Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement krachtens artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag betreffende het gemeenschappelijk standpunt van de Raad over de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake luchthavengelden

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

Hierbij gaat voor de delegaties Commissiedocument COM(2008) 455 definitief.

Bijlage: COM(2008) 455 definitief

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 8.7.2008 COM(2008) 455 definitief

2007/0013 (COD)

.

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

AAN HET EUROPEES PARLEMENT

krachtens artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag

betreffende het

gemeenschappelijk standpunt van de Raad over de vaststelling van een richtlijn van het

Europees Parlement en de Raad inzake luchthavengelden

2007/0013 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

AAN HET EUROPEES PARLEMENT

krachtens artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag

betreffende het

gemeenschappelijk standpunt van de Raad over de vaststelling van een richtlijn inzake

luchthavengelden

  • 1. 
    ACHTERGROND

Verzending van het voorstel naar het EP en de Raad (document COM(2006) 820 definitief ­ 2007/0013COD): 29 januari 2007 Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: 26 september 2007 Advies van het Europees Parlement, eerste lezing: 15 januari 2008 Politieke overeenstemming: 7 april 2008

Vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt: 23 juni 2008

  • 2. 
    DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Het voorstel dat de Commissie op 24 januari 2007 heeft vastgesteld is de besprekingen tussen luchthavens en luchtvaartmaatschappijen over luchthavengelden vlotter te laten verlopen. Dit voorstel bevat enkele basisregels met betrekking tot de procedures voor het opleggen van luchthavengelden. Deze regels zijn gebaseerd op algemeen aanvaarde beginselen die al door de lidstaten zijn goedgekeurd in de raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Het eerste beginsel heeft tot doel regelmatig overleg over luchthavengelden tot stand te brengen tussen luchthavens en luchtvaartmaatschappijen, waarbij beide partijen hun standpunten

kunnen toelichten en ontwikkelen. Luchthavens moeten dus de luchtvaartmaatschappijen raadplegen en informeren alvorens beslissingen over

luchthavengelden te nemen. Het tweede beginsel heeft betrekking op de transparantie van de elementen die aan de basis van de luchthavengelden liggen. Er wordt regelmatig overleg georganiseerd over deze informatie. Het derde beginsel houdt in dat geen onderscheid mag worden gemaakt tussen luchtvaartmaatschappijen.

In het voorstel wordt ook gesuggereerd om in elke lidstaat een onafhankelijke regelgevende instantie op te richten, die toezicht houdt op de heffing van luchthavengelden en ervoor zorgt dat de relevante bepalingen van de richtlijn worden nageleefd. Deze instantie treedt ook op wanneer partijen klacht indienen over de luchthavengelden.

  • 3. 
    OPMERKINGEN OVER HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

Het op 23 juni 2008 door de Raad vastgestelde gemeenschappelijk standpunt is hoofdzakelijk gebaseerd op de algemene benadering die na de discussies in de Raad van 30 november 2007 is vastgesteld. In dat gemeenschappelijk standpunt zijn ook een groot aantal door het Europees Parlement voorgestelde amendementen opgenomen, met name met betrekking tot het toepassingsgebied van het voorstel, het luchthavennetwerk, de differentiatie van de luchthavengelden en de werking van de instantie.

Sommige amendementen verbeteren en verduidelijken het voorstel; in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel is het gemeenschappelijk standpunt echter op enkele punten ingrijpend gewijzigd:

­ de Raad heeft voorgesteld het toepassingsgebied van de richtlijn (artikel 1) te beperken tot

de grootste luchthaven in elke lidstaat en alle andere luchthavens die jaarlijks meer dan 5 miljoen passagiersbewegingen laten optekenen. Volgens het oorspronkelijke voorstel van de Commissie zou de richtlijn van toepassing zijn op alle luchthavens die jaarlijks meer dan 1 miljoen passagiersbewegingen of meer dan 25.000 ton goederen laten optekenen. De Commissie is nog steeds van mening dat het oorspronkelijk voorgestelde toepassingsgebied de doelstellingen van de richtlijn beter ondersteunt en beter is afgestemd op andere communautaire instrumenten op soortgelijke gebieden;

­ alle bepalingen met betrekking tot beveiligingsheffingen zijn geschrapt. De Raad voert aan

dat deze bepalingen niet meer nodig zijn nu Verordening (EG) 300/08 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart is vastgesteld. De Commissie zal vóór 31 december 2008 dieper ingaan op de beveiligingsheffingen in een uitgebreid verslag over de financiering van de beveiliging van de luchtvaart. Voor zover nodig zal dit verslag gepaard gaan met een wetgevingsvoorstel. De Commissie gaat derhalve akkoord met het standpunt van de Raad om de bepalingen inzake beveiligingsheffingen in het voorstel over luchthavengelden te schrappen;

­ het discriminatieverbod van artikel 3 wordt zodanig gewijzigd dat differentiatie van de

luchthavengelden om redenen van algemeen belang, zoals milieubescherming, mogelijk wordt. De Commissie gaat hier in beginsel mee akkoord op voorwaarde dat een dergelijke differentiatie op objectieve en transparante criteria is gebaseerd;

­ een nieuw artikel over luchthavennetwerken is toegevoegd om lidstaten de mogelijkheid te

bieden een gemeenschappelijk systeem van luchthavengelden in te voeren voor alle luchthavens die deel uitmaken van het netwerk, of luchthavengelden van hetzelfde niveau toe te passen op luchthavens die dezelfde stad bedienen. Dit artikel moet verder worden besproken in de tweede lezing van de tekst, met name om te vermijden dat de toepassing ervan zou leiden tot enige vorm van discriminatie;

­ in artikel 4, lid 5, is een nieuwe bepaling opgenomen om overlapping van

beroepsprocedures te vermijden. De Commissie had graag een duidelijker definitie van de voorwaarden voor de toepassing van dit lid 5 gezien, waarbij een lidstaat mag beslissen om andere leden van dit artikel niet toe te passen, waardoor de instantie geen taken te vervullen heeft. Hiertoe dient een definitie van het concept "economisch toezicht" in de tekst te worden opgenomen;

­ de in artikel 10 vastgestelde procedures voor de werking van de instantie zijn

nauwkeuriger beschreven en verbeterd. Dit vergemakkelijkt de omzetting van de richtlijn in nationale wetgeving en garandeert een grotere coherentie tussen de lidstaten;

­ de in artikel 12 vastgestelde periode voor de omzetting van de richtlijn in nationale

wetgeving is verlengd van 18 tot 36 maanden. De Commissie vindt deze uitbreiding overdreven.

  • 4. 
    CONCLUSIE

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt bij gekwalificeerde meerderheid vastgesteld. Luxemburg voerde evenwel aan dat het gewijzigde toepassingsgebied van de richtlijn aanleiding kan geven tot discriminatie tussen luchthavens met vergelijkbare verkeersgegevens in verschillende lidstaten. De Commissie is van oordeel dat het gemeenschappelijk standpunt tegemoet komt aan de belangrijkste doelstellingen van haar voorstel voor de luchthavens die onder de richtlijn vallen. De aanzienlijke beperking van het toepassingsgebied ervan betekent echter ook dat deze doelstellingen op verscheidene luchthavens in de Europese Unie niet zullen worden gehaald.

De Commissie is van mening dat de enige manier is om de procedure doorgang te laten vinden, erin bestaat zich er niet tegen te verzetten.

  • 5. 
    VERKLARINGEN VAN DE COMMISSIE Op de vergadering van de Raad van 30 november 2007 heeft de Commissie de volgende verklaring afgelegd:

De Commissie zal nagaan of de in artikel 1, lid 2, vermelde luchthavens ten gevolge van de toepassing van de [voorgestelde] richtlijn ongerechtvaardigd worden benadeeld ten opzichte van concurrerende luchthavens met vergelijkbare verkeersgegevens in andere lidstaten. Indien nodig zal de Commissie passende initiatieven nemen om een gelijk speelveld tot stand te brengen, zoals voorstellen om de in de richtlijn vastgestelde drempels te herzien.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie