1 IT delegatie handhaaft voorshands een algemeen studievoorbehoud. lep/GRA/aa 1 DG B II LIMITE NL
-
1.Toelating voor de zones en verplichte wederzijdse erkenning (artikelen 35, 39 en 40) De meeste delegaties steunen de met deze verordening nagestreefde grotere harmonisatie en snelle beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen en het voorkomen van dubbel werk. In de huidige fase is de Commissie nog steeds van mening dat het in de oorspronkelijke tekst van haar voorstel beschreven systeem van automatische wederzijdse erkenning van toelatingen tussen landen die tot dezelfde zone behoren, onder gelijke voorwaarden, de beste aanpak is. Een aantal delegaties kon sommige opvattingen van de Commissie delen. Een groot aantal delegaties (BE, CZ, DE, DK, FI, HU, IE, NL, SE) meent dat de toelatingen in sommige gevallen aan nationale beperkingen moeten worden gebonden met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu. Naar hun mening zou elke lidstaat in de gelegenheid moeten worden gesteld de toelatingen toe te snijden op de specifieke plaatselijke landbouw- en milieuomstandigheden. Enkele delegaties zouden voorts graag zien dat een toelating op deze gronden kan worden geweigerd. Enkele delegaties plaatsten vraagtekens bij de wijze waarop de zones worden vastgesteld. De artikelen 35, 39 en 40 bevatten een compromisoplossing waarin rekening is gehouden met de opmerkingen van de delegaties. lep/GRA/aa 2 DG B II LIMITE NL
Om eventuele vertragingen bij de goedkeuring van werkzame stoffen te voorkomen, zijn in de door de groep voorgelegde ontwerptekst opnieuw bepalingen opgenomen die, enkel als overgangmaatregel, het in bepaalde omstandigheden mogelijk maken voor lopige nationale toelatingen te verlenen. Een groot aantal delegaties (AT, BE, CZ, HU, IE, NL, PT, SK en UK) is voorstander van deze oplossing. De Commissie, die werd gesteund door EE en FR, is tegen deze oplossing, die naar haar mening in strijd is met Verordening (EG) nr. 396/2005 inzake maximumresidugehaltes, en het systeem van verplichte wederzijdse erkenning ondergraaft. De Commissie meent dat eerbiediging van de in de verordening genoemde strikte termijnen een snelle goedkeuring van de werkzame stoffen mogelijk zal maken. 3. Toegang tot de registers (artikel 64) Wat artikel 64 betreft, meent de Commissie dat de bevoegde autoriteiten, buren en de waterindustrie toegang moeten kunnen hebben tot de door de producenten, leveranciers, distributeurs en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen bijgehouden registers. Een groot aantal delegaties (AT, BE, CZ, DE, EL, ES, FR, IE, PT, RO, SE, UK) verzet zich tegen deze mogelijkheid, die zij als te bureaucratisch beschouwen, maar de meesten hunner konden zich vinden in de compromistekst in de bijlage. AT, gesteund door DE, stelde voor dat derde partijen moeten aantonen dat zij belang hebben bij de gevraagde informatie. Daarnaast menen DE, IE, EL dat de periode gedurende welke deze informatie bewaard moet worden (vijf jaar), te lang is. 4. Criteria voor de goedkeuring van werkzame stoffen (Bijlage II) De delegaties verschillen van mening over een aantal van de toxicologische criteria voor de goedkeuring van werkzame stoffen (punt 3.6 (Effecten op de gezondheid van de mens)). Het voorzitterschap zou graag zien dat de delegaties een keuze maken tussen de twee in de bijlage genoemde opties waarvoor tijdens de besprekingen in de groep de meeste steun bestond. lep/GRA/aa 3 DG B II LIMITE NL
Ten slotte wees de FR delegatie erop dat opname van CMR 1 moet worden uitgesloten, ook bij een verwaarloosbare blootstelling. 5. Verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof (artikel 14) Enkele delegaties (AT, BE, DE, DK, NL, SE, LT) zijn tegen de onbeperkte verlengingen die de Commissie voorstelt in lid 2; zij werden door een groot aantal delegaties gesteund (EE, EL, FR, ES, HU, IE, IT, LV, PT, SI, UK). Zij wensten te voorzien in een termijn (10 of 15 jaar), teneinde rekening te houden met de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Enkele lidstaten konden zich vinden in beide mogelijkheden. 6. Gegevensbescherming (artikel 56) De Commissie, die werd gesteund door de FR delegatie, is tegen de aan de ontwerptekst toegevoegde bepalingen die voorzien in gegevensbescherming voor studies die enkel nodig zijn voor het verlengen van de toelating; zij meent dat de vrije mededinging hierdoor in het gedrang zal komen. Een meerderheid van de delegaties (AT, CZ, DE, EE, EL, IE, FI, IT, NL, PT, RO, UK) schaart zich niettemin achter de nieuwe test, omdat deze studies een belangrijke onderzoeksinvestering vormen en zij derhalve moeten worden beschermd. ANDERE VRAAGSTUKKEN - Rechtsgrondslag UK, SE: wensen artikel 175 toe te voegen IT: wensen artikel 152, lid 4, onder b), te behouden DK: voorbehoud bij de rechtsgrondslag FR, NL, ES, IE: studievoorbehoud Cie: de in haar voorstel genoemde artikelen 37 en 152, lid 4, onder b), vormen de juiste rechtsgrondslag. lep/GRA/aa 4 DG B II LIMITE NL
NL: geeft de voorkeur aan een verband met de kaderrichtlijn water. - Artikel 1: Onderwerp SE: wenst dat de bescherming van mens en milieu wordt genoemd. - Artikel 3 (Definities): SE: meent dat de definities in de punten 2, 3 en 8 gelijk moeten zijn aan die in REACH. FR, AT, EL, Commissie: hebben een voorkeur voor het oorspronkelijke voorstel in punt 15. IT: stelde een andere definitie in punt 23 voor. UK: wenst in punt 28 relevante metabolieten te vervangen door relevante residuen. DE zou deze definitie liever schrappen. - Artikel 4 (Goedkeuringscriteria voor basisstoffen) IE, EL: verzoeken om schrapping van de tweede alinea van lid 1. - Artikel 12 (Conclusie van de Autoriteit) IE, FR, EL: wensen niet dat de EFSA zonder voorafgaand overleg aanvullende werkzaamheden van de als rapporteur aangewezen lidstaat kan verlangen (lid 3). DE: wenst voor de conclusie van de Autoriteit een termijn van 90 dagen in plaats van 120. - Artikel 18 (Werkprogramma) EL: voorbehoud. lep/GRA/aa 5 DG B II LIMITE NL
DK: zou de gevolgen van intrekking voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de overwegingen willen betrekken. - Artikel 21 (Herziening van een goedkeuring) NL: stelt voor in lid 3 te verwijzen naar Richtlijn 2000/60/EG. - Artikelen 22, 46 en Bijlage II (Gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico) DK: is het niet eens met het concept "gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico", omdat alle gewasbeschermingsmiddelen een risico met zich mee kunnen brengen. ES: gesteund door EL en SE: wensen positieve en negatieve criteria om te bepalen wat een gewasbeschermingsmiddel is. IE: werkzame stoffen die weinig gevaar opleveren, in plaats van een laag risico. - Artikel 23 (Goedkeuringscriteria voor basisstoffen) DK: voorbehoud bij dit artikel. - Artikel 28 (Toelating voor het op de markt brengen en het gebruik) SE: wenst een nieuw artikel 28 bis over de verantwoordelijkheid van de producent. - Artikel 29 (Eisen voor de toelating voor het op de markt brengen) SE: wenst toevoeging van een verwijzing naar de richtlijn betreffende duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen. lep/GRA/aa 6 DG B II LIMITE NL
IE: wenst schrapping van het eerste streepje. - Artikel 30 (Inhoud van toelatingen) FI, AT, CZ, EL, FI, PT, SE: achten de verplichting om voorafgaand aan het gebruik van het product buren in te lichten die aan de drift kunnen worden blootgesteld (lid 3, onder b)) te belastend. PT, SE, EL en FI konden ermee akkoord gaan indien de woorden "en die hebben gevraagd te worden ingelicht" opnieuw in de tekst worden opgenomen. DE, FR: menen dat ook het verpakkingsmateriaal onder de toelating zou moeten vallen. - Artikel 31 (Duur van de toelatingen) DK: is tegen onbeperkte toelatingen. - Artikel 32 (Aanvraag of wijziging van de toelating) DK, SE: tegen toelatingen op communautair niveau voor producten voor de behandeling van zaaizaad. - Artikel 39 (Wederzijdse erkenning) PT: voorbehoud bij lid 2. LU, IE: wensen schrapping van de woorden "met toestemming van de houder van de toelating" in lid 2. lep/GRA/aa 7 DG B II LIMITE NL
Commissie: verkiest de opneming van een bepaling dat zaden die zijn behandeld met niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen niet mogen worden uitgevoerd. BE, FI, DE: menen dat de lidstaten toegang dienen te hebben tot het volledige dossier BE: wil op het etiket nog andere gegevens vermelden, zoals risicobeperkende maatregelen. ES, EL, FI, NL: steunen de vermelding van plantaardig teeltmateriaal. BE is hiertegen. - Artikel 48 en 48 bis (Vergelijkende evaluatie en vervanging) SE: wenst de opneming van bepalingen die een vergelijkende evaluatie in een eerdere fase mogelijk maken en wenst vervanging door niet-scheikundige controlemethodes mogelijk te maken (aanvullende wijzigingen in de artikelen 31 en 77). De Commissie wijst dit van de hand. - Artikel 49 bis (Parallelhandel) FR: wenst opneming van aanvullende bepalingen over herverpakking en persoonlijk gebruik. FR, DE: wensen verlenging van sommige termijnen. ES: wenst de opneming van co-formulanten in lid 3, onder b). - Artikel 56 (Gegevensbescherming) IE, BE: vragen om bepalingen over bescherming van gegevens en studies die zijn voorgelegd ter ondersteuning van de toelating van werkzame stoffen. - Artikel 59 bis (De uitwisseling van tests en studies waarbij gewervelde dieren zijn betrokken) IT: wenst de toevoeging van een nieuw artikel 59 bis over de uitwisseling van tests en studies waarbij geen gewervelde dieren zijn betrokken. lep/GRA/aa 8 DG B II LIMITE NL
DK, ES, EL, IT, SE: blijven voorshands bezwaren koesteren tegen reclame voor producten met een laag risico - Artikel 65 (Toezicht en controles) UK, SE: vragen om schrapping van de derde alinea (controlemaatregelen in het kader van de comitologieprocedure). - Bijlage II (Criteria voor de goedkeuring van werkzame stoffen) FR: tegen de specifieke vermelding van grondwater in punt 3.10. PT: voorbehoud bij punt 4, met name het eerste streepje. __________ lep/GRA/aa 9 DG B II LIMITE NL
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen 2 stelt voorschriften vast voor gewasbeschermingsmiddelen en de werkzame stoffen die deze middelen bevatten. In hun conclusies bij het voortgangsverslag 3 dat de Commissie overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG heeft ingediend, verzochten het Europees Parlement en de Raad de Commissie de richtlijn te evalueren en inventariseerden zij een aantal problemen die de Commissie moest aanpakken. In het licht van de ervaring met de toepassing van Richtlijn 91/414/EEG en van de recente wetenschappelijke en technische ontwikkelingen, dient Richtlijn 91/414/EEG te worden vervangen. PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij ... COM(2001) 444. lep/GRA/aa 10 LIMITE NL DG B II
voorzien in de intrekking van Richtlijn 79/117/EEG van de Raad van 21 december 1978 houdende verbod van het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen bevattende bepaalde actieve stoffen. 4 Om de toepassing van het nieuwe besluit te vereenvoudigen en coherentie in alle lidstaten te garanderen, dient het de vorm te krijgen van een verordening. De teelt van gewassen neemt in de Gemeenschap een zeer belangrke plaats in. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een van de belangrijkste methoden om planten en plant aardige producten tegen schadelijke organismen, met inbegrip van onkruid, te beschermen en de landbouwproductie te verbeteren. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ook ongunstige uitwerkingen hebben op de teelt van gewassen. Het gebruik ervan kan risico's en gevaren voor mens, dier en milieu inhouden, vooral wanneer zij zonder officieel te zijn getest en zonder officiële toelating op de markt worden gebracht of verkeerd worden gebruikt. middelen weg te nemen die te wijten zijn aan de verschillen in de beschermingsniveaus in de lidstaten, dient deze verordening te voorzien in geharmoniseerde regels voor de toelating van werkzame stoffen en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, met inbegrip van regels voor de wederzijdse erkenning van toelatingen en inzake parallelhandel. Deze verordening heeft derhalve tot doel het vrije verkeer van deze producten en de beschikbaarheid ervan in de Gemeenschap te bevorderen. Deze verordening heeft tevens tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de Europese landbouw te vrijwaren. De bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen zoals zwangere vrouwen, zuigelingen en kinderen, verdient bijzondere aandacht. Het voorzorgsbeginsel dient te worden toegepast en de verordening dient te waarborgen dat de industrie aantoont dat de stoffen of producten die worden geproduceerd of op de markt worden gebracht geen enkel schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier hebben, noch enig onaanvaardbaar gevolg voor het milieu. PB L 33 van 8.2.1979, blz. 36. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7); rectificatie in PB L 229 van 29.6.2004, blz. 5). lep/GRA/aa 11 LIMITE NL DG B II
zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van gewassen en zij naar verwachting geen schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van mens en dier, noch onaanvaardbare gevolgen hebben voor het milieu. Om in alle lidstaten hetzelfde beschermingsniveau te bereiken, dient op het niveau van de Gemeenschap te worden beslist of dergelijke stoffen al dan niet aanvaardbaar zijn. Met het oog op de voorspelbaarheid, de doeltreffendheid en de coherentie moet een gedetailleerde procedure worden vastgesteld voor de beoordeling of een werkzame stof kan worden goedgekeurd. Nauwkeurig moet worden bepaald welke informatie de betrokken partijen moeten verstrekken om een stof te laten goedkeuren. Aangezien de goedkeurings procedure veel werk met zich meebrengt, is het dienstig de informatie te laten beoordelen door een lidstaat die voor de Gemeenschap als rapporteur optreedt. Om een coherente beoordeling te waarborgen, moet de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, die is opgericht bij artikel 22 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedsel veiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden 5 (hierna "de Autoriteit" genoemd), een onafhankelijke wetenschappelijke evaluatie uitvoeren. Verduidelijkt moet worden dat de Autoriteit een risicobeoordeling uitvoert, terwijl de Commissie belast is met het risicobeheer en de uiteindelijke beslissing over een werkzame stof neemt. Er dienen bepalingen te worden opgenomen die de transparantie van de beoordelingsprocedure garanderen. Om ethische redenen mag de beoordeling van een werkzame stof of een gewas beschermingsmiddel niet gebaseerd zijn op tests of studies waarbij de werkzame stof of het gewasbeschermingsmiddel opzettelijk aan mensen wordt toegediend om bij de mens een "dosis zonder effect" (NOEL) van een werkzame stof te bepalen. Evenmin mogen toxicologische studies op mensen worden gebruikt om de veiligheidsmarges voor werkzame stoffen of gewasbeschermingsmiddelen te verlagen. Om de goedkeuring van werkzame stoffen te versnellen, dienen voor de verschillende stappen in de procedure strikte termijnen te worden vastgesteld. PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3). lep/GRA/aa 12 LIMITE NL DG B II
beperkt zijn. De goedkeuringsperiode moet in verhouding staan tot de mogelijke risico's die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn. Wanneer een beslissing wordt genomen in verband met de verlenging van de goedkeuring, dient rekening te worden gehouden met de ervaring met het feitelijke gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen die de desbetreffende stof bevatten, alsook met de ontwikkelingen in de wetenschap en de technologie. [Na de eerste verlenging dienen dergelijke stoffen alleen aan een nieuwe evaluatie te worden onderworpen wanneer er aanwijzingen zijn dat zij niet langer aan de voorschriften van deze verordening voldoen.] Er moet worden voorzien in de mogelijkheid om de goedkeuring van een werkzame stof te wijzigen of in te trekken wanneer niet langer aan de criteria voor goedkeuring wordt voldaan. De beoordeling van een werkzame stof kan uitwijzen dat die aanzienlijk minder risico's inhoudt dan andere stoffen. Om het gebruik van een dergelijke stof in gewasbeschermings middelen te bevorderen, moeten deze stoffen worden geïnventariseerd en moet het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten, worden vergemakkelijkt. Bepaalde stoffen die niet voornamelijk als gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt, kunnen van nut zijn voor de bescherming van gewassen, maar het economisch belang van de indiening van een goedkeuringsaanvraag kan beperkt zijn. Daarom moeten specifieke bepalingen garanderen dat dergelijke stoffen, indien het risico aanvaardbaar is, ook kunnen worden goedgekeurd om voor de bescherming van gewassen te worden gebruikt. Sommige werkzame stoffen zijn wellicht alleen aanvaardbaar wanneer uitgebreide risico beperkende maatregelen worden genomen. Dergelijke stoffen moeten op het niveau van de Gemeenschap met het oog op eventuele vervanging worden geïnventariseerd. De lidstaten moeten geregeld verifiëren of gewasbeschermingsmiddelen die dergelijke werkzame stoffen bevatten, kunnen worden vervangen door gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die minder risicobeperkende maatregelen vergen. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen naast werkzame stoffen ook beschermstoffen of synergistische middelen bevatten waarvoor vergelijkbare regels moeten gelden. Voor de herziening van dergelijke stoffen dienen technische regels te worden vastgesteld. Stoffen die momenteel op de markt zijn, mogen pas worden geëvalueerd nadat deze voorschriften zijn vastgesteld. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ook co-formulanten bevatten. Het is wenselijk een lijst op te stellen van co-formulanten die niet in gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. lep/GRA/aa 13 LIMITE NL DG B II
geformuleerd en kunnen op diverse gewassen en in verschillende landbouw-, fytosanitaire en ecologische (waaronder klimatologische )omstandigheden worden gebruikt. Toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen moeten daarom door de lidstaten worden verleend. De toelatingsvoorschriften moeten een goede bescherming garanderen. Wanneer toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen worden verleend, dient met name de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu voorrang te hebben op de verbetering van de productie van de gewassen. Alvorens gewasbeschermingsmiddelen op de markt worden gebracht, moet dan ook worden aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van gewassen en zij geen schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van mensen en dieren, met inbegrip van die van kwetsbare groepen, noch onaanvaardbare gevolgen hebben voor het milieu. Met het oog op de voorspelbaarheid, doeltreffendheid en coherentie moeten de criteria, procedures en voorwaarden voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen worden geharmoniseerd, met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu. Indien het ten gevolge van omstandigheden die niet onder de verantwoordelijkheid van de aanvrager vallen, niet mogelijk is binnen de voorziene termijn een definitief besluit over de toelating te nemen, moeten de lidstaten voor een beperkte periode tijdelijke toelatingen kunnen verlenen teneinde de overgang naar de goedkeuringsprocedure van de onderhavige verordening te vergemakkelijken. In het licht van de ervaring die is opgedaan met de goedkeuring van werkzame stoffen uit hoofde van deze verordening, dienen de bepalingen betreffende voorlopige toelatingen niet langer van toepassing te zijn of te worden verlengd na afloop van de periode van 5 jaar, indien nodig. De werkzame stoffen in een gewasbeschermingsmiddel kunnen via verschillende fabricage processen worden vervaardigd, wat leidt tot verschillen in de specificaties. Deze verschillen kunnen gevolgen hebben voor de veiligheid. Voor de doeltreffendheid dient voor de evaluatie van die verschillen op het niveau van de Gemeenschap in een geharmoniseerde procedure te worden voorzien. lep/GRA/aa 14 LIMITE NL DG B II
van goederen in de Gemeenschap wordt gewaarborgd. Om dubbel werk te vermijden, de administratieve belasting van bedrijven en lidstaten te verminderen en een geharmoniseerde beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen te vergroten, moeten toelatingen die door een lidstaat worden verleend, door andere lidstaten met vergelijkbare landbouw, fyto sanitaire en ecologische (waaronder klimatologische ) omstandigheden worden aanvaard. Om een dergelijke wederzijdse erkenning te vergemakkelijken, moet de Europese Unie worden verdeeld in zones waar vergelijkbare omstandigheden heersen. Milieu- of landbouw kundige omstandigheden die specifiek zijn voor het grondgebied van een lidstaat kunnen evenwel vereisen dat lidstaten, op verzoek, de door een andere lidstaat afgegeven toelating erkennen of wijzigen dan wel afzien van het toelaten van het gewasbeschermingsmiddel op hun grondgebied indien het hoge beschermingsniveau van de gezondheid van mens en dier, alsmede van het milieu, waarin deze verordening voorziet, niet kan worden verwezenlijkt. Voor bepaalde toepassingen hebben bedrijven maar beperkt economisch belang bij een toelatingsaanvraag. Om te garanderen dat de diversificatie van de land- en tuinbouw niet in gevaar wordt gebracht door een onvoldoende beschikbaarheid van gewasbeschermings middelen, moeten voor beperkte toepassingen specifieke regels worden vastgesteld. Wanneer identieke gewasbeschermingsmiddelen in verschillende lidstaten zijn toegelaten, dient deze verordening te voorzien in een vereenvoudigde procedure voor de toekenning van een vergunning voor parallelhandel, teneinde de handel in dergelijke producten tussen de lidstaten te vergemakkelijken. In uitzonderlijke gevallen van een op geen enkele andere manier te bestrijden gevaar of bedreiging voor de teelt van een gewas, moeten de lidstaten gewasbeschermingsmiddelen kunnen toelaten die niet aan de voorwaarden van deze verordening voldoen. Dergelijke toelatingen moeten op het niveau van de Gemeenschap worden onderzocht. De wetgeving betreffende zaaizaad voorziet in vrij verkeer van zaaizaad in de Gemeenschap, maar bevat geen specifieke bepaling betreffende zaaizaad dat met gewas beschermingsmiddelen is behandeld. Een dergelijke bepaling dient derhalve in deze verordening te worden opgenomen. Wanneer behandeld zaaizaad een ernstige bedreiging vormt voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, dienen de lidstaten beschermende maatregelen te kunnen nemen. Om innovatie te bevorderen, moeten speciale regels worden vastgesteld die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor experimentele doeleinden mogelijk maken, ook al zijn deze middelen nog niet toegelaten. lep/GRA/aa 15 LIMITE NL DG B II
waarborgen, moeten gewasbeschermingsmiddelen op de juiste wijze worden gebruikt, met inachtneming van de beginselen van geïntegreerde plagenbestrijding. De Raad neemt de beginselen van geïntegreerde plagenbestrijding, inclusief goede gewasbeschermings praktijken, op in de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen van bijlage III van Verordening (EG) nr. 1782/2003. Naast deze verordening zijn een thematische strategie en een richtlijn tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden aangenomen. Ter wille van de samenhang tussen deze instrumenten dient de eindgebruiker op het etiket van het product te kunnen zien waar, wanneer en onder welke omstandigheden een gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt. Er moet een regeling voor de uitwisseling van informatie worden opgezet. De lidstaten moeten de hun in verband met aanvragen om toelating van gewasbeschermingsmiddelen verstrekte informatie en wetenschappelijke documentatie aan elkaar, aan de Autoriteit en de aan Commissie beschikbaar stellen. Om de doeltreffendheid van een gewasbeschermingsmiddel te vergroten, kunnen hulp stoffen worden gebruikt. Het op de markt brengen en het gebruik ervan moeten worden verboden wanneer deze middelen een verboden co-formulant bevatten. De technische voorschriften die voor de toelating nodig zijn, dienen te worden vastgesteld. Studies zijn een grote investering. Deze investering moet worden beschermd om onderzoek te stimuleren. Daarom moeten studies die door een aanvrager bij een lidstaat worden ingediend, tegen gebruik door een andere aanvrager worden beschermd. Deze bescherming moet echter in de tijd beperkt zijn om concurrentie mogelijk te maken. Om te voorkomen dat aanvragers de beschermingsperiode kunstmatig verlengen door onnodig nieuwe studies in te dienen, moet de bescherming ook worden beperkt tot studies die voor de regelgeving werkelijk noodzakelijk zijn. Er moeten regels worden vastgesteld om te voorkomen dat tests en studies worden over gedaan. In het bijzonder moet worden verboden dat studies waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, worden overgedaan. Gelet daarop moet onder redelijke voorwaarden verplicht toegang worden verleend tot studies op gewervelde dieren. Om bedrijven te kunnen laten weten welke studies andere bedrijven hebben uitgevoerd, moeten de lidstaten een lijst van deze studies bijhouden, ook al vallen deze niet onder de bovenstaande regeling voor het verplicht verlenen van toegang. lep/GRA/aa 16 LIMITE NL DG B II
toegang tot en de vertrouwelijkheid van documenten betreft, is een verduidelijking wenselijk van de bepalingen inzake de toegang tot informatie in de documenten die in het bezit zijn van deze autoriteiten, en de vertrouwelijkheid van die documenten. Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten 6 is van toepassing op de indeling, de verpakking en het kenmerken van bestrijdingsmiddelen. Om de bescherming van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen, van consumenten van planten en plantaardige producten en van het milieu verder te verbeteren, zijn echter verdere specifieke regels wenselijk die rekening houden met de specifieke gebruiksomstandigheden van gewasbeschermingsmiddelen. Om te garanderen dat gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen niet door reclame worden misleid, moeten voor reclame voor deze middelen regels worden vastgesteld. Om het niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te verbeteren door de traceerbaarheid van mogelijke blootstellingen te verzekeren, de doel treffendheid van het toezicht en de controle te verbeteren en de kosten van de bewaking van de waterkwaliteit te beperken, moeten voorschriften worden vastgesteld voor het bijhouden van registers en informatie over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bepalingen inzake controle- en inspectieregelingen in verband met het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moeten de correcte, veilige en geharmoni seerde tenuitvoerlegging garanderen van de voorschriften die in deze verordening zijn vastgesteld om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te verwezenlijken. Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levens middelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn 7 voorziet in controle maatregelen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in alle stadia van de productie van levensmiddelen, alsook in het bijhouden van registers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De Commissie dient vergelijkbare voorschriften aan te nemen inzake toezicht en controle op de opslag en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die niet onder Verordening (EG) nr. 882/2004 vallen. PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/8/EG van de Commissie (PB L 19 van 24.1.2006, blz. 12). PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1. Rectificatie in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1. lep/GRA/aa 17 LIMITE NL DG B II
bijzonder bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad 8 alsmede bij de communautaire wetgeving betreffende de bescherming van werknemers en van iedereen die betrokken is bij het ingeperkte gebruik en de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen. Er moeten procedures worden vastgesteld voor de goedkeuring van noodmaatregelen in situaties waar een goedgekeurde werkzame stof, een beschermstof, een synergistisch middel of een gewasbeschermingsmiddel waarschijnlijk een ernstig risico inhoudt voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. De lidstaten moeten regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op over tredingen van deze verordening en alle nodige maatregelen nemen om te bereiken dat zij worden toegepast. In de lidstaten moet de algemene burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid blijven gelden voor de fabrikant en, indien van toepassing, voor de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen of het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel. De lidstaten moeten de kosten van de procedures voor de toepassing van de verordening kunnen terugvorderen van degenen die gewasbeschermingsmiddelen of hulpstoffen op de markt brengen of wensen te brengen en van de aanvragers van een goedkeuring voor werkzame stoffen, beschermstoffen of synergistische middelen. De lidstaten moeten de noodzakelijke bevoegde nationale autoriteiten aanwijzen. De Commissie moet de toepassing van deze verordening bevorderen. Daarom moet in de nodige financiële middelen worden voorzien, moeten bepaalde voorschriften van de verordening in het licht van de opgedane ervaring kunnen worden gewijzigd, en moeten technische richtsnoeren kunnen worden opgesteld. De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings bevoegdheden. 9 PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1. PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. lep/GRA/aa 18 LIMITE NL DG B II
betreffende de etikettering, de controles en het werkprogramma voor hulpstoffen, beschermstoffen en synergistische middelen met inbegrip van de gegevenseisen voor de laatstgenoemde, verordeningen tot verlenging van de goedkeuringsperiode en tot verlenging van voorlopige toelatingen, opneming van co-formulanten alsmede wijzigingen in de verordeningen betreffende de gegevenseisen, in de uniforme beginselen en in de bijlagen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing. Om redenen van doeltreffendheid moeten de normale termijnen voor de regelgevings procedure met toetsing worden bekort voor de aanneming van een verordening die voorziet in uitstel van het verstrijken van de termijn voor de goedkeuring, zodat er voldoende tijd is om de aanvraag te onderzoeken. Voorts dienen sommige van de huidige bepalingen die reeds in de bijlagen bij Richtlijn 91/414/EG staan, te worden overgebracht naar afzonderlijke wetgevingsbesluiten, die binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de verordening door de Commissie moeten worden aangenomen. Aangezien deze huidige bepalingen als eerste stap moeten worden overgebracht naar nieuwe wetgevingsbesluiten en aldus zonder ingrijpende wijzigingen moeten worden aangenomen, lijkt hiervoor de raadplegingsprocedure de meest geschikte procedure. Tevens is het passend gebruik te maken van de procedure van het raadgevend comité voor de aanneming van een aantal zuiver technische maatregelen, met name technische richtsnoeren, gezien het niet-bindende karakter ervan. Sommige bepalingen van Richtlijn 91/414/EEG moeten tijdens de overgangsperiode van kracht blijven, lep/GRA/aa 19 LIMITE NL DG B II
ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Onderwerp Artikel 2 Werkingssfeer Deze verordening is van toepassing op middelen, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, die geheel of gedeeltelijk bestaan uit werkzame stoffen, beschermstoffen of synergistische middelen, en die bestemd zijn voor een van de volgende toepassingen: a) de bescherming van gewassen of plantaardige producten tegen alle schadelijke organismen of het verhinderen van de werking van dergelijke organismen, tenzij deze middelen worden beschouwd als middelen die vooral om hygiënische redenen worden toegepast veeleer dan ter bescherming van gewassen of plantaardige producten; b) het beïnvloeden van de levensprocessen van gewassen, zoals het beïnvloeden van hun groei, anders dan door nutriënten; c) de bewaring van plantaardige producten, voor zover die stoffen of middelen niet onder bijzondere communautaire bepalingen inzake bewaarmiddelen vallen; d) de vernietiging van ongewenste gewassen of delen van gewassen, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van gewassen; e) de beperking of voorkoming van de ongewenste groei van gewassen, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van gewassen. Deze middelen worden hierna "gewasbeschermingsmiddelen" genoemd. lep/GRA/aa 20 LIMITE NL DG B II
algemene of specifieke werking tegen schadelijke organismen of op gewassen, delen van gewassen of plantaardige producten, hierna "werkzame stoffen" genoemd. Deze verordening is van toepassing op: a) stoffen of preparaten die aan een gewasbeschermingsmiddel worden toegevoegd om fytotoxische effecten van het preparaat op bepaalde gewassen op te heffen of te verminderen, hierna "beschermstoffen" genoemd; b) stoffen of preparaten die, hoewel zij in de zin van lid 1 geen of slechts een zwakke activiteit vertonen, de activiteit van de werkzame stof(fen) in een gewas beschermingsmiddel kunnen versterken, hierna "synergistische middelen" genoemd; c) stoffen of preparaten die worden gebruikt of die bestemd zijn om te worden gebruikt in een gewasbeschermingsmiddel of hulpstof, maar die geen werkzame stoffen, beschermstoffen of synergistische middelen zijn, hierna "co-formulanten" genoemd; d) stoffen of preparaten die bestaan uit co-formulanten, of preparaten die een of meer co-formulanten bevatten, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd en op de markt worden gebracht om door de gebruiker te worden gemengd met een gewasbeschermingsmiddel en die de doeltreffendheid of andere verdelgende kenmerken ervan versterken, hierna "hulpstoffen" genoemd. Artikel 3 Definities "residuen" Eén of meer stoffen die in of op gewassen of producten van plantaardige oorsprong, eetbare dierlijke producten, drinkwater of elders in het milieu aanwezig zijn ten gevolge van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van de metabolieten en de afbraak- of reactieproducten; "Stoffen" lep/GRA/aa 21 LIMITE NL DG B II
die industrieel worden vervaardigd, met inbegrip van alle verontreinigingen die onvermijdelijk bij het fabricageproces ontstaan; "preparaten" Mengsels samengesteld uit twee of meer stoffen die bestemd zijn om als gewas beschermingsmiddel of hulpstof te worden gebruikt; "tot bezorgdheid aanleiding gevende stof" Iedere stof die als intrinsieke eigenschap heeft dat zij een schadelijk effect heeft op mensen, dieren of het milieu en die in een gewasbeschermingsmiddel in voldoende concentratie aanwezig is of ontstaat om risico's van een dergelijk effect in te houden. Dergelijke stoffen zijn onder meer, maar niet uitsluitend, stoffen die voldoen aan de criteria om in overeenstemming met Richtlijn 67/548/EEG 10 als gevaarlijk te worden geclassificeerd en die in het gewasbeschermingsmiddel aanwezig zijn in een concentratie waardoor het middel als gevaarlijk moet worden beschouwd in de zin van artikel 3 van Richtlijn 1999/45/EG; "gewassen" Levende planten en levende delen van planten, met inbegrip van vers fruit, groente en zaden; "plantaardige producten" Producten van plantaardige oorsprong, die geen of slechts eenvoudige bewerkingen, zoals malen, drogen of persen hebben ondergaan, [...] voor zover het geen gewassen zijn in de zin van punt 5; "schadelijke organismen" Elk(e) tot het dierenrijk of het plantenrijk behorende soort, stam of biotype, of ziekteverwekkend agens die of dat schadelijk is voor gewassen of plantaardige producten; "Op de markt brengen" PB L 196 van 16.8.1967, blz. 1. lep/GRA/aa 22 LIMITE NL DG B II
van het ten verkoop aanbieden, of enige andere vorm van overdracht, al dan niet gratis, alsmede de eigenlijke verkoop, de distributie en andere vormen van overdracht zelf, maar niet het retourneren aan de oorspronkelijke verkoper. Het in het vrije verkeer brengen op het grondgebied van de Gemeenschap geldt in het kader van deze verordening als op de markt brengen; "toelating van een gewasbeschermingsmiddel" Bestuursrechtelijk besluit waarmee de bevoegde instantie van een lidstaat toelaat dat een gewasbeschermingsmiddel op zijn grondgebied op de markt wordt gebracht; "producent" Een persoon die werkzame stoffen, beschermstoffen, synergistische middelen, co-formulanten, gewasbeschermingsmiddelen of hulpstoffen zelf produceert of de productie ervan aan een andere partij uitbesteedt, of een persoon die voor de naleving van deze verordening door de producent is aangewezen als zijn alleenvertegenwoordiger; "verklaring van toegang" Een authentiek document waarbij de eigenaar van krachtens deze verordening beschermde gegevens ermee instemt dat de bevoegde instantie deze gegevens onder de specifieke termen en voorwaarden gebruikt voor het verlenen van toelating voor een gewasbeschermings middel of goedkeuring van een werkzame stof, synergistisch middel of beschermstof ten voordele van een andere persoon; "milieu" Water (met inbegrip van grond- en oppervlaktewater, overgangs-, kust- en mariene wateren), afzettingsmateriaal, bodem, lucht, land, wilde soorten dieren en planten, alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met andere levende organismen; "micro-organismen" Een microbiologische eenheid, met inbegrip van draadvormige schimmels en virussen, cellulair of niet-cellulair, die in staat is genetisch materiaal te vermeerderen of over te brengen; lep/GRA/aa 23 LIMITE NL DG B II
[...] organismen waarvan het genetisch materiaal is gewijzigd in de zin van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad; "zone" Groep lidstaten zoals gedefinieerd in bijlage I; "goede gewasbeschermingspraktijken" Praktijken waarbij de behandelingen van een bepaald gewas of plantaardig product met gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorschriften voor hun toegestane gebruik worden geselecteerd, gedoseerd en getimed om met een minimumhoeveelheid een aanvaardbare doeltreffendheid te verzekeren, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en met de mogelijkheden voor teeltmaatregelen en biologische bestrijding; "goede laboratoriumpraktijken" Praktijken zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/10/EG; 11 "goede experimentele praktijken" Praktijken die in overeenstemming zijn met de richtsnoeren 181 en 152 van de EPPO, zoals laatstelijk bijgewerkt; "gegevensbescherming" Het tijdelijke recht van de eigenaar van een test- of studieverslag om te beletten dat het wordt gebruikt ten voordele van een andere aanvrager; PB L 50 van 20.2.2004,blz. 44. lep/GRA/aa 24 LIMITE NL DG B II
Elke natuurlijke of rechtspersoon die in het bezit is van een toelating voor het op de markt brengen en het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel; "Professionele gebruiker" Een professionele gebruiker als omschreven in [de kaderrichtlijn inzake een duurzaam gebruik van pesticiden]; "beperkte toepassing" Het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een bepaalde lidstaat op planten of plantaardige producten die: a) in die lidstaat niet op ruime schaal worden geteeld, of b) op ruime schaal worden geteeld om te voldoen aan een uitzonderlijke behoefte op het gebied van gewasbescherming; "broeikas" Een manshoge, statische, gesloten ruimte voor de teelt van gewassen met een doorgaans lichtdoorlatende buitenwand, die de mogelijkheid biedt voor een gecontroleerde uitwisseling van materiaal en energie met de omgeving en verhindert dat de gewasbeschermings middelen in het milieu terechtkomen. In het kader van deze verordening worden ook gesloten ruimtes voor de teelt van gewassen zonder lichtdoorlatende buitenwand (bijvoorbeeld voor de productie van champignons of witlof) als broeikassen beschouwd; "behandeling na de oogst" Behandeling van planten of plantaardige producten na de oogst in een geïsoleerde ruimte waar geen lekkage mogelijk is, bijvoorbeeld in een opslagplaats; De verscheidenheid van levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van, onder andere, terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken; dit kan ook de verscheidenheid omvatten binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen; lep/GRA/aa 25 LIMITE NL DG B II
De autoriteit of autoriteiten van een lidstaat die verantwoordelijk is of zijn voor de uitvoering van de taken waarin deze verordening voorziet; "reclame" Een middel ter bevordering van de verkoop of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (aan c.q. door ieder ander dan de houder van de toelating, de persoon die het gewas beschermingsmiddel op de markt brengt en hun vertegenwoordigers) met behulp van gedrukte of elektronisch media; "relevant omzettingsproduct" Elk omzettings- of afbraakproduct van een werkzame stof, een beschermstof, een synergistisch middel, dat in organismen of in het milieu wordt gevormd. Een metaboliet wordt relevant geacht indien er reden is om aan te nemen dat het intrinsieke eigenschappen heeft die vergelijkbaar zijn met die van de ouderstof wat betreft de biologische doel activiteit, of dat het een hoger of vergelijkbaar gevaar vormt voor organismen dan de ouderstof of dat het bepaalde toxicologische eigenschappen bezit die als onaanvaardbaar worden beschouwd. Een dergelijk metaboliet is relevant voor het algemene goedkeurings besluit of voor de vaststelling van risicobeperkende maatregelen; "onzuiverheid" Elk ander bestanddeel dan de pure werkzame stof en/of variant die aanwezig is in het technisch materiaal (onder meer als gevolg van het productieproces of van afbraak tijdens de opslag). lep/GRA/aa 26 LIMITE NL DG B II
HOOFDSTUK II co-formulanten AFDELING 1 WERKZAME STOFFEN ONDERAFDELING 1 EISEN EN VOORWAARDEN VOOR GOEDKEURINGEN Artikel 4 Goedkeuringscriteria voor basisstoffen Een werkzame stof wordt overeenkomstig bijlage II goedgekeurd als in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis kan worden verwacht dat gewas beschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, rekening houdend met de in de punten 2 en 3 van die bijlage vastgesteld goedkeuringscriteria, aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden zullen voldoen. Bij de beoordeling van de werkzame stof wordt eerst bepaald of aan de goedkeuringscriteria van bijlage II, punten 3.6.2 tot en met 3.6.4 en 3.7, is voldaan. Indien aan die criteria is voldaan, wordt bij de beoordeling vervolgens bepaald of aan de andere goedkeuringscriteria van bijlage II, punten 2 en 3, is voldaan. [...] De residuen van gewasbeschermingsmiddelen die resulteren uit de toepassing volgens goede gewasbeschermingspraktijken en rekening houdend met realistische gebruiksomstandig heden, moeten aan de volgende eisen voldoen: a) zij hebben geen schadelijke effecten op de gezondheid van de mens, met name die van kwetsbare bevolkingsgroepen, of op die van dieren, rekening houdend met bekende cumulatieve en synergistische effecten wanneer er methoden om dergelijke effecten te evalueren zijn overeengekomen, noch op het grondwater; b) zij hebben geen onaanvaardbaar effect op het milieu; lep/GRA/aa 27 LIMITE NL DG B II
relevant zijn voor het drinkwater, worden door middel van algemeen gebruikte methoden gemeten. Er moeten algemeen beschikbare analysenormen zijn. [...] Een gewasbeschermingsmiddel dat volgens goede gewasbeschermingspraktijken en in realistische gebruiksomstandigheden wordt aangewend, moet aan de volgende eisen voldoen: a) voldoende doeltreffend zijn; b) het heeft geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier, rechtstreeks of via drinkwater (waaronder producten op basis van behandeld drinkwater), levensmiddelen, diervoeder of lucht, noch gevolgen op de werkplek of andere indirecte effecten, rekening houdend met bekende cumulatieve en synergistische effecten wanneer er methoden om dergelijke effecten te evalueren, zijn overeengekomen; noch op grondwater; c) het heeft geen onaanvaardbare effecten op gewassen of plantaardige producten; d) het veroorzaakt geen onnodig lijden of pijn bij te bestrijden gewervelde dieren; e) het heeft geen onaanvaardbare effecten op het milieu, met name rekening houdend met de volgende aspecten: i) de lotgevallen en de verspreiding ervan in het milieu, met name de verontreiniging van oppervlaktewateren, met inbegrip van estuariene en kustwateren, [...] grondwater, lucht en bodem; ii) de gevolgen voor niet-doelsoorten; iii) de gevolgen voor de biodiversiteit. De eisen van de leden 2 en 3 worden beoordeeld in het licht van de in artikel 29, lid 6, bedoelde uniforme beginselen. Voor de goedkeuring van een werkzame stof wordt geacht dat aan de leden 1, 2 en 3 is voldaan, wanneer is vastgesteld dat dit het geval is voor één of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat. lep/GRA/aa 28 LIMITE NL DG B II
mensen niet gebruikt om de veiligheidsmarges te verlagen die het resultaat zijn van tests of studies op dieren. [...] Artikel 5 Eerste goedkeuring Artikel 6 Voorwaarden en beperkingen a) de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof; b) de aard en het maximumgehalte van bepaalde onzuiverheden; c) de in artikel 8 bedoelde beoordeling van de gegevens, waarbij rekening is gehouden met de relevante agrarische, fytosanitaire en ecologische, inclusief klimatologische, omstandigheden; d) het soort preparaat; e) de wijze van en voorwaarden voor aanwending; f) de indiening van verdere bevestigende informatie bij de lidstaten, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna "de Autoriteit" genoemd) en de Commissie wanneer tijdens de beoordelingsprocedure of naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis nieuwe eisen worden vastgesteld; g) de aanduiding van gebruikerscategorieën, zoals al dan niet professioneel gebruik; h) de aanduiding van gebieden waar goedkeuring van het gebruik van gewas eschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, kan worden geweigerd of kan worden verleend onder specifieke voorwaarden; i) de noodzaak van verplichte risicobeperkende maatregelen en monitoring na gebruik; lep/GRA/aa 29 LIMITE NL DG B II
het kader van deze verordening is verstrekt. ONDERAFDELING 2 GOEDKEURINGSPROCEDURE Artikel 7 Aanvraag Een aanvraag voor de goedkeuring van een werkzame stof of voor een wijziging van de voorwaarden van een goedkeuring moet door de producent van de werkzame stof bij een lidstaat (hierna de "als rapporteur aangewezen lidstaat" genoemd) worden ingediend, samen met een beknopt en een volledig dossier, zoals omschreven in artikel 8, leden 1 en 2, [...] dan wel een wetenschappelijke verantwoording waarin is aangegeven waarom bepaalde delen van die dossiers niet zijn ingediend en waaruit blijkt dat de werkzame stof voldoet aan de goedkeuringscriteria van artikel 4. Een vereniging van producenten die door de producenten voor de naleving van deze verordening is aangewezen, kan een gezamenlijke aanvraag indienen. De aanvraag wordt onderzocht door de lidstaat die de aanvrager voorstelt, tenzij een andere lidstaat bereid is de aanvraag te onderzoeken. Bij het indienen van zijn aanvraag mag de aanvrager verzoeken om bepaalde informatie, met inbegrip van bepaalde dossiergedeelten, in overeenstemming met artikel 60 vertrouwelijk te houden en houdt hij deze informatie fysiek gescheiden van de overige informatie. De verzoeken om vertrouwelijkheid worden beoordeeld door de lidstaten. Indien om toegang tot informatie wordt gevraagd, besluit de als rapporteur aangewezen lidstaat welke informatie vertrouwelijk dient te blijven. [...] Bij het indienen van zijn aanvraag dient de aanvrager tezelfdertijd een volledige lijst van de overeenkomstig artikel 8, lid 2, ingediende studies en een lijst van eventuele verzoeken om gegevensbescherming uit hoofde van artikel 56 in. lep/GRA/aa 30 LIMITE NL DG B II
de Autoriteit raadplegen. Artikel 8 Dossiers Het beknopte dossier omvat: a) gegevens over één of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat op een veel voorkomende teelt in elke zone, waaruit blijkt dat aan de eisen van artikel 4 is voldaan; wanneer de verstrekte gegevens niet alle zones of een niet veel voorkomende teelt betreffen, een verantwoording van deze aanpak; b) voor elk punt van de vereiste gegevens voor de werkzame stof bedoeld in lid 4, de samenvattingen en resultaten van tests en studies, de naam van de eigenaar en van de persoon of de instelling die de tests en studies heeft uitgevoerd; c) voor elk punt van de in lid 4 bedoelde gegevenseisen voor het gewas beschermingsmiddel, de samenvattingen en resultaten van de tests en studies, de naam van de eigenaar en van de persoon of de instelling die de tests en studies heeft uitgevoerd, voorzover die van belang zijn voor de beoordeling van de in artikel 4, leden 2 en 3, bedoelde criteria voor één of meer gewasbeschermingsmiddelen die representatief zijn voor de onder a) bedoelde gebruiksdoeleinden, rekening houdend met het feit dat wanneer er ingevolge de voorgestelde beperkte verscheidenheid van representatieve gebruiksdoeleinden van de werkzame stof gegevens ontbreken in het dossier waarin lid 2 voorziet, dit beperkingen van de goedkeuring tot gevolg kan hebben; d) een checklist waaruit blijkt dat het dossier waarin lid 2 voorziet, volledig is voor het gebruik waarvoor de aanvraag wordt ingediend; e) de redenen waarom de ingediende test- en studieverslagen nodig zijn voor de eerste goedkeuring van de werkzame stof of voor wijzigingen van de voorwaarden van de goedkeuring; lep/GRA/rl 31 DG B II LIMITE NL
als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 396/2005 of een motivering voor het niet verstrekken van die informatie; g) een beoordeling van alle ingediende informatie. Het volledige dossier bevat de volledige tekst van de afzonderlijke test- en studieverslagen betreffende alle in lid 1, onder b) en c), bedoelde informatie. Het bevat geen verslagen van tests of studies waarbij de werkzame stof of het gewasbeschermingsmiddel opzettelijk aan mensen wordt toegediend. [...] De vorm van het beknopte en het volledige dossier worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde procedure. De in artikel 8, leden 1 en 2, bedoelde gegevenseisen omvatten de eisen voor werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen als vervat in de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG en worden zonder ingrijpende wijzigingen vastgelegd in verordeningen die worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde procedure. Latere wijzigingen in deze verordeningen kunnen worden aangenomen overeenkomstig artikel 75, lid 1, onder b). Artikel 9 Ontvankelijkheid van de aanvraag Binnen 45 dagen na ontvangst van de aanvraag stuurt de als rapporteur aangewezen lidstaat de aanvrager een schriftelijke kennisgeving met de datum van ontvangst, en controleert hij of het dossier dat samen met de aanvraag is ingediend, alle elementen bevat waarin artikel 8 voorziet; hij maakt daarbij gebruik van de checklist bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d). Hij controleert ook de verzoeken inzake vertrouwelijkheid als bedoeld in artikel 7, lid 2, en de volledige lijst van studies die overeenkomstig artikel 7, lid 3, is ingediend. Wanneer één of meer elementen waarin artikel 8 voorziet ontbreken, licht de als rapporteur aangewezen lidstaat de aanvrager in en stelt hij een termijn vast voor de indiening ervan; de termijn bedraagt maximaal drie maanden. Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na afloop van de termijn niet heeft ingediend, meldt de als rapporteur aangewezen lidstaat aan de aanvrager, de Commissie en de overige lidstaten, dat de aanvraag niet ontvankelijk is. Voor dezelfde stof kan te allen tijde een nieuwe aanvraag worden ingediend. lep/GRA/rl 32 DG B II LIMITE NL
waarin in artikel 8 is voorzien, stelt de als rapporteur aangewezen lidstaat de aanvrager, de Commissie, de andere lidstaten en de Autoriteit in kennis van de ontvankelijkheid van de aanvraag en begint hij met de beoordeling van de werkzame stof. Na ontvangst van deze kennisgeving stuurt de aanvrager de in artikel 8 genoemde dossiers [...] onmiddellijk door naar de andere lidstaten, de Autoriteit en de Commissie, met inbegrip van de informatie waarvoor overeenkomstig artikel 7, lid 2, is verzocht om vertrouwelijkheid voor delen van het dossier. Artikel 10 Toegang tot het beknopte dossier De Autoriteit maakt het in artikel 8, lid 1, bedoelde beknopte dossier onverwijld toegankelijk voor het publiek, met uitzondering van de informatie waarvoor in overeenstemming met artikel 60 om een vertrouwelijke behandeling is verzocht waarvan de noodzaak is aangetoond, tenzij met de openbaarmaking ervan een openbaar belang van hogere orde is gediend. Artikel 11 Ontwerp-beoordelingsverslag Binnen twaalf maanden na de datum van kennisgeving waarin artikel 9, lid 3, eerste alinea, voorziet, stelt de als rapporteur aangewezen lidstaat een verslag op (hierna het "ontwerp beoordelingsverslag" genoemd), dat hij bij de Commissie indient, met kopie aan de Autoriteit, en waarin wordt beoordeeld of de werkzame stof naar verwachting beantwoordt aan de eisen van artikel 4. Het verslag bevat, in voorkomend geval, ook een voorstel voor de vaststelling van maximumresidugehaltes. In dat geval zendt de als rapporteur aangewezen lidstaat de aanvraag, het beoordelingsverslag en het begeleidend dossier als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EG) 396/2005 uiterlijk zes maanden na de datum van kennisgeving als voorzien in artikel 9, lid 3, eerste alinea, toe aan de Commissie. De als rapporteur aangewezen lidstaat voert op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling uit. lep/GRA/rl 33 DG B II LIMITE NL
ontwerp-beoordelingsverslag beperkt tot de betrokken onderdelen van de beoordeling. [..] Indien de als rapporteur aangewezen lidstaat bijkomende studies of informatie nodig heeft, stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de periode van twaalf maanden verlengd met de bijkomende termijn die de als rapporteur aangewezen lidstaat toekent. De bijkomende termijn bedraagt ten hoogste zes maanden en loopt af op het ogenblik dat de als rapporteur aangewezen lidstaat de bijkomende informatie ontvangt. Hij brengt de Commissie en de Autoriteit daarvan op de hoogte. Wanneer de aanvrager de bijkomende informatie na afloop van de in lid 2 bedoelde termijn niet heeft ingediend, brengt de als rapporteur aangewezen lidstaat de aanvrager, de Commissie en de Autoriteit daarvan op de hoogte en vermeldt hij in de in het ontwerp beoordelingsverslag vervatte beoordeling welke elementen ontbreken. De vorm van het ontwerp-beoordelingsverslag wordt vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde procedure. Artikel 12 Conclusie van de Autoriteit Uiterlijk 30 dagen nadat de Autoriteit het ontwerp-beoordelingsverslag van de als rapporteur aangewezen lidstaat heeft ontvangen, zendt zij dat verslag door naar de aanvrager en de andere lidstaten. Zij verzoekt de aanvrager een bijgewerkte versie van het dossier in voorkomend geval toe te zenden aan de Autoriteit, de Commissie en de lidstaten. Zij maakt het ontwerp-beoordelingsverslag toegankelijk voor het publiek, nadat de aanvrager twee weken de tijd heeft gekregen om overeenkomstig artikel 60 te verzoeken dat bepaalde delen van het ontwerp-beoordelingsverslag vertrouwelijk blijven. De Autoriteit wacht gedurende 60 dagen schriftelijke opmerkingen in. De Autoriteit organiseert zo nodig een raadpleging van deskundigen, inclusief deskundigen uit de als rapporteur aangewezen lidstaat. lep/GRA/rl 34 DG B II LIMITE NL
van de ten tijde van de aanvraag beschikbare wetenschappelijke en technische kennis, een conclusie goed waarin zij vermeldt of de werkzame stof naar verwachting aan de eisen van artikel 4 zal beantwoorden; zij deelt die conclusie mee aan de aanvrager, de lidstaten en de Commissie, en maakt die toegankelijk voor het publiek. Zo nodig gaat de Autoriteit in haar conclusie in op de risicoverlagende opties die in het ontwerp-beoordelingsverslag zijn genoemd. Indien de Autoriteit bijkomende informatie nodig heeft, stelt zij een termijn vast van ten hoogste 90 dagen waarbinnen de aanvrager die informatie aan de Autoriteit, de Commissie en de lidstaten moet verstrekken. De als rapporteur aangewezen lidstaat beoordeelt de bijkomende informatie en legt die onverwijld en uiterlijk 60 dagen na ontvangst voor aan de Autoriteit. In dat geval wordt de periode van 120 dagen waarin in lid 2 is voorzien, verlengd met een bijkomende termijn, die afloopt op het ogenblik dat de Autoriteit de bijkomende beoordeling ontvangt. De Autoriteit kan de Commissie verzoeken een bij Verordening (EG) nr. 882/2004 aangewezen referentielaboratorium te raadplegen om te controleren of de door de aanvrager voorgestelde analysemethode voor de vaststelling van residuen afdoende is en voldoet aan de eisen van artikel 29, lid 1, onder f). Op verzoek van het communautaire referentie laboratorium verstrekt de aanvrager monsters en analytische normen. De conclusie van de Autoriteit [...] bevat nadere gegevens over de procedure van de beoordeling en de eigenschappen van de betrokken werkzame stof. De Autoriteit stelt de vorm van haar conclusie vast; die bevat nadere gegevens over de beoordelingsprocedure en de eigenschappen van de betrokken werkzame stof. lep/GRA/rl 35 DG B II LIMITE NL
artikel 11 en voor besluiten over aanvragen inzake een MRL als voorzien in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 396/2005 gelden onverminderd de in de onderhavige verordening vastgestelde termijnen. Artikel 13 Goedkeuringsverordening Binnen zes maanden na ontvangst van de conclusie van de Autoriteit waarin artikel 12, lid 2, voorziet, dient de Commissie bij het in artikel 76, lid 1, bedoelde comité een verslag (hierna het "evaluatieverslag" genoemd) en een ontwerp-verordening in, rekening houdend met het ontwerp-beoordelingsverslag van de als rapporteur aangewezen lidstaat en de conclusie van de Autoriteit als bedoeld in artikel 11, respectievelijk artikel 12. De aanvrager krijgt de mogelijkheid om opmerkingen betreffende het evaluatieverslag in te dienen. Op basis van het evaluatieverslag waarin lid 1 voorziet, andere voor het desbetreffende geval legitieme factoren en het voorzorgsbeginsel wanneer de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 178/2002, artikel 7, lid 1, relevant zijn, wordt volgens de procedure van artikel 76, lid 3, een verordening vastgesteld, die bepaalt dat: a) een werkzame stof, zo nodig onderworpen aan voorwaarden en beperkingen als bedoeld in artikel 6, wordt goedgekeurd; b) een werkzame stof niet wordt goedgekeurd; of c) de voorwaarden van de goedkeuring worden gewijzigd. Wanneer de goedkeuring voorziet in de indiening van verdere bevestigende informatie als bedoeld in artikel 6, onder f), bepaalt de verordening de termijn voor de indiening van die informatie bij de lidstaten, de Autoriteit en de Commissie. De als rapporteur aangewezen lidstaat beoordeelt de bijkomende informatie en legt zijn beoordeling onverwijld, en uiterlijk 6 maanden na ontvangst van de bijkomende informatie, voor aan de andere lidstaten, de Autoriteit en de Commissie. lep/GRA/rl 36 DG B II LIMITE NL
Goedgekeurde werkzame stoffen worden opgenomen in de in artikel 75, lid 3, bedoelde verordening, die een lijst bevat van de reeds goedgekeurde werkzame stoffen. De Commissie houdt een lijst van goedgekeurde werkzame stoffen in elektronische vorm toegankelijk voor het publiek. ONDERAFDELING 3 VERLENGING EN HERZIENING Artikel 14 Verlenging van een goedkeuring De goedkeuring van een werkzame stof wordt op aanvraag verlengd wanneer vaststaat dat aan de criteria van artikel 4 is voldaan. Aan artikel 4 wordt geacht te zijn voldaan wanneer dit werd vastgesteld voor één of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat. Aan een dergelijke verlenging van de goedkeuring kunnen voorwaarden en beperkingen als bedoeld in artikel 6 verbonden worden. De verlenging geldt voor onbeperkte tijd. Artikel 15 Verlengingsaanvraag De in artikel 14 bedoelde aanvraag moet uiterlijk drie jaar voordat de eerste goedkeuring vervalt, door een producent van de werkzame stof bij een lidstaat worden ingediend, met kopie aan de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit. lep/GRA/rl 37 DG B II LIMITE NL
wil indienen en toont hij aan dat deze noodzakelijk zijn omdat de gegevens nog niet vereist of de criteria nog niet van toepassing waren toen de werkzame stof voor het eerst werd goedgekeurd, dan wel omdat zijn aanvraag een wijziging van de goedkeuring betreft. Hij dient tezelfdertijd een tijdschema in voor alle nieuwe en lopende studies. De aanvrager vermeldt welke delen van de ingediende informatie hij overeenkomstig artikel 60 vertrouwelijk wenst te houden en geeft daarvoor de redenen aan; [tevens vermeldt hij alle eventuele verzoeken om gegevensbescherming op grond van artikel 56]. Artikel 16 Toegang tot de informatie met het oog op verlenging Artikel 17 Verlenging van de goedkeuringsperiode voor de duur van de procedure lep/GRA/rl 38 DG B II LIMITE NL
-
a)de tijd die nodig is om de gevraagde informatie te verstrekken; b) de tijd die nodig is om de procedure te voltooien; c) indien van toepassing, de noodzaak om overeenkomstig artikel 18 een coherent werkprogramma op te stellen. Artikel 18 Werkprogramma a) de procedures voor de indiening en beoordeling van verlengingsaanvragen voor goedkeuringen; b) de vermelding welke gegevens moeten worden ingediend; c) de termijnen voor de indiening van die gegevens; d) de regels inzake de indiening van nieuwe informatie; [...] e) de termijn voor de beoordeling en besluitvorming; f) de toebedeling van de beoordeling van werkzame stoffen aan lidstaten, rekening houdend met een evenwicht tussen de als rapporteur optredende lidstaten wat betreft de verantwoordelijkheden en te verrichten werkzaamheden. lep/GRA/rl 39 DG B II LIMITE NL
Uitvoeringsmaatregelen Artikel 20 Verlengingsverordening Overeenkomstig de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure wordt een verordening vastgesteld waarbij: a) de goedkeuring van een werkzame stof, zo nodig onderworpen aan voorwaarden en beperkingen, wordt verlengd; of b) de goedkeuring van een werkzame stof niet wordt verlengd. Voorzover de redenen waarom de goedkeuring niet wordt verlengd dit toelaten, wordt in de in lid 1 bedoelde verordening voor bestaande voorraden van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen een respijtperiode vastgesteld van ten hoogste één jaar voor het op de markt brengen en ten hoogste nogmaals één jaar voor de verwijdering, de opslag en het gebruik ervan. Ingeval de toelating voor een gewasbeschermingsmiddel wordt ingetrokken of niet wordt verlengd om dringende redenen die verband houden met de gezondheid van mens of dier of met het milieu, wordt dit gewasbeschermingsmiddel met onmiddellijke ingang uit de handel genomen. Artikel 13, lid 4, is van toepassing. Artikel 21 Herziening van een goedkeuring De Commissie [...] kan de goedkeuring van een werkzame stof te allen tijde herzien. Zij kan rekening houden met het verzoek van een lidstaat om de goedkeuring van een werkzame stof te herzien. lep/GRA/rl 40 DG B II LIMITE NL
meent dat er aanwijzingen zijn dat de stof niet langer voldoet aan de criteria van artikel 4, of wanneer de op grond van artikel 6, onder f), vereiste verdere informatie niet werd verstrekt, licht zij de lidstaten, de Autoriteit en de producent van de werkzame stof in en stelt zij een termijn vast waarbinnen de producent zijn opmerkingen moet doen toekomen. De Commissie kan de Autoriteit en de lidstaten om advies of om wetenschappelijke of technische bijstand verzoeken. De Autoriteit verstrekt de Commissie haar advies of de resultaten van haar werk binnen drie maanden na het verzoek. De andere lidstaten kunnen eveneens binnen drie maanden na het verzoek van de Commissie opmerkingen indienen. Wanneer de Commissie concludeert dat niet langer wordt voldaan aan de criteria van artikel 4, of wanneer de op grond van artikel 6, onder f), vereiste verdere informatie niet is verstrekt, wordt volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure een verordening vastgesteld om de goedkeuring in te trekken of te wijzigen. Artikel 13, lid 4, en artikel 20, lid 2, zijn van toepassing. ONDERAFDELING 4 AFWIJKINGEN Artikel 22 Werkzame stoffen met een laag risico [...] Een werkzame stof die aan de criteria van artikel 4 voldoet, wordt, in afwijking van artikel 5, voor een periode van ten hoogste 15 jaar goedgekeurd, wanneer deze wordt beschouwd als een werkzame stof met een laag risico en de gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten naar verwachting slechts een laag risico voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu zullen inhouden, zoals bepaald in artikel 46, lid 1. Artikel 4 [...] en de artikelen 6 tot en met 21 alsmede Afdeling 5 van bijlage II zijn van toepassing. Stoffen die een laag risico inhouden worden vermeld op een afzonderlijke lijst in de in artikel 13, lid 4, bedoelde verordening. lep/GRA/rl 41 DG B II LIMITE NL
laag risico evalueren en zo nodig nieuwe criteria vaststellen overeenkomstig artikel 75, lid 1, onder a). Artikel 23 Goedkeuringscriteria voor basisstoffen Basisstoffen worden goedgekeurd overeenkomstig de leden 2 tot en met 6. In afwijking van artikel 5 geldt de goedkeuring voor onbeperkte tijd. Voor de toepassing van die leden wordt onder een basisstof verstaan een werkzame stof: a) die geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof is, en b) die niet voornamelijk voor gewasbeschermingsdoeleinden wordt gebruikt, maar c) die niettemin nuttig is op het gebied van gewasbescherming, hetzij wanneer zij direct wordt gebruikt, hetzij in een middel dat bestaat uit de stof en een gewone verdunner, en d) die niet als een gewasbeschermingsmiddel op de markt wordt gebracht. In afwijking van artikel 4 wordt een basisstof goedgekeurd wanneer uit relevante evaluaties die zijn uitgevoerd overeenkomstig andere communautaire wetgeving waarin het gebruik van die stof voor andere doeleinden dan als gewasbeschermingsmiddel is geregeld, blijkt dat de stof geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect heeft op de gezondheid van mens of dier, noch een onaanvaardbaar nadelig effect op het milieu. In afwijking van artikel 7 wordt een goedkeuringsaanvraag voor een basisstof door een belanghebbende partij of door een lidstaat bij de Commissie ingediend. Bij de aanvraag dient de volgende informatie te worden verstrekt: a) alle eventuele evaluaties van de mogelijke effecten op de gezondheid van mens of dier of op het milieu, die zijn uitgevoerd overeenkomstig andere communautaire wetgeving die het gebruik van die stof regelt; en b) andere relevantie informatie over de mogelijke effecten op de gezondheid van mens of dier of op het milieu. lep/GRA/rl 42 DG B II LIMITE NL
bijstand. De Autoriteit verstrekt de Commissie haar advies of de resultaten van haar werk binnen drie maanden na het verzoek. De artikelen 6 en 13 zijn van toepassing. Basisstoffen worden vermeld op een afzonderlijke lijst in de in artikel 13, lid 4, bedoelde verordening. De Commissie [...] kan de goedkeuring van een basisstof te allen tijde herzien. Zij kan rekening houden met het verzoek van een lidstaat om de goedkeuring te herzien. Wanneer er volgens de Commissie aanwijzingen zijn dat de stof niet langer voldoet aan de criteria van de leden 1 tot en met 3, licht zij de lidstaten, de Autoriteit en de belanghebbende partij in en stelt zij een termijn vast waarbinnen deze hun opmerkingen kunnen doen toekomen. De Commissie verzoekt de Autoriteit om een advies, of om wetenschappelijke of technische bijstand. De Autoriteit verstrekt de Commissie haar advies of de resultaten van haar werk binnen drie maanden na het verzoek. Wanneer de Commissie concludeert dat niet langer wordt voldaan aan de criteria van lid 1, wordt volgens de procedure van artikel 76, lid 3, een verordening vastgesteld om de goedkeuring in te trekken of te wijzigen. [...] Artikel 24 Stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen Een werkzame stof die voldoet aan de criteria van artikel 4 wordt goedgekeurd als stof die in aanmerking komt om te worden vervangen indien zij voldoet aan een of meer van de in punt 4 van bijlage II vermelde aanvullende criteria. In afwijking van artikel 14, lid 2, kan de goedkeuring een of meerdere keren worden verlengd voor een periode van ten hoogste tien jaar. Onverminderd lid 1 zijn de artikelen 4 tot en met 21 van toepassing. Stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen, worden vermeld op een afzonderlijke lijst in de in artikel 13, lid 4, bedoelde verordening. lep/GRA/rl 43 DG B II LIMITE NL
BESCHERMSTOFFEN EN SYNERGISTISCHE MIDDELEN Artikel 25 Goedkeuring van beschermstoffen en synergistische middelen Een beschermstof of synergistisch middel wordt goedgekeurd wanneer het voldoet aan artikel 4. De artikelen 5 tot en met 21 zijn van toepassing. Voor beschermstoffen en synergistische middelen worden volgens de in artikel 76, lid 4, bedoelde procedure gegevenseisen vastgesteld die vergelijkbaar zijn met die welke bedoeld zijn in artikel 8, lid 4. Artikel 26 Beschermstoffen en synergistische middelen die reeds op de markt zijn lep/GRA/rl 44 DG B II LIMITE NL
Artikel 27 Co-formulanten Een co-formulant mag niet in een gewasbeschermingsmiddel worden opgenomen wanneer is vastgesteld dat: a) de residuen, na een toepassing die in overeenstemming is met goede gewasbeschermingspraktijken en rekening houdend met realistische gebruiksomstandigheden, een schadelijk effect hebben op de gezondheid van mens of dier of op het grondwater, dan wel een onaanvaardbaar effect hebben op het milieu, of b) het gebruik ervan, na een toepassing die in overeenstemming is met goede gewasbeschermingspraktijken en rekening houdend met realistische [...] gebruiksomstandigheden, een schadelijk effect heeft op de gezondheid van mens of dier, dan wel een onaanvaardbaar effect heeft op gewassen, plantaardige producten of het milieu. Co-formulanten die krachtens lid 1 niet in een gewasbeschermingsmiddel mogen worden opgenomen, worden volgens de in artikel 76, lid 4, bedoelde procedure opgenomen in bijlage III. De Commissie kan co-formulanten te allen tijde herzien. Zij kan door de lidstaten verstrekte relevante informatie in aanmerking nemen. Artikel 78, lid 2, is van toepassing. Voor de uitvoering van dit artikel kunnen nadere regels worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure. lep/GRA/rl 45 DG B II LIMITE NL
Gewasbeschermingsmiddelen A FDELING 1 T OELATING O NDERAFDELING 1 E ISEN EN INHOUD Artikel 28 Toelating voor het op de markt brengen en het gebruik Een gewasbeschermingsmiddel [...] wordt alleen op de markt gebracht of gebruikt wanneer het in de betrokken lidstaat overeenkomstig deze verordening is toegelaten. In afwijking van lid 1 is geen toelating vereist voor: a) het gebruik van [...] middelen die uitsluitend één of meer basisstoffen bevatten; b) het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden, overeenkomstig artikel 51; c) de productie, de opslag en het vervoer van een gewasbeschermingsmiddel dat voor gebruik in een andere lidstaat is bestemd, op voorwaarde dat het middel in die lidstaat is toegelaten en dat de lidstaat van productie, opslag of vervoer inspectievoorschriften heeft vastgesteld om ervoor te zorgen dat het gewasbeschermingsmiddel niet op zijn grondgebied wordt gebruikt; d) de productie, de opslag en het vervoer van een gewasbeschermingsmiddel dat voor gebruik in een land buiten het grondgebied van de Europese Unie is bestemd, op voorwaarde dat de lidstaat van productie, opslag of vervoer inspectievoorschriften heeft vastgesteld om ervoor te zorgen dat het gewasbeschermingsmiddel van zijn grondgebied wordt uitgevoerd; lep/GRA/rl 46 DG B II LIMITE NL
een vergunning voor parallelhandel volgens artikel 49 bis is verleend. Artikel 29 Eisen voor de toelating voor het op de markt brengen Onverminderd artikel 48 wordt een gewasbeschermingsmiddel [...] slechts toegelaten indien het overeenkomstig de in lid 6 bedoelde uniforme beginselen aan de volgende eisen voldoet: a) de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen die het bevat zijn goedgekeurd; b) de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel is afkomstig uit een andere productiebron, of uit dezelfde productiebron met een wijziging in het productieproces en/of de plaats van productie, maar - de specificatie overeenkomstig artikel 37 wijkt niet significant af van de specificatie in de verordening tot goedkeuring van die stof, die beschermstof of dat synergistisch middel; en - die werkzame stof, die beschermstof of dat synergistisch middel heeft niet ingevolge onzuiverheden meer schadelijke effecten in de zin van artikel 4, leden 2 en 3, dan wanneer zij zou zijn geproduceerd volgens het productieproces gespecificeerd in het dossier ter onderbouwing van de toelating; c) de co-formulanten zijn niet vermeld in bijlage III; d) op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet het aan de eisen van artikel 4, lid 3; e) de aard en hoeveelheid van de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen en, indien van toepassing, in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht relevante onzuiverheden en co-formulanten, kunnen aan de hand van passende methoden worden vastgesteld; f) de residuen die het gevolg zijn van geoorloofd gebruik en die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht relevant zijn, kunnen worden bepaald door middel van algemeen gebruikte passende methoden; lep/GRA/rl 47 DG B II LIMITE NL
gebruik en adequate opslag van het middel aanvaardbaar geacht; h) voor gewassen of plantaardige producten die voor voeding of vervoedering zijn bestemd, zijn de maximumresidugehalten in de landbouwproducten die het voorwerp van het in de toelating vermelde gebruik zijn, in voorkomend geval vastgesteld of gewijzigd in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 396/2005. De aanvrager toont aan dat aan de eisen van lid 1, onder a) tot en met g), is voldaan. De naleving van de in lid 1, onder b) en onder d) tot en met g), genoemde eisen wordt vastgesteld door middel van officiële of officieel erkende proeven en analyses, die worden uitgevoerd onder agrarische, fytosanitaire en ecologische omstandigheden die relevant zijn voor het gebruik van het betreffende gewasbeschermingsmiddel en die representatief zijn voor de omstandigheden in de zone waar het middel zal worden gebruikt. Wat lid 1, onder e), betreft, kunnen volgens de procedure van artikel 76, lid 3, geharmoniseerde methoden worden vastgesteld. Artikel 78 is van toepassing. Er worden, bij verordeningen die volgens de procedure van artikel 76, lid 2, worden vastgesteld, uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen vastgesteld die de in bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG vastgelegde eisen bevatten, zonder ingrijpende wijzigingen. Latere wijzigingen in deze verordeningen kunnen worden aangenomen overeenkomstig artikel 75, lid 1, onder c). lep/GRA/rl 48 DG B II LIMITE NL
Voorlopige toelatingen In afwijking van artikel 29, lid 1, onder a), mogen de lidstaten toestaan dat een gewasbeschermingsmiddel met een nog niet goedgekeurde werkzame stof voor een voorlopige periode van ten hoogste drie jaar op de markt wordt gebracht, mits: - binnen twee jaar en zes maanden na de datum waarop de aanvraag ontvankelijk is verklaard, verlengd met overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 3, vastgestelde termijnen, geen besluit inzake de goedkeuring kan worden genomen; en - het dossier betreffende de werkzame stof overeenkomstig artikel 9 ontvankelijk is voor de geplande gebruiksdoeleinden; en - de lidstaat concludeert dat de werkzame stof aan de eisen van artikel 4, leden 2 en 3, kan voldoen en dat mag worden verwacht dat het gewasbeschermingsmiddel aan de eisen van artikel 29, lid 1, punt b) tot en met g), zal voldoen; en - maximumresidugehalten zijn vastgesteld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 396/2005. In dat geval brengt de lidstaat de andere lidstaten en de Commissie onverwijld van zijn beoordeling van het dossier en van de toelatingsvoorwaarden op de hoogte, waarbij ten minste de in artikel 54, lid 1, bedoelde informatie wordt verstrekt. De bepalingen van de leden 1 en 2 zijn van toepassing gedurende vijf jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt. Indien nodig, kan deze periode worden verlengd volgens de in artikel 76, lid 4, bedoelde procedure. lep/GRA/rl 49 DG B II LIMITE NL
Inhoud van toelatingen De toelating bepaalt op welke planten of plantaardige producten en in welke niet-agrarische gebieden (bv. spoorwegen, openbare ruimten, opslagplaatsen) en voor welke doeleinden het gewasbeschermingsmiddel [...] mag worden gebruikt. De toelating stelt de voorschriften vast voor het op de markt brengen en het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel. Deze voorschriften omvatten ten minste de nodige gebruiksvoorwaarden om te voldoen aan de voorwaarden en eisen van de verordening ter goedkeuring van de werkzame stoffen, beschermingsmiddelen en synergistische middelen. De toelating omvat een classificatie van het gewasbeschermingsmiddel voor de toepassing van Richtlijn 1999/45/EG. De lidstaten kunnen bepalen dat de houders van toelatingen het etiket na elke wijziging van de indeling en het kenmerken van het gewasbeschermings product overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG zonder onnodige vertraging aanpassen. In dat geval stellen zij de bevoegde instantie hiervan onverwijld in kennis. Bij de in lid 2 bedoelde voorschriften kan het onder meer gaan om: a) een beperking van de distributie en het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel, waarbij rekening wordt gehouden met krachtens andere Gemeenschapsvoorschriften geldende eisen ter bescherming van de gezondheid van de betrokken distributeurs, gebruikers, omstanders en werknemers en van het milieu; een eventuele beperking van die aard dient op het etiket te worden vermeld; b) de verplichting om, voordat het middel wordt gebruikt, alle buren in te lichten die aan drift kunnen worden blootgesteld [en die hebben gevraagd te worden ingelicht]; c) de aanduiding van gebruikerscategorieën, zoals al dan niet professioneel gebruik; d) het goedkeuringsetiket; e) de maximumdosis per hectare in elke toepassing; f) het maximumaantal toepassingen per jaar en de tussentijd tussen toepassingen; lep/GRA/rl 50 DG B II LIMITE NL
gewasbeschermingsmiddel, indien van toepassing; h) de tussentijd tot de oogst, indien van toepassing; i) de herbetredingstermijn. Artikel 31 Duur De toelatingsperiode wordt vastgesteld in de toelating. Onverminderd artikel 43 wordt de duur van een toelating bepaald op een periode die loopt tot ten hoogste een jaar vanaf de datum waarop de goedkeuring van de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen in het gewasbeschermingsmiddel [...] verstrijkt, en daarna voor zolang de werkzame stoffen, de beschermstoffen en synergistische middelen in het gewasbeschermingsmiddel [...] zijn goedgekeurd. [...] Deze termijn staat toe het onderzoek overeenkomstig artikel 42 uit te voeren. Toelatingen kunnen ook voor kortere perioden worden toegekend om de herziening van gelijkaardige middelen te laten samenvallen teneinde overeenkomstig artikel 48 een vergelijkende evaluatie uit te voeren van middelen die stoffen bevatten die in aanmerking komen om te worden vervangen. lep/GRA/rl 51 DG B II LIMITE NL
P ROCEDURE Artikel 32 Aanvraag of wijziging van de toelating Een aanvrager die een gewasbeschermingsmiddel op de markt wenst te brengen, doet zelf of via een vertegenwoordiger een toelatingsaanvraag of een aanvraag tot wijziging van een toelating bij elke lidstaat waar het gewasbeschermingsmiddel op de markt zal worden gebracht. De aanvraag bevat het volgende: a) een lijst van de gebruiksdoeleinden in elk van de in bijlage I bepaalde zones en in de lidstaten waar de aanvrager een aanvraag heeft ingediend of voornemens is in te dienen; b) een voorstel waarin de lidstaat wordt vermeld waarvan de aanvrager verwacht dat die de aanvraag in de betreffende zone zal beoordelen. Ingeval de aanvraag betrekking heeft op gebruik in kassen, op behandeling na de oogst, op de behandeling van lege opslagruimten of op behandeling van zaaizaad, wordt slechts één lidstaat voorgesteld; deze lidstaat beoordeelt de aanvraag voor alle zones. In dit geval zendt de aanvrager het beknopte of volledige dossier als bedoeld in artikel 8 op verzoek toe aan andere lidstaten; c) indien van toepassing, een [...] afschrift van alle toelatingen die voor dat gewasbeschermingsmiddel reeds in een lidstaat zijn verleend; d) indien van toepassing, een afschrift van de in artikel 37, lid 2, bedoelde conclusie van de lidstaat waarin de equivalentie wordt vastgesteld. Bij de aanvraag dient het volgende te worden verstrekt: a) voor het betreffende gewasbeschermingsmiddel, een volledig en een beknopt dossier voor elk punt van de vereiste gegevens voor het gewasbeschermingsmiddel; lep/GRA/rl 52 DG B II LIMITE NL
beschermingsmiddel, een volledig en een beknopt dossier voor elk punt van de vereiste gegevens voor de werkzame stof, de beschermstof en het synergistisch middel; en c) voor elke test of studie waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, een verantwoording van de stappen die zijn genomen om onnodige proeven te voorkomen; d) de redenen waarom de ingediende test- en studieverslagen nodig zijn voor de eerste toelating of voor het wijzigen van de voorwaarden van de toelating; e) indien van toepassing, een afschrift van de aanvraag voor een maximum residugehalte als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 396/2005 of een motivering voor het niet verstrekken van die informatie; f) indien van toepassing, voor een wijziging van een toelating, een beoordeling van alle overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder g), verstrekte informatie; g) een ontwerp-etiket. Bij het indienen van zijn aanvraag mag de aanvrager verzoeken om bepaalde informatie, met inbegrip van bepaalde gedeelten van het dossier, in overeenstemming met artikel 60 vertrouwelijk te houden en houdt hij deze informatie fysiek gescheiden van de overige informatie. [...] De aanvrager dient tezelfdertijd de volledige lijst van overeenkomstig artikel 8, lid 2, ingediende studies in, alsmede een lijst van de test- en studieverslagen waarvoor eventuele verzoeken om gegevensbescherming uit hoofde van artikel 56 [...] worden gedaan. Bij een verzoek om toegang tot informatie, besluit de [...] lidstaat die de aanvraag onderzoekt welke informatie vertrouwelijk dient te blijven. [...] Indien de lidstaat daarom verzoekt, dient de aanvrager zijn aanvraag in de nationale of officiële talen van die lidstaat of in één van die talen in. Op verzoek levert de aanvrager monsters van het gewasbeschermingsmiddel en analytische normen van de ingrediënten ervan aan de lidstaat. lep/GRA/rl 53 DG B II LIMITE NL
Vrijstelling van de indiening van studies Aanvragers worden vrijgesteld van de indiening van de in artikel 32, lid 3, bedoelde test- en studieverslagen, wanneer de lidstaat waar de aanvraag wordt ingediend over de betrokken test- en studieverslagen beschikt en de aanvragers aantonen dat hun overeenkomstig artikel 56, 58 of 59 toegang is verleend, of dat elke gegevensbeschermingsperiode is verlopen. Aanvragers op wie lid 1 van toepassing is, verstrekken niettemin de volgende informatie: a) alle informatie die nodig is voor de identificatie van het gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van de volledige samenstelling daarvan, en een verklaring dat geen onaanvaardbare co-formulanten gebruikt zijn; b) de informatie die nodig is om de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel te identificeren wanneer die zijn goedgekeurd, en om vast te stellen of aan de goedkeuringsvoorwaarden is voldaan en of deze in voorkomend geval in overeenstemming zijn met artikel 29, lid 1, onder b); c) op verzoek van de betrokken lidstaat, de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat het gewasbeschermingsmiddel effecten heeft die vergelijkbaar zijn met die van het gewasbeschermingsmiddel waarvoor zij bewijzen toegang te hebben tot de beschermde gegevens. Artikel 34 De lidstaat die de aanvraag onderzoekt lep/GRA/rl 54 DG B II LIMITE NL
Artikel 35 Onderzoek voor toelating De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, voert, op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis met gebruikmaking van de richtsnoeren die ten tijde van de aanvraag beschikbaar zijn, een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling uit. Hij geeft alle lidstaten in dezelfde zone de mogelijkheid tot het indienen van opmerkingen waarmee tijdens de beoordeling rekening moet worden gehouden. Daarbij worden de in artikel 29, lid 6, bedoelde uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen toegepast om in de mate van het mogelijke vast te stellen of het gewasbeschermingsmiddel in dezelfde zone aan de eisen van artikel 29 voldoet wanneer het overeenkomstig artikel 52 en in realistische gebruiksomstandigheden wordt gebruikt. De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, maakt zijn beoordeling toegankelijk voor de andere lidstaten in dezelfde zone. De vorm van het beoordelingsverslag wordt vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde procedure. De betrokken lidstaten verlenen of weigeren toelatingen op grond van de conclusies van de beoordeling van de lidstaat die de aanvraag overeenkomstig de artikelen 30 en 31 heeft onderzocht. In afwijking van lid 2 en krachtens het Gemeenschapsrecht kunnen passende voorwaarden worden opgelegd wat de naleving van de in artikel 30, lid 3, onder a) en b), bedoelde voorschriften betreft, alsmede andere risicobeperkende maatregelen die voortvloeien uit specifieke gebruiksomstandigheden. lep/GRA/rl 55 DG B II LIMITE NL
het milieu niet kan worden weggenomen door de in de eerste alinea bedoelde nationale risicobeperkende maatregelen, kan een lidstaat in laatste instantie weigeren een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel op zijn grondgebied te verlenen indien die lidstaat, als gevolg van zeer specifieke omstandigheden in verband met milieu of landbouw, gegronde redenen heeft om aan te nemen dat het betrokken product een ernstige bedreiging vormt voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. De lidstaat stelt de aanvrager en de Commissie onverwijld op de hoogte van zijn besluit en verstrekt daarvoor een technische of wetenschappelijke rechtvaardiging. De lidstaten bieden de mogelijkheid om tegen het besluit waarbij een toelating voor een dergelijk product wordt geweigerd, in beroep te gaan bij de nationale rechterlijke instanties of bij andere beroepsinstanties. Artikel 36 Onderzoekstermijn De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, beslist binnen twaalf maanden na ontvangst van de aanvraag of aan de toelatingseisen is voldaan. Indien de lidstaat bijkomende informatie nodig heeft, stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de periode van twaalf maanden verlengd met de bijkomende termijn die de lidstaat toekent. De bijkomende termijn bedraagt ten hoogste zes maanden en loopt af op het ogenblik dat de lidstaat de bijkomende informatie ontvangt. Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na afloop van die termijn niet heeft ingediend, meldt de lidstaat aan de aanvrager dat de aanvraag niet ontvankelijk is. De in lid 1 vastgestelde termijnen worden tijdens de toepassing van de procedure van artikel 37 opgeschort. In het geval van een toelatingsaanvraag voor een gewasbeschermingsmiddel dat een nog niet goedgekeurde werkzame stof bevat, begint de lidstaat die de aanvraag onderzoekt met de beoordeling zodra hij het in artikel 12, lid 1, bedoelde ontwerp-beoordelingsverslag heeft ontvangen. In het geval van een toelatingsaanvraag voor hetzelfde gewasbeschermings middel en dezelfde gebruiksdoeleinden als het in artikel 8 bedoelde dossier, neemt de lidstaat een besluit over de aanvraag uiterlijk zes maanden nadat de bedoelde werkzame stof is goedgekeurd. lep/GRA/rl 56 DG B II LIMITE NL
rapport en de kopie van de toelating hebben ontvangen, nemen de andere betrokken lidstaten een besluit over de aanvraag overeenkomstig artikel 35, leden 2 en 3. Artikel 37 Beoordeling van equivalentie overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder b) Indien voor een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel moet worden bepaald of een andere productiebron, of, voor dezelfde productiebron, een wijziging in het productieproces en/of de plaats van productie, voldoet aan artikel 29, lid 1, onder b), wordt dit beoordeeld door de lidstaat die overeenkomstig artikel 7, lid 1, voor de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel als rapporteur is opgetreden, [...] tenzij de lidstaat die de aanvraag onderzoekt overeenkomstig artikel 34, instemt met een beoordeling van de equivalentie. De aanvrager deelt alle nodige gegevens mee aan de lidstaat die de equivalentie beoordeelt. Nadat de lidstaat die de equivalentie beoordeelt de aanvrager de mogelijkheid heeft gegeven tot het indienen van zijn opmerkingen, welke de aanvrager ook moet doen toekomen aan de als rapporteur aangewezen lidstaat of aan de lidstaat die de aanvraag onderzoekt, naar gelang van het geval, stelt de lidstaat die de equivalentie beoordeelt binnen 60 dagen na ontvangst van de aanvraag een verslag over de equivalentie op dat hij aan de Commissie, de andere lidstaten en de aanvrager meedeelt. Bij een positief besluit over de equivalentie en indien er geen bezwaren tegen deze conclusie zijn ingebracht, wordt ervan uitgegaan dat aan artikel 29, lid 1, onder b), is voldaan. Indien een lidstaat die de aanvraag onderzoekt het echter niet eens is met de conclusie van de als rapporteur aangewezen lidstaat, of vice versa, licht hij de aanvrager, de andere lidstaten en de Commissie in en vermeldt hij zijn redenen. De betrokken lidstaten [...] proberen het erover eens te worden of aan artikel 29, lid 1, onder b), is voldaan. Zij geven de aanvrager de gelegenheid zijn opmerkingen te formuleren. lep/GRA/dm 57 LIMITE NL DG B II
lidstaat die de equivalentie beoordeelt de zaak aan de Commissie voor. Het besluit dat aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, onder b), is voldaan, wordt genomen volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure. De periode van 45 dagen gaat in op de datum waarop de lidstaat die de toelatingsaanvraag onderzoekt de als rapporteur aangewezen lidstaat overeenkomstig lid 3 inlicht dat hij het met de conclusie van deze laatste niet eens is, of vice versa. Alvorens een dergelijke beslissing wordt genomen, kan de Commissie de Autoriteit verzoeken om een binnen drie maanden na het verzoek te verstrekken advies of weten schappelijke dan wel technische bijstand. Voor de uitvoering van de leden 1 tot en met 4 kunnen na raadpleging van de Autoriteit nadere regels en procedures worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure. Artikel 38 Rapportering en uitwisseling van informatie over toelatingsaanvragen De lidstaten stellen over iedere aanvraag een dossier samen. Elk dossier moet het volgende bevatten: a) een afschrift van de aanvraag; b) een verslag met informatie over de beoordeling van en het besluit over het gewasbeschermingsmiddel. De vorm van dat verslag wordt vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde procedure; c) een afschrift van de door de lidstaat met betrekking tot de aanvraag genomen bestuursrechtelijke besluiten en de in artikel 32, lid 3, en artikel 33 bedoelde documentatie, alsmede een samenvatting van deze documentatie; d) het goedkeuringsetiket, indien van toepassing. lep/GRA/dm 58 LIMITE NL DG B II
en d) bedoelde documentatie aan de andere lidstaten, de Autoriteit en de Commissie. Op verzoek verstrekken de aanvragers een afschrift van de documentatie die krachtens artikel 32, lid 3, en artikel 33 samen met een aanvraag moet worden ingediend, aan de lidstaten, de Autoriteit en de Commissie. Voor de uitvoering van de leden 2 en 3 kunnen nadere regels worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure. O NDERAFDELING 3 W EDERZIJDSE ERKENNING VAN TOELATINGEN Artikel 39 Wederzijdse erkenning De houder van een overeenkomstig artikel 29 verleende toelating kan in de volgende gevallen in een andere lidstaat voor hetzelfde gewasbeschermingsmiddel, [...] hetzelfde gebruik en vergelijkbare agronomische praktijken een toelatingsaanvraag indienen volgens de procedure voor wederzijdse erkenning waarin in deze onderafdeling is voorzien: a) de toelating werd verleend door een lidstaat (de referentielidstaat) die tot dezelfde zone behoort; [...] b) de toelating werd verleend door een lidstaat (de referentielidstaat) die tot een andere zone behoort, mits de toelating waarvoor de aanvraag wordt gedaan, niet wordt gebruikt voor wederzijdse erkenning in een andere lidstaat binnen dezelfde zone; lep/GRA/dm 59 LIMITE NL DG B II
na de oogst of bij de behandeling van lege ruimten of containers voor de opslag van gewassen of plantaardige producten en de behandeling van zaaizaad, ongeacht de zone waartoe de referentielidstaat behoort. Wanneer een gewasbeschermingsmiddel in een lidstaat niet is toegelaten omdat in die lidstaat geen toelatingsaanvraag is ingediend, kunnen officiële of wetenschappelijke instanties die bij landbouwactiviteiten betrokken zijn of beroepsorganisaties op landbouw gebied, met toestemming van de houder van de toelating, volgens de in lid 1 bedoelde procedure voor wederzijdse erkenning een toelating aanvragen voor hetzelfde gewas beschermingsmiddel en hetzelfde gebruik in het kader van dezelfde landbouwpraktijken in die lidstaat. In dat geval dient de aanvrager aan te tonen dat het gebruik van dat gewasbeschermingsmiddel een algemeen belang dient in de lidstaat waarin het wordt geïntroduceerd. Artikel 40 Toelating De lidstaat waar overeenkomstig artikel 39 een aanvraag is ingediend verleent voor het betrokken gewasbeschermingsmiddel een toelating onder dezelfde voorwaarden als de lidstaat die de aanvraag onderzoekt, behalve wanneer artikel 35, lid 3, van toepassing is. In afwijking van lid 1 kan de lidstaat het gewasbeschermingsmiddel toelaten wanneer: a) een toelating uit hoofde van artikel 39, lid 1, onder b), is aangevraagd; b) het een stof bevat die in aanmerking komt om te worden vervangen; c) artikel 29 bis is toegepast. lep/GRA/dm 60 LIMITE NL DG B II
Procedure Het verzoek gaat vergezeld van: a) een [...] afschrift van de door de referentielidstaat verleende toelating en een vertaling van de toelating in de officiële taal van de lidstaat die de aanvraag ontvangt; b) een formele verklaring dat het gewasbeschermingsmiddel identiek is aan het middel dat door de referentielidstaat is toegelaten; c) een volledig of beknopt [...] dossier als voorgeschreven in artikel 32, lid 3, wanneer de lidstaat daarom verzoekt; d) een beoordelingsverslag van de referentielidstaat met informatie over de beoordeling van en de beslissing over het gewasbeschermingsmiddel. De lidstaat waar overeenkomstig artikel 39 een aanvraag wordt ingediend, neemt binnen 90 dagen een beslissing over de aanvraag. Indien de lidstaat daarom verzoekt, dient de aanvrager zijn aanvraag in de nationale of officiële talen van die lidstaat of in één van die talen in. ONDERAFDELING 4 WIJZIGING, VERLENGING EN INTREKKING Artikel 42 Verlenging van toelatingen Op aanvraag van de houder van een toelating wordt de toelating verlengd, op voorwaarde dat nog steeds aan de voorwaarden van artikel 29 wordt voldaan. lep/GRA/dm 61 LIMITE NL DG B II
Binnen drie maanden na de verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel in het gewasbeschermingsmiddel verstrekt de aanvrager de volgende informatie: a) een afschrift van de toelating van het gewasbeschermingsmiddel; b) alle nieuwe informatie die ingevolge wijzigingen van gegevenseisen of criteria noodzakelijk is geworden; c) een verantwoording dat de nieuwe gegevens worden ingediend op grond van gegevenseisen of criteria die bij de verlening van de toelating voor het gewasbeschermingsmiddel niet van kracht waren, of nodig zijn om de goedkeuringsvoorwaarden te wijzigen; d) alle informatie die nodig is om aan te tonen dat het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorschriften van de verordening tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel in het gewasbeschermingsmiddel; e) een verslag over de toezichtgegevens, indien de toelating aan toezicht was onderworpen. De lidstaten verifiëren dat alle gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof, deze beschermstof of dit synergistisch middel bevatten, voldoen aan de voorwaarden en beperkingen van de in artikel 20 bedoelde verlengingsverordening. Binnen elke zone worden de conformiteitscontroles en de beoordeling van de verstrekte gegevens voor alle lidstaten in die zone door de in artikel 34 bedoelde lidstaat gecoördineerd [...]. [...] Volgens in artikel 76, lid 2, bedoelde procedure kunnen richtsnoeren voor de toelating van de conformiteitscontroles worden opgesteld. Uiterlijk twaalf maanden na de verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel die het gewasbeschermingsmiddel bevat, beslissen de lidstaten over de verlenging van de toelating. lep/GRA/dm 62 LIMITE NL DG B II
verlenging van de toelating is genomen voordat deze vervalt, breidt de betrokken lidstaat de toelating uit met de periode die nodig is om het onderzoek te voltooien en een beslissing over de verlenging te nemen. Artikel 43 Intrekking of wijziging van een toelating Lidstaten kunnen een toelating te allen tijde herzien indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen. Een lidstaat herziet een toelating wanneer hij concludeert dat de doelstellingen zoals bepaald in artikel 4, lid 1, onder a), punt iv), en onder b), punt i), en artikel 7, leden 2 en 3, van Richtlijn 2000/60/EG wellicht niet kunnen worden verwezenlijkt. Wanneer een lidstaat voornemens is een toelating in te trekken of te wijzigen, licht hij de houder van de toelating in en biedt hij hem de mogelijkheid opmerkingen te formuleren of [...] nadere gegevens te verstrekken. Naargelang van het geval trekt de lidstaat de toelating in of wijzigt hij die, wanneer: a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 29; b) onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis waarvan de toelating werd verstrekt; c) aan een voorwaarde in de toelating is niet voldaan. d) de houder van een toelating zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet nakomt. Wanneer een lidstaat overeenkomstig lid 3 een toelating intrekt of wijzigt, licht hij de houder van de toelating, de andere lidstaten, de Autoriteit en de Commissie onmiddellijk in. De andere lidstaten die tot dezelfde zone behoren trekken de toelating dan eveneens in of wijzigen haar, met inachtneming van nationale voorwaarden en risicobeperkende maatregelen, behalve in gevallen waarin artikel 35, lid 3, tweede tot en met vierde alinea, is toegepast. Artikel 45 is in voorkomend geval van toepassing. lep/GRA/dm 63 LIMITE NL DG B II
Een toelating kan worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de houder van de toelating, met opgave van de redenen van zijn verzoek. Wijzigingen kunnen slechts worden toegestaan indien vaststaat dat nog steeds aan de eisen van artikel 29 wordt voldaan. Artikel 45 is in voorkomend geval van toepassing. Artikel 45 Respijtperiode lep/GRA/dm 64 LIMITE NL DG B II
B IJZONDERE GEVALLEN Artikel 46 Het op de [...] markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico Wanneer alle werkzame stoffen in een gewasbeschermingsmiddel stoffen zijn als bedoeld in artikel 22 ("werkzame stoffen met een laag risico"), wordt dat middel [...] toegelaten als een gewasbeschermingsmiddel met een laag risico, op voorwaarde dat er volgens een risico beoordeling geen specifieke risicobeperkende maatregelen vereist zijn. Dit gewas beschermingsmiddel voldoet bovendien aan de volgende eisen: a) de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen met een laag risico die het bevat, zijn goedgekeurd overeenkomstig hoofdstuk II; b) het bevat geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof; c) het is voldoende werkzaam; d) het veroorzaakt geen onnodige pijn of onnodig lijden bij te bestrijden gewervelde dieren; e) het voldoet aan artikel 29, lid 1, onder b), c) en e) tot en met h). Deze middelen worden hierna "gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico" genoemd. Een aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel met een laag risico moet aantonen dat aan de eisen van lid 1 is voldaan en doet de aanvraag vergezeld gaan van een volledig en een beknopt dossier voor elk punt van de voor de werkzame stof en het gewasbeschermingsmiddel geldende gegevenseisen. De lidstaat beslist binnen 120 dagen of hij een toelatingsaanvraag voor een gewas beschermingsmiddel met een laag risico goedkeurt. [...] lep/GRA/dm 65 LIMITE NL DG B II
de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de vastgestelde termijn verlengd met de bijkomende termijn die de lidstaat toekent. De bijkomende termijn bedraagt ten hoogste 6 maanden en loopt af op het ogenblik dat de lidstaat de bijkomende informatie ontvangt. Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na afloop van die termijn niet heeft ingediend, meldt de lidstaat aan de aanvrager dat de aanvraag niet ontvankelijk is. Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toelatingen van toepassing. Artikel 47 gemodificeerd organisme bevatten Een gewasbeschermingsmiddel dat een organisme bevat dat onder de werkingssfeer van Richtlijn 2001/18/EG valt, wordt niet alleen overeenkomstig dit hoofdstuk beoordeeld, maar wordt, wat de genetische modificatie betreft, ook onderzocht overeenkomstig bovengenoemde richtlijn. In het kader van deze verordening wordt voor een dergelijk gewasbeschermingsmiddel geen toelating verleend tenzij voor dat middel overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2001/18/EG schriftelijke toestemming is verleend. Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toelatingen van toepassing. Artikel 47 bis Het op de markt brengen van behandeld zaaizaad behandeld is met gewasbeschermingsmiddelen die in ten minste een lidstaat zijn toegelaten voor de behandeling van zaaizaad. lep/GRA/dm 66 LIMITE NL DG B II
milieu, en dat dit risico niet op bevredigende wijze kan worden beperkt door middel van door de betrokken lidstaat/lidstaten genomen maatregelen, worden overeenkomstig de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure onverwijld maatregelen genomen om de verkoop en/of het gebruik van dit behandelde zaaizaad te beperken of te verbieden. Alvorens dergelijke maatregelen te nemen, onderzoekt de Commissie het bewijsmateriaal en kan zij advies van de Autoriteit inwinnen. De Commissie kan een termijn vaststellen waarbinnen dit advies moet worden verstrekt. dienen de begeleidende etiketten/documenten van het behandeld zaaizaad de naam te vermelden van het gewasbeschermingsmiddel waarmee het zaaizaad is behandeld, de naam/namen van de werkzame stof(fen) in het middel, alsmede de standaard waarschuwingszinnen waarin Richtlijn 1999/45/EG voorziet. Artikel 48 komen om te worden vervangen Lidstaten voeren een vergelijkende evaluatie uit wanneer zij een aanvraag beoordelen voor de toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een werkzame stof bevat die is goedgekeurd als stof die in aanmerking komt om te worden vervangen. Lidstaten verlenen geen toelating voor dan wel beperken het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat een stof bevat die in aanmerking komt om te worden vervangen wanneer uit de vergelijkende evaluatie, waarin de risico's en de voordelen zoals in bijlage IV uiteengezet tegen elkaar worden afgewogen, blijkt dat: a) er voor de in de aanvraag gespecificeerde gebruiksdoeleinden reeds een toegelaten gewasbeschermingsmiddel of een niet-chemische bestrijdings- of preventiemethode bestaat die aanzienlijk veiliger is voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu; en lep/GRA/dm 67 LIMITE NL DG B II
methode bedoeld onder a) geen significante economische of praktische nadelen heeft; en c) de chemische diversiteit van de werkzame stoffen toereikend is om het risico dat resistentie bij het doelorganisme ontstaat, zo klein mogelijk te houden; en d) rekening wordt gehouden met de gevolgen voor beperkte toepassingen. In afwijking van lid 1 wordt een gewasbeschermingsmiddel dat een stof bevat die in aan merking komt om te worden vervangen zonder vergelijkende evaluatie toegelaten wanneer dat noodzakelijk is om eerst door gebruik in de praktijk ervaring op te doen met dat product. Dergelijke toelatingen worden verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaar. Voor gewasbeschermingsmiddelen die een stof bevatten die in aanmerking komt om te worden vervangen, voeren de lidstaten de in lid 1 bedoelde vergelijkende evaluatie regelmatig en uiterlijk bij de verlenging of de wijziging van de toelating uit. Op basis van de resultaten van die vergelijkende evaluatie handhaaft de lidstaat de toelating, trekt hij deze in of wijzigt hij deze. Wanneer een lidstaat besluit een toelating krachtens lid 3 in te trekken of te wijzigen, wordt die intrekking of wijziging van kracht vijf jaar na het besluit van de lidstaat, of aan het einde van de goedkeuringsperiode voor de stof die in aanmerking komt om te worden vervangen, wanneer die periode eerder afloopt. Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toelatingen van toepassing. Artikel 49 Uitbreiding van toelatingen voor beperkte toepassingen [...] De houder van de toelating, officiële of wetenschappelijke instanties die zich bezig houden met landbouwactiviteiten, [...] beroepsorganisaties op landbouwgebied en professionele gebruikers kunnen verzoeken om de toelating van een in de betrokken lidstaat reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddel uit te breiden tot beperkte toepassingen die nog niet onder die toelating vallen. lep/GRA/dm 68 LIMITE NL DG B II
-
a)de beoogde toepassing beperkt is; b) aan de voorwaarden van artikel 4, lid 3, onder b), d) en e), en artikel 29, lid 1, onder h), is voldaan; c) de uitbreiding in het openbaar belang is; d) de documentatie en informatie ter staving van een uitbreiding van de toepassing door de in lid 1 bedoelde personen of instanties is ingediend, met name gegevens over de omvang van residuen en, waar nodig, over de beoordeling van het risico voor degenen die beroepshalve met het middel in contact komen, werknemers en omstanders. Afhankelijk van de administratieve procedures van de betrokken lidstaat kan de uitbreiding de vorm van een wijziging van de bestaande toelating of van een afzonderlijke toelating krijgen. Wanneer lidstaten een uitbreiding van een toelating voor een beperkte toepassing verlenen, lichten zij, zo nodig, de houder van de toelating in en verzoeken zij hem de etikettering dienovereenkomstig aan te passen. Indien de houder van de toelating dit weigert, dan zorgt de lidstaat ervoor dat de gebruikers via een officiële publicatie of een officiële website volledige en gespecificeerde voorlichting over de gebruiksaanwijzing ontvangen. De officiële bekendmaking of, indien van toepassing, het etiket, omvat [...] een verwijzing naar de aansprakelijkheid van de persoon die het gewasbeschermingsmiddel gebruikt, met betrekking tot gebreken in de doeltreffendheid of de fytotoxiciteit van het product waarvoor beperkt gebruik is toegestaan. De uitbreiding van de toelating voor beperkt gebruik wordt afzonderlijk op het etiket vermeld. De in lid 1 bedoelde aanvragers kunnen ook om toelating van een gewasbeschermingsmiddel voor beperkt gebruik vragen overeenkomstig artikel 39, lid 1, mits het betrokken gewasbeschermingsmiddel in die lidstaat is toegelaten. De lidstaten verlenen toelating voor zulk gebruik overeenkomstig de bepalingen van artikel 40, op voorwaarde dat het gebruik ook in de lidstaten van aanvraag als beperkt wordt beschouwd. lep/GRA/dm 69 LIMITE NL DG B II
Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toelatingen van toepassing. Artikel 49 bis Parallelhandel Een in een lidstaat (lidstaat van oorsprong) toegelaten gewasbeschermingsmiddel kan, op voorwaarde dat een vergunning voor parallelhandel wordt verleend, in een andere lidstaat (lidstaat van invoering) ingevoerd, op de markt gebracht of gebruikt worden, indien de invoerende lidstaat concludeert dat de samenstelling van het gewasbeschermingsmiddel identiek is aan die van een gewasbeschermingsmiddel waarvoor op zijn grondgebied reeds een toelating is verleend (referentieproduct). De aanvraag wordt bij de bevoegde instantie in de invoerende lidstaat (bevoegde autoriteit) ingediend. Na ontvangst van een volledige aanvraag wordt binnen 45 werkdagen via een vereenvoudigde procedure een vergunning voor parallelhandel verleend indien het in te voeren gewasbeschermingsmiddel identiek is in de zin van lid 3. De lidstaten verstrekken elkaar op verzoek binnen 10 werkdagen na ontvangst van het verzoek de informatie die nodig is om het identieke karakter te beoordelen. De procedure voor verlening van een vergunning voor parallelhandel wordt onderbroken vanaf de dag waarop het verzoek om informatie naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt gezonden, totdat alle gevraagde informatie aan de bevoegde autoriteit is verstrekt. Gewasbeschermingsmiddelen worden als identiek aan het referentieproduct beschouwd indien: gelieerde onderneming of een onderneming die onder licentie werkt; synergistische middelen, alsook het soort formulering identiek zijn; en veiligheid van het product voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, gelijk of gelijkwaardig zijn. lep/GRA/dm 70 LIMITE NL DG B II
-
-naam en registratienummer van het gewasbeschermingsmiddel in de lidstaat van oorsprong; - de lidstaat van oorsprong; - naam en adres van de houder van de toelating in de lidstaat van oorsprong; - oorspronkelijk etiket en oorspronkelijke gebruiksaanwijzing die het in te voeren gewasbeschermingsmiddel vergezellen bij de distributie in de lidstaat van oorsprong, indien zulks noodzakelijk wordt geacht voor het onderzoek door de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit kan een vertaling van de toepasselijke delen van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing verlangen; - naam en adres van de aanvrager; - naam die zal worden gegeven aan het in de lidstaat van invoer te distribueren gewasbeschermingsmiddel; - een ontwerp-etiket voor het op de markt te brengen product; - een monster van het product dat zal worden ingevoerd, indien de bevoegde instantie dat nodig acht; - naam en registratienummer van het referentieproduct. Tegelijkertijd stelt de aanvrager van een vergunning voor parallelhandel de houder van de toelating op de hoogte van de aanvraag. De informatieeisen kunnen worden gewijzigd of aangevuld en nadere gegevens en specifieke eisen dienen te worden vastgesteld indien een aanvraag wordt gedaan voor een gewasbeschermingsmiddel waarvoor reeds een vergunning voor parallelhandel is verleend en indien een aanvraag wordt gedaan voor een gewasbeschermingsmiddel voor persoonlijk gebruik overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 76, lid 4. Een gewasbeschermingsmiddel waarvoor een vergunning voor parallelhandel is verleend wordt op de markt gebracht en gebruikt overeenkomstig de bepalingen van de toelating voor het referentieproduct. Teneinde het toezicht en de controles te vergemakkelijken dient de Commissie voor het in te voeren product specifieke controle-eisen vast te stellen in een verordening als bedoeld in artikel 65. lep/GRA/dm 71 LIMITE NL DG B II
de toelating voor het referentieproduct verstrijkt. Indien de houder van de toelating voor het referentieproduct een verzoek indient tot intrekking van de toelating overeenkomstig artikel 44, lid 1, maar nog steeds wordt voldaan aan de eisen van artikel 29, verstrijkt de geldigheid van de vergunning voor parallelhandel op de datum waarop de toelating voor het referentiemiddel normaal zou zijn verstreken. Onverminderd specifieke bepalingen in dit artikel zijn de artikelen 43 t/m 45, 52, 53, lid 4, en de hoofdstukken VI t/m X van overeenkomstige toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die onder parallelhandel vallen. Onverminderd artikel 43 kan een vergunning voor parallelhandel worden ingetrokken indien de toelating voor het ingevoerde gewasbeschermingsmiddel in de lidstaat van oorsprong om redenen van veiligheid of werkzaamheid wordt ingetrokken. Indien het product niet identiek is aan het referentieproduct in de zin van lid 3, kan de lidstaat van invoering de toelating voor het oop de markt brengen en het gebruik alleen verlenen overeenkomstig artikel 29. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die overeenkomstig artikel 50 of 51 in de lidstaat van oorsprong zijn toegelaten. ONDERAFDELING 4 AFWIJKINGEN Artikel 50 Noodsituaties op het gebied van gewasbescherming In afwijking van artikel 28 mag een lidstaat in bijzondere omstandigheden voor een periode van ten hoogste 120 dagen toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen op de markt worden gebracht met het oog op een beperkt en gecontroleerd gebruik, wanneer deze maatregel nodig blijkt gezien een op geen enkele andere redelijke manier te bestrijden gevaar [...]. De betrokken lidstaat brengt de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk op de hoogte van de genomen maatregel en verstrekt gedetailleerde informatie over de situatie en de maatregelen die zijn genomen om de veiligheid van de consumenten te garanderen. lep/GRA/dm 72 LIMITE NL DG B II
verzoeken. De Autoriteit doet haar advies of de resultaten van haar werk binnen een maand na het verzoek aan de Commissie toekomen. Indien nodig wordt volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure beslist indien, en onder welke voorwaarden, de lidstaat: i) de maatregel al dan niet mag verlengen of herhalen; of ii) zijn maatregel moet intrekken of wijzigen. De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die uit genetisch gemodificeerde organismen zijn samengesteld of zulke organismen bevatten, tenzij een dergelijke introductie krachtens Richtlijn 2001/18/EG is geaccepteerd. Artikel 51 Onderzoek en ontwikkeling In afwijking van artikel 28 mogen experimenten of proeven voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden waarbij een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel in het milieu wordt gebracht of die gepaard gaan met het niet-toegelaten gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, worden uitgevoerd wanneer de lidstaat op wiens grondgebied het experiment of de proef zal worden uitgevoerd, de beschikbare gegevens heeft beoordeeld en een toelating voor experimentele doeleinden heeft verleend. De toelating kan een beperking inhouden van de hoeveelheden die mogen worden gebruikt en de gebieden die mogen worden behandeld, en kan bijkomende voorwaarden opleggen om schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mens of dier of onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor het milieu te voorkomen, zoals de noodzaak te voorkomen dat levensmiddelen of diervoeders die residuen bevatten in de voedselketen terechtkomen, tenzij reeds krachtens Verordening (EG) nr. 396/2005 een relevante bepaling is vastgesteld. De lidstaat kan vooraf toelating verlenen voor een programma van experimenten en proeven, of kan voor elk experiment of elke proef afzonderlijk een vergunning vereisen. lep/GRA/dm 73 LIMITE NL DG B II
mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier en het mogelijke effect op het milieu kunnen worden beoordeeld, wordt ingediend bij de lidstaat op het grondgebied waarvan het experiment of de proef zal worden uitgevoerd. Voor experimenten of proeven waarbij een genetisch gemodificeerd organisme in het milieu wordt gebracht, wordt geen vergunning voor experimentele doeleinden verleend, tenzij een dergelijke introductie krachtens Richtlijn 2001/18/EG is geaccepteerd. De bepalingen van lid 2 gelden niet indien de lidstaat de betrokkene het recht heeft gegeven bepaalde experimenten en proeven uit te voeren en de voorwaarden heeft vastgesteld waaronder de experimenten en proeven moeten worden verricht. Voor de toepassing van dit artikel, met name wat betreft de maximumhoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen die bij experimenten of proeven mogen vrijkomen en de gegevens die overeenkomstig lid 2 minimaal moet worden verstrekt, kunnen nadere regels worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure. A FDELING 2 G EBRUIK EN INFORMATIE Artikel 52 Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen lep/GRA/dm 74 LIMITE NL DG B II
Informatie over mogelijk schadelijke of onaanvaardbare gevolgen De houder van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel stelt de lidstaten die een toelating hebben verleend onmiddellijk in kennis van alle nieuwe informatie betreffende dat gewasbeschermingsmiddel, de werkzame stof, de metabolieten daarvan, een beschermstof, [...] synergistisch middel of co-formulant in het gewasbeschermingsmiddel of het preparaat, die erop wijst dat het gewasbeschermingsmiddel of het preparaat [...] niet langer beantwoordt aan de criteria van respectievelijk artikel 29 en artikel 4. Er wordt met name kennisgeving gedaan van mogelijk schadelijke gevolgen van dat gewas beschermingsmiddel, of van residuen van een werkzame stof, de metabolieten daarvan, een beschermstof, synergistisch middel of co-formulant in het gewasbeschermingsmiddel, voor de gezondheid van mens of dier of voor het grondwater, of van hun mogelijk onaanvaardbare gevolgen voor gewassen of plantaardige producten of het milieu. Daartoe noteert en rapporteert de houder van de toelating alle vermoedelijke nadelige reacties bij de mens die verband houden met het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel. De kennisgevingsverplichting heeft ook betrekking op relevante informatie over beslissingen of beoordelingen door internationale organisaties of overheidsinstanties die in derde landen gewasbeschermingsmiddelen toelaten of werkzame stoffen goedkeuren. De kennisgeving bevat een beoordeling of en in hoeverre de nieuwe informatie inhoudt dat het gewasbeschermingsmiddel of de werkzame stof, de metabolieten daarvan, een beschermstof, een synergistisch middel of een co-formulant niet langer aan de eisen van respectievelijk artikel 29, en artikel 4 of artikel 27 voldoet. Onverminderd het recht van de lidstaten om tussentijdse beschermende maatregelen aan te nemen, evalueert de [...] lidstaat van elke zone die het eerst een toelating heeft verleend, de ontvangen informatie en licht deze de andere lidstaten die tot dezelfde zone behoren in indien hij beslist de toelating overeenkomstig artikel 43 in te trekken of te wijzigen. Hij licht de andere lidstaten [...] en de Commissie in indien hij van oordeel is dat niet langer is voldaan aan de voorwaarden van de goedkeuring van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel [...] in het gewasbeschermingsmiddel of het preparaat of, in geval van een co-formulant, dat deze onaanvaardbaar wordt geacht, en stelt voor dat de goedkeuring wordt ingetrokken of de voorwaarden worden gewijzigd. lep/GRA/dm 75 LIMITE NL DG B II
of hij over informatie beschikt met betrekking tot een onder de verwachtingen blijvende werkzaamheid, de ontwikkeling van resistentie en elk onverwacht effect op gewassen, plantaardige producten of het milieu. Artikel 54 Verplichting om informatie beschikbaar te stellen De lidstaten stellen informatie over gewasbeschermingsmiddelen waarvoor krachtens deze verordening toelating is verleend of de toelating is ingetrokken, elektronisch ter beschikking van het publiek, met minstens de volgende vermeldingen: a) de naam of firmanaam van de houder van de toelating en het toelatingsnummer; b) de handelsnaam van het product; c) het soort preparaat; d) de naam en het gehalte van alle werkzame stoffen, beschermstoffen of synergistische middelen die het middel bevat; e) de classificatie en de standaardzinnen inzake gevaren en veiligheid overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG en de in artikel 62 bedoelde verordening; f) de toegelaten gebruiksdoeleinden; g) [...] de redenen waarom een toelating is ingetrokken, voor zover deze verband houden met de veiligheid. De in lid 1 bedoelde informatie is gemakkelijk toegankelijk en wordt minstens om de drie maanden geactualiseerd. Om de toepassing van de leden 1 en 2 te vergemakkelijken, kan volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure een informatiesysteem voor de toelatingen worden opgezet. lep/GRA/dm 76 LIMITE NL DG B II
HULPSTOFFEN Artikel 55 Het op de markt brengen en het gebruik van hulpstoffen Een hulpstof wordt niet op de markt gebracht of gebruikt tenzij daar in de betrokken lidstaat een toelating voor is verleend overeenkomstig de voorwaarden van de in lid 2 bedoelde verordening. Nadere regels voor de toelating van hulpstoffen, met inbegrip van de gegevenseisen, kennisgeving, evaluatie, beoordeling en besluitvormingsprocedure worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 4, bedoelde procedure. Artikel 78, lid 3, is van toepassing. HOOFDSTUK V GEGEVENSBESCHERMING EN UITWISSELING VAN GEGEVENS Artikel 56 Gegevensbescherming Test- en studieverslagen genieten gegevensbescherming overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden. De bescherming geldt voor in artikel 8, lid 2, bedoelde test- en studieverslagen betreffende de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel, de hulpstof en het gewasbeschermingsmiddel wanneer die door een aanvrager van een toelating overeenkomstig deze verordening (hierna "de oorspronkelijke aanvrager" genoemd) bij een lidstaat zijn ingediend, op voorwaarde dat deze test- en studieverslagen: lep/GRA/dm 77 LIMITE NL DG B II
een ander gewas mogelijk te maken; en b) in overeenstemming zijn verklaard met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of goede experimentele praktijken. [...]. Wanneer een verslag beschermd is, mag de lidstaat die het heeft ontvangen het niet gebruiken ten voordele van andere aanvragers van toelatingen voor gewasbeschermings middelen, met uitzondering van de gevallen in lid 2, in artikel 59 of in artikel 77. De gegevensbeschermingsperiode duurt tien jaar vanaf de datum van de [...] eerste toelating in die lidstaat, met uitzondering van wat is bepaald in lid 2 of in artikel 59 [...]. Die periode wordt verlengd tot 13 jaar voor gewasbeschermingsmiddelen die vallen onder artikel 46. Deze periodes worden verlengd met drie maanden bij elke toelating voor beperkt gebruik als bedoeld in artikel 49, lid 1, indien de aanvraag voor de betrokken toelatingen door de houder van de toelating wordt ingediend uiterlijk 5 jaar na de datum van de eerste toelating in die lidstaat. De totale gegevensbeschermingsperiode bedraagt ten hoogste 13 jaar. Voor gewas beschermingsmiddelen waarvoor artikel 46 geldt, duurt de totale gegevensbeschermings periode ten hoogste 15 jaar. Dezelfde gegevensbeschermingsregels zijn ook van toepassing op derde partijen die test- en studieverslagen indienen met het oog op beperkt gebruik. [...] Een studie wordt ook beschermd indien zij [...] nodig was om een toelating te verlengen of te herzien. De gegevensbeschermingsperiode duurt 5 jaar. De eerste tot en met vierde alinea zijn van overeenkomstige toepassing. Lid 1 is niet van toepassing: a) op test- en studieverslagen waarvoor de aanvrager een verklaring van toegang heeft ingediend; of b) wanneer een gegevensbeschermingsperiode die voor de desbetreffende test- en studieverslagen met betrekking tot een ander gewasbeschermingsmiddel is toegekend, is verlopen. lep/GRA/dm 78 LIMITE NL DG B II
oorspronkelijke aanvrager bij de indiening van het dossier om gegevensbescherming heeft verzocht voor test- of studieverslagen over de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel, de hulpstof en het gewasbeschermingsmiddel en hij de betrokken lidstaat voor elk test- of studieverslag de in artikel 8, lid 1, onder e), en artikel 32, lid 3, onder d), bedoelde [...] informatie heeft verstrekt, en de bevestiging dat nimmer een gegevensbeschermingsperiode voor het test- of studieverslag is toegekend, of dat een eventueel toegekende periode niet is verlopen. Artikel 57 Lijst van test- en studieverslagen Over elke werkzame stof, elke beschermstof en synergistisch middel en elke hulpstof stelt de als rapporteur aangewezen lidstaat een lijst op [...] van de test- en studieverslagen die nodig zijn voor een eerste goedkeuring, een wijziging van de goedkeuringsvoorwaarden of een verlenging van de goedkeuring, welke lijst hij ter beschikking van de lidstaten en de Commissie stelt. Voor elk gewasbeschermingsmiddel dat zij toelaten, houden de lidstaten de volgende lijsten bij welke zij op verzoek ter beschikking stellen van elke belanghebbende partij: a) een lijst van test- en studieverslagen over de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel, de hulpstofl en het gewasbeschermingsmiddel die nodig zijn voor de eerste toelating, voor een wijziging van de toelatingsvoorwaarden of een verlenging van de toelating; en b) een lijst van de test- en studieverslagen waarvoor de aanvrager overeenkomstig artikel 56 om gegevensbescherming heeft verzocht en elke motivering die overeenkomstig dat artikel is ingediend. In de in de leden 1 en 2 bedoelde lijsten wordt vermeld of die test- en studieverslagen in overeenstemming zijn verklaard met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of de beginselen van goede experimentele praktijken. lep/GRA/dm 79 LIMITE NL DG B II
Teneinde herhaling van proeven te voorkomen, raadpleegt eenieder die toelating voor een gewasbeschermingsmiddel wenst te krijgen, alvorens tests of studies uit te voeren, de in artikel 54 bedoelde informatie om te zien of en aan wie reeds een toelating is verleend voor een gewasbeschermingsmiddel [...] dat de zelfde werkzame stof, dezelfde beschermstof of hetzelfde synergistisch middel bevat of voor een hulpstof [...]. Op verzoek van de aanvrager verstrekt de bevoegde autoriteit hem een lijst van de voor dat product overeenkomstig artikel 57 opgestelde test- en studieverslagen. De aspirant-aanvrager verstrekt alle gegevens met betrekking tot de identiteit en onzuiverheden van de werkzame stof die hij voornemens is te gebruiken. Het verzoek om inlichtingen moet worden gestaafd met gegevens waaruit blijkt dat de aspirant-aanvrager het voornemen heeft een toelatingsaanvraag in te dienen. De bevoegde instantie van de lidstaat moet, indien zij er zeker van is dat de aspirant aanvrager voornemens is een toelatingsaanvraag in te dienen, naam en adres van de houder of houders van vroegere relevante toelatingen aan de aspirant-aanvrager meedelen, en tegelijkertijd naam en adres van de aanvrager aan de houders van de toelatingen meedelen. De aspirant-aanvrager van de toelating en de houder of houders van toepasselijke toelatingen doen al wat redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om overeenstemming te bereiken over de uitwisseling van test- en studieverslagen die krachtens artikel 56 zijn beschermd en die de aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel nodig heeft. Artikel 59 De uitwisseling van tests en studies waarbij gewervelde dieren zijn betrokken [...] De lidstaten gaan niet akkoord met herhalingen van tests en studies ter ondersteuning van aanvragen van een toelating waarbij gewervelde dieren zijn betrokken of met reeds aangevangen tests en studies waarbij redelijkerwijs gebruik had kunnen worden gemaakt van de conventionele methodes als omschreven in bijlage II bij Richtlijn 1999/45/EG. Eenieder die het voornemen heeft tests en studies uit te voeren waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, neemt de nodige maatregelen om te verifiëren of deze tests en studies niet reeds zijn uitgevoerd of aangevangen. lep/GRA/dm 80 LIMITE NL DG B II
mogelijke om tests en studies waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, uit te wisselen. De kosten van de uitwisseling van test- en studieverslagen worden op een billijke, transparante en niet-discriminerende wijze vastgesteld. De aspirant-aanvrager is alleen verplicht deel te nemen in de kosten voor informatie die hij moet indienen om aan de toelatingseisen te voldoen. Wanneer de aspirant-aanvrager en de houder of houders van de toepasselijke toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dezelfde werkzame stof, dezelfde beschermstof of hetzelfde synergistisch middel of dezelfde hulpstof bevatten, geen overeenstemming kunnen bereiken over de uitwisseling van test- en studieverslagen waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, licht de aspirant-aanvrager de bevoegde autoriteit van de in artikel 58, lid 1, bedoelde lidstaat in. Wanneer geen overeenstemming overeenkomstig lid 2 wordt bereikt, weerhoudt dat de bevoegde autoriteit van die lidstaat er niet van de test- en studieverslagen waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, voor de aanvraag door de aspirant-aanvrager te gebruiken. De houder/houders van de betrokken toelating heeft/hebben een vordering op de aspirant aanvrager voor een gelijke deelname in de aangegane kosten. [...] De bevoegde autoriteit van de lidstaat kan de betrokken partijen opdragen de zaak op te lossen door middel van formele en bindende arbitrage overeenkomstig het nationaal recht. Bij wijze van alternatief kunnen de partijen de zaak oplossen door het geschil voor te leggen aan de rechterlijke instanties van de lidstaten. Bij de uitspraken in het kader van de arbitrage of de geschillenbeslechting wordt rekening gehouden met de in lid 2 bepaalde beginselen; de uitspraken zijn uitvoerbaar in de rechterlijke instanties van de lidstaten. HOOFDSTUK VI TOEGANG VAN HET PUBLIEK TOT INFORMATIE Artikel 60 Vertrouwelijkheid Een persoon die verzoekt [...] om vertrouwelijke behandeling van de informatie die hij overeenkomstig deze verordening indient [...], overlegt een verifieerbare verantwoording om aan te tonen dat openbaarmaking zijn commerciële belangen [...] of de bescherming van persoonsgegevens en persoonlijke integriteit kan ondermijnen. lep/GRA/dm 81 LIMITE NL DG B II
commerciële belangen of de persoonsgegevens van de betrokkenen in gevaar te brengen: a) de productiemethode; b) de specificatie van de onzuiverheid van de werkzame stof, met uitzondering van de onzuiverheden die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht als relevant worden beschouwd; c) de resultaten over productiepartijen van de werkzame stof die onzuiverheden bevatten; d) de methoden voor de analyse van onzuiverheden in de werkzame stof zoals die indus trieel wordt vervaardigd, met uitzondering van de methoden voor onzuiverheden die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht als relevant worden beschouwd; e) de banden tussen een producent of importeur en de aanvrager of de houder van de toelating; f) informatie over de volledige samenstelling van een gewasbeschermingsmiddel; g) namen en adressen van instellingen en personen die betrokken zijn bij tests op gewervelde dieren. Dit artikel doet geen afbreuk aan Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad. HOOFDSTUK VII VERPAKKING EN ETIKETTERING VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN HULPSTOFFEN EN RECLAME DAARVOOR Artikel 61 Verpakking en presentatie Gewasbeschermingsmiddelen en hulpstoffen die met levensmiddelen, drank of diervoeder kunnen worden verward, worden zodanig verpakt dat de kans op verwarring zo gering mogelijk is. Aan gewasbeschermingsmiddelen en hulpstoffen die voor het grote publiek beschikbaar zijn en met levensmiddelen, dranken of diervoeder kunnen worden verward, worden bestanddelen toegevoegd die van consumptie afschrikken of consumptie voorkomen. lep/GRA/dm 82 LIMITE NL DG B II
en hulpstoffen die niet onder die richtlijn vallen. Artikel 62 Etikettering De etikettering van gewasbeschermingsmiddelen voldoet aan de indelings-, verpakkings- en kenmerkingvoorschriften van Richtlijn 1999/45/EG en aan de voorschriften van een verordening die wordt aangenomen volgens de in artikel 76, lid 4, bedoelde procedure. Die verordening bevat eveneens standaardzinnen voor bijzondere gevaren en veiligheids adviezen ter aanvulling van de zinnen in Richtlijn 1999/45/EG. Zij omvat de tekst van artikel 16 en van de bijlagen IV en V bij Richtlijn 91/414/EEG met de eventueel nodige wijzigingen. De lidstaten kunnen eisen dat monsters of modellen van de verpakking en ontwerpen van etiketten en bijsluiters worden verstrekt voordat de toelating wordt verleend. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat bijkomende zinnen nodig zijn ter bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu, stelt hij de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis en deelt hij de bijkomende zin of zinnen alsmede de redenen voor die eis mee. Deze zinnen zullen voor opneming in de in lid 1 bedoelde verordening in overweging worden genomen. In afwachting van deze opneming kan de lidstaat eisen dat de bijkomende zin of zinnen wordt of worden gebruikt. Artikel 63 Reclame Voor niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen wordt geen reclame gemaakt. Elke reclame voor een gewasbeschermingsmiddel gaat vergezeld van de zinnen: "Gebruik gewas beschermingsmiddelen veilig. Lees vóór gebruik eerst het etiket en de productinformatie." Deze zinnen moeten gemakkelijk leesbaar zijn en binnen de reclametekst duidelijk opvallen. Het woord "gewasbeschermingsmiddelen" mag worden vervangen door een nauwkeuriger aanduiding van de productsoort, bijvoorbeeld fungicide, insecticide of herbicide. lep/GRA/dm 83 LIMITE NL DG B II
betrekking tot de mogelijke gevaren voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, zoals de termen "gering risico", "niet giftig" of "ongevaarlijk". Enkel in geval van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico is het toegestaan de omschrijving "toegelaten als gewasbeschermingsmiddel met een laag risico overeenkomstig Verordening (EG)..." te gebruiken. Alle in reclame gebruikte verklaringen moeten technisch verantwoord kunnen worden. Reclame mag geen visuele voorstelling behelzen van potentieel gevaarlijke praktijken, zoals vermenging of toepassing zonder voldoende beschermende kleding, noch gebruik in de nabijheid van voedsel, of door of in de nabijheid van kinderen. Reclame- en promotiemateriaal moet de aandacht vestigen op de passende waarschuwings zinnen en -symbolen als vastgelegd in de etikettering. HOOFDSTUK VIII CONTROLES Artikel 64 Bijhouden van registers Producenten, leveranciers, distributeurs, importeurs, exporteurs en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen houden registers bij van de gewasbeschermingsmiddelen die zij produceren, invoeren, uitvoeren, opslaan, gebruiken of op de markt brengen en bewaren die gedurende ten minste 5 jaar [...]. Relevante informatie in deze registers stellen zij op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit. Derde partijen, zoals de drinkwaterindustrie, kunnen zich tot de bevoegde autoriteit wenden met het verzoek toegang tot deze informatie te verkrijgen. Houders van een toelating verstrekken de bevoegde autoriteiten van de lidstaten alle informatie over het verkoopvolume van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig de verordening betreffende [statistieken over gewasbeschermingsmiddelen]. lep/GRA/dm 84 LIMITE NL DG B II
kunnen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure. Artikel 65 Toezicht en controles HOOFDSTUK IX NOODSITUATIES Artikel 66 Noodmaatregelen lep/GRA/dm 85 LIMITE NL DG B II
Noodmaatregelen in uiterst spoedeisende gevallen Artikel 68 Andere noodmaatregelen Wanneer een lidstaat de Commissie officieel in kennis stelt van de noodzaak om nood maatregelen te nemen en er geen maatregelen zijn genomen conform de artikelen 66 of 67, kan de lidstaat tijdelijke beschermende maatregelen vaststellen. In dat geval stelt hij de overige lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De Commissie legt de aangelegenheid binnen 30 werkdagen volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure voor aan het bij artikel 76, lid 1, ingestelde comité met het oog op de verlenging, wijziging of intrekking van de tijdelijke beschermende nationale maatregelen. De lidstaat mag zijn tijdelijke beschermende nationale maatregelen handhaven totdat communautaire maatregelen zijn vastgesteld. HOOFDSTUK X ADMINISTRATIEVE EN FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 69 Sancties lep/GRA/dm 86 LIMITE NL DG B II
Artikel 70 Burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid Artikel 71 Vergoedingen en heffingen Lidstaten kunnen de kosten veroorzaakt door werkzaamheden die zij binnen de werkings sfeer van deze verordening uitvoeren, via vergoedingen of heffingen terugvorderen. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde vergoedingen of heffingen: a) op transparante wijze worden vastgesteld; en b) overeenstemmen met de werkelijke kosten van het verrichte werk, tenzij het openbaar belang is gediend met een verlaging van de vergoedingen of heffingen. De vergoedingen of heffingen kunnen bestaan uit een lijst met vaste heffingen die gebaseerd zijn op de gemiddelde kosten van de in lid 1 bedoelde werkzaamheden. Artikel 72 Bevoegde autoriteit Elke lidstaat wijst een of meer bevoegde autoriteiten aan voor de uitvoering van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen van de lidstaten. Elke lidstaat wijst een nationale coördinatieautoriteit aan die alle nodige contacten met de aanvragers, andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit coördineert en verzorgt. lep/GRA/dm 87 LIMITE NL DG B II
gekwalificeerde en ervaren medewerkers opdat de in deze verordening omschreven verplichtingen doelmatig en efficiënt wordt uitgevoerd. Elke lidstaat stelt de Commissie, de Autoriteit en de nationale coördinatieautoriteiten van de andere lidstaten in kennis van alle bijzonderheden over zijn nationale coördinatieautoriteiten en van alle wijzigingen daarvan. De Commissie publiceert op haar website een lijst van de in de leden 1 en 2 bedoelde autoriteiten, en houdt die bij. Artikel 73 Uitgaven door de Commissie De Commissie kan uitgaven doen voor activiteiten die bijdragen tot de doelstellingen van deze verordening, met name voor de organisatie van de volgende maatregelen: a) de ontwikkeling van een geharmoniseerd systeem, inclusief een geschikte gegevens bank, om alle informatie over werkzame stoffen, beschermstoffen, synergistische middelen, co-formulanten, gewasbeschermingsmiddelen en hulpstoffen te verzamelen en op te slaan, en om deze informatie ter beschikking te stellen van de lidstaten, producenten en andere belanghebbenden; b) het uitvoeren van studies die nodig zijn voor de voorbereiding en de ontwikkeling van nieuwe regelgeving met betrekking tot het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en hulpstoffen; c) het uitvoeren van studies die nodig zijn voor de harmonisatie van de procedures, besluitvormingscriteria en gegevenseisen; d) de coördinatie, zo nodig met elektronische middelen, van de samenwerking tussen de lidstaten, de Autoriteit en de Commissie en maatregelen om de taakverdeling te vergemakkelijken; e) de ontwikkeling en het onderhoud van een gecoördineerd elektronisch systeem voor de indiening en de beoordeling van de aanvragen, dat tot doel heeft de elektronische uitwisseling van documenten en de werkverdeling tussen de aanvragers, de lidstaten, de Autoriteit en de Commissie te bevorderen; f) de opstelling van richtsnoeren om de dagelijkse tenuitvoerlegging van deze verordening te vergemakkelijken; lep/GRA/dm 88 LIMITE NL DG B II
zijn aangesteld om haar deskundigen bij te staan in het kader van controleactiviteiten die bij artikel 65 zijn vastgesteld; h) de opleiding van controleurs; i) de financiering van andere maatregelen die nodig zijn om de toepassing van de krachtens artikel 65 vastgestelde verordening te garanderen. Voor de kredieten die krachtens lid 1 nodig zijn, is elk financieel jaar de goedkeuring van de begrotingsautoriteit vereist. Artikel 74 Richtsnoeren Artikel 75 Wijzigingen en uitvoeringsmaatregelen De volgende maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 4, bedoelde procedure. a) wijzigingen van de bijlagen, in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis; b) wijzigingen van de verordeningen inzake gegevenseisen voor werkzame stoffen en voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) en c), in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis; c) wijzigingen van de verordening inzake uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 29, lid 6, in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis; lep/GRA/dm 89 LIMITE NL DG B II
bedoelde goedkeuringsperiode; e) een verordening betreffende gegevenseisen voor beschermstoffen en synergistische middelen als bedoeld in artikel 25, lid 3; f) een verordening tot opstelling van het werkprogramma voor beschermstoffen en synergistische middelen als bedoeld in artikel 26; g) de opneming van co-formulanten in bijlage III, als bedoeld in artikel 27; h) verlenging van de in artikel 29 bis bedoelde termijn; i) een verordening met de etiketteringsvoorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 62, lid 1; j) een verordening inzake controles als bedoeld in artikel 65; k) een verordening tot opstelling van een werkprogramma voor hulpstoffen als bedoeld in artikel 78, lid 3. Alle verdere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van deze verordening kunnen volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure worden vastgesteld. Volgens in artikel 76, lid 2, bedoelde procedure wordt een verordening vastgesteld met de lijst van werkzame stoffen die in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG is opgenomen. Deze stoffen worden geacht krachtens deze verordening te zijn goedgekeurd. Artikel 76 Comité De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, hierna "het comité" genoemd. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. lep/GRA/dm 90 LIMITE NL DG B II
toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en lid 5, onder a), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan. De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), en lid 4, onder b) en e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden vastgesteld op respectievelijk twee maanden, een maand en twee maanden. Hoofdstuk XI Overgangs- en slotbepalingen Artikel 77 Overgangsmaatregelen procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft: a. op werkzame stoffen waarvoor overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de richtlijn een besluit is genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening; b. op werkzame stoffen die zijn opgesomd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 737/2007 van de Commissie van 27 juni 2007; c. op werkzame stoffen waarvan de volledigheid is vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008; d. op werkzame stoffen waarvan de volledigheid is vastgesteld overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008, voor de inwerkingtreding van deze verordening. lep/GRA/dm 91 LIMITE NL DG B II
artikel 13, lid 2, van deze verordening een verordening tot goedkeuring van een dergelijk stof vastgesteld. Voor onder b) vermelde stoffen wordt deze goedkeuring niet beschouwd als een verlenging van de goedkeuring bedoeld in artikel 14. Artikel 13, leden 1 tot en met 4, en de bijlagen II en III van de richtlijn blijven van toepassing op werkzame stoffen die zijn opgenomen in bijlage I bij de richtlijn en op werkzame stoffen die overeenkomstig lid 1 zijn goedgekeurd: voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van hun opneming of goedkeuring, voor werkzame stoffen die onder artikel 8, lid 2, van de richtlijn vallen; voor een periode van tien jaar te rekenen vanaf de datum van hun opneming of goedkeuring, voor werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van de richtlijn niet op de markt waren; voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de verlenging van de opneming of van de goedkeuring, voor werkzame stoffen waarvan de opneming in bijlage I bij de richtlijn uiterlijk twee jaar na de datum van bekendmaking van deze verordening verstrijkt. Deze bepaling geldt alleen voor gegevens die nodig zijn voor de verlenging van de goedkeuring en die uiterlijk twee jaar na de bekendmaking van deze verordening in overeenstemming met de beginselen van goede laboratorium praktijken [GLP] zijn verklaard. Wanneer artikel 13 van de richtlijn uit hoofde van lid 1 of lid 2 van toepassing is, gelden de eventuele speciale regels met betrekking tot de richtlijn die zijn vastgesteld in de Toetredingsakte waarbij een lidstaat tot de Gemeenschap is toegetreden. Voor werkzame stoffen waarvan de eerste goedkeuring uiterlijk drie [...] jaar na de inwerkingtreding van deze verordening vervalt, dient een producent van de werkzame stof de aanvraag waarin artikel 14 voorziet uiterlijk twee jaar vóórdat de eerste goedkeuring vervalt bij een lidstaat in, met kopie aan de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit. lep/GRA/dm 92 LIMITE NL DG B II
-
a)uit hoofde van artikel 4 van de richtlijn die in behandeling zijn in de lidstaat of b) die zullen worden gewijzigd of ingetrokken na de opneming in bijlage I van de richtlijn of na goedkeuring overeenkomstig lid 1 wordt bij de inwerkingtreding van deze verordening een beslissing genomen op basis van de voordien geldende nationale wetgeving. Na die beslissing geldt de verordening. Middelen die overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn zijn geëtiketteerd, mogen nog vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening op de markt worden gebracht. Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie een lijst op van de in bijlage I van Richtlijn 1991/414/EEG opgenomen stoffen die voldoen aan de criteria van bijlage II.5 en waarop de criteria van artikel 48 van toepassing zijn. Artikel 78 Afwijking voor beschermstoffen en synergistische middelen, co-formulanten en hulpstoffen In afwijking van artikel 28, lid 1, kan een lidstaat gedurende een periode van vijf jaar na de goedkeuring van het in artikel 26 bedoelde programma en van lid 3 toelaten dat op zijn grondgebied gewasbeschermingsmiddelen op de markt worden gebracht die bescherm stoffen en synergistische middelen en hulpstoffen bevatten die niet zijn goedgekeurd, maar die in dat programma zijn opgenomen. In afwijking van artikel 27 en onverminderd de communautaire wetgeving kunnen de lidstaten uiterlijk gedurende vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening nationale wetgeving toepassen op co-formulanten die niet zijn opgenomen in bijlage III. lep/GRA/dm 93 LIMITE NL DG B II
nemen dat een niet in bijlage III opgenomen co-formulant een ernstige bedreiging vormt voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, kan hij het gebruik van de co formulant in kwestie op zijn grondgebied tijdelijk verbieden of beperken. Hij stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis met vermelding van de redenen voor zijn besluit. Artikel 68 is van toepassing. Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening wordt volgens de in artikel 76, lid 4, bedoelde procedure een verordening vastgesteld tot opstelling van een werkprogramma voor de geleidelijke evaluatie van de hulpstoffen die op de markt zijn. De verordening omvat de aangelegenheden bedoeld in artikel 55, lid 2, en verlangt van de betrokken partijen dat zij binnen een in die verordening gespecificeerde termijn alle noodzakelijke gegevens voorleggen aan de Commissie, de Autoriteit en de lidstaten. Artikel 79 Intrekking Artikel 80 Inwerkingtreding en toepassing lep/GRA/dm 94 LIMITE NL DG B II
een verordening met de lijst van de werkzame stoffen die op het ogenblik van de bekendmaking van die verordening reeds waren goedgekeurd; een verordening inzake gegevenseisen voor werkzame stoffen, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b); een verordening inzake gegevenseisen voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c); een verordening inzake uniforme beginselen voor de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 35; een verordening met de etiketteringsvoorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 62, lid 1. Voor de Raad De Voorzitter lep/GRA/dm 95 LIMITE NL DG B II
Vastlegging van de zones voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen Zone A Noord Zone B Centrum Zone C Zuid lep/GRA/dm 96 LIMITE NL DG B II
Evaluatie 1.1. Tijdens het beoordelings- en besluitvormingsproces waarin de artikelen 4 tot en met 21 voorzien, werken de als rapporteur aangewezen lidstaat en de Autoriteit met de aanvragers samen om eventuele problemen in verband met het dossier snel op te lossen of om in een vroeg stadium te bepalen welke nadere toelichting of aanvullend onderzoek eventueel nodig is voor de beoordeling van het dossier, inclusief informatie om een beperking van de goedkeuring overbodig te maken, of om in de voorgestelde gebruiksvoorwaarden voor het gewasbeschermingsmiddel wijzigingen aan te brengen, of de aard of samenstelling van het gewasbeschermingsmiddel zodanig te veranderen dat volledig aan de eisen van deze verordening wordt voldaan. 1.2. De beoordeling door de Autoriteit en de als rapporteur aangewezen lidstaat moet op wetenschappelijke beginselen en op deskundigenadvies gebaseerd zijn. 1.3. Tijdens het beoordelings- en besluitvormingsproces waarin in de artikelen 4 tot en met 21 is voorzien, houden de lidstaten en de Autoriteit rekening met verdere richtsnoeren die in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid zijn opgesteld om de risicobeoordeling in voorkomend geval te verfijnen. Algemene besluitvormingscriteria 2.1. Aan artikel 4 wordt enkel geacht te zijn voldaan wanneer op basis van het ingediende dossier wordt verwacht dat een toelating in minstens één lidstaat mogelijk is voor minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof in kwestie bevat en voor minstens één van de representatieve gebruiksdoeleinden. 2.2. Indiening van verdere gegevens In principe wordt een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel slechts goedgekeurd wanneer een volledig dossier is ingediend. In uitzonderlijke gevallen kan een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel worden goedgekeurd ook als bepaalde gegevens nog moeten worden ingediend: lep/GRA/dm 97 LIMITE NL DG B II
verfijnd, of; b) wanneer de informatie als een bevestiging wordt beschouwd, die het vertrouwen in de beslissing moet vergroten. [...] 2.3. Beperkingen van de goedkeuring Indien nodig kunnen voor de goedkeuring voorwaarden en beperkingen als bedoeld in artikel 6 gelden. [...] Wanneer de als rapporteur aangewezen lidstaat van oordeel is dat in het ingediende dossier bepaalde informatie ontbreekt, zodat de werkzame stof alleen met beperkingen kan worden goedgekeurd, neemt hij in een vroeg stadium contact op met de aanvrager om meer gegevens te verkrijgen, waardoor deze beperkingen eventueel kunnen worden opgeheven. Criteria voor de goedkeuring van een werkzame stof 3.1. Dossier De dossiers die overeenkomstig artikel 7, lid 1, worden ingediend, bevatten de nodige gegevens om in voorkomend geval de aanvaardbare dagelijkse inname (Acceptable Daily Intake - ADI), het aanvaardbare blootstellingsniveau voor de gebruiker (Acceptable Operator Exposure Level - AOEL) en de acute referentiedosis (Acute Reference Dose - ARfD) vast te stellen. In het geval van een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel waarvoor een of meer representatieve gebruiksdoeleinden de toepassing op voor voeding of vervoedering bestemde gewassen omvat/omvatten of indirect leidt/leiden tot residuen in levensmiddelen of diervoeders, bevat het overeenkomstig artikel 7, lid 1, ingediende dossier de nodige gegevens voor de uitvoering van een risicobeoordeling en voor de handhaving. Het dossier maakt het met name mogelijk: a) elk relevant residu te definiëren; b) de residuen in levensmiddelen en diervoeders, inclusief in volggewassen, op betrouwbare wijze te voorspellen; lep/GRA/dm 98 LIMITE NL DG B II
vermeniging op betrouwbare wijze te voorspellen; d) een maximumresidugehalte (Maximum Residue Level - MRL) te bepalen en volgens passende, algemeen gangbare methoden vast te stellen voor het middel en, in voorkomend geval, voor producten van dierlijke oorsprong wanneer het middel of delen daarvan aan dieren wordt/worden gevoerd; e) in voorkomend geval concentratie- of verdunningsfactoren ingevolge verwerking en/of vermenging vast te stellen. Het overeenkomstig artikel 7, lid 1, ingediende dossier volstaat om in voorkomend geval een raming te maken van het gedrag en de lotgevallen van de werkzame stof in het milieu, en van zijn effect op niet-doelsoorten. 3.2. Werkzaamheid Een werkzame stof alleen of in combinatie met een beschermstof of synergistisch middel wordt alleen goedgekeurd wanneer voor een of meer representatieve gebruiks doeleinden is vastgesteld dat het gewasbeschermingsmiddel, na een toepassing die in overeenstemming is met goede gewasbeschermingspraktijken en rekening houdend met realistische [...] gebruiksomstandigheden, voldoende werkzaam is. Deze eis wordt beoordeeld in het licht van de uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 29, lid 6. 3.3. Relevantie van metabolieten Indien van toepassing [...] volstaat de ingediende documentatie om te kunnen vaststellen of metabolieten in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht relevant zijn. [...] 3.4. Samenstelling van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel 3.4.1. De specificatie definieert de minimale zuiverheidsgraad, de identiteit en het maximale gehalte aan onzuiverheden, en in voorkomend geval het maximale gehalte aan isomeren/diastero-isomeren en additieven, en het gehalte aan onzuiverheden die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht binnen aanvaardbare grenzen van belang zijn. lep/GRA/dm 99 LIMITE NL DG B II
specificatie daarmee in overeenstemming. Wanneer dat om redenen van bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu nodig is, kunnen echter striktere specificaties worden vastgesteld. 3.5. Analysemethoden 3.5.1. De methoden voor de analyse van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel zoals industrieel vervaardigd, en voor het bepalen van de onzuiverheden die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht van belang zijn of die aanwezig zijn in hoeveelheden groter dan 1 g/kg in de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel zoals industrieel vervaardigd, moeten gevalideerd zijn en moeten voldoende specifiek, correct gekalibreerd, accuraat en nauwkeurig gebleken zijn. 3.5.2. De methode voor de analyse van residuen voor de actieve stof en de relevante metabolieten in planten-, dieren- en milieu-matrices en in drinkwater, naargelang het geval, moet gevalideerd zijn en moet voldoende gevoelig gebleken zijn, wat de tot bezorgdheid aanleiding gevende gehalten betreft. 3.5.3. De beoordeling is uitgevoerd overeenkomstig de uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 29, lid 6. 3.6. Effecten op de gezondheid van de mens OPTIE 1: 3.6.1. In voorkomend geval worden de ADI, het AOEL en de ARfD vastgesteld. Bij de vaststelling van deze waarden wordt een passende veiligheidsmarge van ten minste 100 in acht genomen, waarbij rekening wordt gehouden met het soort en de ernst van de effecten en de kwetsbaarheid van specifieke bevolkingsgroepen. 3.6.2. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij/het op grond van een beoordeling van genotoxiciteitsonderzoek dat werd uitgevoerd overeenkomstig de gegevenseisen voor werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen [...] en andere beschikbare gegevens, met inbegrip van een overzicht lep/GRA/rl 100 DG B II LIMITE NL
3.6.3. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij/het op grond van een beoordeling van carcinogeniteitsonderzoek dat werd uitgevoerd overeenkomstig de gegevens eisen voor de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen [...] en andere beschikbare gegevens, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur, beoordeeld door de Autoriteit, overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG niet als carcinogeen van categorie 1 of 2 is ingedeeld of moet worden ingedeeld, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of dat synergistisch middel in een gewasbeschermings middel, in de voorgestelde realistische gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het product wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten, en waarbij de residuen van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel in kwestie op levensmiddelen en diervoeders de met de meest gevoelige methode vastgestelde drempel niet overschrijden. 3.6.4. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij/het op grond van een beoordeling van reproductietoxiciteitsonderzoek dat werd uitgevoerd overeenkomstig de gegevenseisen voor de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen en de gewasbeschermingsmiddelen of een preparaat dat een beschermstof of een synergistisch middel bevat en andere beschikbare gegevens en informatie, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur, beoordeeld door de Autoriteit, overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG niet als voor de voortplanting vergiftig, categorie 1 of 2, is ingedeeld of moet worden ingedeeld, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of dat synergistisch middel in een gewasbeschermingsmiddel in de voorgestelde realistische gebruiks omstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het product wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten en waarbij de residuen van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel in kwestie op levensmiddelen en diervoeders de met de meest gevoelige methode vastgestelde drempel niet overschrijden. lep/GRA/rl 101 DG B II LIMITE NL
goedgekeurd wanneer zij/het overeenkomstig de beoordeling op grond van communautaire of internationale richtsnoeren voor het uitvoeren van proeven of andere beschikbare gegevens en informatie, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur, beoordeeld door de Autoriteit, niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die voor de mens schadelijke gevolgen kunnen hebben, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of dat synergistisch middel in een gewasbeschermingsmiddel in de voorgestelde realistische gebruiks omstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het product wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten en waarbij de residuen van de werkzame stof, de bescherm stof of het synergistisch middel in kwestie op levensmiddelen en diervoeders de met de meest gevoelige methode vastgestelde drempel niet overschrijden. OPTIE 2: 3.6.1. In voorkomend geval worden de ADI, het AOEL en de ARfD vastgesteld. Bij de vaststelling van deze waarden wordt een passende veiligheidsmarge van ten minste 100 in acht genomen, waarbij rekening wordt gehouden met het soort en de ernst van de effecten en de kwetsbaarheid van specifieke bevolkingsgroepen. 3.6.2. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij/het op grond van een beoordeling van een vervolg genotoxiciteitsonderzoek dat werd uitgevoerd overeenkomstig de gegevenseisen voor de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen [...] en andere beschikbare gegevens en informatie, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur, beoordeeld door de Autoriteit, overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG niet als mutageen van categorie 1 of 2 is ingedeeld of moet worden ingedeeld, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of dat synergistisch middel in een gewasbeschermings middel in de voorgestelde realistische gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het product wordt gebruikt in gesloten systemen of in ander omstandigheden die contact met mensen uitsluiten, of waarbij voor het genotoxisch effect een dosis zonder waargenomen effect (NOEL) kan worden vastgesteld en de blootstellingsmarge voor mensen in de voorgestelde realistische omstandigheden in alle gevallen hoger dan 1000 is. lep/GRA/rl 102 DG B II LIMITE NL
3.6.4. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij/het op grond van een beoordeling van een reproductietoxiciteitsonderzoek dat werd uitgevoerd overeenkomstig de gegevenseisen voor de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen en andere beschikbare gegevens en informatie, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur, beoordeeld door de Autoriteit, overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG niet als voor de voortplanting vergiftig, categorie 1 of 2, is ingedeeld of moet worden ingedeeld, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of dat synergistisch middel in een gewasbeschermingsmiddel in de voorgestelde realistische gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het product wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten, of waarbij voor het reproductietoxisch effect een dosis zonder waargenomen effect (NOEL) kan worden vastgesteld en de blootstellingsmarge voor mensen in de voorgestelde realistische omstandig heden in alle gevallen hoger dan 1000 is. 3.6.5. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij/het overeenkomstig de beoordeling op grond van communautaire of internationale richtsnoeren voor het uitvoeren van proeven of andere beschikbare gegevens en informatie, met inbegrip van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur, beoordeeld door de Autoriteit, niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of dat synergistisch middel in een gewasbeschermingsmiddel te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het product wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere sytemen die contact met mensen uitsluiten of waarbij lep/GRA/rl 103 DG B II LIMITE NL
(NOEL) kan worden vastgesteld en de blootstellingsmarge voor mensen in de voorgestelde realistische gebruiksomstandigheden te allen tijde hoger dan 1000 is. 3.7. Uiteindelijk lot en gedrag in het milieu 3.7.1. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij/het niet als een persistente organische verontreinigende stof (POP) wordt beschouwd. Een stof die aan de drie onderstaande criteria voldoet, is een POP: a) Persistentie: i) bewijs dat de DT50 van de stof in water groter is dan twee maanden, de DT50 ervan in de bodem groter is dan zes maanden, of de DT50 ervan in sedimenten groter is dan zes maanden; en b) Bioaccumulatie: i) bewijs dat de bioconcentratiefactor of bioaccumulatiefactor van de stof voor waterorganismen groter is dan 5 000 of, bij gebreke van dergelijke gegevens, dat de log Ko/w groter is dan 5; ii) bewijs dat de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel om andere redenen zorgwekkend is, zoals een grote bioaccumulatie in andere niet-doelsoorten, hoge toxiciteit of ecotoxiciteit; en c) Potentieel voor transport over lange afstand in het milieu: i) gemeten niveaus van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel op locaties die ver verwijderd zijn van de plaats waar de stof is vrijgekomen en die potentieel zorgwekkend zijn; ii) monitoringgegevens die aantonen dat transport van de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel over lange afstand in het milieu, met een mogelijke overbrenging op een ontvangend milieu, kan hebben plaatsgevonden door de lucht, via water of via migrerende diersoorten; of lep/GRA/rl 104 DG B II LIMITE NL
3.7.2. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij/het niet als een persistente, bioaccumulerende en toxische (PBT) stof wordt beschouwd. Een stof die aan de drie onderstaande criteria voldoet, is een PBT-stof. 3.7.2.1. Persistentie Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel voldoet aan het persistentiecriterium wanneer: de halfwaardetijd in zeewater langer is dan zestig dagen, of de halfwaardetijd in zoet- of estuarien water langer is dan 40 dagen, of de halfwaardetijd in marien sediment langer is dan 180 dagen, of de halfwaardetijd in estuarien of zoetwatersediment langer is dan 120 dagen, of de halfwaardetijd in de bodem langer is dan 120 dagen. De persistentie in het milieu wordt bepaald op basis van de beschikbare halfwaardetijden die in de betreffende, door de aanvrager te beschrijven omstandigheden zijn opgetekend. 3.7.2.2. Bioaccumulatie Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel voldoet aan het bioaccumulatiecriterium wanneer de bioconcentratiefactor (BCF) groter is dan 2.000. lep/GRA/rl 105 DG B II LIMITE NL
bioconcentratie in aquatische soorten. Zowel mariene als zoetwatersoorten mogen worden gebruikt. 3.7.2.3. Toxiciteit Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel voldoet aan het toxiciteitscriterium wanneer: de langetermijn-NOEC (no-observed-effect concentration) voor mariene of zoetwaterorganismen lager is dan 0,01 mg/l, of de stof als kankerverwekkend (categorie 1 of 2), mutageen (categorie 1 of 2) of vergiftig voor de voortplanting (categorie 1, 2 of 3) is ingedeeld, of er andere bewijzen zijn van chronische toxiciteit, zoals vastgesteld bij de indelingen: T, R48 of Xn, R48 overeenkomstigRichtlijn 67/548/EEG. 3.7.3. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd wanneer zij het niet als een zeer persistente, zeer bioaccumulerende stof (vPvB) wordt beschouwd. Een stof die aan de twee onderstaande criteria voldoet, is een vPvB-stof. 3.7.3.1. Persistentie Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel voldoet aan het criterium "zeer persistent" wanneer: de halfwaardetijd in zeewater of estuarien of zoet water langer is dan 60 dagen, of de halfwaardetijd in marien, estuarien of zoetwatersediment langer is dan 180 dagen, of de halfwaardetijd in de bodem langer is dan 180 dagen. lep/GRA/rl 106 DG B II LIMITE NL
Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel voldoet aan het criterium "zeer bioaccumulerend" wanneer de bioconcentratiefactor groter is dan 5 000. 3.8. Ecotoxicologie 3.8.1. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt alleen goedgekeurd [...] als uit de risicobeoordeling blijkt dat de risico's in de voorgestelde realistische gebruiksomstandigheden van een gewas beschermingsmiddel dat de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel bevat, aanvaardbaar zijn volgens de criteria die zijn vastgesteld in de uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewas beschermingsmiddelen bedoeld in artikel 29, lid 6 [...]. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de ernst van de effecten, de onzekerheid van de gegevens en het aantal groepen organismen waarop de werkzame stof, de beschermstof of het synergistisch middel bij het beoogde gebruik naar verwachting een schadelijk effect zal hebben 3.8.2. Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt alleen goed gekeurd [...] wanneer zij/het overeenkomstig de beoordeling op grond van communautaire of internationale richtsnoeren voor het uitvoeren van proeven niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die voor niet doelsoorten schadelijke gevolgen kunnen hebben, tenzij de blootstelling van niet-doelsoorten aan die werkzame stof in een gewasbeschermingsmiddel in de voorgestelde realistische gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is. 3.9. Residudefinitie Een werkzame stof, beschermstof of synergistisch middel wordt slechts goedgekeurd als in voorkomend geval een residudefinitie kan worden vastgesteld met het oog op de risicobeoordeling en de handhaving. 3.10. Uiteindelijk lot en gedrag met betrekking tot grondwater Een werkzame stof wordt enkel goedgekeurd wanneer voor een of meer representatieve gebruiksvormen is vastgesteld dat na de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig de realistische gebruiksomstandigheden lep/GRA/rl 107 DG B II LIMITE NL
reactieproducten in het grondwater voldoet aan de respectieve criteria van de uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermings middelen bedoeld in artikel 29, lid 6. Stof die in aanmerking komt om te worden vervangen Een werkzame stof wordt goedgekeurd als stof die overeenkomstig artikel 24 in aanmerking komt om te worden vervangen, wanneer aan een van de volgende criteria is voldaan: - de ADI, het AOEL of de ARfD van de stof ligt aanzienlijk lager dan die van de meerderheid van de goedgekeurde werkzame stoffen binnen groepen stoffen/gebruikscategorieën; - zij beantwoordt aan twee van de criteria om als PBT-stof te worden beschouwd; - er zijn redenen tot bezorgdheid in verband met de aard van de kritische effecten (zoals ontwikkelingsneurotoxische of -immunotoxische effecten) die in combinatie met de gebruiks-/blootstellingspatronen neerkomen op nog steeds zorgwekkende gebruiksomstandigheden, zoals een hoog risico voor grondwater, zelfs met zeer restrictieve maatregelen op het gebied van risicobeheer (zoals uitgebreide persoonlijkebeschermingsmiddelen of zeer grote bufferzones); - zij bevat een significant aandeel niet-werkzame isomeren. Werkzame stoffen met een laag risico Een werkzame stof wordt niet als werkzame stof met een laag risico aangemerkt indien zij overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG in elk geval is of moet worden ingedeeld als: - kankerverwekkend; - mutageen; - vergiftig voor de voortplanting; - sensibiliserend - zeer vergiftig of vergiftig. - explosief. lep/GRA/rl 108 DG B II LIMITE NL
Eveneens als stof met een laag risico worden aangemerkt: - stoffen die persistent zijn (halfwaardetijd in de bodem van meer dan 60 dagen) of - waarvan de bioconcentratiefactor (BCF) meer dan 100 bedraagt, of - stoffen die beschouwd worden als een hormoonontregelende stof. lep/GRA/rl 109 DG B II LIMITE NL
lep/GRA/rl 110 DG B II LIMITE NL
Vergelijkende evaluatie overeenkomstig artikel 48 Voorwaarden voor een vergelijkende evaluatie a) vervanging vindt slechts plaats wanneer andere methoden of de chemische diversiteit van de werkzame stoffen toereikend zijn om het risico dat resistentie bij het doelorganisme ontstaat, zo klein mogelijk te houden; en b) vervanging vindt slechts plaats voor gewasbeschermingsmiddelen waarvan het gebruik [...] een significant hoger risico voor de gezondheid van de mens of het milieu inhoudt; en c) vervanging vindt slechts plaats nadat zo nodig de mogelijkheid is geboden om ervaring op te doen door gebruik in de praktijk, indien die ervaring niet reeds voorhanden is. Significant verschil in risico lep/GRA/rl 111 DG B II LIMITE NL
Significante praktische of economische nadelen lep/GRA/rl 112 DG B II LIMITE NL
Ingetrokken richtlijnen en de opeenvolgende wijzigingen ervan A: Richtlijn 91/414/EEG Besluiten tot wijziging van Omzettingstermijn Richtlijn 91/414/EEG Richtlijn 93/71/EEG 3 augustus 1994 Richtlijn 94/37/EG 31 juli 1995 Richtlijn 94/79/EG 31 januari 1996 Richtlijn 95/35/EG 30 juni 1996 Richtlijn 95/36/EG 30 april 1996 Richtlijn 96/12/EG 31 maart 1997 Richtlijn 96/46/EG 30 april 1997 Richtlijn 96/68/EG 30 november 1997 Richtlijn 97/57/EG 1 oktober 1997 Richtlijn 2000/80/EG 1 juli 2002 Richtlijn 2001/21/EG 1 juli 2002 Richtlijn 2001/28/EG 1 augustus 2001 Richtlijn 2001/36/EG 1 mei 2002 Richtlijn 2001/47/EG 31 december 2001 Richtlijn 2001/49/EG 31 december 2001 Richtlijn 2001/87/EG 31 maart 2002 Richtlijn 2001/99/EG 1 januari 2003 Richtlijn 2001/103/EG 1 april 2003 Richtlijn 2002/18/EG 30 juni 2003 Richtlijn 2002/37/EG 31 augustus 2003 lep/GRA/rl 113 DG B II LIMITE NL
Richtlijn 2002/64/EG 31 maart 2003 Richtlijn 2002/81/EG 30 juni 2003 Richtlijn 2003/5/EG 30 april 2004 Richtlijn 2003/23/EG 31 december 2003 Richtlijn 2003/31/EG 30 juni 2004 Richtlijn 2003/39/EG 30 september 2004 Richtlijn 2003/68/EG 31 maart 2004 Richtlijn 2003/70/EG 30 november 2004 Richtlijn 2003/79/EG 30 juni 2004 Richtlijn 2003/81/EG 31 januari 2005 Richtlijn 2003/82/EG 30 juli 2004 Richtlijn 2003/84/EG 30 juni 2004 Richtlijn 2003/112/EG 30 april 2005 Richtlijn 2003/119/EG 30 september 2004 Verordening [...] nr. 806/2003 - Richtlijn 2004/20/EG 31 juli 2005 Richtlijn 2004/30/EG 30 november 2004 Richtlijn 2004/58/EG 31 augustus 2005 Richtlijn 2004/60/EG 28 februari 2005 Richtlijn 2004/62/EG 31 maart 2005 Richtlijn 2004/66/EG 1 mei 2004 Richtlijn 2004/71/EG 31 maart 2005 Richtlijn 2004/99/EG 30 juni 2005 Richtlijn 2005/2/EG 30 september 2005 lep/GRA/rl 114 DG B II LIMITE NL
Richtlijn 2005/25/EG 28 mei 2006 Richtlijn 2005/34/EG 30 november 2005 Richtlijn 2005/53/EG 31 augustus 2006 Richtlijn 2005/54/EG 31 augustus 2006 Richtlijn 2005/57/EG 31 oktober 2006 Richtlijn 2005/58/EG 31 mei 2006 Richtlijn 2005/72/EG 31 december 2006 Richtlijn 2006/5/EG 31 maart 2007 Richtlijn 2006/6/EG 31 maart 2007 Richtlijn 2006/10/EG 30 september 2006 Richtlijn 2006/16/EG 31 januari 2007 Richtlijn 2006/19/EG 30 september 2006 Richtlijn 2006/39/EG 31 juli 2007 lep/GRA/rl 115 DG B II LIMITE NL
Besluiten tot wijziging van Omzettingstermijn Richtlijn 79/117/EEG Richtlijn 83/131/EEG 1 oktober 1984 Richtlijn 85/298/EEG 1 januari 1986 Richtlijn 86/214/EEG - Richtlijn 86/355/EEG 1 juli 1987 Richtlijn 87/181/EEG 1 januari 1988 en 1 januari 1989 Richtlijn 87/477/EEG 1 januari 1988 Richtlijn 89/365/EEG 31 december 1989 Richtlijn 90/335/EEG 1 januari 1991 Richtlijn 90/533/EEG 31 december 1990 en 30 september 1990 Richtlijn 91/118/EEG 31 maart 1992 Verordening [...] nr. 807/2003 - Verordening [...] nr. 850/2004 - ____________________ lep/GRA/rl 116 DG B II LIMITE NL
- 12 jul '06Op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
- 12 jul '06COM(2006)388 - Op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
- 26 sep '02COM(2002)530 - Voorstel voor een Richtkijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van nationale wetgevinginzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen
- 29 jun '00COM(2000)402; - Toegang van het publiek tot milieu-informatie
- 23 feb '98COM(1998)85; - Wijziging van Richtlijn 90/220/EEG inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu
- 26 feb '97COM(1997)49; - Kader voor gemeenschappelijke maatregelen betreffende het waterbeleid
- 18 jul '96COM(1996)347 - Harmonisatie van nationale wetgevingvan de lid - staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten
- 29 jul '76COM(1976)427 - In het verkeer brengen van tot de eeg goedgekeurde bestrijdingsmiddelen
- 29 jul '76COM(1976)444 - Verbod van het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen bevattende bepaalde actieve stoffen
-
Aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen

