van verlenging

van de goedkeuring van werkzame stoffen), 198 (gegevensbescherming voor de studies

die nodig zijn voor de verlenging of herziening van de toelating), 210 (vertrouwelijk-

heid van namen en adressen van personen die betrokken zijn bij tests op gewervelde

dieren) en 223 (terugvordering van kosten door de lidstaten) zijn volledig of gedeeltelijk

overgenomen in het gemeenschappelijk standpunt, hoewel deze oorspronkelijk niet door

de Commissie waren aanvaard.

Het gemeenschappelijk standpunt omvat tevens andere, niet door het Europees

Parlement voorziene wijzigingen die tegemoetkomen aan een aantal bedenkingen die de

lidstaten tijdens de onderhandelingen hebben geuit. Er is ook een aantal technische en

redactionele wijzigingen aangebracht om de werkingssfeer van enkele bepalingen te

omschrijven, de formulering van de verordening explicieter te maken en tevens

rechtszekerheid te garanderen, of om de samenhang met andere communautaire

instrumenten te vergroten.

De Commissie heeft het door de Raad overeengekomen gemeenschappelijk standpunt

aanvaard.

  • 2. 
    SPECIFIEKE OPMERKINGEN
  • a) 
    In het oorspronkelijke voorstel opgenomen bepalingen

· Rechtsgrondslag

De Raad was van oordeel dat, aangezien de verordening voornamelijk ten doel heeft

voor de effectieve werking van de interne markt voor gewasbeschermingsmiddelen te

zorgen, artikel 95 de juiste rechtsgrondslag is. De Raad heeft evenwel besloten om als

gebaar aan de Commissie een tweeledige rechtsgrondslag aan te nemen, die ook

artikel 37, lid 2, omvat.

· Definities

De Raad heeft de amendementen overgenomen die de tekst van de definities adequaat

verduidelijken of die essentieel zijn omdat er nieuwe bepalingen in de tekst zijn

opgenomen (bv. de amendementen 41, 45 en 46). In een aantal gevallen evenwel heeft

de Raad er de voorkeur aan gegeven de nieuwe definities op te nemen in de artikelen die

de bepalingen betreffende die gebieden bevatten (bv. definities van "parallelhandel",

"identiek", "rapporteur lidstaat" of "met een laag risico"). De Raad heeft de definitie van

"geïntegreerde plaagbestrijding" uit het Commissievoorstel geschrapt en heeft in plaats

daarvan in artikel 52 een verwijzing naar de richtlijn betreffende het duurzame gebruik

van bestrijdingsmiddelen opgenomen. De Raad kon amendement 53 niet overnemen,

omdat hij van oordeel is dat voorrang aan niet-chemische methoden geen essentieel

onderdeel is van goede gewasbeschermingspraktijken.

De Raad heeft eveneens een aantal aanvullende definities opgenomen, zoals "houder

van de toelating", "professionele gebruiker", "kleine toepassing", "kas", "behandeling na

de oogst", "biodiversiteit", "bevoegde autoriteit", "reclame", "relevant metaboliet" en

"onzuiverheid". Hij heeft de definities van "dieren" en "geïntegreerde plaagbestrijding"

geschrapt.

· Goedkeuring van werkzame stoffen

De Raad heeft in artikel 4 voor de beoordeling van de criteria van bijlage II een sequentiële

benadering opgenomen, waarbij eerst moet worden nagegaan of aan de punten 3.6.2 tot en met 3.6.4

en 3.7 van die bijlage is voldaan, voordat wordt onderzocht of aan de rest van de criteria is voldaan.

De Raad is er net zoals het Europees Parlement vast van overtuigd dat er strikte criteria voor de

goedkeuring van werkzame stoffen moeten worden opgenomen ter bescherming van de menselijke

gezondheid en het milieu.

De Raad heeft in punt 3.6 van bijlage II een duidelijke omschrijving opgenomen van te verwaar-

lozen blootstelling aan kankerverwekkende, hormoonverstorende of voor de voortplanting toxische

stoffen en heeft bepaald dat mutagene werkzame stoffen van categorie 1 of 2 moeten worden

verboden, zelfs als het menselijke contact met die stoffen te verwaarlozen is. Hij heeft het evenwel

nodig geacht om, voor uitzonderlijke gevallen, een in de tijd beperkte afwijkingsclausule op te

nemen voor stoffen die van essentieel belang zijn voor de bescherming van een bepaald gewas,

zelfs indien deze niet aan de criteria voldoen.

De Raad kon deelt niet de visie van het Europees Parlement dat werkzame stoffen met neuro-

toxische of immunotoxische eigenschappen moeten worden uitgesloten, maar kwam overeen deze

te beschouwen als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen.

De Raad was, net zoals het Parlement, tegen de door de Commissie voorgestelde onbeperkte

verlenging van de goedkeuring van werkzame stoffen, maar stelde een maximumperiode van

15 jaar vast in plaats van de 10 jaar waarom het Parlement in amendement 90 verzoekt.

· Procedures

De Raad heeft gepoogd de procedures voor goedkeuring van werkzame stoffen en toelating van

gewasbeschermingsmiddelen verder te stroomlijnen. Hij heeft daarbij bijzondere aandacht

geschonken aan een verkorting van de termijnen en een preciezere omschrijving van de rol van de

verschillende betrokken actoren (de lidstaten, de Commissie, de Europese Autoriteit voor

Voedselveiligheid (EFSA)). De Raad heeft aldus een aantal amendementen van het Europees

Parlement die in die richting gaan, volledig of gedeeltelijk aanvaard, en andere, die hetzij onnodige

vertragingen kunnen veroorzaken, zoals een deel van amendement 141, of die niet genoeg tijd

bieden om bepaalde stappen van de procedures behoorlijk te voltooien (bv. amendement 86),

verworpen.

· Werkzame stoffen met een laag risico

De Raad heeft het, net zoals het Europees Parlement, nuttig geacht het begrip "met een

laag risico" verder toe te lichten, maar heeft in plaats van een definitie toe te voegen in

artikel 3 of extra verduidelijkingen op te nemen in artikel 22, zoals voorgesteld door het

Europees Parlement (amendementen 43 en 301), meer gedetailleerde criteria

opgenomen in bijlage II.

Met betrekking tot de gegevensbescherming voor gewasbeschermingsmiddelen met een

laag risico heeft de Raad de beschermingsperiode verlengd tot ten hoogste 13 jaar, in

plaats van 15 jaar zoals voorgesteld door het Europees Parlement (amendement 287).

Ingeval de toelating van een gewasbeschermingsmiddel met een laag risico wordt

uitgebreid tot kleine toepassingen, kan de gegevensbeschermingsperiode worden

verlengd tot 15 jaar.

· Stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen

De Raad heeft ook de criteria verduidelijkt voor werkzame stoffen die met het oog op

eventuele vervanging moeten worden geïnventariseerd. De Raad achtte het nodig de

periode van goedkeuring te verlengen van 7 tot 10 jaar en heeft derhalve amendement

106 niet aanvaard.

De Raad kon niet instemmen met de amendementen 170, 171, 173, 251 in zijn geheel en

253, waarbij met name de vergelijkende evaluatie wordt uitgebreid tot alle gewas-

beschermingsmiddelen. De tekst van artikel 48 is niettemin geherformuleerd teneinde

de lidstaten de keuzemogelijkheid te geven om in uitzonderlijke gevallen het gebruik

van een gewasbeschermingsproduct dat geen eventueel te vervangen stof of stof met een

laag risico bevat, niet toe te laten of te beperken indien er een niet-chemische methode

bestaat.

· Wederzijdse erkenning van toelatingen

De Raad kon de amendementen betreffende de toelating per zone en wederzijdse

erkenning (met name de amendementen 15, 19, 52, 137, 138, 139, 147, 148, 152, 166 en

  • 230) 
    niet aanvaarden. Hij heeft wel de door de Commissie voorgestelde verdeling in

toelatingszones alsook de regeling inzake verplichte wederzijdse erkenning van

toelatingen goedgekeurd, omdat dit volgens hem een goede manier is om de administra-

tieve lasten te verminderen en om snel en in ruimere mate gewasbeschermingsmiddelen

beschikbaar te maken voor de Europese landbouwers. De Raad heeft deze regeling

uitgebreid tot gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen en heeft in extra

flexibiliteit voorzien (bv. de wederzijdse erkenning van toelatingen door lidstaten die tot

verschillende zones behoren of de mogelijkheid voor beroepsorganisaties om een

toelating aan te vragen).

De Raad heeft bepalingen opgenomen op grond waarvan de lidstaten aanvullende

risicobeperkende maatregelen voor hun grondgebied kunnen opleggen en, bij wijze van

uitzondering, in een andere lidstaat verleende toelatingen kunnen weigeren om de

gezondheid van mens of dier of het milieu te beschermen. De Raad heeft ook een

herzieningsclausule opgenomen waarbij de Commissie binnen vijf jaar na de

inwerkingtreding van de verordening een verslag dient op te stellen.

· Nationale voorlopige toelatingen (artikel 29bis)

De lidstaten hebben besloten de voorlopige toelatingen weer in te voeren als overgangs-

maatregel, omdat zij voor vertragingen bij de toelating van gewasbeschermings-

middelen vreesden. Zij waren van oordeel dat de nieuwe regeling eerst moet worden

getest om na te gaan of de termijnen kunnen worden gehaald. De nationale voorlopige

toelatingen zullen slechts gedurende een beperkte periode (drie jaar) en in welbepaalde

omstandigheden worden verleend. De Raad en het Parlement zijn het inhoudelijk eens

over dit punt (amendement 281).

· Dierproeven

De Raad heeft nota genomen van de bijzondere interesse van het Europees Parlement

voor het voorkomen of tot een minimum beperken van dierproeven (amendementen 6,

9, 23, 24, 55, 66, 75, 92, 108, 130, 208 en 225) en heeft de desbetreffende

amendementen, voor zover mogelijk, in de tekst van het gemeenschappelijk standpunt

opgenomen.

· Comitéprocedure

De Raad heeft het voorstel van de Commissie gewijzigd om het in overeenstemming te

brengen met het nieuwe Comitologiebesluit 2006/512/EG tot wijziging van Besluit

1999/468/EG, waarbij de nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing wordt ingevoerd.

De Raad kon amendement 109 en een deel van amendement 141 aanvaarden, maar de

amendementen 93, 94, 99, 100, 119, 120, 142, 158, 184, 219, 224, 226 en 227 werden

niet overgenomen. In een aantal gevallen, waarin de te nemen maatregelen van louter

uitvoerende aard zijn, kon de Raad de regelgevingsprocedure met toetsing niet

aanvaarden. Voor gevallen die de loutere overbrenging van de reeds in de bijlagen bij

Richtlijn 91/414/EG vervatte voorschriften naar de nieuwe verordening of de

aanneming van niet-bindende richtsnoeren betreffen, achtte de Raad de raadgevings-

procedure meer geschikt.

Met betrekking tot de amendementen 108, 221 en 225 ging de Raad niet akkoord met de

voorgestelde procedure (artikel 251 van het Verdrag). Volgens hem is de meest

geschikte comitéprocedure de "regelgevingsprocedure met toetsing", aangezien de

verordeningen die volgens de in die artikelen vervatte bepalingen moeten worden

aangenomen, het basisbesluit zouden aanvullen door nieuwe niet-essentiële onderdelen

toe te voegen.

  • b) 
    Nieuw in het gemeenschappelijk standpunt opgenomen bepalingen

Na de besprekingen in de Raad zijn bepalingen betreffende de volgende punten

toegevoegd aan de tekst van het gemeenschappelijk standpunt:

· Behandeld zaaizaad (artikel 47bis)

De delegaties achtten het noodzakelijk bepalingen hieromtrent op te nemen om het vrije

verkeer van met gewasbeschermingsmiddelen behandeld zaaizaad in de EU te

beschermen, tenzij dit zaaizaad een ernstige bedreiging vormt voor de gezondheid van

mens of dier of voor het milieu.

· Parallelhandel

De bepalingen betreffende parallelhandel zijn door de Raad toegevoegd op nagenoeg

unaniem verzoek van de lidstaten. De Raad heeft aldus amendement 286 overgenomen

en heeft de bepalingen betreffende parallelhandel aangepast aan de meest recente

rechtspraak. Hij heeft ook de eis van officiële controles op dit gebied ingevoerd.

· Hulpstoffen

De Raad heeft bepalingen opgenomen op grond waarvan nadere regels voor de toelating

van hulpstoffen volgens een comitéprocedure moeten worden vastgesteld.

IV. CONCLUSIES

De Raad is van oordeel dat zijn gemeenschappelijk standpunt een evenwichtige en realistische

oplossing biedt voor een aantal bezwaren die ten aanzien van het Commissievoorstel zijn

geformuleerd en kijkt uit naar een constructieve bespreking met het Europees Parlement met

het oog op een werkbaar akkoord over deze verordening.

____________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie