VERORDENING (EG) Nr. .../2008 VAN HET EUROPEES PARLEMENT
EN DE RAAD
van
betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,
lid 2, en artikel 95,
Gezien het voorstel van de Commissie,
1
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité , 2
Gezien het advies van het Comité van de Regio's , 3
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ,
1
PB C 175 van 27.7.2007, blz. 44. 2
PB C 146 van 30.6.2007, blz. 48. 3
Advies van het Europees Parlement van 23 oktober 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), Gemeenschappelijk Standpunt van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), en standpunt van het Europees Parlement van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen 1
van gewasbeschermingsmiddelen stelt voorschriften vast voor gewasbeschermings middelen en de werkzame stoffen die deze middelen bevatten.
(2) Naar aanleiding van het voortgangsverslag dat de Commissie overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG heeft ingediend, verzochten het Europees Parlement in zijn resolutie van
2
30 mei 2002 en de Raad in zijn conclusies van 12 december 2001 de Commissie Richtlijn 91/414/EEG te evalueren en inventariseerden zij een aantal problemen die de Commissie
moest aanpakken.
(3) In het licht van de ervaring met de toepassing van Richtlijn 91/414/EEG en van de recente wetenschappelijke en technische ontwikkelingen, dient die richtlijn te worden vervangen.
(4) Met het oog op de vereenvoudiging van de regelgeving dient het nieuwe besluit ook te voorzien in de intrekking van Richtlijn 79/117/EEG van de Raad van 21 december 1978
houdende verbod van het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen
3
bevattende bepaalde actieve stoffen .
(5) Om de toepassing van het nieuwe besluit te vereenvoudigen en coherentie in alle lidstaten te garanderen, moet het de vorm te krijgen van een verordening.
1
PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. 2
PB C 187 E van 7.8.2003, blz. 173. 3
PB L 33 van 8.2.1979, blz. 36.
(6) De teelt van gewassen neemt in de Gemeenschap een zeer belangrijke plaats in. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een van de belangrijkste methoden om planten
en plantaardige producten tegen schadelijke organismen, met inbegrip van onkruid, te
beschermen en de landbouwproductie te verbeteren.
(7) Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ook ongunstige uitwerkingen hebben op de teelt van gewassen. Het gebruik ervan kan risico's en gevaren voor mens, dier en milieu inhouden,
vooral wanneer zij zonder officieel te zijn getest en zonder officiële toelating op de markt
worden gebracht of verkeerd worden gebruikt.
(8) Teneinde voor zover mogelijk beletselen voor de handel in gewasbeschermingsmiddelen weg te nemen die te wijten zijn aan de verschillen in de beschermingsniveaus in de
lidstaten, dient deze verordening te voorzien in geharmoniseerde regels voor de toelating
van werkzame stoffen en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, met
inbegrip van regels voor de wederzijdse erkenning van toelatingen en inzake
parallelhandel. Deze verordening heeft derhalve tot doel het vrije verkeer van deze
producten en de beschikbaarheid ervan in de lidstaten te bevorderen.
(9) Deze verordening heeft tevens tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezond heid van mens en dier en van het milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentie-
vermogen van de communautaire landbouw te vrijwaren. De bescherming van kwetsbare
bevolkingsgroepen zoals zwangere vrouwen, zuigelingen en kinderen verdient bijzondere
aandacht. Het voorzorgsbeginsel dient te worden toegepast en deze verordening dient te
waarborgen dat de industrie aantoont dat de stoffen of producten die worden geproduceerd
of op de markt worden gebracht geen enkel schadelijk effect op de gezondheid van mens
of dier hebben, noch enig onaanvaardbaar gevolg voor het milieu.
(10) Gewasbeschermingsmiddelen mogen uitsluitend stoffen bevatten waarvan is aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van gewassen en waarvan niet wordt
verwacht dat zij een schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of onaan-
vaardbare gevolgen voor het milieu hebben. Om in alle lidstaten hetzelfde beschermings-
niveau te bereiken, dient op het niveau van de Gemeenschap op basis van geharmoniseerde
criteria te worden beslist of dergelijke stoffen al dan niet aanvaardbaar zijn. Die criteria
dienen te worden toegepast voor de eerste goedkeuring van een werkzame stof in het kader
van deze verordening. Voor reeds goedgekeurde werkzame stoffen dienen zij te worden
toegepast op het moment van de verlenging of herziening van hun goedkeuring.
(11) Met het oog op de voorspelbaarheid, de doeltreffendheid en de coherentie moet een gedetailleerde procedure worden vastgesteld voor de beoordeling of een werkzame stof
kan worden goedgekeurd. Er moet nauwkeurig worden omschreven welke informatie de
betrokken partijen moeten verstrekken om een stof te laten goedkeuren. Aangezien de
goedkeuringsprocedure veel werk met zich meebrengt, is het dienstig de informatie te laten
beoordelen door een lidstaat die voor de Gemeenschap als rapporteur optreedt. Om een
coherente beoordeling te waarborgen, moet de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid,
die is opgericht bij artikel 22 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees
Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en
voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit
voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaange-
1
legenheden (hierna "de Autoriteit" genoemd), een onafhankelijke wetenschappelijke evaluatie uitvoeren. Er moet duidelijk worden gesteld dat de Autoriteit een risico-
beoordeling uitvoert, terwijl de Commissie belast is met het risicobeheer en de uiteinde-
lijke beslissing over een werkzame stof neemt. Er moeten bepalingen worden opgenomen
die de transparantie van de beoordelingsprocedure garanderen.
1
PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(12) Om ethische redenen mag de beoordeling van een werkzame stof of een gewas beschermingsmiddel niet gebaseerd zijn op tests of studies waarbij de werkzame stof of het
gewasbeschermingsmiddel opzettelijk aan mensen wordt toegediend om bij de mens een
"no observed effect level" (NOEL) van een werkzame stof te bepalen. Evenmin mogen
toxicologische studies op mensen worden gebruikt om de veiligheidsmarges voor
werkzame stoffen of gewasbeschermingsmiddelen te verlagen.
(13) Om de goedkeuring van werkzame stoffen te versnellen, moeten voor de verschillende stappen in de procedure strikte termijnen worden vastgesteld.
(14) Met het oog op de veiligheid moet de goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen in de tijd beperkt zijn. De goedkeuringsperiode moet in verhouding staan tot de mogelijke
risico's die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn. Wanneer een beslissing
over verlenging van een goedkeuring wordt genomen, moet rekening worden gehouden
met de ervaring met het gebruik in de praktijk van de gewasbeschermingsmiddelen die de
desbetreffende stof bevatten, alsook met de ontwikkelingen in wetenschap en technologie.
(15) Er moet worden voorzien in de mogelijkheid om de goedkeuring van een werkzame stof te wijzigen of in te trekken wanneer niet langer aan de criteria voor goedkeuring wordt
voldaan.
(16) De beoordeling van een werkzame stof kan uitwijzen dat die aanzienlijk minder risico's inhoudt dan andere stoffen. Om het gebruik van een dergelijke stof in gewasbeschermings-
middelen te bevorderen, moeten deze stoffen worden geïnventariseerd en moet het op de
markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten, worden
vergemakkelijkt.
(17) Bepaalde stoffen die niet voornamelijk als gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt, kunnen van nut zijn voor de bescherming van gewassen, maar het economisch belang van
de indiening van een goedkeuringsaanvraag kan beperkt zijn. Daarom moeten specifieke
bepalingen garanderen dat dergelijke stoffen, indien het risico aanvaardbaar is, ook kunnen
worden goedgekeurd om voor de bescherming van gewassen te worden gebruikt.
(18) Sommige werkzame stoffen kunnen alleen aanvaardbaar zijn wanneer uitgebreide risico beperkende maatregelen worden genomen. Dergelijke stoffen moeten op het niveau van de
Gemeenschap met het oog op eventuele vervanging worden geïnventariseerd. De lidstaten
moeten geregeld verifiëren of gewasbeschermingsmiddelen die dergelijke werkzame
stoffen bevatten, kunnen worden vervangen door gewasbeschermingsmiddelen die
werkzame stoffen bevatten die minder risicobeperkende maatregelen vergen.
(19) In bepaalde lidstaten zijn niet-chemische, voor de gezondheid van mens en dier, en voor het milieu aanzienlijk veiligere bestrijdings- of preventiemethoden vastgesteld, die voor
bepaalde vormen van gebruik algemeen worden toegepast. In uitzonderlijke gevallen
moeten de lidstaten ook in staat zijn om bij het verlenen van een toelating voor gewas-
beschermingsmiddelen een vergelijkende evaluatie uit te voeren.
(20) Gewasbeschermingsmiddelen kunnen naast werkzame stoffen ook beschermstoffen of synergisten bevatten waarvoor vergelijkbare regels moeten gelden. Voor de beoordeling
van dergelijke stoffen moeten technische regels worden vastgesteld. Stoffen die nu al op de
markt zijn, mogen pas worden herbeoordeeld nadat deze regels zijn vastgesteld.
(21) Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ook formuleringshulpstoffen bevatten. Het is wenselijk een lijst op te stellen van formuleringshulpstoffen die niet in
gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt.
(22) Gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten, kunnen verschillend zijn geformuleerd en kunnen op diverse gewassen en in verschillende landbouw-, fytosanitaire
en ecologische (waaronder klimatologische )omstandigheden worden gebruikt. Toelatingen
voor gewasbeschermingsmiddelen moeten daarom door de lidstaten worden verleend.
(23) De toelatingsvoorschriften moeten een goede bescherming garanderen. Wanneer toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen worden verleend, moet met name de
bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu voorrang hebben op de
verbetering van de productie van de gewassen. Alvorens gewasbeschermingsmiddelen op
de markt worden gebracht, moet dan ook worden aangetoond dat zij een duidelijk voordeel
inhouden voor de teelt van gewassen en zij geen schadelijke effecten hebben op de
gezondheid van mensen en dieren, met inbegrip van die van kwetsbare groepen, noch
onaanvaardbare effecten hebben voor het milieu.
(24) Met het oog op de voorspelbaarheid, de doeltreffendheid en de coherentie dienen de criteria, procedures en voorwaarden voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen te
worden geharmoniseerd, met inachtneming van de algemene beginselen inzake
bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu.
(25) Indien het ten gevolge van omstandigheden die niet onder de verantwoordelijkheid van de aanvrager vallen, niet mogelijk is binnen de voorziene termijn een definitief besluit over de
toelating te nemen, moeten de lidstaten voor een beperkte periode tijdelijke toelatingen
kunnen verlenen teneinde de overgang naar de goedkeuringsprocedure van de onderhavige
verordening te vergemakkelijken. In het licht van de ervaring die is opgedaan met de
goedkeuring van werkzame stoffen uit hoofde van deze verordening, dienen de bepalingen
betreffende voorlopige toelatingen niet langer van toepassing te zijn of, indien nodig, te
worden verlengd na afloop van de periode van 5 jaar.
(26) De werkzame stoffen in een gewasbeschermingsmiddel kunnen via verschillende fabricageprocessen worden vervaardigd, wat leidt tot verschillen in de specificaties. Deze
verschillen kunnen gevolgen hebben voor de veiligheid. Met het oog op de doeltreffend-
heid moet voor de evaluatie van die verschillen op het niveau van de Gemeenschap in een
geharmoniseerde procedure worden voorzien.
(27) Het beginsel van wederzijdse erkenning is een van de middelen waarmee het vrije verkeer van goederen in de Gemeenschap wordt gewaarborgd. Om dubbel werk te vermijden, de
administratieve belasting van bedrijven en lidstaten te verminderen en een geharmoni-
seerde beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen te vergroten, moeten toelatingen
die door een lidstaat worden verleend, door andere lidstaten met vergelijkbare landbouw-,
fytosanitaire en ecologische (waaronder klimatologische) omstandigheden worden
aanvaard. Om deze wederzijdse erkenning te vergemakkelijken, moet de Gemeenschap
worden verdeeld in zones waar dergelijke vergelijkbare omstandigheden heersen. Milieu-
of landbouwkundige omstandigheden die specifiek zijn voor het grondgebied van een
lidstaat kunnen evenwel vereisen dat lidstaten, op verzoek, een door een andere lidstaat
afgegeven toelating erkennen of wijzigen dan wel afzien van het toelaten van het gewas-
beschermingsmiddel op hun grondgebied indien specifieke landbouwkundige omstandig-
heden dit rechtvaardigen of indien het hoge beschermingsniveau van de gezondheid van
mens en dier, alsmede van het milieu, waarin deze verordening voorziet, niet kan worden
verwezenlijkt.
(28) Voor bepaalde toepassingen hebben bedrijven maar beperkt economisch belang bij een toelatingsaanvraag. Om te garanderen dat de diversificatie van de land- en tuinbouw niet in
gevaar wordt gebracht door een onvoldoende beschikbaarheid van gewasbeschermings-
middelen, moeten voor kleine toepassingen specifieke regels worden vastgesteld.
(29) Wanneer identieke gewasbeschermingsmiddelen in verschillende lidstaten zijn toegelaten, dient deze verordening te voorzien in een vereenvoudigde procedure voor de verlening van
een vergunning voor parallelhandel, teneinde de handel in dergelijke producten tussen de
lidstaten te vergemakkelijken.
(30) In uitzonderlijke gevallen van een op geen enkele andere manier te bestrijden gevaar of bedreiging voor de teelt van een gewas moeten de lidstaten gewasbeschermingsmiddelen
kunnen toelaten die als bestrijding met andere middelen niet mogelijk is. Dergelijke
toelatingen moeten op het niveau van de Gemeenschap worden onderzocht.
(31) De wetgeving betreffende zaaizaad voorziet in vrij verkeer van zaaizaad in de Gemeen schap, maar bevat geen specifieke bepaling betreffende zaaizaad dat met gewas-
beschermingsmiddelen is behandeld. Een dergelijke bepaling dient derhalve in deze
verordening te worden opgenomen. Wanneer behandeld zaaizaad een ernstige bedreiging
vormt voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, dienen de lidstaten
beschermende maatregelen te kunnen nemen.
(32) Om innovatie te bevorderen, moeten speciale regels worden vastgesteld die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor experimentele doeleinden mogelijk maken, ook al
zijn deze middelen nog niet toegelaten.
(33) Om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en van het milieu te waarborgen, moeten gewasbeschermingsmiddelen op de juiste wijze worden gebruikt, met
inachtneming van de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming. De Raad zou de
beginselen van geïntegreerde plagenbestrijding, inclusief goede gewasbeschermings-
praktijken, moeten opnemen in de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen van
bijlage III van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot
vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse
steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling
1
van bepaalde steunregelingen voor landbouwers .
(34) Naast deze verordening zijn een thematische strategie voor het duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen en Richtlijn 2008/.../EG van het Europees Parlement en de Raad
van ... tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een
2
duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen aangenomen . Ter wille van de samenhang tussen deze instrumenten dient de gebruiker op het etiket van het product te kunnen zien
waar, wanneer en onder welke omstandigheden een gewasbeschermingsmiddel mag
worden gebruikt.
(35) Er moet een regeling voor de uitwisseling van informatie worden opgezet. De lidstaten moeten de in verband met aanvragen om toelating van gewasbeschermingsmiddelen aan
hen verstrekte informatie en wetenschappelijke documentatie aan elkaar, aan de
Commissie en aan de Autoriteit beschikbaar stellen.
(36) Om de doeltreffendheid van een gewasbeschermingsmiddel te vergroten, kunnen toevoegingsstoffen worden gebruikt. Het op de markt brengen en het gebruik ervan moeten
worden verboden wanneer zij een verboden formuleringshulpstof bevatten. De technische
voorschriften die voor de toelating nodig zijn, dienen te worden vastgesteld.
1
PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. 2
PB L
PB: invullen.
(37) Studies zijn een grote investering. Deze investering moet worden beschermd om onderzoek te stimuleren. Daarom moeten studies die door een aanvrager bij een lidstaat worden
gedeponeerd, tegen gebruik door een andere aanvrager worden beschermd. Deze
bescherming moet echter in de tijd beperkt zijn om concurrentie mogelijk te maken. Om te
voorkomen dat aanvragers de beschermingsperiode kunstmatig verlengen door onnodig
nieuwe studies in te dienen, moet de bescherming ook worden beperkt tot studies die voor
de regelgeving werkelijk noodzakelijk zijn.
(38) Er moeten regels worden vastgesteld om herhaling van tests en studies te voorkomen. In het bijzonder moet worden verboden dat studies waarbij gewervelde dieren betrokken zijn,
worden herhaald. Gelet daarop moet onder redelijke voorwaarden verplicht toegang
worden verleend tot studies op gewervelde dieren. Om bedrijven kennis te laten nemen van
studies die andere bedrijven hebben uitgevoerd, moeten de lidstaten een lijst van deze
studies bijhouden, ook al vallen deze niet onder de bovenstaande regeling voor het
verplicht verlenen van toegang.
(39) Aangezien de lidstaten, de Commissie en de Autoriteit verschillende regels toepassen wat de toegang tot en de vertrouwelijkheid van documenten betreft, is een verduidelijking
wenselijk van de bepalingen inzake de toegang tot informatie in de documenten die in het
bezit zijn van deze autoriteiten, en de vertrouwelijkheid van die documenten.
(40) Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de
1
lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten is van toepassing op de indeling, de verpakking en het kenmerken van bestrijdings-
middelen. Om de bescherming van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen, van
consumenten van planten en plantaardige producten en van het milieu verder te verbeteren,
zijn echter verdere specifieke regels wenselijk die rekening houden met de specifieke
gebruiksomstandigheden van gewasbeschermingsmiddelen.
(41) Om te garanderen dat gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen niet door reclame worden misleid, moeten voor reclame voor deze middelen regels worden vastgesteld.
(42) Om het niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te verhogen door de traceerbaarheid van mogelijke blootstellingen te verzekeren, de doel-
treffendheid van het toezicht en de controle te verbeteren en de kosten van de bewaking
van de waterkwaliteit te beperken, moeten voorschriften inzake het bijhouden van registers
en informatie over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden vastgesteld.
(43) Bepalingen inzake controle- en inspectieregelingen in verband met het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moeten de correcte, veilige en
geharmoniseerde tenuitvoerlegging van de voorschriften in deze verordening garanderen
om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het
milieu te verwezenlijken.
1
PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.
(44) Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en
1
levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn voorziet in controlemaatregelen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in alle stadia van
de productie van levensmiddelen, alsook in het bijhouden van registers over het gebruik
van gewasbeschermingsmiddelen. De Commissie dient vergelijkbare voorschriften aan te
nemen inzake toezicht en controle op de opslag en het gebruik van gewasbeschermings-
middelen die niet onder Verordening (EG) nr. 882/2004 vallen.
(45) Deze verordening moet nauw aansluiten bij andere communautaire wetgeving, en in het bijzonder bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van
23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen
2
in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong alsmede bij de communautaire wetgeving betreffende de bescherming van werknemers en van
iedereen die betrokken is bij het ingeperkte gebruik en de doelbewuste introductie van
genetisch gemodificeerde organismen.
(46) Er moeten procedures worden vastgesteld voor de goedkeuring van noodmaatregelen in situaties waar een goedgekeurde werkzame stof, een beschermstof, een synergist of een
gewasbeschermingsmiddel waarschijnlijk een ernstig risico inhoudt voor de gezondheid
van mens of dier of voor het milieu.
(47) De lidstaten moeten regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening en alle nodige maatregelen nemen om te bereiken dat
zij ten uitvoer worden gelegd.
(48) In de lidstaten moet de algemene burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid blijven gelden voor de fabrikant en, indien van toepassing, voor de persoon die verantwoordelijk is
voor het op de markt brengen of het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel.
1
PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1. 2
PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(49) De lidstaten moeten de kosten van de procedures voor de toepassing van de verordening kunnen terugvorderen van degenen die gewasbeschermingsmiddelen of hulpstoffen op de
markt brengen of wensen te brengen en van de aanvragers van een goedkeuring voor
werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten.
(50) De lidstaten moeten de noodzakelijke bevoegde nationale autoriteiten aanwijzen.
(51) De Commissie moet de toepassing van deze verordening bevorderen. Daarom moet in de nodige financiële middelen worden voorzien, moeten bepaalde voorschriften van de
verordening in het licht van de opgedane ervaring kunnen worden gewijzigd en moeten
technische richtsnoeren kunnen worden opgesteld.
(52) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van
de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-
1
bevoegdheden .
1
PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(53) In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid krijgen verordeningen aan te nemen betreffende etiketteringseisen, de controles en regels inzake toevoegingsstoffen en een
werkprogramma, beschermstoffen en synergisten met inbegrip van de gegevensvereisten
tot uitstel van het verstrijken van de goedkeuringstermijn, tot verlenging van voorlopige
toelatingen, tot vaststelling van de informatievereisten inzake parallelhandel en tot
opneming van formuleringshulpstoffen, alsmede wijzigingen in de verordeningen
betreffende de gegevensvereisten, in de uniforme beginselen inzake evaluatie en
vergunningen en in de bijlagen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot
wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, onder meer door haar aan
te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de
in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.
(54) Om redenen van doeltreffendheid moeten de normale termijnen voor de regelgevings procedure met toetsing worden bekort voor de aanneming van een verordening die voorziet
in uitstel van het verstrijken van de termijn voor de goedkeuring, zodat er voldoende tijd is
om de aanvraag te onderzoeken.
(55) Voorts dienen sommige van de huidige bepalingen die reeds in de bijlagen bij Richtlijn 91/414/EEG staan, te worden overgebracht naar afzonderlijke wetgevingsbesluiten, die
binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de verordening door de Commissie moeten
worden aangenomen. Aangezien deze huidige bepalingen als eerste stap moeten worden
overgebracht naar nieuwe wetgevingsbesluiten en aldus zonder ingrijpende wijzigingen
moeten worden aangenomen, lijkt hiervoor de raadplegingsprocedure de meest geschikte
procedure.
(56) Tevens is het passend gebruik te maken van de regelgevingsprocedure voor de aanneming van een aantal zuiver technische maatregelen, met name technische richtsnoeren, gezien
het niet-bindende karakter ervan.
(57) Sommige bepalingen van Richtlijn 91/414/EEG moeten tijdens de overgangsperiode van kracht blijven,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
in hun commerciële aanbiedingsvorm en voor het op de markt brengen, het gebruik en de controle
ervan binnen de Gemeenschap.
Bij deze verordening worden zowel regels voor de goedkeuring van werkzame stoffen, bescherm-
stoffen en synergisten waaruit gewasbeschermingsmiddelen geheel of gedeeltelijk bestaan, als
regels voor toevoegingsstoffen en formuleringshulpstoffen vastgesteld.
Artikel 2
Werkingssfeer
-
1.Deze verordening is van toepassing op middelen, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, die geheel of gedeeltelijk bestaan uit werkzame stoffen, beschermstoffen
of synergisten, en die bestemd zijn voor een van de volgende toepassingen:
-
a)de bescherming van planten of plantaardige producten tegen alle schadelijke organismen of het verhinderen van de werking van dergelijke organismen, tenzij
deze middelen worden beschouwd als middelen die vooral om hygiënische redenen
worden gebruikt veeleer dan ter bescherming van gewassen of plantaardige
producten;
-
b)het beïnvloeden van de levensprocessen van planten, zoals het beïnvloeden van hun groei, voor zover het niet gaat om nutritieve stoffen;
-
c)de bewaring van plantaardige producten, voorzover die stoffen of middelen niet onder bijzondere communautaire bepalingen inzake bewaarmiddelen vallen;
-
d)de vernietiging van ongewenste planten of delen van planten, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming
van planten;
-
e)de beperking of voorkoming van de ongewenste groei van planten, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter
bescherming van planten.
Deze middelen worden hierna "gewasbeschermingsmiddelen" genoemd.
-
2.Deze verordening is van toepassing op stoffen, met inbegrip van micro-organismen, met een algemene of specifieke werking tegen schadelijke organismen of op planten, delen van
planten of plantaardige producten, hierna "werkzame stoffen" genoemd.
-
3.Deze verordening is van toepassing op:
-
a)stoffen of preparaten die aan een gewasbeschermingsmiddel worden toegevoegd om fytotoxische effecten van het gewasbeschermingsmiddel op bepaalde planten op te
heffen of te verminderen, hierna "beschermstoffen" genoemd;
-
b)stoffen of preparaten die, hoewel zij geen of slechts een zwakke activiteit als bedoeld in lid 1 vertonen, de activiteit van de werkzame stof(fen) in een gewasbeschermings-
middel kunnen versterken, hierna "synergistische middelen" genoemd;
-
c)stoffen of preparaten die worden gebruikt of die bestemd zijn om te worden gebruikt in een gewasbeschermingsmiddel of hulpstof, maar die geen werkzame stoffen,
beschermstoffen of synergistische middelen zijn, hierna "coformulanten" genoemd;
-
d)stoffen of preparaten die bestaan uit coformulanten, of preparaten die een of meer coformulanten bevatten, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd en
op de markt worden gebracht om door de gebruiker te worden gemengd met een
gewasbeschermingsmiddel en die de doeltreffendheid of andere verdelgende
kenmerken ervan versterken, hierna "hulpstoffen" genoemd.
Artikel 3
Definities
In de zin van deze verordening wordt verstaan onder:
-
1)"residuen"
Eén of meer stoffen die in of op planten of plantaardige producten, eetbare dierlijke
producten, drinkwater of elders in het milieu aanwezig zijn ten gevolge van het gebruik
van een gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van de metabolieten en de afbraak- of
reactieproducten.
-
2)"stoffen"
Chemische elementen of verbindingen daarvan, zoals die in de natuur voorkomen of zoals
die industrieel worden vervaardigd, met inbegrip van alle verontreinigingen die onver-
mijdelijk bij het fabricageproces ontstaan.
(3) "preparaten"
Mengsels samengesteld uit twee of meer stoffen die bestemd zijn om als gewas-
beschermingsmiddel of hulpstof te worden gebruikt.
(4) "tot bezorgdheid aanleiding gevende stof" Iedere stof die als intrinsieke eigenschap heeft dat zij een schadelijk effect heeft op
mensen, dieren of het milieu en die in een gewasbeschermingsmiddel in voldoende
concentratie aanwezig is of ontstaat om risico's van een dergelijk effect in te houden.
Dergelijke stoffen zijn onder meer, maar niet uitsluitend, stoffen die voldoen aan de
criteria om in overeenstemming met Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967
betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de
1
indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen als gevaarlijk te worden geclassificeerd en die in het gewasbeschermingsmiddel aanwezig zijn in een concentratie
waardoor het middel als gevaarlijk moet worden beschouwd in de zin van artikel 3 van
Richtlijn 1999/45/EG.
-
5)"planten"
Levende planten en levende delen van planten, met inbegrip van vers fruit, groente en
zaden.
-
6)"plantaardige producten"
Producten van plantaardige oorsprong, die geen of slechts eenvoudige bewerkingen, zoals
malen, drogen of persen hebben ondergaan, voorzover het geen planten zijn.
-
7)"schadelijke organismen"
Elk(e) tot het dierenrijk of het plantenrijk behorende soort, stam of biotype, of
ziekteverwekker die of dat schadelijk is voor planten of plantaardige producten.
1
PB L 196 van 16.8.1967, blz. 1
-
8)"op de markt brengen"
Het voorhanden hebben met het oog op verkoop binnen de Gemeenschap, met inbegrip van
het ten verkoop aanbieden of enige andere vorm van overdracht, al dan niet gratis, alsmede
de eigenlijke verkoop, de distributie en andere vormen van overdracht zelf, maar niet het
retourneren aan de oorspronkelijke verkoper. Het in het vrije verkeer brengen op het
grondgebied van de Gemeenschap geldt in het kader van deze verordening als op de markt
brengen.
-
9)"toelating van een gewasbeschermingsmiddel" Bestuursrechtelijk besluit waarmee de bevoegde instantie van een lidstaat toelaat dat een
gewasbeschermingsmiddel op zijn grondgebied op de markt wordt gebracht.
-
10)"producent"
Een persoon die gewasbeschermingsmiddelen, werkzame stoffen, beschermstoffen,
synergistische middelen, coformulanten of hulpstoffen zelf produceert of de productie
ervan aan een andere partij of persoon uitbesteedt, of een persoon die door de producent is
aangewezen als zijn alleenvertegenwoordiger voor de naleving van deze verordening.
-
11)"verklaring van toegang"
Een authentiek document waarbij de eigenaar van krachtens deze verordening beschermde
gegevens ermee instemt dat de bevoegde instantie deze gegevens onder de specifieke
termen en voorwaarden gebruikt voor het verlenen van toelating voor een gewas-
beschermingsmiddel of goedkeuring van een werkzame stof, synergistisch middel of
beschermstof ten voordele van een andere persoon;
-
12)"milieu"
Water (met inbegrip van grond- en oppervlaktewater, overgangs-, kust- en mariene
wateren), afzettingsmateriaal, bodem, lucht, land, wilde soorten dieren en planten, alsmede
hun onderlinge relatie en hun relatie met andere levende organismen.
-
13)"micro-organismen"
Een microbiologische eenheid, met inbegrip van schimmels en virussen, cellulair of niet-
cellulair, die in staat is genetisch materiaal te vermeerderen of over te brengen.
-
14)"genetisch gemodificeerde organismen"
Organismen waarvan het genetisch materiaal is gewijzigd in de zin van artikel 2, lid 2, van
1
Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad . 15) "zone" Groep lidstaten zoals gedefinieerd in bijlage I.
Wat betreft het gebruik in kassen, als behandeling na de oogst, bij de behandeling van lege
opslagruimten en de behandeling van zaaizaad moeten onder zone worden verstaan alle in
bijlage I gedefinieerde zones.
1
PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.
-
16)"goede gewasbeschermingspraktijken" Praktijken waarbij de behandelingen van een bepaald gewas of plantaardig product met
gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorschriften voor hun toegestane gebruik
worden geselecteerd, gedoseerd en getimed om met een minimumhoeveelheid een
aanvaardbare doeltreffendheid te verzekeren, rekening houdend met de plaatselijke
omstandigheden en met de mogelijkheden voor teeltmaatregelen en biologische
bestrijding.
-
17)"goede laboratoriumpraktijken"
Praktijken zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/10/EGvan het Europees Parlement en de
Raad van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelke en
bestuursrechtelke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede
laboratoriumpraktken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische
1
stoffen .
-
18)"goede experimentele praktijken" Praktijken die in overeenstemming zijn met de richtsnoeren 181 en 152 van de EPPO,
zoals laatstelijk bijgewerkt.
-
19)"gegevensbescherming"
Het tijdelijke recht van de eigenaar van een test- of studieverslag om te beletten dat het
wordt gebruikt ten voordele van een andere aanvrager.
1
PB L 50 van 20.2.2004, blz. 44.
-
20)"houder van de toelating"
Elke natuurlijke of rechtspersoon die in het bezit is van een toelating voor het op de markt
brengen en het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel.
-
21)"professionele gebruiker" Een professionele gebruiker als omschreven in Richtlijn 2008/.../EG*.
-
22)"kleine toepassing"
Het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een bepaalde lidstaat op planten of
plantaardige producten die:
-
a)in die lidstaat niet op ruime schaal worden geteeld, of
-
b)op ruime schaal worden geteeld om te voldoen aan een uitzonderlijke behoefte op het gebied van gewasbescherming.
-
23)"kas"
Een manshoge, statische, gesloten ruimte voor de teelt van planten met een doorgaans
lichtdoorlatende buitenwand, die de mogelijkheid biedt voor een gecontroleerde
uitwisseling van materiaal en energie met de omgeving en verhindert dat de gewas-
beschermingsmiddelen in het milieu terechtkomen.
In het kader van deze verordening worden ook gesloten ruimtes voor de teelt van planten
zonder lichtdoorlatende buitenwand (bijvoorbeeld voor de productie van champignons of
witlof) als kassen beschouwd;
*
PB: voor nummer zie overweging (34).
-
24)"behandeling na de oogst"
Behandeling van planten of plantaardige producten na de oogst in een geïsoleerde ruimte
waar geen run-off mogelijk is, bijvoorbeeld in een opslagplaats.
-
25)"biodiversiteit"
De verscheidenheid van levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van,
onder andere, terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische
complexen waarvan zij deel uitmaken; dit kan ook de verscheidenheid omvatten binnen
soorten, tussen soorten en van ecosystemen.
-
26)"bevoegde autoriteit"
De autoriteit of autoriteiten van een lidstaat die verantwoordelijk is of zijn voor de
uitvoering van de taken waarin deze verordening voorziet.
-
27)"reclame"
Een middel ter bevordering van de verkoop of het gebruik van gewasbeschermings-
middelen (aan c.q. door ieder ander dan de houder van de toelating, de persoon die het
gewasbeschermingsmiddel op de markt brengt en hun vertegenwoordigers) met behulp van
gedrukte of elektronisch media.
-
28)"relevant metaboliet"
Elk metaboliet of afbraakproduct van een werkzame stof, beschermstof of synergistisch
middel, dat in organismen of in het milieu wordt gevormd. Een metaboliet wordt relevant
geacht indien er reden is om aan te nemen dat het intrinsieke eigenschappen heeft die
vergelijkbaar zijn met die van de ouderstof wat betreft de biologische doelactiviteit, of dat
het een hoger of vergelijkbaar gevaar vormt voor organismen dan de moederstof of dat het
bepaalde toxicologische eigenschappen bezit die als onaanvaardbaar worden beschouwd.
Een dergelijk metaboliet is relevant voor het algemene goedkeuringsbesluit of voor de
vaststelling van risicobeperkende maatregelen.
-
29)"onzuiverheid"
Elk ander bestanddeel dan de pure werkzame stof en/of variant die aanwezig is in het
technisch materiaal (onder meer als gevolg van het productieproces of van afbraak tijdens
de opslag).
HOOFDSTUK II
Werkzame stoffen, beschermstoffen,
synergistische middelen en coformulanten
AFDELING 1 WERKZAME STOFFEN
O NDERAFDELING 1
E ISEN EN VOORWAARDEN VOOR GOEDKEURINGEN Artikel 4
Goedkeuringscriteria voor werkzame stoffen
-
1.Een werkzame stof wordt overeenkomstig bijlage II goedgekeurd als in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis kan worden verwacht dat gewas-
beschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, rekening houdend met de in de
punten 2 en 3 van die bijlage vastgestelde goedkeuringscriteria, aan de in de leden 2 en 3
vastgestelde eisen zullen voldoen.
Bij de beoordeling van de werkzame stof wordt eerst bepaald of aan de goedkeurings-
criteria van bijlage II, punten 3.6.2 tot en met 3.6.4 en 3.7, is voldaan. Indien aan die
criteria is voldaan, wordt bij de beoordeling vervolgens bepaald of aan de andere
goedkeuringscriteria van bijlage II, punten 2 en 3, is voldaan.
-
2.De residuen van gewasbeschermingsmiddelen die resulteren uit de toepassing volgens goede gewasbeschermingspraktijken en rekening houdend met realistische gebruiks-
omstandigheden, moeten aan de volgende eisen voldoen:
-
a)zij hebben geen schadelijke effecten op de gezondheid van de mens, met name die van kwetsbare bevolkingsgroepen, of op die van dieren, rekening houdend met
bekende cumulatieve en synergistische effecten waar er methoden om dergelijke
effecten te evalueren zijn overeengekomen, noch op het grondwater;
-
b)zij hebben geen onaanvaardbaar effect op het milieu;
-
c)toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch relevante residuen of residuen die relevant zijn voor het drinkwater, worden door middel van algemeen gebruikte
methoden gemeten. Er moeten algemeen beschikbare analysenormen zijn.
-
3.Een gewasbeschermingsmiddel dat volgens goede gewasbeschermingspraktijken en in realistische gebruiksomstandigheden wordt aangewend, moet aan de volgende eisen
voldoen:
-
a)het is voldoende doeltreffend;
-
b)het heeft geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier, rechtstreeks of via drinkwater (waaronder producten op basis van
behandeld drinkwater), levensmiddelen, diervoeder of lucht, noch gevolgen op de
werkplek of andere indirecte effecten, rekening houdend met bekende cumulatieve
en synergistische effecten waar er methoden om dergelijke effecten te evalueren, zijn
overeengekomen, noch op grondwater;
-
c)geen onaanvaardbare effecten hebben op planten of plantaardige producten;
-
d)het veroorzaakt geen onnodig lijden of pijn bij te bestrijden gewervelde dieren ; e) het heeft geen onaanvaardbare effecten op het milieu, met name rekening houdend met de volgende aspecten:
-
i)het gedrag en de verspreiding ervan in het milieu, met name de verontreiniging van oppervlaktewateren, met inbegrip van estuariene en kustwateren,
grondwater, lucht en bodem;
-
ii)de gevolgen voor niet-doelsoorten;
-
iii)de gevolgen voor de biodiversiteit.
-
4.De vereisten van de leden 2 en 3 worden beoordeeld in het licht van de in artikel 29, lid 6, bedoelde uniforme beginselen.
-
5.Voor de goedkeuring van een werkzame stof wordt geacht dat aan de leden 1, 2 en 3 is voldaan wanneer is vastgesteld dat dit het geval is voor een of meer representatieve
gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof
bevat.
-
6.Wat de menselijke gezondheid betreft, worden gegevens verkregen uit tests of studies op mensen niet gebruikt om de veiligheidsmarges te verlagen die het resultaat zijn van tests of
studies op dieren.
-
7.In afwijking van lid 1, kan, indien met documenten onderbouwd bewijs wordt aangetoond dat een werkzame stof nodig ter beheersing van een op geen enkele andere manier te
bestrijden ernstig fytosanitair gevaar, die werkzame stof worden goedgekeurd voor ten
hoogste vijf jaar, zelfs indien zij niet voldoet aan de criteria van de punten 3.6.3, 3.6.4,
3.6.5, 3.8.2 van bijlage II, mits voor het gebruik van de werkzame stof risicobeperkende
maatregelen gelden teneinde te waarborgen dat de blootstelling van de mens en het milieu
wordt geminimaliseerd. Voor die stof worden maximumresidugehalten vastgesteld in
overeenstemming met Verordening (EG) nr. 396/2005.
Deze afwijking geldt niet voor werkzame stoffen die overeenkomstig Richtlijn
67/548/EEG zijn ingedeeld als kankerverwekkend, categorie 1, of als toxisch voor de
voortplanting, categorie 1.
Artikel 5
Eerste goedkeuring
De eerste goedkeuring geldt voor een periode van ten hoogste tien jaar.
Artikel 6
Voorwaarden en beperkingen
De goedkeuring kan onder meer afhankelijk worden gesteld van voorwaarden en beperkingen
betreffende:
-
a)de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof;
-
b)de aard en het maximumgehalte van bepaalde onzuiverheden;
-
c)beperkingen op grond van de in artikel 8 bedoelde beoordeling van de gegevens, waarbij rekening is gehouden met de relevante agrarische, fytosanitaire en ecologische, inclusief
klimatologische, omstandigheden;
-
d)het soort preparaat;
-
e)de wijze en de voorwaarden van gebruik;
-
f)de indiening van verdere bevestigende informatie bij de lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna "de Autoriteit" genoemd) wanneer
tijdens de beoordelingsprocedure of naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke en
technische kennis nieuwe eisen worden vastgesteld;
-
g)aanduiding van de gebruikerscategorieën, zoals al dan niet professioneel gebruik; h) de aanduiding van gebieden waar goedkeuring van het gebruik van gewasbeschermings middelen die de werkzame stof bevatten, kan worden geweigerd of kan worden verleend
onder specifieke voorwaarden;
-
i)de noodzaak te verplichten tot risicobeperkende maatregelen en tot monitoring na gebruik; j) andere speciale voorwaarden op grond van de beoordeling van de informatie die in het kader van deze verordening is verstrekt.
O NDERAFDELING 2
G OEDKEURINGSPROCEDURE Artikel 7
Aanvraag
-
1.Een aanvraag voor de goedkeuring van een werkzame stof of voor een wijziging van de voorwaarden van een goedkeuring moet door de producent van de werkzame stof bij een
lidstaat (hierna de "rapporteur lidstaat" genoemd) worden ingediend, samen met een
beknopt en een volledig dossier, zoals omschreven in artikel 8, leden 1 en 2, dan wel een
wetenschappelijke verantwoording waarin is aangegeven waarom bepaalde delen van die
dossiers niet zijn ingediend en waaruit blijkt dat de werkzame stof voldoet aan de
goedkeuringscriteria van artikel 4.
Een vereniging van producenten die door de producenten voor de naleving van deze
verordening is aangewezen, kan een gezamenlijke aanvraag indienen.
De aanvraag wordt onderzocht door de lidstaat die de aanvrager voorstelt, tenzij een andere
lidstaat bereid is de aanvraag te onderzoeken.
-
2.Bij het indienen van zijn aanvraag mag de aanvrager verzoeken om bepaalde informatie, met inbegrip van bepaalde dossiergedeelten, in overeenstemming met artikel 63
vertrouwelijk te houden en houdt hij deze informatie fysiek gescheiden van de overige
informatie.
De verzoeken om vertrouwelijkheid worden beoordeeld door de lidstaten. Indien om
toegang tot informatie wordt gevraagd, besluit de rapporteur lidstaat welke informatie
vertrouwelijk dient te blijven.
-
3.Bij het indienen van zijn aanvraag dient de aanvrager tegelijkertijd een volledige lijst van de overeenkomstig artikel 8, lid 2, ingediende tests en studies en een lijst van eventuele
verzoeken om gegevensbescherming uit hoofde van artikel 59 in.
-
4.Bij het beoordelen van de aanvraag mag de rapporteur lidstaat te allen tijde de Autoriteit raadplegen.
Artikel 8
Dossiers
-
1.Het beknopte dossier omvat:
-
a)gegevens over één of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat op een veel voorkomende
teelt in elke zone, waaruit blijkt dat aan de eisen van artikel 4 is voldaan; wanneer de
verstrekte gegevens niet alle zones of een niet veel voorkomende teelt betreffen, een
verantwoording van deze aanpak;
-
b)voor elk punt van de vereiste gegevens voor de werkzame stof bedoeld in lid 4, de samenvattingen en resultaten van tests en studies, de naam van de eigenaar en van de
persoon of de instelling die de tests en studies heeft uitgevoerd;
-
c)voor elk punt van de gegevensvereisten voor het gewasbeschermingsmiddel, de samenvattingen en resultaten van de tests en studies, de naam van de eigenaar en van
de persoon of de instelling die de tests en studies heeft uitgevoerd, voor zover die
van belang zijn voor de beoordeling van de in artikel 4, leden 2 en 3, bedoelde
criteria voor één of meer gewasbeschermingsmiddelen die representatief zijn voor de
onder a) bedoelde gebruiksdoeleinden, rekening houdend met het feit dat wanneer er
ingevolge de voorgestelde beperkte verscheidenheid van representatieve gebruiks-
doeleinden van de werkzame stof gegevens ontbreken in het dossier waarin lid 2
voorziet, dit beperkingen van de goedkeuring tot gevolg kan hebben;
-
d)een checklist waaruit blijkt dat het dossier waarin lid 2 voorziet, volledig is voor het gebruik waarvoor de aanvraag wordt ingediend;
-
e)de redenen waarom de ingediende test- en studieverslagen nodig zijn voor de eerste goedkeuring van de werkzame stof of voor wijzigingen van de voorwaarden van de
goedkeuring;
-
f)in voorkomend geval, een kopie van een aanvraag voor een maximumresidugehalte als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 396/2005 of een motivering voor
het niet verstrekken van die informatie;
-
g)een beoordeling van alle ingediende informatie.
-
2.Het volledige dossier bevat de volledige tekst van de afzonderlijke test- en studieverslagen betreffende alle in lid 1, onder b) en c), bedoelde informatie. Het bevat geen verslagen van
tests of studies waarbij de werkzame stof of het gewasbeschermingsmiddel opzettelijk aan
mensen wordt toegediend.
-
3.De vorm van het beknopte en het volledige dossier wordt volgens de raadgevingsprocedure van artikel 79, lid 2, vastgesteld.
-
4.De in de leden 1 en 2, bedoelde gegevensvereisten omvatten de vereisten voor werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen als vervat in de bijlagen II en III bij Richtlijn
91/414/EEG en worden zonder ingrijpende wijzigingen vastgelegd in verordeningen die
worden vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 2, bedoelde raadgevingsprocedure. Latere
wijzigingen in deze verordeningen kunnen worden aangenomen overeenkomstig artikel 78,
lid 1, onder b).
Artikel 9
Ontvankelijkheid van de aanvraag
-
1.Binnen 45 dagen na ontvangst van de aanvraag stuurt de rapporteur lidstaat de aanvrager een schriftelijke kennisgeving met de datum van ontvangst, en controleert hij of het dossier
dat samen met de aanvraag is ingediend, alle elementen bevat waarin artikel 8 voorziet; hij
maakt daarbij gebruik van de checklist bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d). Hij controleert
ook de verzoeken inzake vertrouwelijkheid als bedoeld in artikel 7, lid 2, en de volledige
lijst van tests en studies die overeenkomstig artikel 7, lid 3, is ingediend.
-
2.Wanneer één of meer elementen waarin artikel 8 voorziet ontbreken, licht de rapporteur lidstaat de aanvrager in en stelt hij een termijn vast voor de indiening ervan. De termijn
bedraagt maximaal drie maanden.
Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na afloop van de termijn niet heeft
ingediend, meldt de rapporteur lidstaat aan de aanvrager, de overige lidstaten en de
Commissie, dat de aanvraag niet ontvankelijk is.
Voor dezelfde stof kan steeds een nieuwe aanvraag worden ingediend.
-
3.Wanneer de dossiers die samen met de aanvraag zijn ingediend alle elementen bevatten waarin in artikel 8 is voorzien, stelt de rapporterende lidstaat de aanvrager, de andere
lidstaten, de Commissie en de Autoriteit in kennis van de ontvankelijkheid van de aanvraag
en begint hij met de beoordeling van de werkzame stof.
Na ontvangst van deze kennisgeving stuurt de aanvrager de in artikel 8 genoemde dossiers
onmiddellijk door naar de andere lidstaten, de Autoriteit en de Commissie, met inbegrip
van de informatie waarvoor overeenkomstig artikel 7, lid 2, is verzocht om vertrouwelijk-
heid voor delen van het dossier.
Artikel 10
Toegang tot het beknopte dossier
De Autoriteit maakt het in artikel 8, lid 1, bedoelde beknopte dossier onverwijld toegankelijk voor
het publiek, met uitzondering van de informatie waarvoor in overeenstemming met artikel 69 om
een vertrouwelijke behandeling is verzocht waarvan de noodzaak is aangetoond, tenzij met de
openbaarmaking ervan een openbaar belang van hogere orde is gediend.
Artikel 11
Ontwerp-beoordelingsverslag
-
1.Binnen twaalf maanden na de datum van kennisgeving waarin artikel 9, lid 3, eerste alinea, voorziet, stelt de rapporteur lidstaat een verslag op (hierna het "ontwerp-beoordelings-
verslag" genoemd), dat hij bij de Commissie indient, met kopie aan de Autoriteit, en
waarin wordt beoordeeld of de werkzame stof naar verwachting beantwoordt aan de eisen
van artikel 4.
-
2.Het ontwerp-beoordelingsverslag bevat, in voorkomend geval, ook een voorstel voor de vaststelling van maximumresidugehaltes. In dat geval zendt de rapporteur lidstaat de
aanvraag, het beoordelingsverslag en het begeleidend dossier als bedoeld in artikel 9 van
Verordening (EG) 396/2005 uiterlijk zes maanden na de datum van kennisgeving als
voorzien in artikel 9, lid 3, eerste alinea,van deze verordening toe aan de Commissie.
De rapporteur lidstaat voert op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische
kennis een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling uit.
Wanneer overeenkomstig artikel 4, lid 1, uit de beoordeling blijkt dat niet is voldaan aan
de goedkeuringscriteria van de punten 3.6.2 tot en met 3.6.4 en 3,7 van bijlage II, blijft het
ontwerp-beoordelingsverslag beperkt tot de betrokken onderdelen van de beoordeling.
-
3.Indien de rapporteur lidstaat bijkomende studies of informatie nodig heeft, stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de periode
van twaalf maanden verlengd met de bijkomende termijn die de rapporteur lidstaat toekent.
De bijkomende termijn bedraagt ten hoogste 6 maanden en loopt af op het ogenblik dat de
rapporteur lidstaat de bijkomende informatie ontvangt. Hij brengt de Commissie en de
Autoriteit daarvan op de hoogte.
Wanneer de aanvrager de bijkomende informatie na afloop van de in de eerste alinea,
bedoelde termijn niet heeft ingediend, brengt de rapporteur lidstaat de aanvrager, de
Commissie en de Autoriteit daarvan op de hoogte en vermeldt hij in de in het ontwerp-
beoordelingsverslag vervatte beoordeling welke elementen ontbreken.
-
4.De vorm van het ontwerp-beoordelingsverslag wordt vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 2, bedoelde raadgevingsprocedure.
Artikel 12
Conclusie van de Autoriteit
-
1.Uiterlijk 30 dagen nadat de Autoriteit het ontwerp-beoordelingsverslag van de rapporteur lidstaat heeft ontvangen, zendt zij dat verslag door naar de aanvrager en de andere
lidstaten. Zij verzoekt de aanvrager een bijgewerkte versie van het dossier in voorkomend
geval toe te zenden aan de Commissie, de Autoriteit, en de lidstaten.
De autoriteit maakt het ontwerp-beoordelingsverslag toegankelijk voor het publiek, nadat
de aanvrager twee weken de tijd heeft gekregen om overeenkomstig artikel 63 te
verzoeken dat bepaalde delen van het ontwerp-beoordelingsverslag vertrouwelijk blijven.
De Autoriteit geeft gedurende een periode van zestig dagen gelegenheid voor het indienen
van schriftelijke opmerkingen.
-
2.De Autoriteit organiseert zonodig een raadpleging van deskundigen, inclusief deskundigen uit de als rapporteur lidstaat.
Binnen 120 dagen na afloop van de in lid 1 bedoelde periode keurt de Autoriteit, in het
licht van de ten tijde van de aanvraag beschikbare wetenschappelijke en technische kennis,
een conclusie goed waarin zij vermeldt of de werkzame stof naar verwachting aan de eisen
van artikel 4 zal beantwoorden; zij deelt die conclusie mee aan de aanvrager, de lidstaten
en de Commissie, en maakt die toegankelijk voor het publiek.
Zo nodig gaat de Autoriteit in haar conclusie in op de risicobeperkende opties die in het
ontwerp-beoordelingsverslag zijn genoemd.
-
3.Indien de Autoriteit bijkomende informatie nodig heeft, stelt zij een termijn vast van ten hoogste 90 dagen waarbinnen de aanvrager die informatie aan de Commissie, de
Autoriteiten en de lidstaten moet verstrekken.
De als rapporteur lidstaat beoordeelt de bijkomende informatie en legt die onverwijld en
uiterlijk 60 dagen na ontvangst voor aan de Autoriteit. In dat geval wordt de periode van
120 dagen waarin in lid 2 is voorzien, verlengd met een bijkomende termijn, die afloopt op
het ogenblik dat de Autoriteit de bijkomende beoordeling ontvangt.
De Autoriteit kan de Commissie verzoeken een bij Verordening (EG) nr. 882/2004
aangewezen referentielaboratorium in de Gemeenschap te raadplegen om te controleren of
de door de aanvrager voorgestelde analysemethode voor de vaststelling van residuen
afdoende is en voldoet aan de eisen van artikel 29, lid 1, onder f), van deze verordening.
Indien de aanvrager daar door het communautaire referentielaboratorium om wordt
verzocht, levert hij monsters en analytische normen.
-
4.De conclusie van de Autoriteit bevat nadere gegevens over de procedure van de beoordeling en de eigenschappen van de desbetreffende werkzame stof.
-
5.De Autoriteit stelt de vorm van haar conclusie vast; die bevat uitvoerige informatie over de procedure van de evaluatie en over de eigenschappen van de desbetreffende werkzame
stof.
-
6.De termijnen voor het advies van de Autoriteit over aanvragen betreffende MRL's van artikel 11 en voor besluiten over aanvragen inzake een MRL als voorzien in artikel 14 van
Verordening (EG) 396/2005 gelden onverminderd de in de onderhavige verordening
vastgestelde termijnen.
Artikel 13
Goedkeuringsverordening
-
1.Binnen zes maanden na ontvangst van de conclusie van de Autoriteit, dient de Commissie bij het in artikel 79, lid 1, bedoelde comité een verslag (hierna "evaluatieverslag"
genoemd) en een ontwerp-verordening in, rekening houdend met het ontwerp-
beoordelingsverslag van de rapporteur lidstaat en de conclusie van de Autoriteit.
De aanvrager krijgt de mogelijkheid om opmerkingen op het evaluatieverslag in te dienen.
-
2.Op basis van het evaluatieverslag, andere voor het desbetreffende geval legitieme factoren en het voorzorgsbeginsel wanneer de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van Verordening
(EG) nr. 178/2002, van toepassing zijn, wordt volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde
regelgevingsprocedure een verordening vastgesteld, die bepaalt dat:
-
a)een werkzame stof, zo nodig onder voorbehoud van voorwaarden en beperkingen als bedoeld in artikel 6, wordt goedgekeurd;
-
b)een werkzame stof niet wordt goedgekeurd; of
-
c)de voorwaarden van de goedkeuring worden gewijzigd.
-
3.Wanneer de goedkeuring voorziet in de indiening van verdere bevestigende informatie als bedoeld in artikel 6, onder f), bepaalt de verordening de termijn voor de indiening van die
informatie bij de lidstaten, de Commissie en de Autoriteit.
De rapporteur lidstaat beoordeelt de aanvullende informatie en legt zijn beoordeling
onverwijld, en uiterlijk zes maanden na ontvangst van de bijkomende informatie, voor aan
de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit.
-
4.Goedgekeurde werkzame stoffen worden opgenomen in de in artikel 78, lid 3, bedoelde verordening, die een lijst bevat van de reeds goedgekeurde werkzame stoffen. De
Commissie houdt een lijst van goedgekeurde werkzame stoffen in elektronische vorm
toegankelijk voor het publiek.
O NDERAFDELING 3 V ERLENGING EN HERZIENING
Artikel 14
Verlenging van een goedkeuring
-
1.De goedkeuring van een werkzame stof wordt op aanvraag verlengd wanneer vaststaat dat aan de criteria van artikel 4 is voldaan.
Aan artikel 4 wordt geacht te zijn voldaan wanneer dit is vastgesteld voor een of meer
representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de
werkzame stof bevat.
Voor een dergelijke verlenging van de goedkeuring kunnen voorwaarden en beperkingen
als bedoeld in artikel 6 gelden.
-
2.De verlenging geldt voor een periode van ten hoogste vijftien jaar. De verlenging van de goedkeuring van in artikel 4, lid 7, bedoelde werkzame stoffen, geldt ten hoogste voor
vijf jaar.
Artikel 15
Verlengingsaanvraag
-
1.De verlengingsaanvraag als bedoeld in artikel 14, moet uiterlijk drie jaar voordat de eerste goedkeuring vervalt, door een producent van de werkzame stof bij een lidstaat worden
ingediend, met kopie aan de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit.
-
2.Wanneer de aanvrager een verlengingsaanvraag indient, moet hij preciseren welke nieuwe gegevens hij wil indienen en aantonen dat deze noodzakelijk zijn omdat de gegevens niet
vereist of de criteria niet van toepassing waren toen de werkzame stof voor het eerst werd
goedgekeurd, dan wel omdat zijn aanvraag een wijziging van de goedkeuring betreft. Hij
dient tegelijkertijd een tijdschema in voor alle nieuwe en lopende studies.
De aanvrager vermeldt welke delen van de ingediende informatie hij overeenkomstig
artikel 63 vertrouwelijk wenst te houden en geeft daarvoor de redenen aan; tevens vermeldt
hij alle eventuele verzoeken om gegevensbescherming op grond van artikel 59.
Artikel 16
Toegang tot de informatie met het oog op verlenging
De Autoriteit maakt de informatie die de aanvrager overeenkomstig artikel 15 heeft verstrekt,
onverwijld toegankelijk voor het publiek, met uitzondering van de informatie waarvoor in
overeenstemming met artikel 63 om een vertrouwelijke behandeling is verzocht waarvan de
noodzaak is aangetoond, tenzij met de openbaarmaking ervan een openbaar belang van een hogere
orde is gediend.
Artikel 17
Verlenging van de goedkeuringsperiode voor de duur van de procedure
Wanneer om redenen buiten de wil van de aanvrager blijkt dat de goedkeuring waarschijnlijk zal
vervallen alvorens over de verlenging een beslissing is genomen, wordt overeenkomstig de in
artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure een besluit vastgesteld waarbij het verstrijken van
de termijn voor de goedkeuring lang genoeg wordt uitgesteld om de aanvraag te onderzoeken.
Een dergelijke verordening wordt overeenkomstig de in artikel 79, lid 5, bedoelde regelgevings-
procedure met toetsing vastgesteld wanneer de aanvragers de verlengingsaanvraag geen drie jaar
voor het vervallen van de goedkeuring konden indienen zoals artikel 15, lid 1, vereist, omdat de
*
werkzame stof was opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG vóór ... . De duur van die periodes wordt op grond van de volgende elementen vastgesteld:
-
a)de tijd die nodig is om de gevraagde informatie te verstrekken; b) de tijd die nodig is om de procedure te voltooien;
-
c)indien van toepassing, de noodzaak om overeenkomstig artikel 18 een coherent werk programma op te stellen.
Artikel 18
Werkprogramma
De Commissie kan een werkprogramma opstellen waarin soortgelijke werkzame stoffen worden
gegroepeerd, prioriteiten worden gesteld op basis van veiligheidsrisico's voor de gezondheid van
mens en dier of het milieu, en zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de noodzaak van een
doeltreffend toezicht op en resistentiebeheer van het doelorganisme. In het kader van dit programma
kan worden geëist dat de belanghebbenden alle nodige gegevens binnen een in het programma
vastgestelde termijn aan de lidstaten, Commissie en de Autoriteit meedelen.
*
PB: 54 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
Het programma omvat:
-
a)de procedures voor de indiening en de beoordeling van verlengingsaanvragen voor goedkeuringen;
-
b)de vermelding welke gegevens moeten worden ingediend; c) de termijnen voor de indiening van die gegevens;
-
d)de regels inzake de indiening van nieuwe informatie; e) de termijn voor de beoordeling en besluitvorming;
-
f)de toebedeling van de beoordeling van werkzame stoffen aan lidstaten, rekening houdend met een evenwicht tussen de als rapporteur optredende lidstaten wat betreft de verant-
woordelijkheden en te verrichten werkzaamheden.
Artikel 19
Uitvoeringsmaatregelen
Bij een verordening die is vastgesteld overeenkomstig de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevings-
procedure worden de nodige uitvoeringsmaatregelen vastgesteld voor de verlengingsprocedure, en
in voorkomend geval voor het werkprogramma als bedoeld in artikel 18.
Artikel 20
Verlengingsverordening
-
1.Overeenkomstig de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure wordt een verordening vastgesteld waarbij:
-
a)de goedkeuring van een werkzame stof, zo nodig onderworpen aan voorwaarden en beperkingen, wordt verlengd; of
-
b)de goedkeuring van een werkzame stof niet wordt verlengd.
-
2.Voor zover de redenen waarom de goedkeuring niet wordt verlengd dit toelaten, wordt in de in lid 1 bedoelde verordening voor bestaande voorraden van de betrokken gewas-
beschermingsmiddelen een respijtperiode vastgesteld van ten hoogste één jaar voor het op
de markt brengen en ten hoogste nogmaals één jaar voor de verwijdering, de opslag en het
gebruik ervan.
Ingeval de toelating voor een gewasbeschermingsmiddel wordt ingetrokken of niet wordt
verlengd om dringende redenen die verband houden met de gezondheid van mens of dier
of met het milieu, wordt dit gewasbeschermingsmiddel met onmiddellijke ingang uit de
handel genomen.
-
3.Artikel 13, lid 4, is van toepassing.
Artikel 21
Herziening van een goedkeuring
-
1.De Commissie kan de goedkeuring van een werkzame stof steeds herzien. Zij kan rekening houden met het verzoek van een lidstaat om de goedkeuring van een werkzame stof te
herzien.
Wanneer de Commissie in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis
meent dat er aanwijzingen zijn dat de stof niet langer voldoet aan de criteria van artikel 4,
of wanneer de op grond van artikel 6, onder f), vereiste verdere informatie niet werd
verstrekt, licht zij de lidstaten, de Autoriteit en de producent van de werkzame stof in en
stelt zij een termijn vast waarbinnen de producent zijn opmerkingen moet doen toekomen.
-
2.De Commissie kan de lidstaten en de Autoriteit om advies of om wetenschappelijke of technische bijstand verzoeken. De lidstaten kunnen eveneens binnen drie maanden na het
verzoek van de Commissie opmerkingen indienen. De Autoriteit doet haar advies of de
resultaten van haar werk binnen drie maanden na het verzoek aan de Commissie toekomen.
-
3.Wanneer de Commissie concludeert dat niet langer wordt voldaan aan de criteria van artikel 4, of wanneer de op grond van artikel 6, onder f), vereiste verdere informatie niet is
verstrekt, wordt volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure een
verordening vastgesteld om de goedkeuring in te trekken of te wijzigen.
Artikel 13, lid 4, en artikel 20, lid 2, zijn van toepassing.
O NDERAFDELING 4 A FWIJKINGEN Artikel 22
Werkzame stoffen met een laag risico
-
1.Een werkzame stof die aan de criteria van artikel 4 voldoet, wordt, in afwijking van artikel 5, voor een periode van ten hoogste 15 jaar goedgekeurd, wanneer deze wordt
beschouwd als een werkzame stof met een laag risico en de gewasbeschermingsmiddelen
die deze stof bevatten naar verwachting slechts een laag risico voor de gezondheid van
mens en dier en voor het milieu zullen inhouden, zoals bepaald in artikel 47, lid 1.
-
2.Artikel 4 en de artikelen 6 tot en met 21 alsmede Afdeling 5 van bijlage II zijn van toepassing. Stoffen die een laag risico inhouden, worden vermeld op een afzonderlijke lijst
in de in artikel 13, lid 4, bedoelde verordening.
-
3.De Commissie kan de criteria voor het aanmerken van een werkzame stof als een stof met een laag risico evalueren en zo nodig nieuwe criteria vaststellen overeenkomstig artikel 78,
lid 1, onder a).
Artikel 23
Goedkeuringscriteria voor basisstoffen
-
1.Basisstoffen worden overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 goedgekeurd. In afwijking van artikel 5 geldt de goedkeuring voor onbeperkte tijd. Voor de toepassing van die leden
wordt onder een basisstof verstaan een werkzame stof die:
-
a)geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof is,
-
b)niet voornamelijk voor gewasbeschermingsdoeleinden wordt gebruikt, maar
-
c)niettemin nuttig is op het gebied van gewasbescherming, hetzij wanneer zij direct wordt gebruikt, hetzij in een middel dat bestaat uit de stof en een gewone verdunner,
en
-
d)niet als een gewasbeschermingsmiddel op de markt wordt gebracht.
-
2.In afwijking van artikel 4 wordt een basisstof goedgekeurd wanneer uit relevante evaluaties die zijn uitgevoerd overeenkomstig andere communautaire wetgeving waarin
het gebruik van die stof voor andere doeleinden dan als gewasbeschermingsmiddel is
geregeld, blijkt dat de stof geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect heeft op de
gezondheid van mens of dier, noch een onaanvaardbaar nadelig effect op het milieu.
-
3.In afwijking van artikel 7 wordt een goedkeuringsaanvraag voor een basisstof door door een lidstaat of door een belanghebbende partij bij de Commissie ingediend.
Bij de aanvraag wordt de volgende informatie verstrekt:
-
a)alle eventuele evaluaties van de mogelijke effecten op de gezondheid van mens of dier of op het milieu, die zijn uitgevoerd overeenkomstig andere communautaire
wetgeving die het gebruik van die stof regelt; en
-
b)andere relevante informatie over de mogelijke effecten op de gezondheid van mens of dier of op het milieu.
-
4.De Commissie verzoekt de Autoriteit om advies of om wetenschappelijke of technische bijstand. De Autoriteit doet haar advies of de resultaten van haar werk binnen drie
maanden na het verzoek aan de Commissie toekomen.
-
5.De artikelen 6 en 13 zijn van toepassing. Basisstoffen worden vermeld op een afzonder lijke lijst in de in artikel 13, lid 4, bedoelde verordening.
-
6.De Commissie kan de goedkeuring van een basisstof steeds herzien. Zij kan rekening houden met het verzoek van een lidstaat om de goedkeuring te herzien.
Wanneer er volgens de Commissie aanwijzingen zijn dat de stof niet langer voldoet aan de
criteria van de leden 1 tot en met 3, licht zij de lidstaten, de Autoriteit en de belang-
hebbende partij in en stelt zij een termijn vast waarbinnen deze hun opmerkingen kunnen
doen toekomen.
De Commissie verzoekt de Autoriteit om advies of om wetenschappelijke of technische
bijstand. De Autoriteit doet haar advies of de resultaten van haar werk binnen drie
maanden na het verzoek aan de Commissie toekomen.
Wanneer de Commissie concludeert dat niet langer wordt voldaan aan de criteria van lid 1,
wordt volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure een verordening
vastgesteld om de goedkeuring in te trekken of te wijzigen.
Artikel 24
Stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen
-
1.Een werkzame stof die voldoet aan de criteria van artikel 4 wordt goedgekeurd als stof die in aanmerking komt om te worden vervangen indien zij voldoet aan een of meer van de in
punt 4 van bijlage II vermelde aanvullende criteria. In afwijking van artikel 14, lid 2, kan
de goedkeuring een of meerdere keren worden verlengd voor een periode van ten hoogste
tien jaar.
-
2.Onverminderd lid 1 zijn de artikelen 4 tot en met 21 van toepassing. Stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen, worden vermeld op een afzonderlijke lijst in
de in artikel 13, lid 4, bedoelde verordening.
AFDELING 2
B ESCHERMSTOFFEN EN SYNERGISTISCHE MIDDELEN Artikel 25
Goedkeuring van beschermstoffen en synergisten
-
1.Een beschermstof of synergist wordt goedgekeurd wanneer het voldoet aan artikel 4. 2. De artikelen 5 tot en met 21 zijn van toepassing.
-
3.Voor beschermstoffen en synergisten worden volgens de in artikel 79, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing gegevensvereisten vastgesteld die vergelijkbaar zijn
met die welke bedoeld zijn in artikel 8, lid 4.
Artikel 26
Beschermstoffen en synergisten die reeds op de markt zijn
*
Uiterlijk op ... wordt volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 79, lid 4, een verordening vastgesteld tot opstelling van een werkprogramma voor de gefaseerde herbeoordeling
van synergisten en beschermstoffen die bij de inwerkingtreding van de verordening op de markt
zijn. In die verordening worden procedures voor kennisgeving, evaluatie, beoordeling en
besluitvorming opgenomen. De verordening bepaalt ook dat de belanghebbenden alle benodigde
gegevens binnen een bepaalde termijn aan de lidstaten, de Commissie en de Autoriteit en meedelen.
*
PB: vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
AFDELING 3
O NAANVAARDBARE FORMULERINGSHULPSTOFFEN Artikel 27
Formuleringshulpstoffen
-
1.Een formuleringshulpstof mag niet in een gewasbeschermingsmiddel worden opgenomen wanneer is vastgesteld dat:
-
a)de residuen, na een toepassing die in overeenstemming is met goede gewas beschermingspraktijken en rekening houdend met realistische gebruiksomstandig-
heden, een schadelijk effect hebben op de gezondheid van mens of dier of op het
grondwater, dan wel een onaanvaardbaar effect hebben op het milieu; of
-
b)het gebruik ervan, na een toepassing die in overeenstemming is met goede gewas beschermingspraktijken en rekening houdend met realistische gebruiksomstandig-
heden, een schadelijk effect heeft op de gezondheid van mens of dier, dan wel een
onaanvaardbaar effect op planten, plantaardige producten of het milieu.
-
2.Formuleringshulpstoffen die krachtens lid 1 niet in een gewasbeschermingsmiddel mogen worden opgenomen, worden volgens in artikel 79, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure
met toetsing opgenomen in bijlage III.
-
3.De Commissie kan formuleringshulpstoffen te allen tijde herzien. Zij kan door de lidstaten verstrekte relevante informatie in aanmerking nemen.
-
4.Artikel 81, lid 2, is van toepassing.
-
5.Voor de uitvoering van dit artikel kunnen nadere regels worden vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure.
HOOFDSTUK III
Gewasbeschermingsmiddelen
A FDELING 1 T OELATING
O NDERAFDELING 1 E ISEN EN INHOUD Artikel 28
Toelating voor het op de markt brengen en het gebruik
-
1.Een gewasbeschermingsmiddel wordt alleen op de markt gebracht of gebruikt wanneer het in de betrokken lidstaat overeenkomstig deze verordening is toegelaten.
-
2.In afwijking van lid 1 is in de volgende gevallen geen toelating vereist:
-
a)het gebruik van middelen die uitsluitend één of meer basisstoffen bevatten; b) het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden overeenkomstig artikel 54;
-
c)de productie, de opslag of het vervoer van een gewasbeschermingsmiddel dat voor gebruik in een andere lidstaat is bestemd, op voorwaarde dat het middel in die
lidstaat is toegelaten en dat de lidstaat van productie, opslag of vervoer inspectie-
voorschriften heeft vastgesteld om ervoor te zorgen dat het gewasbeschermings-
middel niet op zijn grondgebied wordt gebruikt;
-
d)de productie, de opslag en het vervoer van een gewasbeschermingsmiddel dat voor gebruik in een derde land is bestemd, op voorwaarde dat de lidstaat van productie,
opslag of vervoer inspectievoorschriften heeft vastgesteld om ervoor te zorgen dat
het gewasbeschermingsmiddel van zijn grondgebied wordt uitgevoerd;
-
e)het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen waarvoor een vergunning voor parallelhandel volgens artikel 52 is verleend.
Artikel 29
Eisen voor de toelating voor het op de markt brengen
-
1.Onverminderd artikel 50 wordt een gewasbeschermingsmiddel slechts toegelaten indien het overeenkomstig de in lid 6 bedoelde uniforme beginselen aan de volgende eisen
voldoet:
-
a)de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten die het bevat zijn goedgekeurd; b) de werkzame stof, de beschermstof of de synergist is afkomstig uit een andere productiebron, of uit dezelfde productiebron met een wijziging in het productie-
proces en/of de plaats van productie, maar
-
i)de specificatie overeenkomstig artikel 38 wijkt niet significant af van de specificatie in de verordening tot goedkeuring van die stof, die beschermstof of
die synergist; en
-
ii)die werkzame stof, die beschermstof of die synergist heeft niet ingevolge onzuiverheden meer schadelijke effecten in de zin van artikel 4, leden 2 en 3,
dan wanneer zij zou zijn geproduceerd volgens het productieproces
gespecificeerd in het dossier ter onderbouwing van de toelating;
-
c)de formuleringshulpstoffen zijn niet vermeld in bijlage III;
-
d)op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet het aan de eisen van artikel 4, lid 3;
-
e)de aard en hoeveelheid van de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten en, indien van toepassing, in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht
relevante onzuiverheden en formuleringshulpstoffen, kunnen aan de hand van
passende methoden worden vastgesteld;
-
f)de residuen die het gevolg zijn van geoorloofd gebruik en die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht relevant zijn, kunnen worden bepaald door
middel van algemeen gebruikte passende methoden;
-
g)de fysische en chemische eigenschappen ervan zijn vastgesteld en voor juist gebruik en adequate opslag van het middel aanvaardbaar geacht;
-
h)voor planten of plantaardige producten die als voedsel of diervoeder worden gebruikt, zijn de maximumresidugehalten in de landbouwproducten die het voorwerp
van het in de toelating vermelde gebruik zijn, in voorkomend geval vastgesteld of
gewijzigd in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 396/2005.
-
2.De aanvrager toont aan dat aan de eisen van lid 1, onder a) tot en met g), is voldaan.
-
3.De naleving van de in lid 1, onder b) en onder d) tot en met g), genoemde eisen wordt vastgesteld door middel van officiële of officieel erkende proeven en analysen, die worden
uitgevoerd onder agrarische, fytosanitaire en ecologische omstandigheden die relevant zijn
voor het gebruik van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel en die representatief
zijn voor de omstandigheden in de zone waar het middel zal worden gebruikt.
-
4.Wat lid 1, onder e), betreft, kunnen volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevings procedure geharmoniseerde methoden worden vastgesteld.
-
5.Artikel 81 is van toepassing.
-
6.Er worden, bij verordeningen die volgens de raadgevingsprocedure van artikel 79, lid 2, worden vastgesteld, uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen vastgesteld die de in bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG
vastgelegde eisen bevatten, zonder ingrijpende wijzigingen. Latere wijzigingen in deze
verordeningen kunnen worden aangenomen overeenkomstig artikel 78, lid 1, onder c).
Artikel 30
Voorlopige toelatingen
-
1.In afwijking van artikel 29, lid 1, onder a), mogen de lidstaten toestaan dat een gewas beschermingsmiddel met een nog niet goedgekeurde werkzame stof voor een voorlopige
periode van ten hoogste drie jaar op de markt wordt gebracht, mits:
-
a)binnen twee jaar en zes maanden na de datum waarop de aanvraag ontvankelijk is verklaard, verlengd met overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 3, en
artikel 12, lid 3, vastgestelde termijnen, geen besluit inzake de goedkeuring kan
worden genomen; en
-
b)het dossier betreffende de werkzame stof overeenkomstig artikel 9 ontvankelijk is voor de geplande gebruiksdoeleinden; en
-
c)de lidstaat concludeert dat de werkzame stof aan de eisen van artikel 4, leden 2 en 3, kan voldoen en dat mag worden verwacht dat het gewasbeschermingsmiddel aan de
eisen van artikel 29, lid 1, punt b) tot en met g), zal voldoen; en
-
d)maximumresidugehalten zijn vastgesteld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 396/2005.
-
2.In dat geval brengt de lidstaat de andere lidstaten en de Commissie onverwijld van zijn beoordeling van het dossier en van de toelatingsvoorwaarden op de hoogte, waarbij ten
minste de in artikel 57, lid 1, bedoelde informatie wordt verstrekt.
-
3.De bepalingen van de leden 1 en 2 zijn van toepassing gedurende vijf jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt. Indien nodig, kan deze periode worden
verlengd volgens de in artikel 79, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 31
Inhoud van toelatingen
-
1.De toelating bepaalt op welke planten of plantaardige producten en in welke niet agrarische gebieden (bv. spoorwegen, openbare ruimten, opslagplaatsen) en voor welke
doeleinden het gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt.
-
2.In de toelating worden de voorschriften voor het op de markt brengen en het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel vastgesteld. Deze voorschriften omvatten ten minste de
nodige gebruiksvoorwaarden om te voldoen aan de voorwaarden en eisen van de
verordening ter goedkeuring van de werkzame stoffen, beschermingsstoffen en
synergisten.
De toelating omvat een classificatie van het gewasbeschermingsmiddel voor de toepassing
van Richtlijn 1999/45/EG. De lidstaten kunnen bepalen dat de houders van toelatingen het
etiket na elke wijziging van de indeling en het kenmerken van het gewasbeschermings-
product overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG zonder onnodige vertraging classificeren of
aanpassen. In dat geval stellen zij de bevoegde instantie hiervan onverwijld in kennis.
-
3.Bij de in lid 2 bedoelde voorschriften kan het onder meer gaan om:
-
a)een beperking van de distributie en het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel, waarbij rekening wordt gehouden met krachtens andere Gemeenschapsvoorschriften
geldende eisen ter bescherming van de gezondheid van de betrokken distributeurs,
gebruikers, omstanders en werknemers en van het milieu; een eventuele beperking
van die aard dient op het etiket te worden vermeld;
-
b)de verplichting om, voordat het middel wordt gebruikt, alle buren in te lichten die aan drift kunnen worden blootgesteld en die hebben gevraagd te worden ingelicht;
-
c)aanduiding van de gebruikerscategorieën, zoals al dan niet professioneel gebruik; d) het goedgekeurde etiket;
-
e)de maximumdosis per hectare in elke toepassing;
-
f)het maximumaantal toepassingen per jaar en de tussentijd tussen toepassingen; g) de periode tussen de laatste toepassing en de consumptie van het gewas beschermingsmiddel, indien van toepassing;
-
h)de veiligheidstermijn tot de oogst, indien van toepassing; i) de herbetredingstermijn;
-
j)de grootte en het materiaal van de verpakking.
Artikel 32
Duur
-
1.De toelatingsperiode wordt in de toelating vastgesteld. Onverminderd artikel 44 wordt de duur van een toelating bepaald op een periode die loopt
tot ten hoogste een jaar vanaf de datum waarop de goedkeuring van de werkzame stoffen,
beschermstoffen en synergisten in het gewasbeschermingsmiddel verstrijkt, en daarna voor
zolang de werkzame stoffen, de beschermstoffen en synergisten in het gewas-
beschermingsmiddel zijn goedgekeurd.
Deze termijn staat toe het onderzoek overeenkomstig artikel 43 uit te voeren.
-
2.Toelatingen kunnen ook voor kortere perioden worden toegekend om de herziening van gelijkaardige middelen te laten samenvallen in het kader van een vergelijkende evaluatie
van middelen die stoffen bevatten die in aanmerking komen om te worden vervangen
overeenkomstig artikel 50.
O NDERAFDELING 2 P ROCEDURE Artikel 33
Aanvraag van een toelating of wijziging van de toelating
-
1.Een aanvrager die een gewasbeschermingsmiddel op de markt wenst te brengen, doet zelf of via een vertegenwoordiger een toelatingsaanvraag of een aanvraag tot wijziging van een
toelating bij elke lidstaat waar het gewasbeschermingsmiddel op de markt zal worden
gebracht.
-
2.De aanvraag omvat:
-
a)een lijst van de gebruiksdoeleinden in elk van de in bijlage I bepaalde zones en in de lidstaten waar de aanvrager een aanvraag heeft ingediend of voornemens is in te
dienen;
-
b)een voorstel waarin de lidstaat wordt vermeld waarvan de aanvrager verwacht dat die de aanvraag in de betreffende zone zal beoordelen. Ingeval de aanvraag betrekking
heeft op gebruik in kassen, op behandeling na de oogst, op de behandeling van lege
opslagruimten of op behandeling van zaaizaad, wordt slechts één lidstaat voorge-
steld; deze lidstaat beoordeelt de aanvraag voor alle zones. In dit geval zendt de
aanvrager het beknopte of volledige dossier als bedoeld in artikel 8 op verzoek toe
aan andere lidstaten;
-
c)indien van toepassing, een afschrift van alle toelatingen die voor dat gewas beschermingsmiddel reeds in een lidstaat zijn verleend;
-
d)indien van toepassing, een afschrift van de in artikel 38, lid 2, bedoelde conclusie van de lidstaat waarin de equivalentie wordt vastgesteld.
-
3.Bij de aanvraag wordt het volgende verstrekt:
-
a)voor het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel, een volledig en een beknopt dossier voor elk punt van de vereiste gegevens voor het gewasbeschermingsmiddel;
-
b)voor elke werkzame stof en beschermstof en elke synergistin het gewasbeschermingsmiddel, een volledig en een beknopt dossier voor elk punt van de
vereiste gegevens voor de werkzame stof, de beschermstof en de synergist; en
-
c)voor elke test of studie waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, een verant woording van de stappen die zijn genomen om onnodige proeven te voorkomen;
-
d)de redenen waarom de ingediende test- en studieverslagen nodig zijn voor de eerste toelating of voor het wijzigen van de voorwaarden van de toelating;
-
e)indien van toepassing, een afschrift van de aanvraag voor een maximumresidugehalte als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 396/2005 of een motivering voor
het niet verstrekken van die informatie;
-
f)indien van toepassing, voor een wijziging van een toelating, een beoordeling van alle overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder g), verstrekte informatie;
-
g)een ontwerp-etiket.
-
4.Bij het indienen van zijn aanvraag mag de aanvrager verzoeken om bepaalde informatie, met inbegrip van bepaalde gedeelten van het dossier, in overeenstemming met artikel 63
vertrouwelijk te houden en houdt hij deze informatie fysiek gescheiden van de overige
informatie.
De aanvrager dient tezelfdertijd de volledige lijst van overeenkomstig artikel 8, lid 2,
ingediende studies in, alsmede een lijst van de test- en studieverslagen waarvoor eventuele
verzoeken om gegevensbescherming uit hoofde van artikel 59 worden gedaan.
Bij een verzoek om toegang tot informatie, besluit de lidstaat die de aanvraag onderzoekt
welke informatie vertrouwelijk dient te blijven.
-
5.Indien de lidstaat daarom verzoekt, dient de aanvrager zijn aanvraag in de nationale of officiële talen van die lidstaat of in één van die talen in.
-
6.Op verzoek verstrekt de aanvrager monsters van het gewasbeschermingsmiddel en analytische normen van de ingrediënten ervan aan de lidstaat.
Artikel 34
Vrijstelling van de indiening van studies
-
1.Aanvragers worden vrijgesteld van de indiening van de in artikel 33, lid 3, bedoelde test- en studieverslagen, wanneer de lidstaat waar de aanvraag wordt ingediend over de
betrokken test- en studieverslagen beschikt en de aanvragers aantonen dat hun overeen-
komstig artikel 59, 61 of 62 toegang is verleend, of dat elke gegevensbeschermingsperiode
is verlopen.
-
2.Aanvragers op wie lid 1 van toepassing is, verstrekken niettemin de volgende informatie: a) alle informatie die nodig is voor de identificatie van het gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van de volledige samenstelling daarvan, en een verklaring dat geen
onaanvaardbare formuleringshulpstoffen gebruikt zijn;
-
b)de informatie die nodig is om de werkzame stof, de beschermstof of de synergist te identificeren wanneer die zijn goedgekeurd, en om vast te stellen of aan de
goedkeuringsvoorwaarden is voldaan en deze in voorkomend geval in overeen-
stemming zijn met artikel 29, lid 1, onder b);
-
c)op verzoek van de betrokken lidstaat, de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat het gewasbeschermingsmiddel effecten heeft die vergelijkbaar zijn met die van het
gewasbeschermingsmiddel waarvoor zij bewijzen toegang te hebben tot de
beschermde gegevens.
Artikel 35
De lidstaat die de aanvraag onderzoekt
De aanvraag wordt onderzocht door de lidstaat die de aanvrager voorstelt, tenzij een andere lidstaat
in dezelfde zone bereid is de aanvraag te onderzoeken. De lidstaat die de aanvraag zal onderzoeken,
brengt de aanvrager daarvan op de hoogte.
Op verzoek van de lidstaat die de aanvraag onderzoekt, verlenen de andere lidstaten in de zone
waarvoor de aanvraag is ingediend hun medewerking om een billijke verdeling van het werk te
garanderen.
De andere lidstaten in de zone waarvoor de aanvraag is ingediend laten het dossier rusten in
afwachting van de beoordeling door de lidstaat die de aanvraag onderzoekt.
Indien de aanvraag betrekking heeft op meer dan één zone, bereiken de lidstaten die de aanvraag
beoordelen overeenstemming over de beoordeling van gegevens die geen verband houden met de
omstandigheden van het milieu en de landbouw.
Artikel 36
Onderzoek voor toelating
-
1.De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, voert op grond van de stand van de weten schappelijke en technische kennis met gebruikmaking van de richtsnoeren die ten tijde van
de aanvraag beschikbaar zijn, een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling
uit. Hij geeft alle lidstaten in dezelfde zone de mogelijkheid tot het indienen van
opmerkingen waarmee tijdens de beoordeling rekening moet worden gehouden.
Daarbij worden de in artikel 29, lid 6, bedoelde uniforme beginselen voor de beoordeling
en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen toegepast om voor zover mogelijk vast te
stellen of het gewasbeschermingsmiddel in dezelfde zone aan de eisen van artikel 29
voldoet wanneer het overeenkomstig artikel 55 en in realistische gebruiksomstandigheden
wordt gebruikt.
De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, maakt zijn beoordeling toegankelijk voor de
andere lidstaten in dezelfde zone. De vorm van het beoordelingsverslag wordt vastgesteld
volgens de in artikel 79, lid 2, bedoelde raadgevingsprocedure.
-
2.Dienovereenkomstig verlenen of weigeren de betrokken lidstaten toelatingen op grond van de conclusies van de beoordeling door de lidstaat die de aanvraag overeenkomstig de
artikelen 31 en 32 heeft onderzocht.
-
3.In afwijking van lid 2 en krachtens het Gemeenschapsrecht kunnen passende voorwaarden worden opgelegd wat de naleving van de in artikel 31, lid 3, onder a) en b), bedoelde
voorschriften betreft, alsmede andere risicobeperkende maatregelen die voortvloeien uit
specifieke gebruiksomstandigheden.
Indien de bezorgdheid van een lidstaat in verband met de gezondheid van mens en dier of
het milieu niet kan worden weggenomen door de in de eerste alinea bedoelde nationale
risicobeperkende maatregelen, kan een lidstaat in laatste instantie weigeren een toelating
voor een gewasbeschermingsmiddel op zijn grondgebied te verlenen indien die lidstaat, als
gevolg van zeer specifieke omstandigheden in verband met milieu of landbouw, gegronde
redenen heeft om aan te nemen dat het betrokken product een ernstige bedreiging vormt
voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
De lidstaat stelt de aanvrager en de Commissie onverwijld op de hoogte van zijn besluit en
verstrekt daarvoor een technische of wetenschappelijke rechtvaardiging.
De lidstaten bieden de mogelijkheid om tegen het besluit waarbij een toelating voor een
dergelijk product wordt geweigerd, in beroep te gaan bij de nationale rechterlijke instanties
of bij andere beroepsinstanties.
Artikel 37
Onderzoekstermijn
-
1.De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, beslist binnen twaalf maanden na ontvangst van de aanvraag of aan de toelatingseisen is voldaan.
Indien de lidstaat aanvullende informatie nodig heeft, stelt hij een termijn vast waarbinnen
de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de periode van twaalf maanden
verlengd met de bijkomende termijn die de lidstaat toekent. De bijkomende termijn
bedraagt ten hoogste zes maanden en loopt af op het ogenblik dat de lidstaat de
bijkomende informatie ontvangt. Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na
afloop van die termijn niet heeft ingediend, meldt de lidstaat aan de aanvrager dat de
aanvraag niet ontvankelijk is.
-
2.De in lid 1 vastgestelde termijnen worden tijdens de toepassing van de procedure van artikel 38 opgeschort.
-
3.In het geval van een toelatingsaanvraag voor een gewasbeschermingsmiddel dat een nog niet goedgekeurde werkzame stof bevat, begint de lidstaat die de aanvraag onderzoekt met
de beoordeling zodra hij het in artikel 12, lid 1, bedoelde ontwerp-beoordelingsverslag
heeft ontvangen. In het geval van een toelatingsaanvraag voor hetzelfde gewas-
beschermingsmiddel en dezelfde gebruiksdoeleinden als het in artikel 8 bedoelde dossier,
neemt de lidstaat een besluit over de aanvraag uiterlijk zes maanden nadat de bedoelde
werkzame stof is goedgekeurd.
-
4.Uiterlijk 90 dagen nadat zij van de lidstaat die de aanvraag onderzoekt het beoordelings rapport en de kopie van de toelating hebben ontvangen, nemen de andere betrokken
lidstaten een besluit over de aanvraag overeenkomstig artikel 36, leden 2 en 3.
Artikel 38
Beoordeling van equivalentie overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder b)
-
1.Indien voor een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel moet worden bepaald of een andere productiebron, of, voor dezelfde productiebron, een wijziging in het
productieproces en/of de plaats van productie, voldoet aan artikel 29, lid 1, onder b), wordt
dit beoordeeld door de lidstaat die overeenkomstig artikel 7, lid 1, voor de werkzame stof,
de beschermstof of het synergistisch middel als rapporteur is opgetreden, tenzij de lidstaat
die de aanvraag onderzoekt overeenkomstig artikel 35, instemt met een beoordeling van de
equivalentie. De aanvrager deelt alle nodige gegevens mee aan de lidstaat die de
equivalentie beoordeelt.
-
2.Nadat de lidstaat die de equivalentie beoordeelt de aanvrager de mogelijkheid heeft gegeven tot het indienen van zijn opmerkingen, welke de aanvrager ook moet doen
toekomen aan de rapporteur lidstaat of aan de lidstaat die de aanvraag onderzoekt, naar
gelang van het geval, stelt de lidstaat die de equivalentie beoordeelt binnen 60 dagen na
ontvangst van de aanvraag een verslag over de equivalentie op dat hij aan de Commissie,
de andere lidstaten en de aanvrager meedeelt.
-
3.Bij een positief besluit over de equivalentie en indien er geen bezwaren tegen deze conclusie zijn ingebracht, wordt ervan uitgegaan dat aan artikel 29, lid 1, onder b), is
voldaan. Indien een lidstaat die de aanvraag onderzoekt het echter niet eens is met de
conclusie van de als rapporteur lidstaat, of vice versa, licht hij de aanvrager, de andere
lidstaten en de Commissie in en vermeldt hij zijn redenen.
De betrokken lidstaten proberen het erover eens te worden of aan artikel 29, lid 1, onder b),
is voldaan. Zij geven de aanvrager de gelegenheid zijn opmerkingen in te dienen.
-
4.Indien de betrokken lidstaten binnen 45 dagen geen overeenstemming bereiken, legt de lidstaat die de equivalentie beoordeelt de zaak aan de Commissie voor. Het besluit dat aan
de voorwaarden van artikel 29, lid 1, onder b), is voldaan, wordt genomen volgens de in
artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure. De periode van 45 dagen gaat in op de
datum waarop de lidstaat die de toelatingsaanvraag onderzoekt de als rapporteur lidstaat
overeenkomstig lid 3 inlicht dat hij het met de conclusie van deze laatste niet eens is, of
vice versa.
Voordat zij een beslissing neemt, kan de Commissie de Autoriteit verzoeken om een
binnen drie maanden na het verzoek te verstrekken advies of wetenschappelijke dan wel
technische bijstand.
-
5.Voor de uitvoering van de leden 1 tot en met 4 kunnen na raadpleging van de Autoriteit nadere regels en procedures worden vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde
regelgevingsprocedure.
Artikel 39
Rapportering en uitwisseling van informatie over toelatingsaanvragen
-
1.De lidstaten stellen voor iedere aanvraag een dossier samen. Elk dossier moet het volgende bevatten:
-
a)een kopie van de aanvraag;
-
b)een verslag met informatie over de beoordeling van en de beslissing over het gewasbeschermingsmiddel; de vorm van dat rapport wordt vastgesteld volgens de in
artikel 79, lid 2, bedoelde raadgevingsprocedure;
-
c)een afschrift van de door de lidstaat met betrekking tot de aanvraag genomen bestuursrechtelijke besluiten en de in artikel 33, lid 3, en artikel 34 bedoelde
documentatie, alsmede een samenvatting van deze documentatie;
-
d)het goedgekeurde etiket, indien van toepassing.
-
2.Op verzoek verstrekken de lidstaten onverwijld een dossier met de in lid 1, onder a), b), c) en d), bedoelde documentatie aan de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit.
-
3.Op verzoek verstrekken de aanvragers een afschrift van de documentatie die krachtens artikel 33, lid 3, en artikel 34 samen met een aanvraag moet worden ingediend, aan de
lidstaten, de Autoriteit en de Commissie.
-
4.Voor de uitvoering van de leden 2 en 3 kunnen nadere regels worden vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure.
O NDERAFDELING 3
W EDERZIJDSE ERKENNING VAN TOELATINGEN Artikel 40
Wederzijdse erkenning
-
1.De houder van een overeenkomstig artikel 29 verleende toelating kan in de volgende gevallen in een andere lidstaat voor hetzelfde gewasbeschermingsmiddel, hetzelfde gebruik
en vergelijkbare agronomische praktijken een toelatingsaanvraag indienen volgens de
procedure voor wederzijdse erkenning waarin in deze onderafdeling is voorzien:
-
a)de toelating werd verleend door een lidstaat (de referentielidstaat) die tot dezelfde zone behoort;
-
b)de toelating werd verleend door een lidstaat (de referentielidstaat) die tot een andere zone behoort, mits de toelating waarvoor de aanvraag wordt gedaan, niet wordt
gebruikt voor wederzijdse erkenning in een andere lidstaat binnen dezelfde zone;
-
c)de toelating werd verleend door een lidstaat voor gebruik in kassen, bij behandeling na de oogst of bij de behandeling van lege ruimten of containers voor de opslag van
planten of plantaardige producten, of bij de behandeling van zaaizaad, ongeacht de
zone waartoe de referentielidstaat behoort.
-
2.Wanneer een gewasbeschermingsmiddel in een lidstaat niet is toegelaten omdat in die lidstaat geen toelatingsaanvraag is ingediend, kunnen officiële of wetenschappelijke
instanties die bij landbouwactiviteiten betrokken zijn of beroepsorganisaties op landbouw-
gebied, met toestemming van de houder van de toelating, volgens de in lid 1 bedoelde
procedure voor wederzijdse erkenning een toelating aanvragen voor hetzelfde gewas-
beschermingsmiddel en hetzelfde gebruik in het kader van dezelfde landbouwpraktijken in
die lidstaat.
In dat geval dient de aanvrager aan te tonen dat het gebruik van dat gewasbeschermings-
middel een algemeen belang dient in de lidstaat waarin het wordt geïntroduceerd. Indien
de houder van een toelating weigert toe te stemmen, kan de bevoegde instantie van de
betrokken lidstaat de aanvraag om redenen van openbaar belang aanvaarden.
Artikel 41
Toelating
-
1.De lidstaat waar overeenkomstig artikel 40 een aanvraag is ingediend verleent voor het betrokken gewasbeschermingsmiddel een toelating onder dezelfde voorwaarden als de
lidstaat die de aanvraag onderzoekt, behalve wanneer artikel 36, lid 3, van toepassing is.
-
2.In afwijking van lid 1 kan de lidstaat het gewasbeschermingsmiddel toelaten wanneer: a) een toelating uit hoofde van artikel 40, lid 1, onder b), is aangevraagd; b) het een stof bevat die in aanmerking komt om te worden vervangen; c) artikel 30 is toegepast; of
-
d)het een overeenkomstig artikel 4, lid 7, goedgekeurde stof bevat. Artikel 42
Procedure
-
1.De aanvraag gaat vergezeld van:
-
a)een afschrift van de door de referentielidstaat verleende toelating en een vertaling van de toelating in een officiële taal van de lidstaat die de aanvraag ontvangt;
-
b)een formele verklaring dat het gewasbeschermingsmiddel identiek is aan het middel dat door de referentielidstaat is toegelaten;
-
c)een volledig of beknopt dossier als voorgeschreven in artikel 33, lid 3, wanneer de lidstaat daarom verzoekt;
-
d)een beoordelingsverslag van de referentielidstaat met informatie over de beoordeling van en de beslissing over het gewasbeschermingsmiddel.
-
2.De lidstaat bij welke overeenkomstig artikel 40 een aanvraag wordt ingediend, neemt binnen 90 dagen een beslissing over de aanvraag.
-
3.Indien de lidstaat daarom verzoekt, dient de aanvrager zijn aanvraag in de nationale of officiële talen van die lidstaat of in één van die talen in.
O NDERAFDELING 4 W , IJZIGING VERLENGING EN INTREKKING Artikel 43
Verlenging van toelatingen
-
1.Op aanvraag van de houder van een toelating wordt de toelating verlengd, op voorwaarde dat nog steeds aan de voorwaarden van artikel 29 wordt voldaan.
-
2.Binnen drie maanden na de verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel in het gewasbeschermingsmiddel verstrekt de
aanvrager de volgende informatie:
-
a)een afschrift van de toelating van het gewasbeschermingsmiddel;
-
b)alle nieuwe informatie die ingevolge wijzigingen van vereiste gegevens of criteria noodzakelijk is geworden;
-
c)een verantwoording dat de nieuwe gegevens worden ingediend op grond van gegevensvereisten of criteria die bij de verlening van de toelating voor het gewas-
beschermingsmiddel niet van kracht waren, of nodig zijn om de goedkeurings-
voorwaarden te wijzigen;
-
d)alle informatie die nodig is om aan te tonen dat het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorschriften van de verordening tot verlenging van de goedkeuring
van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel in het gewas-
beschermingsmiddel;
-
e)een verslag over de toezichtgegevens, indien de toelating aan toezicht was onderworpen.
-
3.De lidstaten verifiëren dat alle gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof, deze beschermstof of dit synergistisch middel bevatten, voldoen aan de voorwaarden en
beperkingen van de in artikel 20 bedoelde verlengingsverordening.
Binnen elke zone worden de conformiteitscontroles en de beoordeling van de verstrekte
gegevens voor alle lidstaten in die zone door de in artikel 35 bedoelde lidstaat
gecoördineerd.
-
4.Volgens in artikel 79, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure kunnen richtsnoeren voor de toelating van de conformiteitscontroles worden opgesteld.
-
5.Uiterlijk twaalf maanden na de verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel die het gewasbeschermingsmiddel bevat,
beslissen de lidstaten over de verlenging van de toelating.
-
6.Wanneer om redenen buiten de wil van de houder van de toelating binnen die termijn geen beslissing is genomen over de verlenging van de toelating, breidt de lidstaat de toelating uit
voor de periode die nodig is om het onderzoek te voltooien en een beslissing over de
verlenging te nemen.
Artikel 44
Intrekking of wijziging van een toelating
-
1.Lidstaten kunnen een toelating te allen tijde herzien indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen.
Een lidstaat herziet een toelating wanneer hij concludeert dat de doelstellingen zoals
bepaald in artikel 4, lid 1, onder a), punt iv), en onder b), punt i), en artikel 7, leden 2 en 3,
van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot
1
vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid wellicht niet kunnen worden verwezenlijkt.
-
2.Wanneer een lidstaat voornemens is een toelating in te trekken of te wijzigen, licht hij de houder van de toelating in en biedt hij hem de mogelijkheid om opmerkingen te formuleren
of nadere gegevens te verstrekken.
-
3.In voorkomend geval trekt de lidstaat de toelating in of wijzigt die, wanneer: a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 29;
-
b)onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis waarvan de toelating werd verstrekt;
-
c)niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating; of
-
d)de houder van een toelating zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet nakomt.
1
PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
-
4.Wanneer een lidstaat overeenkomstig lid 3 een toelating intrekt of wijzigt, licht hij de houder van de toelating, de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit onmiddellijk
in. De andere lidstaten die tot dezelfde zone behoren, trekken de toelating dan eveneens in
of wijzigen haar, met inachtneming van nationale voorwaarden en risicobeperkende
maatregelen, behalve in gevallen waarin artikel 36, lid 3, tweede tot en met vierde alinea,
is toegepast. Artikel 46 is in voorkomend geval van toepassing.
Artikel 45
Intrekking of wijziging van een toelating op verzoek van de houder van de toelating
-
1.Een toelating kan worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de houder van de toelating, met opgave van de redenen van zijn verzoek.
-
2.Wijzigingen kunnen slechts worden toegestaan indien vaststaat dat nog steeds aan de eisen van artikel 29 is voldaan.
-
3.Artikel 46 is in voorkomend geval van toepassing. Artikel 46
Uitverkoop-/opgebruikperiode
Wanneer een lidstaat een toelating intrekt, wijzigt of niet verlengt, kan hij een uitverkoop/-
opgebruikperiode verlenen om de bestaande voorraden te verwijderen, op te slaan, op de markt te
brengen en te gebruiken.
Voor zover de redenen waarom de toelating wordt ingetrokken, gewijzigd of niet wordt verlengd dit
toelaten, is de uitverkoop-/opgebruikperiode beperkt en bedraagt zij ten hoogste zes maanden voor
het op de markt brengen en ten hoogste nogmaals één jaar voor de verwijdering, de opslag en het
gebruik van bestaande voorraden van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen.
O NDERAFDELING 5
B IJZONDERE GEVALLEN Artikel 47
Het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico
-
1.Wanneer alle werkzame stoffen in een gewasbeschermingsmiddel stoffen zijn als bedoeld in artikel 22 ("werkzame stoffen met een laag risico"), wordt dat middel toegelaten als een
gewasbeschermingsmiddel met een laag risico, op voorwaarde dat er volgens een
risicobeoordeling geen specifieke risicobeperkende maatregelen vereist zijn. Dit gewas-
beschermingsmiddel voldoet bovendien aan de volgende eisen:
-
a)de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten met een laag risico die het bevat, zijn goedgekeurd overeenkomstig hoofdstuk II;
-
b)het bevat geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof; c) het is voldoende werkzaam;
-
d)het veroorzaakt geen onnodige pijn of onnodig lijden bij de te bestrijden gewervelde dieren;
-
e)het voldoet aan artikel 29, lid 1, onder b), c) en e) tot en met h). Deze middelen worden hierna "gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico"
genoemd.
-
2.Een aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel met een laag risico moet aantonen dat aan de eisen van lid 1 is voldaan en doet de aanvraag vergezeld gaan
van een volledig en een beknopt dossier voor elk punt van de vereiste gegevens voor de
werkzame stof en het gewasbeschermingsmiddel.
-
3.De lidstaat beslist binnen 120 dagen of hij een toelatingsaanvraag voor een gewas beschermingsmiddel met een laag risico goedkeurt.
Indien de lidstaat bijkomende informatie nodig heeft, stelt hij een termijn vast waarbinnen
de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de vastgestelde termijn verlengd met
de bijkomende termijn die de lidstaat toekent.
De bijkomende termijn bedraagt ten hoogste 6 maanden en loopt af op het ogenblik dat de
lidstaat de bijkomende informatie ontvangt. Wanneer de aanvrager de ontbrekende
elementen na afloop van die termijn niet heeft ingediend, meldt de lidstaat aan de
aanvrager dat de aanvraag niet ontvankelijk is.
-
4.Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toelatingen van toepassing.
Artikel 48
Het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
die een genetisch gemodificeerd organisme bevatten
-
1.Een gewasbeschermingsmiddel dat een organisme bevat dat onder de werkingssfeer van Richtlijn 2001/18/EG valt, wordt niet alleen overeenkomstig dit hoofdstuk beoordeeld,
maar wordt, wat de genetische modificatie betreft, ook onderzocht overeenkomstig
bovengenoemde richtlijn.
In het kader van deze verordening wordt voor een dergelijk gewasbeschermingsmiddel
geen toelating verleend tenzij voor dat middel overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn
2001/18/EG schriftelijke toestemming is verleend.
-
2.Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toelatingen van toepassing.
Artikel 49
Het op de markt brengen van behandeld zaaizaad
-
1.De lidstaten stellen geen verbod op het op de markt brengen en gebruiken van zaaizaad dat behandeld is met gewasbeschermingsmiddelen die in ten minste een lidstaat voor dat
gebruik zijn toegelaten.
-
2.Indien er aanmerkelijke bezorgdheid bestaat dat in lid 1 bedoeld behandeld zaaizaad een ernstige bedreiging zou kunnen vormen voor de gezondheid van mens of dier of voor het
milieu, en dat dit risico niet op bevredigende wijze kan worden beperkt door middel van
door de betrokken lidstaat/lidstaten genomen maatregelen, worden overeenkomstig de in
artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure onverwijld maatregelen genomen om de
verkoop en/of het gebruik van dit behandelde zaaizaad te beperken of te verbieden.
Alvorens deze maatregelen te nemen, onderzoekt de Commissie het bewijsmateriaal en kan
zij advies van de Autoriteit inwinnen. De Commissie kan een termijn vaststellen
waarbinnen een dergelijk advies moet worden verstrekt.
-
3.De artikelen 70 en 71 zijn van toepassing.
-
4.Onverminderd andere communautaire wetgeving betreffende de etikettering van zaaizaad, dienen de begeleidende etiketten en documenten van het behandeld zaaizaad de naam te
vermelden van het gewasbeschermingsmiddel waarmee het zaaizaad is behandeld, de
naam/namen van de werkzame stof(fen) in het middel, de standaard-waarschuwingszinnen
waarin Richtlijn 1999/45/EG voorziet, alsmede de risicobeperkende maatregelen die in
voorkomend geval in de toelating van het middel zijn vermeld.
Artikel 50
Vergelijkende evaluatie van gewasbeschermingsmiddelen
die stoffen bevatten die in aanmerking komen om te worden vervangen
-
1.Lidstaten voeren een vergelijkende evaluatie uit wanneer zij een aanvraag evalueren voor de toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een werkzame stof bevat die is
goedgekeurd als stof die in aanmerking komt om te worden vervangen. Lidstaten verlenen
geen toelating voor dan wel beperken het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat
een stof bevat die in aanmerking komt om te worden vervangen wanneer uit de
vergelijkende evaluatie, waarin de risico's en de voordelen zoals in bijlage IV uiteengezet
tegen elkaar worden afgewogen, blijkt dat:
-
a)er voor de in de aanvraag gespecificeerde gebruiksdoeleinden reeds een toegelaten gewasbeschermingsmiddel of een niet-chemische bestrijdings- of preventiemethode
bestaat die aanzienlijk veiliger is voor de gezondheid van mens en dier en voor het
milieu; en
-
b)het gewasbeschermingsmiddel of de niet-chemische bestrijdings- of preventie methode bedoeld onder a) geen significante economische of praktische nadelen
heeft; en
-
c)de chemische diversiteit van de werkzame stoffen toereikend is om het risico dat resistentie bij het doelorganisme ontstaat, zo klein mogelijk te houden; en
-
d)rekening wordt gehouden met de gevolgen voor kleine toepassingen.
2 In afwijking van artikel 36, lid 2, kunnen de lidstaten, in uitzonderlijke gevallen, bij de beoordeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat geen
voor vervanging in aanmerking komende stof of een stof met een laag risico bevat, ook de
bepalingen van lid 1 van dit artikel toepassen wanneer er voor dezelfde vorm van gebruik
een niet-chemische bestrijdings- of preventiemethode bestaat en deze in de betrokken
lidstaat algemeen wordt toegepast.
-
3.In afwijking van lid 1 wordt een gewasbeschermingsmiddel dat een stof bevat die in aanmerking komt om te worden vervangen zonder vergelijkende evaluatie toegelaten
wanneer dat noodzakelijk is om eerst door gebruik in de praktijk ervaring op te doen.
Dergelijke toelatingen worden verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaar.
-
4.Voor gewasbeschermingsmiddelen die een stof bevatten die in aanmerking komt om te worden vervangen, voeren de lidstaten de in lid 1 bedoelde vergelijkende evaluatie
regelmatig en uiterlijk bij de verlenging of de wijziging van de toelating uit.
Op basis van de resultaten van die vergelijkende evaluatie handhaaft de lidstaat de
toelating, trekt hij haar in of wijzigt hij haar.
-
5.Wanneer een lidstaat besluit een toelating krachtens lid 3 in te trekken of te wijzigen, wordt die intrekking of wijziging van kracht vijf jaar na het besluit van de lidstaat, of aan
het einde van de goedkeuringsperiode voor de stof die in aanmerking komt om te worden
vervangen, wanneer die periode eerder afloopt.
-
6.Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toelatingen van toepassing.
Artikel 51
Uitbreiding van toelatingen voor kleine toepassingen
-
1.De houder van de toelating, officiële of wetenschappelijke instanties die zich bezighouden met landbouwactiviteiten, beroepsorganisaties op landbouwgebied en professionele
gebruikers kunnen verzoeken om de toelating van een in de betrokken lidstaat reeds
toegelaten gewasbeschermingsmiddel uit te breiden tot kleine toepassingen die nog niet
onder die toelating vallen.
-
2.Lidstaten breiden de toelating uit, op voorwaarde dat: a) de voorgenomen toepassing beperkt is;
-
b)aan de voorwaarden van artikel 4, lid 3, onder b), d) en e), en artikel 29, lid 1, onder h), is voldaan;
-
c)de uitbreiding in het openbaar belang is; en
-
d)de documentatie en informatie ter staving van een uitbreiding van de toepassing door de in lid 1 bedoelde personen of instanties is ingediend, met name gegevens over de
omvang van residuen en, waar nodig, over de beoordeling van het risico voor
degenen die beroepshalve met het middel in contact komen, werknemers en
omstanders.
-
3.Afhankelijk van de administratieve procedures van de betrokken lidstaat kan de uitbreiding de vorm van een wijziging van de bestaande toelating of van een afzonderlijke toelating
krijgen.
-
4.Wanneer lidstaten een uitbreiding van een toelating voor een kleine toepassing verlenen, lichten zij, zo nodig, de houder van de toelating in en verzoeken zij hem de etikettering
dienovereenkomstig aan te passen.
Indien de houder van de toelating dit weigert, dan zorgt de lidstaat ervoor dat de gebruikers
via een officiële publicatie of een officiële website volledige en gespecificeerde voor-
lichting over de gebruiksaanwijzing ontvangen.
De officiële bekendmaking of, indien van toepassing, het etiket, omvat een verwijzing naar
de aansprakelijkheid van de persoon die het gewasbeschermingsmiddel gebruikt, met
betrekking tot gebreken in de doeltreffendheid of de fytotoxiciteit van het product waar-
voor beperkt gebruik is toegestaan. De uitbreiding van de toelating voor beperkt gebruik
wordt afzonderlijk op het etiket vermeld.
-
5.De in lid 1 bedoelde aanvragers kunnen ook om toelating van een gewasbeschermings middel voor beperkt gebruik vragen overeenkomstig artikel 40, lid 1, mits het betrokken
gewasbeschermingsmiddel in die lidstaat is toegelaten. De lidstaten verlenen toelating voor
zulk gebruik overeenkomstig de bepalingen van artikel 41, op voorwaarde dat het gebruik
ook in de lidstaten van aanvraag als beperkt wordt beschouwd.
-
6.Lidstaten stellen een lijst van kleine toepassingen op en werken die geregeld bij. 7. Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toelatingen van toepassing.
Artikel 52
Parallelhandel
-
1.Een in een lidstaat (lidstaat van oorsprong) toegelaten gewasbeschermingsmiddel kan, op voorwaarde dat een vergunning voor parallelhandel wordt verleend, in een andere lidstaat
(lidstaat van invoering) ingevoerd, op de markt gebracht of gebruikt worden, indien de
invoerende lidstaat concludeert dat de samenstelling van het gewasbeschermingsmiddel
identiek is aan die van een gewasbeschermingsmiddel waarvoor op zijn grondgebied reeds
een toelating is verleend (referentieproduct). De aanvraag wordt bij de bevoegde autoriteit
van de invoerende lidstaat ingediend.
-
2.Na ontvangst van een volledige aanvraag wordt binnen 45 werkdagen via een vereen voudigde procedure een vergunning voor parallelhandel verleend indien het in te voeren
gewasbeschermingsmiddel identiek is in de zin van lid 3. De lidstaten verstrekken elkaar
op verzoek binnen 10 werkdagen na ontvangst van het verzoek de informatie die nodig is
om het identieke karakter te beoordelen. De procedure voor verlening van een vergunning
voor parallelhandel wordt onderbroken vanaf de dag waarop het verzoek om informatie
naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt gezonden, totdat alle
gevraagde informatie aan de bevoegde autoriteit van de invoerende lidstaat is verstrekt.
-
3.Gewasbeschermingsmiddelen worden als identiek aan het referentieproduct beschouwd indien:
-
a)zij volgens hetzelfde productieproces vervaardigd zijn door dezelfde onderneming, een verbonden onderneming of een onderneming die onder licentie werkt;
-
b)de specificatie en de inhoud van de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten, alsook het soort formulering identiek zijn; en
-
c)de aanwezige formuleringshulpstoffen en de grootte, het materiaal of de vorm van de verpakking wat betreft de mogelijke negatieve gevolgen voor de veiligheid van het
product ten aanzien van de gezondheid van mens of dier, of van het milieu, gelijk of
gelijkwaardig zijn.
-
4.De aanvraag voor een vergunning voor parallelhandel omvat de volgende gegevens: a) naam en registratienummer van het gewasbeschermingsmiddel in de lidstaat van oorsprong;
-
b)de lidstaat van oorsprong;
-
c)naam en adres van de houder van de toelating in de lidstaat van oorsprong;
-
d)oorspronkelijk etiket en oorspronkelijke gebruiksaanwijzing die het in te voeren gewasbeschermingsmiddel vergezellen bij de distributie in de lidstaat van oorsprong,
indien zulks noodzakelijk wordt geacht voor het onderzoek door de bevoegde
autoriteit. De bevoegde autoriteit kan een vertaling van de toepasselijke delen van de
oorspronkelijke gebruiksaanwijzing verlangen;
-
e)naam en adres van de aanvrager;
-
f)naam die zal worden gegeven aan het in de lidstaat van invoer te distribueren gewasbeschermingsmiddel;
-
g)een ontwerp-etiket voor het op de markt te brengen product;
-
h)een monster van het product dat zal worden ingevoerd, indien de bevoegde instantie dat nodig acht;
-
i)naam en registratienummer van het referentieproduct. De informatievereisten kunnen worden gewijzigd of aangevuld en nadere gegevens en
specifieke vereisten dienen te worden vastgesteld indien een aanvraag wordt gedaan voor
een gewasbeschermingsmiddel waarvoor reeds een vergunning voor parallelhandel is
verleend en indien een aanvraag wordt gedaan voor een gewasbeschermingsmiddel voor
persoonlijk gebruik overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing bedoeld in
artikel 79, lid 4.
-
5.Een gewasbeschermingsmiddel waarvoor een vergunning voor parallelhandel is verleend, dient alleen op de markt gebracht en gebruikt te worden overeenkomstig de bepalingen van
de toelating voor het referentiemiddel. Teneinde het toezicht en de controles te
vergemakkelijken dient de Commissie voor het in te voeren product specifieke controle-
eisen vast te stellen in een verordening als bedoeld in artikel 68.
-
6.De geldigheidsduur van de vergunning voor parallelhandel verstrijkt wanneer die van de toelating voor het referentieproduct verstrijkt. Indien de houder van de toelating voor het
referentieproduct een verzoek indient tot intrekking van de toelating overeenkomstig
artikel 45, lid 1, maar nog steeds wordt voldaan aan de eisen van artikel 29, verstrijkt de
geldigheid van de vergunning voor parallelhandel op de datum waarop de toelating voor
het referentiemiddel normaal zou zijn verstreken.
-
7.Onverminderd specifieke bepalingen in dit artikel zijn de artikelen 44, 45, 46 en 55 en artikel 56, lid 4, en de hoofdstukken VI tot en met X van overeenkomstige toepassing op
gewasbeschermingsmiddelen die onder parallelhandel vallen.
-
8.Onverminderd artikel 44 kan een vergunning voor parallelhandel worden ingetrokken indien de toelating voor het ingevoerde gewasbeschermingsmiddel in de lidstaat van
oorsprong om redenen van veiligheid of werkzaamheid wordt ingetrokken.
-
9.Indien het product niet identiek is aan het referentieproduct in de zin van lid 3, kan de lidstaat van invoering de toelating voor het op de markt brengen en het gebruik alleen
verlenen overeenkomstig artikel 29.
-
10.De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die overeenkomstig artikel 53 of 54 in de lidstaat van oorsprong zijn toegelaten.
O NDERAFDELING 6 A FWIJKINGEN Artikel 53
oodsituaties op het gebied van gewasbescherming
-
1.In afwijking van artikel 28 mag een lidstaat in bijzondere omstandigheden voor een periode van ten hoogste 120 dagen toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen op de markt
worden gebracht met het oog op een beperkt en gecontroleerd gebruik, wanneer deze
maatregel nodig blijkt ingevolge een op geen enkele andere redelijke manier te bestrijden
gevaar.
De betrokken lidstaat brengt de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk op de
hoogte van de genomen maatregel en verstrekt gedetailleerde informatie over de situatie en
de maatregelen die zijn genomen om de veiligheid van de consument te garanderen.
-
2.De Commissie kan de Autoriteit om advies, of om wetenschappelijke of technische bijstand verzoeken.
De Autoriteit doet haar advies of de resultaten van haar werk binnen een maand na het
verzoek aan de Commissie toekomen.
-
3.Indien nodig wordt volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure beslist indien, en onder welke voorwaarden, de lidstaat:
-
a)de maatregel al dan niet mag verlengen of herhalen; of b) zijn maatregel moet intrekken of wijzigen.
-
4.De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die uit genetisch gemodificeerde organismen zijn samengesteld of zulke organismen bevatten,
tenzij een dergelijke introductie krachtens Richtlijn 2001/18/EG is geaccepteerd.
Artikel 54
Onderzoek en ontwikkeling
-
1.In afwijking van artikel 28 mogen experimenten of proeven voor onderzoeks- of ontwikke lingsdoeleinden waarbij een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel in het milieu wordt
gebracht of die gepaard gaan met het niet-toegelaten gebruik van een gewasbeschermings-
middel, worden uitgevoerd wanneer de lidstaat op wiens grondgebied het experiment of de
proef zal worden uitgevoerd, de beschikbare gegevens heeft beoordeeld en een toelating
voor experimentele doeleinden heeft verleend. De toelating kan een beperking inhouden
van de hoeveelheden die mogen worden gebruikt en de gebieden die mogen worden
behandeld, en kan bijkomende voorwaarden opleggen om schadelijke gevolgen voor de
gezondheid van mens of dier of onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor het milieu te
voorkomen, zoals de noodzaak te voorkomen dat levensmiddelen of diervoeders die
residuen bevatten in de voedselketen terechtkomen, tenzij reeds krachtens Verordening
(EG) nr. 396/2005 een relevante bepaling is vastgesteld.
De lidstaat kan vooraf toelating verlenen voor een programma van experimenten en
proeven, of kan voor elk experiment of elke proef afzonderlijk een vergunning eisen.
-
2.De aanvraag, vergezeld van een dossier met alle beschikbare gegevens op grond waarvan de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier en het mogelijke effect op het
milieu kunnen worden beoordeeld, wordt ingediend bij de lidstaat op wiens grondgebied
het experiment of de proef zal worden uitgevoerd.
-
3.Voor experimenten of proeven waarbij een genetisch gemodificeerd organisme in het milieu wordt gebracht, wordt geen vergunning voor experimentele doeleinden verleend,
tenzij een dergelijke introductie krachtens Richtlijn 2001/18/EG is geaccepteerd.
-
4.Lid 2 is niet van toepassing indien de lidstaat de betrokkene het recht heeft verleend bepaalde experimenten en proeven uit te voeren en de omstandigheden voor de uitvoering
heeft vastgesteld.
-
5.Voor de toepassing van dit artikel, met name wat betreft de maximumhoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen die bij experimenten of proeven mogen vrijkomen en de
gegevens die overeenkomstig lid 2 ten minste moeten worden verstrekt, kunnen nadere
regels worden vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure.
A FDELING 2
G EBRUIK EN INFORMATIE Artikel 55
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
Gewasbeschermingsmiddelen moeten op juiste wijze worden gebruikt.
Een juist gebruik houdt in dat de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken worden
toegepast, en dat wordt voldaan aan de voorschriften die overeenkomstig artikel 31 zijn vastgesteld
en op het etiket nader zijn aangegeven. Het voldoet ook aan de bepalingen van Richtlijn
*
2008/.../EG en met name aan de algemene beginselen van een geïntegreerde gewasbescherming als bedoeld in artikel 13 en in bijlage III van voornoemde richtlijn, die uiterlijk met ingang van 1
januari 2014 wordt toegepast.
*
PB: zie overweging (34).
Artikel 56
Informatie over mogelijk schadelijke of onaanvaardbare effecten
-
1.De houder van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel stelt de lidstaten die een toelating hebben verleend onmiddellijk in kennis van alle nieuwe informatie betreffende
dat gewasbeschermingsmiddel, de werkzame stof, de metabolieten daarvan, een
beschermstof, synergistisch middel of coformulant in het gewasbeschermingsmiddel, die
erop wijst dat het gewasbeschermingsmiddel niet langer beantwoordt aan de criteria van
respectievelijk artikel 29 en artikel 4.
Er wordt met name kennisgeving gedaan van mogelijk schadelijke effecten van dat
gewasbeschermingsmiddel, of van residuen van een werkzame stof, de metabolieten
daarvan, een beschermstof, synergist of formuleringshulpstof in het gewasbeschermings-
middel, voor de gezondheid van mens of dier of voor het grondwater, of van hun mogelijk
onaanvaardbare effecten voor planten of plantaardige producten of het milieu.
Daartoe noteert en rapporteert de houder van de toelating alle vermoedelijke nadelige
reacties bij de mens die met het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel verband
houden.
De kennisgevingsverplichting heeft ook betrekking op relevante informatie over
beslissingen of beoordelingen door internationale organisaties of overheidsinstanties die in
derde landen gewasbeschermingsmiddelen toelaten of werkzame stoffen goedkeuren.
-
2.De kennisgeving bevat een beoordeling of en in hoeverre de nieuwe informatie inhoudt dat het gewasbeschermingsmiddel of de werkzame stof, de metabolieten daarvan, een
beschermstof, een synergist of een formuleringshulpstof niet langer aan de eisen van
respectievelijk artikel 29, en artikel 4 of artikel 27 voldoet.
-
3.Onverminderd het recht van de lidstaten om tussentijdse beschermende maatregelen vast te stellen, evalueert de lidstaat van elke zone die het eerst een toelating heeft verleend, de
ontvangen informatie en licht deze de andere lidstaten die tot dezelfde zone behoren in
indien hij beslist de toelating overeenkomstig artikel 44 in te trekken of te wijzigen.
-
4.Hij licht de andere lidstaten en de Commissie in indien hij van oordeel is dat niet langer is voldaan aan de voorwaarden van de goedkeuring van de werkzame stof, de beschermstof
of de synergist in het gewasbeschermingsmiddel of, in geval van een formuleringshulpstof,
dat deze onaanvaardbaar wordt geacht, en stelt voor dat de goedkeuring wordt ingetrokken
of de voorwaarden worden gewijzigd.
-
5.De houder van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel meldt jaarlijks bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die zijn gewasbeschermingsmiddel hebben
toegelaten of hij over informatie beschikt met betrekking tot een onder de verwachtingen
blijvende werkzaamheid, de ontwikkeling van resistentie en elk onverwacht effect op
planten, plantaardige producten of het milieu.
Artikel 57
Verplichting om informatie beschikbaar te stellen
-
1.De lidstaten stellen informatie over gewasbeschermingsmiddelen waarvoor krachtens deze verordening toelating is verleend of de toelating is ingetrokken, elektronisch ter beschik-
king van het publiek, met minstens de volgende vermeldingen:
-
a)de naam of firmanaam van de houder van de toelating en het toelatingsnummer; b) de handelsnaam van het product; c) het soort preparaat;
-
d)de naam en het gehalte van alle werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten die het middel bevat;
-
e)de classificatie en de standaardzinnen inzake gevaren en veiligheid overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG en de in artikel 65 bedoelde verordening;
-
f)de toegelaten gebruiksdoeleinden;
-
g)de redenen waarom een toelating is ingetrokken, voor zover deze verband houden met de veiligheid.
-
2.De in lid 1 bedoelde informatie is gemakkelijk toegankelijk en wordt minstens om de drie maanden geactualiseerd.
-
3.Om de toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel te vergemakkelijken, kan volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure een informatiesysteem voor de
toelatingen worden opgezet.
HOOFDSTUK IV
TOEVOEGINGSSTOFFEN
Artikel 58
Het op de markt brengen en het gebruik van toevoegingsstoffen
-
1.Een toevoegingsstof wordt niet op de markt gebracht of gebruikt tenzij daar in de betrokken lidstaat een toelating voor is verleend overeenkomstig de voorwaarden van de in
lid 2 bedoelde verordening.
-
2.Nadere regels voor de toelating van toevoegingsstoffen, met inbegrip van de gegevensvereisten, kennisgeving, evaluatie, beoordeling en besluitvormingsprocedure
worden vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met
toetsing.
-
3.Artikel 81, lid 3, is van toepassing. HOOFDSTUK V
GEGEVENSBESCHERMING EN
UITWISSELING VAN GEGEVENS
Artikel 59
Gegevensbescherming
-
1.Test- en studieverslagen genieten gegevensbescherming overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.
De bescherming geldt voor in artikel 8, lid 2, bedoelde test- en studieverslagen betreffende
de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel, de hulpstof en het gewas-
beschermingsmiddel wanneer die door een aanvrager van een toelating overeenkomstig
deze verordening (hierna "de oorspronkelijke aanvrager" genoemd) bij een lidstaat zijn
ingediend, op voorwaarde dat deze test- en studieverslagen:
-
a)nodig waren voor de toelating of een wijziging van de toelating om toepassing op een ander gewas mogelijk te maken; en
-
b)in overeenstemming zijn verklaard met de beginselen van goede laboratorium praktijken of goede experimentele praktijken.
Wanneer een verslag beschermd is, mag de lidstaat die het heeft ontvangen het niet
gebruiken ten voordele van andere aanvragers van toelatingen voor gewasbeschermings-
middelen, beschermstoffen, synergisten of toevoegingsstoffen, met uitzondering van de
gevallen in lid 2van artikel 62 of in artikel 80.
De gegevensbeschermingsperiode duurt tien jaar vanaf de datum van de eerste toelating in
die lidstaat, met uitzondering van wat is bepaald in lid 2 of in artikel 62. Die periode wordt
verlengd tot 13 jaar voor gewasbeschermingsmiddelen die vallen onder artikel 47.
Tenzij de verlenging van de toelating is gebaseerd op extrapolatie, worden deze periodes
met drie maanden verlengd bij elke verlenging van de toelating voor beperkt gebruik als
bedoeld in artikel 51, lid 1, indien de aanvraag voor de betrokken toelatingen door de
houder van de toelating wordt ingediend uiterlijk 5 jaar na de datum van de eerste toelating
in die lidstaat. De totale gegevensbeschermingsperiode bedraagt ten hoogste 13 jaar. Voor
gewasbeschermingsmiddelen waarvoor artikel 47 geldt, duurt de totale gegevens-
beschermingsperiode ten hoogste 15 jaar.
Dezelfde gegevensbeschermingsregels als bij de eerste toelating zijn ook van toepassing op
de test- en studieverslagen die door derde partijen worden ingediend met het oog op de
verlenging van de toelating voor beperkt gebruik als bedoeld in artikel 51, lid 1.
Een studie wordt ook beschermd indien zij nodig was om een toelating te verlengen of te
herzien. De gegevensbeschermingsperiode duurt 30 maanden. De eerste tot en met vierde
alinea zijn van overeenkomstige toepassing.
-
2.Lid 1 is niet van toepassing:
-
a)op test- en studieverslagen waarvoor de aanvrager een verklaring van toegang heeft ingediend; of
-
b)wanneer een gegevensbeschermingsperiode die voor de desbetreffende test- en studieverslagen met betrekking tot een ander gewasbeschermingsmiddel was
toegekend, is verlopen.
-
3.Gegevensbescherming overeenkomstig lid 1 wordt slechts toegekend wanneer de oorspronkelijke aanvrager bij de indiening van het dossier om gegevensbescherming heeft
verzocht voor test- of studieverslagen over de werkzame stof, de beschermstof of de
synergist, de toevoegingsstof en het gewasbeschermingsmiddel en hij de betrokken lidstaat
voor elk test- of studieverslag de in artikel 8, lid 1, onder e), en artikel 33, lid 3, onder d),
bedoelde informatie heeft verstrekt, en de bevestiging dat nimmer een gegevens-
beschermingsperiode voor het test- of studieverslag is toegekend, of dat een eventueel
toegekende periode niet is verlopen.
Artikel 60
Lijst van test- en studieverslagen
-
1.Over elke werkzame stof, elke beschermstof en synergist en elke toevoegingsstof stelt de rapporteur lidstaat een lijst op van de test- en studieverslagen die nodig zijn voor een eerste
goedkeuring, een wijziging van de goedkeuringsvoorwaarden of een verlenging van de
goedkeuring, welke lijst hij ter beschikking van de lidstaten en de Commissie stelt.
-
2.Voor elk gewasbeschermingsmiddel dat zij toelaten, houden de lidstaten de volgende lijsten bij en stellen die op verzoek ter beschikking van elke belanghebbende partij:
-
a)een lijst van test- en studieverslagen over de werkzame stof, de beschermstof of de synergist, de toevoegingsstof en het gewasbeschermingsmiddel die nodig zijn voor
de eerste toelating, voor een wijziging van de toelatingsvoorwaarden of een
verlenging van de toelating; en
-
b)een lijst van de test- en studieverslagen waarvoor de aanvrager overeenkomstig artikel 59 om bescherming heeft verzocht en elke motivering die overeenkomstig dat
artikel is ingediend.
-
3.In de in de leden 1 en 2 bedoelde lijsten wordt vermeld of die test- en studieverslagen in overeenstemming met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of de beginselen
van goede experimentele praktijken zijn verklaard.
Artikel 61
Algemene regels om herhaling van proeven te voorkomen
-
1.Teneinde herhaling van proeven te voorkomen, raadpleegt een ieder die toelating voor een gewasbeschermingsmiddel wenst te krijgen, alvorens tests of studies uit te voeren, de in
artikel 57 bedoelde informatie om te zien of en aan wie reeds een toelating is verleend voor
een gewasbeschermingsmiddel dat dezelfde werkzame stof, dezelfde beschermstof of
dezelfde synergist bevat of voor een toevoegingsstof. Op verzoek van de aanvrager
verstrekt de bevoegde autoriteit hem de lijst van de voor dat product overeenkomstig
artikel 60 opgestelde test- en studieverslagen.
De aspirant-aanvrager verstrekt alle gegevens met betrekking tot de identiteit en onzuiver-
heden van de werkzame stof die hij voornemens is te gebruiken. Het verzoek om inlich-
tingen moet worden onderbouwd met gegevens waaruit blijkt dat de aspirant-aanvrager het
voornemen heeft een toelatingsaanvraag in te dienen.
-
2.De bevoegde instantie van de lidstaat moet, indien zij er zeker van is dat de aspirant aanvrager voornemens is een toelatingsaanvraag in te dienen, naam en adres van de houder
of houders van vroegere relevante toelatingen aan de aspirant-aanvrager meedelen, en
tegelijkertijd naam en adres van de aanvrager aan de houders van de toelatingen meedelen.
-
3.De aspirant-aanvrager van de toelating en de houder of houders van relevante toelatingen doen al wat redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om overeenstemming te bereiken
over de uitwisseling van test- en studieverslagen die krachtens artikel 59 zijn beschermd en
die de aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel nodig heeft.
Artikel 62
De uitwisseling van tests en studies waarbij gewervelde dieren zijn betrokken
-
1.De lidstaten gaan niet akkoord met herhalingen van tests en studies ter ondersteuning van aanvragen van een toelating waarbij gewervelde dieren zijn betrokken of met reeds
aangevangen tests en studies waarbij redelijkerwijs gebruik had kunnen worden gemaakt
van de conventionele methodes als omschreven in bijlage II bij Richtlijn 1999/45/EG. Al
wie het voornemen heeft tests en studies uit te voeren waarbij gewervelde dieren betrokken
zijn, neemt de nodige maatregelen om te verifiëren of deze tests en studies niet reeds zijn
uitgevoerd of aangevangen.
-
2.De aspirant-aanvrager en de houder of houders van de relevante toelatingen doen al het mogelijke om tests en studies waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, uit te wisselen. De
kosten van de uitwisseling van test- en studieverslagen worden op een billijke, transparante
en niet-discriminerende wijze vastgesteld. De aspirant-aanvrager is alleen verplicht deel te
nemen in de kosten voor informatie die hij moet indienen om aan de toelatingseisen te
voldoen.
-
3.Wanneer de aspirant-aanvrager en de houder of houders van de toepasselijke toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dezelfde werkzame stof, dezelfde beschermstof of
dezelfde synergist of dezelfde toevoegingsstof bevatten, geen overeenstemming kunnen
bereiken over de uitwisseling van test- en studieverslagen waarbij gewervelde dieren
betrokken zijn, licht de aspirant-aanvrager de bevoegde autoriteit van de in artikel 61, lid 1,
bedoelde lidstaat in.
Wanneer geen overeenstemming overeenkomstig lid 2 wordt bereikt, weerhoudt dat de
bevoegde autoriteit van die lidstaat er niet van de test- en studieverslagen waarbij
gewervelde dieren betrokken zijn, voor de aanvraag door de aspirant-aanvrager te
gebruiken.
-
4.De houder/houders van de betrokken toelating heeft/hebben een vordering op de aspirant aanvrager voor een gelijke deelname in de aangegane kosten. De bevoegde autoriteit van
de lidstaat kan de betrokken partijen opdragen de zaak op te lossen door middel van
formele en bindende arbitrage overeenkomstig het nationaal recht. Bij wijze van alternatief
kunnen de partijen de zaak oplossen door het geschil voor te leggen aan de rechterlijke
instanties van de lidstaten. Bij de uitspraken in het kader van de arbitrage of de geschillen-
beslechting wordt rekening gehouden met de in lid 2 bepaalde beginselen; de uitspraken
zijn uitvoerbaar in de rechterlijke instanties van de lidstaten.
HOOFDSTUK VI
TOEGANG VAN HET PUBLIEK TOT INFORMATIE
Artikel 63
Vertrouwelijkheid
-
1.Een persoon die verzoekt om vertrouwelijke behandeling van de informatie die hij overeenkomstig deze verordening indient, overlegt een verifieerbare verantwoording om
aan te tonen dat openbaarmaking zijn commerciële belangen of de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke integriteit kan ondermijnen.
-
2.Openbaarmaking van de volgende informatie wordt normaliter geacht de bescherming van de commerciële belangen of van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van de
betrokkenen in gevaar te brengen:
-
a)de productiemethode;
-
b)de specificatie van de onzuiverheid van de werkzame stof, met uitzondering van de onzuiverheden die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht als
relevant worden beschouwd;
-
c)de resultaten over productiepartijen van de werkzame stof die onzuiverheden bevatten;
-
d)de methoden voor de analyse van onzuiverheden in de werkzame stof zoals die industrieel wordt vervaardigd, met uitzondering van de methoden voor onzuiver-
heden die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht als relevant
worden beschouwd;
-
e)de banden tussen een producent of importeur en de aanvrager of de houder van de toelating;
-
f)informatie over de volledige samenstelling van een gewasbeschermingsmiddel;
-
g)namen en adressen van personen die betrokken zijn bij tests op gewervelde dieren.
-
3.Dit artikel doet geen afbreuk aan Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van
1
het publiek tot milieu-informatie . HOOFDSTUK VII
VERPAKKING EN ETIKETTERING VAN
GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN HULPSTOFFEN
EN RECLAME DAARVOOR
Artikel 64
Verpakking en presentatie
-
1.Gewasbeschermingsmiddelen en hulpstoffen die met levensmiddelen, drank of diervoeder kunnen worden verward, worden zodanig verpakt dat de kans op verwarring zo gering
mogelijk is.
-
2.Aan gewasbeschermingsmiddelen en hulpstoffen die voor het grote publiek beschikbaar zijn en met levensmiddelen, drank of diervoeder kunnen worden verward, worden
bestanddelen toegevoegd die consumptie ervan ontmoedigen of voorkomen.
-
3.Artikel 9 van Richtlijn 1999/45/EG is ook van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen en hulpstoffen die niet onder die richtlijn vallen.
1
PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.
Artikel 65
Etikettering
-
1.De etikettering van gewasbeschermingsmiddelen voldoet aan de indelings-, verpakkings- en kenmerkingvoorschriften van Richtlijn 1999/45/EG en aan de voorschriften van een
verordening die wordt aangenomen volgens de in artikel 79, lid 4, bedoelde regelgevings-
procedure met toetsing.
Die verordening bevat ook standaardzinnen voor bijzondere gevaren en veiligheids-
adviezen ter aanvulling van de zinnen in Richtlijn 1999/45/EG. Zij omvat de tekst van
artikel 16 en van de bijlagen IV en V bij Richtlijn 91/414/EEG met de eventueel nodige
wijzigingen.
-
2.De lidstaten kunnen eisen dat monsters of modellen van de verpakking en ontwerpen van etiketten en bijsluiters worden verstrekt voordat de toelating wordt verleend.
-
3.Wanneer een lidstaat van oordeel is dat bijkomende zinnen nodig zijn ter bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu, stelt hij de andere lidstaten en de
Commissie daarvan onverwijld in kennis en deelt hij de bijkomende zin of zinnen, alsmede
de redenen voor deze voorschriften, mee.
Deze zinnen zullen voor opneming in de in lid 1 bedoelde verordening in overweging
worden genomen.
In afwachting van deze opneming kan de lidstaat eisen dat de bijkomende zin of zinnen
worden gebruikt.
Artikel 66
Reclame
-
1.Voor niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen wordt geen reclame gemaakt. Elke reclame voor een gewasbeschermingsmiddel gaat vergezeld van de zinnen: "Gebruik
gewasbeschermingsmiddelen veilig. Lees vóór gebruik eerst het etiket en de product-
informatie." Deze zinnen moeten gemakkelijk leesbaar zijn en binnen de reclametekst
duidelijk opvallen. Het woord "gewasbeschermingsmiddelen" mag worden vervangen door
een nauwkeuriger aanduiding van de productsoort, bijvoorbeeld fungicide, insecticide of
herbicide.
-
2.De reclame mag geen informatie in woord of beeld bevatten die misleidend kan zijn met betrekking tot de mogelijke gevaren voor de gezondheid van mens of dier of voor het
milieu, zoals de termen "gering risico", "niet giftig" of "ongevaarlijk".
Enkel in geval van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico is het toegestaan om
in de reclame de omschrijving "toegelaten als gewasbeschermingsmiddel met een laag
risico overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2008*" te gebruiken. De omschrijving mag
niet als claim op het etiket van het gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt.
-
3.Alle in reclame gebruikte verklaringen moeten technisch verantwoord kunnen worden.
-
4.Reclame mag geen visuele voorstelling behelzen van potentieel gevaarlijke praktijken, zoals vermenging of toepassing zonder voldoende beschermende kleding, noch gebruik in
de nabijheid van voedsel, of door of in de nabijheid van kinderen.
*
PB: nummer van deze verordening invullen.
-
5.Reclame- en promotiemateriaal moet de aandacht vestigen op de passende waarschuwings zinnen en -symbolen als vastgelegd in de etikettering.
HOOFDSTUK VIII
CONTROLES
Artikel 67
Bijhouden van registers
-
1.Producenten, leveranciers, distributeurs, importeurs, exporteurs en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen houden registers bij van de gewas-
beschermingsmiddelen die zij produceren, invoeren, uitvoeren, opslaan, gebruiken of op de
markt brengen en bewaren die gedurende ten minste 3 jaar.
Relevante informatie in deze registers stellen zij op verzoek ter beschikking van de
bevoegde autoriteit. Derde partijen, zoals de drinkwaterindustrie, kunnen zich tot de
bevoegde autoriteit wenden met het verzoek toegang tot deze informatie te verkrijgen.
-
2.Houders van een toelating verstrekken de bevoegde autoriteiten van de lidstaten alle informatie over het verkoopvolume van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig de
1
verordening betreffende statistieken over gewasbeschermingsmiddelen *.
1
PB L *
PB: gegevens invullen.
-
3.Uitvoeringsmaatregelen om de uniforme toepassing van de leden 1 en 2 te waarborgen, worden overeenkomstig de regelgevingsprocedure van artikel 79, lid 3, vastgesteld.
Artikel 68
Toezicht en controles
-
1.De lidstaten voeren officiële controles uit om deze verordening te doen naleven. Zij sturen de Commissie een definitief verslag over de omvang en de resultaten van deze controles
binnen zes maanden na afloop van het jaar waarop dat verslag betrekking heeft.
-
2.Deskundigen van de Commissie voeren in de lidstaten algemene en specifieke audits uit op de door de lidstaten uitgevoerde officiële controles.
-
3.Bij een verordening die is vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, worden de voorschriften voor de controles op met
name de productie, de verpakking, de etikettering, de opslag, het vervoer, het op de markt
brengen, de formulering, de parallelhandel en het gebruik van gewasbeschermings-
middelen bepaald. Zij bevat eveneens bepalingen met betrekking tot het verzamelen van
informatie en de rapportering over vermoedelijke vergiftigingen.
HOOFDSTUK IX
NOODSITUATIES
Artikel 69
oodmaatregelen
Wanneer duidelijk is dat een goedgekeurde stof, beschermstof, synergistisch middel of coformulant
of een overeenkomstig deze verordening toegelaten gewasbeschermingsmiddel waarschijnlijk een
ernstig risico inhoudt voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, en dat dit risico niet
toereikend kan worden bestreden met maatregelen van de betrokken lidstaat of lidstaten, worden
volgens de regelgevingsprocedure van artikel 79, lid 3, op eigen initiatief van de Commissie of op
verzoek van een lidstaat, onmiddellijk maatregelen genomen om het gebruik en/of de verkoop van
die stof of dat middel te beperken of te verbieden. Alvorens deze maatregelen te nemen, onderzoekt
de Commissie het bewijsmateriaal en kan zij advies van de Autoriteit inwinnen. De Commissie kan
een termijn vaststellen waarbinnen een dergelijk advies moet worden verstrekt.
Artikel 70
oodmaatregelen in uiterst spoedeisende gevallen
In afwijking van artikel 69 kan de Commissie in uiterst spoedeisende gevallen voorlopig nood-
maatregelen aannemen, na de betrokken lidstaat of lidstaten te hebben geraadpleegd en de overige
lidstaten in kennis te hebben gesteld.
Deze maatregelen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk na tien werkdagen, volgens de
regelgevingsprocedure van artikel 79, lid 3, bevestigd, gewijzigd, ingetrokken of verlengd.
Artikel 71
Andere noodmaatregelen
-
1.Wanneer een lidstaat de Commissie officieel in kennis stelt van de noodzaak om nood maatregelen te nemen en er geen maatregelen zijn genomen overeenkomstig de
artikelen 69 of 70, kan de lidstaat tijdelijke beschermende maatregelen vaststellen. In dat
geval stelt hij de overige lidstaten en de Commissie onverwijld daarvan in kennis.
-
2.De Commissie legt de aangelegenheid binnen dertig werkdagen volgens de regelgevings procedure van artikel 79, lid 3, voor aan het bij artikel 79, lid 1, ingestelde comité met het
oog op de verlenging, wijziging of intrekking van de tijdelijke beschermende nationale
maatregelen.
-
3.De lidstaat mag zijn tijdelijke beschermende nationale maatregelen handhaven tot communautaire maatregelen zijn vastgesteld.
HOOFDSTUK X
ADMINISTRATIEVE EN FINANCIËLE BEPALINGEN
Artikel 72
Sancties
De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze
verordening en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat zij ten uitvoer worden gelegd.
Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze regels en eventueel daarin
aangebrachte wijzigingen.
Artikel 73
Burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid
Het verlenen van een toelating en alle andere maatregelen overeenkomstig deze verordening doen
geen afbreuk aan de algemene burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid, in de lidstaten, van
de fabrikant en, indien van toepassing, van de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt
brengen of het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel.
Artikel 74
Vergoedingen en heffingen
-
1.Lidstaten kunnen de kosten veroorzaakt door werkzaamheden die zij binnen de werkings sfeer van deze verordening uitvoeren, via vergoedingen of heffingen terugvorderen.
-
2.De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde vergoedingen of heffingen: a) op transparante wijze worden vastgesteld; en
-
b)overeenstemmen met de werkelijke kosten van het verrichte werk, tenzij het openbaar belang is gediend met een verlaging van de vergoedingen of heffingen.
De vergoedingen of heffingen kunnen bestaan uit een lijst met vaste heffingen die
gebaseerd zijn op de gemiddelde kosten van de in lid 1 bedoelde werkzaamheden.
Artikel 75
Bevoegde autoriteit
-
1.Elke lidstaat wijst een of meer bevoegde autoriteiten aan voor de uitvoering van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen van de lidstaten.
-
2.Elke lidstaat wijst een nationale coördinerende autoriteit aan die alle nodige contacten met de aanvragers, andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit coördineert en verzorgt.
-
3.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over voldoende geschikte, gekwalificeerde en ervaren medewerkers opdat de in deze verordening
omschreven verplichtingen doelmatig en efficiënt wordt uitgevoerd.
-
4.Elke lidstaat stelt de Commissie, de Autoriteit en de nationale coördinatieautoriteiten van de andere lidstaten in kennis van alle bijzonderheden over zijn nationale coördinatie-
autoriteit(en) en van alle wijzigingen daarvan.
-
5.De Commissie publiceert op haar website een lijst van de in de leden 1 en 2 bedoelde autoriteiten, en houdt die actueel.
Artikel 76
Uitgaven door de Commissie
-
1.De Commissie kan uitgaven doen voor activiteiten die bijdragen tot de doelstellingen van deze verordening, met name voor de organisatie van de volgende maatregelen:
-
a)de ontwikkeling van een geharmoniseerd systeem, inclusief een geschikte databank, om alle informatie over werkzame stoffen, beschermstoffen, synergisten,
formuleringshulpstoffen, gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen te
verzamelen en op te slaan, en om deze informatie ter beschikking te stellen van de
lidstaten, producenten en andere belanghebbenden;
-
b)het uitvoeren van studies die nodig zijn voor de voorbereiding en ontwikkeling van nieuwe regelgeving met betrekking tot het op de markt brengen en het gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen;
-
c)het uitvoeren van studies die nodig zijn voor de harmonisatie van de procedures, besluitvormingscriteria en vereiste gegevens;
-
d)de coördinatie, zo nodig met elektronische middelen, van de samenwerking tussen de lidstaten, de Commissie en de Autoriteit en maatregelen om de taakverdeling te
vergemakkelijken;
-
e)de ontwikkeling en het onderhoud van een gecoördineerd elektronisch systeem voor de indiening en beoordeling van de aanvragen, dat tot doel heeft de elektronische
uitwisseling van documenten en de werkverdeling tussen de aanvragers, de lidstaten,
de Commissie en de Autoriteit te bevorderen;
-
f)de opstelling van richtsnoeren om de dagelijkse tenuitvoerlegging van deze verordening te vergemakkelijken;
-
g)de reis- en verblijfskosten van deskundigen uit de lidstaten die door de Commissie zijn benoemd om haar deskundigen bij te staan in het kader van controleactiviteiten
die bij artikel 68 zijn vastgesteld;
-
h)de opleiding van controleurs;
-
i)de financiering van andere maatregelen die nodig zijn om de toepassing van de krachtens artikel 68 vastgestelde verordening te waarborgen.
-
2.Voor de kredieten die ingevolge lid 1 nodig zijn, is elk begrotingsjaar de goedkeuring van de begrotingsautoriteit vereist.
Artikel 77
Richtsnoeren
De Commissie kan volgens de in artikel 79, lid 2, bedoelde raadgevingsprocedure technische en
andere richtsnoeren voor de toepassing van deze verordening opstellen of wijzigen. De Commissie
kan de Autoriteit verzoeken dergelijke richtsnoeren op te stellen of ertoe bij te dragen.
Artikel 78
Wijzigingen en uitvoeringsmaatregelen
-
1.De volgende maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 79,
lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
-
a)wijzigingen van de bijlagen, in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis;
-
b)wijzigingen van de verordeningen inzake gegevensvereisten voor werkzame stoffen en voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c),
in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis;
-
c)wijzigingen van de verordening inzake uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 29, lid 6, in
het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis;
-
d)een verordening betreffende uitstel van het verstrijken van de in artikel 17, tweede alinea, bedoelde goedkeuringsperiode;
-
e)een verordening betreffende gegevenseisen voor beschermstoffen en synergisten als bedoeld in artikel 25, lid 3;
-
f)een verordening tot opstelling van het werkprogramma voor beschermstoffen en synergisten als bedoeld in artikel 26;
-
g)de opneming van formuleringshulpstoffen in bijlage III, als bedoeld in artikel 27, lid 2;
-
h)verlenging van de in artikel 30, lid 3 bedoelde termijn voor de toepassing van deze verordening op voorlopige toelatingen;
-
i)gegevens over parallelhandel, al bedoeld in artikel 52, lid 4;
-
j)nadere regels voor hulpstoffen als bedoeld in artikel 58, lid 2;
-
k)een verordening bevattende de eisen inzake de etikettering van grasbeschermings middelen als bedoeld in artikel 65, lid 1;
-
l)een verordening inzake controle als bedoeld in artikel 68.
-
2.Alle verdere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van deze verordening kunnen volgens de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure worden vastgesteld.
-
3.Volgens de raadgevingsprocedure van artikel 79, lid 2, wordt een verordening vastgesteld met de lijst van werkzame stoffen die in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG is opgenomen.
Deze stoffen worden geacht krachtens deze verordening te zijn goedgekeurd.
Artikel 79
Comitéprocedure
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, hierna "het
comité" genoemd.
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
-
3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op
drie maanden.
-
4.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
-
5.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en lid 5, onder a), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van
artikel 8 daarvan.
De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), en lid 4, onder b) en e), van Besluit 1999/468/EG
bedoelde termijnen worden vastgesteld op respectievelijk twee maanden, een maand en
twee maanden.
HOOFSTUK XI
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 80
Overgangsbepalingen
-
1.Richtlijn 91/414/EEG blijft van toepassing, wat de procedure en de goedkeurings voorwaarden betreft:
-
a)op werkzame stoffen waarvoor overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG een besluit is genomen voor....maanden na de inwerkingtreding van
deze verordening;
-
b)op werkzame stoffen die zijn opgesomd in bijlage I bij Verordening (EG) 1
nr. 737/2007 ; of
-
c)op werkzame stoffen waarvan de volledigheid is vastgesteld overeenkomstig 2
artikel 16 van Verordening (EG) nr. 33/2008 ; of
-
d)op werkzame stoffen waarvan de volledigheid is vastgesteld overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 33/2008 voor ......maanden na de
inwerkingtreding van deze verordening.
1
PB L 169 van 29.6.2003, blz. 10. 2
PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.
Op grond van het onderzoek dat in het kader van Richtlijn 91/414/EEG is uitgevoerd,
wordt krachtens artikel 13, lid 2, van deze verordening een verordening tot goedkeuring
van een dergelijke stof vastgesteld. Voor onder b) vermelde stoffen wordt deze goed-
keuring niet beschouwd als een verlenging van de goedkeuring bedoeld in artikel 14.
-
2.Artikel 13, leden 1 tot en met 4, van en de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG blijven van toepassing op werkzame stoffen die zijn opgenomen in bijlage I bij de richtlijn
en op werkzame stoffen die overeenkomstig lid 1 van dit artikel zijn goedgekeurd:
-
a)voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van hun opname of goed keuring, voor werkzame stoffen die onder artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG
vallen;
-
b)voor een periode van tien jaar te rekenen vanaf de datum van hun opname of goed keuring, voor werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving
(26 juli 1993) van Richtlijn 91/414/EEG niet op de markt waren;
-
c)voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de verlenging van de opname of van de goedkeuring, voor werkzame stoffen waarvan de opname in bijlage I bij Richtlijn
91/414/EEG uiterlijk twee jaar na de datum van bekendmaking van deze verordening
verstrijkt. Deze bepaling geldt alleen voor gegevens die nodig zijn voor de ver-
lenging van de goedkeuring en die uiterlijk twee jaar na de bekendmaking van deze
verordening in overeenstemming met de beginselen van goede laboratorium-
praktijken zijn verklaard.
-
3.Wanneer uit hoofde van lid 1 of lid 2 artikel 13 van Richtlijn 91/414/EEG van toepassing is, gelden de eventuele speciale regels met betrekking tot de richtlijn die zijn vastgesteld in
de Toetredingsakte waarbij een lidstaat tot de Gemeenschap is toegetreden.
-
4.Voor werkzame stoffen waarvan de eerste goedkeuring uiterlijk drie jaar na de inwerking treding van deze verordening vervalt, dient een producent van de werkzame stof de
aanvraag waarin artikel 14 voorziet uiterlijk twee jaar vóór de eerste goedkeuring vervalt
bij een lidstaat in, met kopie aan de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit.
-
5.Over aanvragen voor toelatingen van een gewasbeschermingsmiddel
-
a)uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn 91/414/EEG die in behandeling zijn in de lidstaat of
-
b)die zullen worden gewijzigd of ingetrokken na de opneming in bijlage I van Richtlijn 91/414/EEG of na goedkeuring overeenkomstig lid 1 van dit artikel,
wordt 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening een beslissing
genomen op basis van de voordien geldende nationale wetgeving.
Na die beslissing is de verordening van toepassing.
-
6.Middelen die overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 91/414/EEG zijn geëtiketteerd, mogen nog 66 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening op de markt worden
gebracht.
-
7.Binnen 78 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie een lijst op van de in bijlage I van Richtlijn 1991/414/EEG opgenomen stoffen die voldoen aan
de criteria van punt 4 van bijlage II. van deze verordening en waarop de criteria van artikel
50 van deze verordening van toepassing zijn.
Artikel 81
Afwijking voor beschermstoffen en synergisten,
formuleringshulpstoffen en hulpstoffen
-
1.In afwijking van artikel 28, lid 1, kan een lidstaat gedurende een periode van vijf jaar na de vaststelling van het in artikel 26 bedoelde programma toelaten dat op zijn grondgebied
gewasbeschermingsmiddelen op de markt worden gebracht die beschermstoffen en
synergisten bevatten die niet zijn goedgekeurd, maar die in dat programma zijn
opgenomen.
-
2.In afwijking van artikel 27 en onverminderd de communautaire wetgeving kunnen de lidstaten uiterlijk gedurende vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze
verordening nationale wetgeving toepassen op formuleringshulpstoffen die niet zijn
opgenomen in bijlage III.
Indien een lidstaat na het verstrijken van deze periode ernstige redenen heeft om aan te
nemen dat een niet in bijlage III opgenomen coformulant een ernstige bedreiging vormt
voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, kan hij het gebruik van de
coformulant in kwestie op zijn grondgebied tijdelijk verbieden of beperken. Hij stelt de
andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis onder vermelding van de
redenen die tot zijn besluit hebben geleid. Artikel 71 is van toepassing.
-
3.In afwijking van artikel 58, lid 1, kunnen de lidstaten nationale wetgeving toepassen op toelatingen voor hulpstoffen totdat de in artikel 58, lid 2, bedoelde nadere regels zijn
vastgesteld.
Artikel 82
Evaluatieclausule
De Commissie dient binnen vijf jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de
werking van de wederzijdse erkenning inzake toelatingen, in het bijzonder over de toepassing door
de lidstaten van de bepalingen van artikel 36, lid 3, en artikel 50, lid 2; onder a),de verdeling van de
Europese Unie in drie zones en de toepassing van de criteria voor de goedkeuring van werkzame
stoffen, beschermstoffen en synergisten, weergegeven in bijlage II, en het effect daarvan op de
diversificatie en het concurrentievermogen van de landbouw alsook op de menselijke gezondheid en
het milieu. Het verslag kan indien nodig vergezeld gaan van passende wetgevingsvoorstellen om
deze bepalingen te wijzigen.
Artikel 83
Intrekking
Onverminderd artikel 80, worden de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG, als gewijzigd bij de
in bijlage V opgenomen besluiten, met ingang van ... ingetrokken, onverminderd de in die bijlage vermelde verplichtingen van de lidstaten inzake de termijnen voor de omzetting in nationaal recht
en de toepassing van de richtlijnen.
18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze verordening.
Verwijzingen naar andere communautaire wetgeving, met name naar Verordening (EG)
nr. 1782/2003 en naar artikel 3 van Richtlijn 91/414/EEG, gelden als verwijzingen naar artikel 55
van onderhavige verordening.
Artikel 84
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in
het Publicatieblad van de Europese Unie.
Binnen achttien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie de
volgende verordeningen vast:
-
a)een verordening met de lijst van de werkzame stoffen die op het ogenblik van de bekend making van die verordening al waren goedgekeurd;
-
b)een verordening inzake vereiste gegevens voor werkzame stoffen, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b);
-
c)een verordening inzake vereiste gegevens voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c);
-
d)een verordening inzake uniforme beginselen voor de risicobeoordeling van gewas beschermingsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 36;
-
e)een verordening met de etiketteringsvoorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 65, lid 1;
*
Deze verordening is van toepassing vanaf ... .
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te
Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter
*
18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
BIJLAGE I
Vastlegging van de zones voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
Zone A - Noord
De volgende lidstaten behoren tot deze zone:
Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Finland, Zweden
Zone B - Centrum
De volgende lidstaten behoren tot deze zone:
België, Tsjechië, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen,
Roemenië, Slovenië, Slowakije, Verenigd Koninkrijk
Zone C - Zuid
De volgende lidstaten behoren tot deze zone:
Bulgarije, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Cyprus, Malta, Portugal
BIJLAGE II
Procedure en criteria voor de goedkeuring van werkzame stoffen,
beschermstoffen en synergisten overeenkomstig hoofdstuk II
-
1.Evaluatie
1.1. Tijdens het beoordelings- en besluitvormingsproces waarin de artikelen 4 tot en
met 21 voorzien, werken de als rapporteur lidstaat en de Autoriteit met de aanvragers
samen om eventuele problemen in verband met het dossier snel op te lossen of om in
een vroeg stadium te bepalen welke nadere toelichting of aanvullend onderzoek
eventueel nodig is voor de beoordeling van het dossier, inclusief informatie om een
beperking van de goedkeuring overbodig te maken, of om in de voorgestelde
gebruiksvoorwaarden voor het gewasbeschermingsmiddel wijzigingen aan te
brengen, of de aard of samenstelling van het gewasbeschermingsmiddel zodanig te
veranderen dat volledig aan de eisen van deze verordening wordt voldaan.
1.2. De beoordeling door de Autoriteit en de rapporteur lidstaat moet op
wetenschappelijke beginselen en op deskundig advies gebaseerd zijn.
1.3. Tijdens het beoordelings- en besluitvormingsproces waarin de artikelen 4 tot en
met 21 voorzien, houden de lidstaten en de Autoriteit rekening met verdere
richtsnoeren die in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de
diergezondheid zijn opgesteld om de risicobeoordeling in voorkomend geval te
verfijnen.
-
2.Algemene besluitvormingscriteria
2.1. Aan artikel 4 wordt enkel geacht te zijn voldaan wanneer op basis van het ingediende
dossier wordt verwacht dat een toelating in minstens één lidstaat mogelijk is voor
minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof in kwestie bevat en
voor minstens één van de representatieve gebruiksdoeleinden.
2.2. Indiening van aanvullende gegevens
In principe wordt een werkzame stof, beschermstof of synergist slechts goedgekeurd wanneer een volledig dossier is ingediend.
In uitzonderlijke gevallen kan een werkzame stof, beschermstof of synergist worden goedgekeurd, ook als bepaalde gegevens nog moeten worden ingediend:
-
a)wanneer de vereiste gegevens na de indiening van het dossier werden gewijzigd of verfijnd, of;
-
b)wanneer de informatie als een bevestiging wordt beschouwd, die vereist is om het vertrouwen in de beslissing te vergroten.
2.3. Beperkingen van de goedkeuring
Indien nodig kunnen voor de goedkeuring voorwaarden en beperkingen als bedoeld in artikel 6 gelden.
Wanneer de rapporterende lidstaat van oordeel is dat in het ingediende dossier bepaalde informatie ontbreekt, zodat de werkzame stof alleen met beperkingen kan
worden goedgekeurd, neemt hij in een vroeg stadium contact op met de aanvrager
om meer gegevens te verkrijgen, waardoor deze beperkingen eventueel kunnen
worden opgeheven.
-
3.Criteria voor de goedkeuring van een werkzame stof 3.1. Dossier
De dossiers die overeenkomstig artikel 7, lid 1, worden ingediend, bevatten de nodige gegevens om in voorkomend geval de aanvaardbare dagelijkse inname
(Acceptable Daily Intake - ADI), het aanvaardbare niveau van blootstelling
(Acceptable Operator Exposure Level - AOEL) en de acute referentiedosis (Acute
Reference Dose - ARfD) vast te stellen.
In het geval van een werkzame stof, beschermstof of synergist waarvoor een of meer representatieve gebruiksdoeleinden de toepassing op voor voedsel of diervoeder
bestemde gewassen omvat/omvatten of indirect leidt/leiden tot residuen in
levensmiddelen of diervoeders, bevat het overeenkomstig artikel 7, lid 1, ingediende
dossier de nodige gegevens voor de uitvoering van een risicobeoordeling en voor de
handhaving.
Het dossier maakt het met name mogelijk: a) elk relevant residu te definiëren;
-
b)de residuen in levensmiddelen en diervoeders, inclusief in volgende gewassen, op betrouwbare wijze te voorspellen;
-
c)in voorkomend geval het overeenkomstig residugehalte na verwerking en/of vermenging op betrouwbare wijze te voorspellen;
-
d)een maximumresidugehalte te bepalen en volgens passende, algemeen gangbare methoden vast te stellen voor het middel en, in voorkomend geval,
voor producten van dierlijke oorsprong wanneer het middel of delen daarvan
aan dieren wordt/worden gevoerd;
-
e)in voorkomend geval concentratie- of verdunningsfactoren ingevolge verwerking en/of vermenging vast te stellen.
Het overeenkomstig artikel 7, lid 1, ingediende dossier volstaat om in voorkomend geval een raming te maken van het gedrag en de verspreiding van de werkzame stof
in het milieu, en van zijn effect op niet-doelsoorten.
3.2. Werkzaamheid
Een werkzame stof alleen of in combinatie met een beschermstof of synergist wordt alleen goedgekeurd wanneer voor een of meer representatieve gebruiksdoeleinden is
vastgesteld dat het gewasbeschermingsmiddel, na een toepassing die in
overeenstemming is met goede gewasbeschermingspraktijken en rekening houdend
met realistische gebruiksomstandigheden, voldoende werkzaam is. Deze eis wordt
beoordeeld in het licht van de uniforme beginselen voor de beoordeling en de
toelating van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de tweede alinea van
artikel 29, lid 6.
3.3. Relevantie van metabolieten
Indien van toepassing volstaat de ingediende documentatie om te kunnen vaststellen of metabolieten in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht relevant
zijn.
3.4. Samenstelling van de werkzame stof, de beschermstof of de synergist
3.4.1. De specificatie definieert de minimale zuiverheidsgraad, de identiteit en het
maximale gehalte aan onzuiverheden, en in voorkomend geval het maximale
gehalte aan isomeren/diastero-isomeren en additieven, en het gehalte aan
onzuiverheden die in toxicologisch, ecotoxicologisch of milieuopzicht binnen
aanvaardbare grenzen van belang zijn.
3.4.2. Als in voorkomend geval een relevante FAO-specificatie bestaat, is de
specificatie daarmee in overeenstemming. Wanneer dat om redenen van
bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu nodig is,
kunnen echter striktere specificaties worden vastgesteld.
3.5. Analysemethoden
3.5.1. De methoden voor de analyse van de werkzame stof, de beschermstof of de
synergist zoals industrieel vervaardigd, en voor het bepalen van de
onzuiverheden die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht van
belang zijn of die aanwezig zijn in hoeveelheden groter dan 1 g/kg in de
werkzame stof, de beschermstof of de synergist zoals industrieel vervaardigd,
moeten gevalideerd zijn en moeten voldoende specifiek, correct gekalibreerd,
accuraat en nauwkeurig gebleken zijn.
3.5.2. De methode voor de analyse van residuen voor de actieve stof en de relevante
metabolieten in planten-, dieren- en milieu-matrices en in drinkwater,
naargelang het geval, moet gevalideerd zijn en moet voldoende gevoelig
gebleken zijn, wat de tot bezorgdheid aanleiding gevende gehalten betreft.
3.5.3. De beoordeling is uitgevoerd overeenkomstig de uniforme beginselen voor de
beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in
artikel 29, lid 6.
3.6. Effecten op de gezondheid van de mens
3.6.1. In voorkomend geval worden de ADI, het AOEL en de ARfD vastgesteld. Bij
de vaststelling van dergelijke waarden wordt een passende veiligheidsmarge
van ten minste 100 in acht genomen, waarbij rekening wordt gehouden met het
soort en de ernst van de effecten en de kwetsbaarheid van specifieke
bevolkingsgroepen.
3.6.2. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt slechts goedgekeurd
wanneer zij/het op grond van een beoordeling van vervolg-genotoxiciteits-
onderzoek dat werd uitgevoerd overeenkomstig de vereiste gegevens voor de
werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten en andere beschikbare
gegevens, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur,
beoordeeld door de Autoriteit, overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG niet als
mutagen van categorie 1 of 2 is of moet worden ingedeeld.
3.6.3. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt slechts goedgekeurd
wanneer zij/het op grond van een beoordeling van carcinogeniteitsonderzoek
dat werd uitgevoerd overeenkomstig de vereiste gegevens voor de werkzame
stoffen, beschermstoffen of synergisten en andere beschikbare gegevens, met
inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur, beoordeeld
door de Autoriteit, overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG niet als carcinogeen
van categorie 1 of 2 is of moet worden ingedeeld, tenzij de blootstelling van
mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of die synergistin een
gewasbeschermingsmiddel in de voorgestelde realistische gebruiksomstandig-
heden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het product wordt gebruikt in
gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen
uitsluiten, en waarbij residuen van de werkzame stof, de beschermstof of de
synergist in kwestie in levensmiddelen en diervoeders de overeenkomstig
artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 396/2005 vastgestelde
standaardwaarde niet overschrijden.
3.6.4. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt slechts goedgekeurd
wanneer zij/het op grond van een beoordeling van reproductietoxiciteits-
onderzoek dat werd uitgevoerd overeenkomstig de vereiste gegevens voor de
werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten en andere beschikbare
gegevens, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur,
beoordeeld door de Autoriteit, overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG niet als
voor de voortplanting vergiftig, categorie 1 of 2, is of moet worden ingedeeld,
tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of
die synergist in een gewasbeschermingsmiddel in de voorgestelde realistische
gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het product
wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact
met mensen uitsluiten, en waarbij residuen van de werkzame stof, de
beschermstof of de synergist in kwestie in levensmiddelen en diervoeders de
overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 396/2005
vastgestelde standaardwaarde niet overschrijden.
3.6.5. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt slechts goedgekeurd
wanneer zij/het overeenkomstig de beoordeling op grond van communautaire
of internationale richtsnoeren voor het uitvoeren van proeven of andere
beschikbare gegevens en informatie, met inbegrip van een overzicht van de
wetenschappelijke literatuur, beoordeeld door de Autoriteit, niet wordt geacht
hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor
de mens, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die
beschermstof of die synergist in een gewasbeschermingsmiddel in de
voorgestelde realistische gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil
zeggen dat het product wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere
omstandigheden die contact met mensen uitsluiten en waarbij residuen van de
werkzame stof, de beschermstof of de synergist in kwestie in levensmiddelen
en diervoeders de overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening
(EG) nr. 396/2005 vastgestelde standaardwaarde niet overschrijden.
3.7. Gedrag in het milieu
3.7.1. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt slechts goedgekeurd
wanneer zij/het niet als een persistente organische verontreinigende stof (POP)
wordt beschouwd.
Een stof die aan de drie onderstaande criteria voldoet, is een POP: a) persistentie:
-
i)bewijs dat de DT50 van de stof in water groter is dan twee maanden, de DT50 ervan in de bodem groter is dan zes maanden,
of de DT50 ervan in sedimenten groter is dan zes maanden; en
-
b)bioaccumulatie:
-
i)bewijs dat de bioconcentratiefactor of bioaccumulatiefactor van de stof voor waterorganismen groter is dan 5 000 of, bij gebreke van
dergelijke gegevens, dat de log Ko/w groter is dan 5;
-
ii)bewijs dat de werkzame stof, de beschermstof of de synergist middel om andere redenen zorgwekkend is, zoals een grote
bioaccumulatie in andere niet-doelsoorten, hoge toxiciteit of
ecotoxiciteit; en
-
c)potentieel voor transport over lange afstand in het milieu: i) gemeten niveaus van de werkzame stof, de beschermstof of de synergistop locaties die ver verwijderd zijn van de plaats waar de
stof is vrijgekomen en die potentieel zorgwekkend zijn;
-
ii)monitoringgegevens die aantonen dat transport van de werkzame stof, de beschermstof of de synergist over lange afstand in het
milieu, met een mogelijke overbrenging op een ontvangend milieu,
kan hebben plaatsgevonden door de lucht, via water of via
migrerende diersoorten; of
-
iii)kenmerken met betrekking tot de lotgevallen in het milieu en/of uitkomsten van modellen die aantonen dat de werkzame stof, de
beschermstof of de synergist over grote afstand in het milieu kan
worden getransporteerd door de lucht, via water of via migrerende
diersoorten, met de kans op overbrenging op een ontvangend
milieu op locaties die ver verwijderd zijn van de plaats waar de stof
is vrijgekomen. Voor een werkzame stof, beschermstof of synergist
waarvan de verplaatsing door de lucht aanzienlijk is, moet de DT50
in de lucht meer dan twee dagen bedragen.
3.7.2. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt slechts goedgekeurd
wanneer zij/het niet als een persistente, bioaccumulerende en toxische (PBT)
stof wordt beschouwd.
Een stof die aan de drie onderstaande criteria voldoet, is een PBT-stof.
3.7.2.1. Persistentie
Een werkzame stof, beschermstof of synergist voldoet aan het persistentiecriterium wanneer:
de halfwaardetijd in zeewater langer is dan 60 dagen, of
de halfwaardetijd in estuarien of zoet water langer is dan 40 dagen, of de halfwaardetijd in marien sediment langer is dan 180 dagen, of
de halfwaardetijd in zoetwater- of estuarien sediment langer is dan 120 dagen, of
de halfwaardetijd in de bodem langer is dan 120 dagen.
De persistentie in het milieu wordt bepaald op basis van de beschikbare halfwaardetijden die in passende, door de aanvrager te beschrijven
omstandigheden zijn opgetekend.
3.7.2.2. Bioaccumulatie
Een werkzame stof, beschermstof of synergist voldoet aan het bioaccumulatie criterium wanneer de bioconcentratiefactor (BCF) groter is dan 2.000.
De bioaccumulatie wordt bepaald op basis van meetgegevens over de bioconcentratie in aquatische soorten. Zowel mariene als zoetwatersoorten
mogen worden gebruikt.
3.7.2.3. Toxiciteit
Een werkzame stof, beschermstof of synergist voldoet aan het toxiciteits criterium wanneer:
de langetermijn-NOEC (no-observed-effect concentration) voor mariene of zoetwaterorganismen lager is dan 0,01 mg/l, of
de stof als kankerverwekkend (categorie 1 of 2), mutageen (categorie 1 of 2) of vergiftig voor de voortplanting (categorie 1, 2 of 3) is ingedeeld,
of
er andere aanwijzingen voor chronische toxiciteit zijn, zoals aangegeven door de indelingen T, R48 of Xn, R48 overeenkomstig Richtlijn
67/548/EEG.
3.7.3. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt slechts goedgekeurd
wanneer zij het niet als een zeer persistente, zeer bioaccumulerende stof
(vPvB) wordt beschouwd.
Een stof die aan de twee onderstaande criteria voldoet, is een vPvB-stof.
3.7.3.1. Persistentie
Een werkzame stof, beschermstof of synergist voldoet aan het criterium "zeer persistent" wanneer:
de halfwaardetijd in zeewater of estuarien of zoet water langer is dan 60 dagen, of
de halfwaardetijd in marien, zoetwatersediment of in sediment van estuaria sediment langer is dan 180 dagen, of
de halfwaardetijd in de bodem langer is dan 180 dagen. 3.7.3.2. Bioaccumulatie
Een werkzame stof, beschermstof of synergist voldoet aan het criterium "zeer bioaccumulerend" wanneer de bioconcentratiefactor groter is dan 5 000.
3.8. Ecotoxicologie
3.8.1. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt alleen goedgekeurd als uit
de risicobeoordeling blijkt dat de risico's in de voorgestelde realistische
gebruiksomstandigheden van een gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame
stof, de beschermstof of de synergist bevat, aanvaardbaar zijn volgens de
criteria die zijn vastgesteld in de uniforme beginselen voor de beoordeling en
de toelating van gewasbeschermingsmiddelen bedoeld in artikel 29, lid 6. Bij
de beoordeling moet rekening worden gehouden met de ernst van de effecten,
de onzekerheid van de gegevens en het aantal groepen organismen waarop de
werkzame stof, de beschermstof of de synergist bij het beoogde gebruik naar
verwachting een schadelijk effect zal hebben.
3.8.2. Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt alleen goedgekeurd
wanneer zij/het overeenkomstig de beoordeling op grond van communautaire
of internationale richtsnoeren voor het uitvoeren van proeven niet wordt geacht
hormoonverstorende eigenschappen te hebben die voor niet-doelwit
organismen schadelijke gevolgen kunnen hebben, tenzij de blootstelling van
niet-doelwit organismen aan die werkzame stof in een gewasbeschermings-
middel in de voorgestelde realistische gebruiksomstandigheden te verwaar-
lozen is.
3.9. Residudefinitie
Een werkzame stof, beschermstof of synergist wordt slechts goedgekeurd als in voorkomend geval een residudefinitie kan worden vastgesteld met het oog op de
risicobeoordeling en de handhaving.
3.10. Gedrag met betrekking tot grondwater
Een werkzame stof wordt enkel goedgekeurd wanneer voor een of meer represen tatieve gebruiksvormen is vastgesteld dat na de toepassing van het gewas-
beschermingsmiddel overeenkomstig de realistische gebruiksomstandigheden de
voorziene concentratie van werkzame stoffen of van metabolieten, afbraak- of
reactieproducten in het grondwater voldoet aan de respectieve criteria van de
uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermings-
middelen bedoeld in artikel 29, lid 6.
-
4.Stof die in aanmerking komt om te worden vervangen
Een werkzame stof wordt goedgekeurd als stof die overeenkomstig artikel 24 in aanmerking komt om te worden vervangen, wanneer aan een van de volgende criteria is
voldaan:
de ADI, het AOEL of de ARfD van de stof ligt aanzienlijk lager dan die van de meerderheid van de goedgekeurde werkzame stoffen binnen groepen stoffen/
gebruikscategorieën;
zij beantwoordt aan twee van de criteria om als PBT-stof te worden beschouwd;
er zijn redenen tot bezorgdheid in verband met de aard van de kritische effecten (zoals ontwikkelingsneurotoxische of -immunotoxische effecten) die in combinatie
met de gebruiks-/blootstellingspatronen neerkomen op nog steeds zorgwekkende
gebruiksomstandigheden, zoals een hoog risico voor grondwater, zelfs met zeer
restrictieve maatregelen op het gebied van risicobeheer (zoals uitgebreide
persoonlijke beschermingsmiddelen of zeer grote bufferzones);
zij bevat een significant aandeel niet-werkzame isomeren;
overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG is of moet de stof als carcinogeen van categorie 1 of 2 worden ingedeeld, indien zij volgens de in punt 3.6.3 gestelde
criteria niet is uitgesloten;
overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG is of moet de stof als voor de voortplanting vergiftig, categorie 1 of 2, worden ingedeeld, indien zij volgens de in punt 3.6.4
gestelde criteria niet is uitgesloten;
de stof wordt overeenkomstig de beoordeling op grond van communautaire of internationale richtsnoeren voor het uitvoeren van proeven of andere beschikbare
gegevens en informatie, beoordeeld door de Autoriteit, geacht hormoonverstorende
eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens, indien (opm:
deze?) volgens de in punt 3.6.5 gestelde criteria niet is uitgesloten.
-
5.Werkzame stoffen met een laag risico
Een werkzame stof wordt niet als werkzame stof met een laag risico aangemerkt indien zij overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG in elk geval is of moet worden ingedeeld als:
kankerverwekkend; mutageen;
toxisch voor de voortplanting;
sensibiliserend;
zeer toxisch of toxisch; explosief; corrosief.
Eveneens worden als werkzame stof met een laag risico niet aangemerkt:
stoffen die persistent zijn (halfwaardetijd in de bodem van meer dan 60 dagen) of waarvan de bioconcentratiefactor (BCF) meer dan 100 bedraagt, of stoffen die beschouwd worden als een hormoonverstorende stof.
BIJLAGE III
Lijst van formuleringshulpstoffen die niet in gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt
BIJLAGE IV
Vergelijkende evaluatie overeenkomstig artikel 50
-
1.Voorwaarden voor een vergelijkende evaluatie Wanneer wordt overwogen een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel ten voordele
van een alternatief gewasbeschermingsmiddel of een niet-chemische bestrijdings- of
preventiemethode (hierna "vervanging") te weigeren of in te trekken, moet in het licht van
de wetenschappelijke en technische kennis zijn aangetoond dat het alternatief een
significant lager risico voor de gezondheid of het milieu inhoudt. Het alternatief wordt
geëvalueerd om aan te tonen of het al dan niet met een vergelijkbaar effect op het
doelorganisme kan worden gebruikt zonder significante economische en praktische
nadelen voor de gebruiker.
Andere voorwaarden voor de weigering of de intrekking van een toelating:
-
a)vervanging vindt slechts plaats wanneer andere methoden of de chemische diversiteit van de werkzame stoffen toereikend zijn om het risico dat resistentie bij het doel-
organisme ontstaat, zo klein mogelijk te houden; en
-
b)vervanging vindt slechts plaats voor gewasbeschermingsmiddelen waarvan het gebruik een significant hoger risico voor de gezondheid van de mens of het milieu
inhoudt; en
-
c)vervanging vindt slechts plaats nadat zo nodig de mogelijkheid is geboden om ervaring op te doen door gebruik in de praktijk, indien die ervaring niet reeds
voorhanden is.
-
2.Significant verschil in risico
Een significant verschil in risico wordt door de bevoegde autoriteiten per geval vastgesteld.
Er wordt rekening gehouden met de eigenschappen van de werkzame stof en het
gewasbeschermingsmiddel en met de mogelijke blootstelling van verschillende
bevolkingssubgroepen (professionele of niet-professionele gebruikers, omstanders,
werknemers, bewoners, specifieke kwetsbare groepen of consumenten), direct of indirect
via levensmiddelen, diervoeder, drinkwater of het milieu. Er wordt ook rekening gehouden
met andere factoren zoals de striktheid van de opgelegde gebruiksbeperkingen en de
voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen.
Voor het milieu wordt, wanneer zulks relevant is, een factor van minstens 10 voor de TER
(toxiciteit/blootstellingsverhouding) als een significant verschil in risico van verschillende
gewasbeschermingsmiddelen beschouwd.
-
3.Significante praktische of economische nadelen Een significant praktisch of economisch nadeel voor de gebruiker wordt gedefinieerd als
een belangrijke kwantificeerbare verslechtering van de werkwijzen of de bedrijfsactiviteit,
waardoor het doelorganisme niet meer voldoende kan worden bestreden. Een dergelijke
belangrijke verslechtering kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer er geen technische
faciliteiten voor de aanwending van het alternatief beschikbaar zijn, of wanneer die
economisch niet haalbaar zijn.
Wanneer uit een vergelijkende evaluatie blijkt dat een gebruiksbeperkingen /ofeen verbod
voor een gewasbeschermingsmiddel een dergelijk nadeel kan inhouden, wordt daar tijdens
het besluitvormingsproces rekening mee gehouden. Deze situatie moet worden gestaafd.
BIJLAGE V
Ingetrokken richtlijnen en de opeenvolgende wijzigingen ervan
A. Richtlijn 91/414/EEG
Besluiten tot wijziging van Omzettingstermijn Richtlijn 91/414/EEG
Richtlijn 93/71/EEG 3 augustus 1994 Richtlijn 94/37/EG 31 juli 1995
Richtlijn 94/79/EG 31 januari 1996 Richtlijn 95/35/EG 30 juni 1996
Richtlijn 95/36/EG 30 april 1996 Richtlijn 96/12/EG 31 maart 1997 Richtlijn 96/46/EG 30 april 1997
Richtlijn 96/68/EG 30 november 1997 Richtlijn 97/57/EG 1 oktober 1997 Richtlijn 2000/80/EG 1 juli 2002 Richtlijn 2001/21/EG 1 juli 2002
Richtlijn 2001/28/EG 1 augustus 2001 Richtlijn 2001/36/EG 1 mei 2002
Richtlijn 2001/47/EG 31 december 2001 Richtlijn 2001/49/EG 31 december 2001 Richtlijn 2001/87/EG 31 maart 2002
Richtlijn 2001/99/EG 1 januari 2003 Richtlijn 2001/103/EG 1 april 2003 Richtlijn 2002/18/EG 30 juni 2003
Richtlijn 2002/37/EG 31 augustus 2003 Richtlijn 2002/48/EG 31 december 2002 Richtlijn 2002/64/EG 31 maart 2003 Richtlijn 2002/81/EG 30 juni 2003 Richtlijn 2003/5/EG 30 april 2004
Richtlijn 2003/23/EG 31 december 2003 Richtlijn 2003/31/EG 30 juni 2004
Richtlijn 2003/39/EG 30 september 2004 Richtlijn 2003/68/EG 31 maart 2004
Richtlijn 2003/70/EG 30 november 2004 Richtlijn 2003/79/EG 30 juni 2004
Richtlijn 2003/81/EG 31 januari 2005 Richtlijn 2003/82/EG 30 juli 2004 Richtlijn 2003/84/EG 30 juni 2004
Richtlijn 2003/112/EG 30 april 2005
Richtlijn 2003/119/EG 30 september 2004 Verordening (EG) nr. 806/2003 -
Richtlijn 2004/20/EG 31 juli 2005
Richtlijn 2004/30/EG 30 november 2004 Richtlijn 2004/58/EG 31 augustus 2005 Richtlijn 2004/60/EG 28 februari 2005 Richtlijn 2004/62/EG 31 maart 2005 Richtlijn 2004/66/EG 1 mei 2004
Richtlijn 2004/71/EG 31 maart 2005 Richtlijn 2004/99/EG 30 juni 2005
Richtlijn 2005/2/EG 30 september 2005
Richtlijn 2005/3/EG 30 september 2005 Richtlijn 2005/25/EG 28 mei 2006
Richtlijn 2005/34/EG 30 november 2005 Richtlijn 2005/53/EG 31 augustus 2006 Richtlijn 2005/54/EG 31 augustus 2006 Richtlijn 2005/57/EG 31 oktober 2006 Richtlijn 2005/58/EG 31 mei 2006
Richtlijn 2005/72/EG 31 december 2006 Richtlijn 2006/5/EG 31 maart 2007 Richtlijn 2006/6/EG 31 maart 2007
Richtlijn 2006/10/EG 30 september 2006 Richtlijn 2006/16/EG 31 januari 2007
Richtlijn 2006/19/EG 30 september 2006 Richtlijn 2006/39/EG 31 juli 2007
B. Richtlijn 79/117/EEG
Besluiten tot wijziging van Omzettingstermijn Richtlijn 79/117/EEG
Richtlijn 83/131/EEG 1 oktober 1984 Richtlijn 85/298/EEG 1 januari 1986 Richtlijn 86/214/EEG -
Richtlijn 86/355/EEG 1 juli 1987
Richtlijn 87/181/EEG 1 januari 1988 en 1 januari 1989 Richtlijn 87/477/EEG 1 januari 1988
Richtlijn 89/365/EEG 31 december 1989 Richtlijn 90/335/EEG 1 januari 1991
Richtlijn 90/533/EEG 31.12.90 en 30.09.90 Richtlijn 91/118/EEG 31 maart 1992 Verordening (EG) nr. 807/2003 - Verordening (EG) nr. 850/2004 -
- 12 jul '06Op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
- 12 jul '06COM(2006)388 - Op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
- 4 mrt '04COM(2004)148 - Aanpassing van de Richtlijnen 1999/45/EG, 2002/83/EG, 2003/37/EG en 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Richtlijnen 77/388/EEG, 91/414/EEG, 96/26/EG, 2003/48/EG en 2003/49/EG, op het gebied van vrij verkeer van goederen, vrijheid van dienstverlening, landbouw, vervoer en belastingen, in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije
- 22 dec '03COM(2003)814 - Wijziging van bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten
- 12 jun '03COM(2003)333 - Persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 79/117/EEG en 96/59/EG
- 14 mrt '03COM(2003)117 - Maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong
- 5 feb '03COM(2003)52 - Officiële controles van diervoeders en levensmiddelen
- 21 jan '03COM(2003)23 - Gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van steunregelingen voor producenten van bepaalde gewassen
- 26 sep '02COM(2002)530 - Voorstel voor een Richtkijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van nationale wetgevinginzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen
- 27 dec '01COM(2001)789 - Aanpassing van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegden die zijn vastgelegd in volgens de raadplegingsprocedure (gekwalificeerde meerderheid) goedgekeurde besluiten van de Raad

