VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS OP HET GEBIED VAN DE BEVEILIGING VAN DE BURGERLUCHTVAART EN TOT INTREKKING VAN VERORDENING (EG) Nr. 2320/2002 VERORDENING (EG) Nr. …/2008 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2, Gezien het voorstel van de Commissie,

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS OP HET GEBIED VAN

DE BEVEILIGING VAN DE BURGERLUCHTVAART

EN TOT INTREKKING VAN VERORDENING (EG) Nr. 2320/2002

VERORDENING (EG) Nr. .../2008 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2008

inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart

en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80,

lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

1

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité , Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

2

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag en gezien de gemeenschappelijke tekst die op 16 januari 2008 door het bemiddelingscomité is goedgekeurd,

1

PB C 185 van 8.8.2006, blz. 17. 2

Advies van het Europees Parlement van 15 juni 2006 (PB C 300 E van 9.12.2006, blz. 463), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 11 december 2006 (PB C 70 E van 27.3.2007, blz. 21) en standpunt van het Europees Parlement van 25 april 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 4 maart 2008.

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Met het oog op de bescherming van personen en goederen in de Europese Unie moeten gemeenschappelijke regels voor de beveiliging van de burgerluchtvaart worden opgesteld

om wederrechtelijke daden tegen burgerluchtvaartuigen die een gevaar vormen voor de

veiligheid van de burgerluchtvaart, te voorkomen. Daartoe moeten gemeenschappelijke

regels en gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de luchtvaart worden

vastgesteld en mechanismen voor het toezicht op de naleving van deze regels en normen

worden opgezet.

(2) Met het oog op de beveiliging van de burgerluchtvaart in het algemeen is het wenselijk de basis te leggen voor een gemeenschappelijke interpretatie van bijlage 17 van het Verdrag

van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart, van 7 december 1944.

(3) Naar aanleiding van de gebeurtenissen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten is Verordening (EG) nr. 2320/2002 van het Europees Parlement en de Raad van

16 december 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de

1

beveiliging van de burgerluchtvaart goedgekeurd. Een gemeenschappelijke aanpak op het gebied van luchtvaartbeveiliging is nodig en overwogen moet worden wat de meest

doeltreffende manier is om bijstand te verlenen na terroristische daden die grote gevolgen

voor de vervoerssector hebben.

1

PB L 355 van 30.12.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 849/2004 (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 1; rectificatie in PB L 229 van 29.6.2004, blz. 3).

(4) De inhoud van Verordening (EG) nr. 2320/2002 dient te worden herzien in het licht van de opgedane ervaring en de verordening moet worden ingetrokken en vervangen door deze

verordening waarin gestreefd wordt naar vereenvoudiging, harmonisering en verduide-

lijking van de bestaande regels en naar verbetering van het beveiligingsniveau.

(5) Om tegemoet te komen aan de evoluerende risicobeoordelingen en om de introductie van nieuwe technologieën mogelijk te maken, is er behoefte aan meer flexibiliteit bij het vast-

stellen van beveiligingsmaatregelen en -procedures; in de verordening dienen daarom de

basisbeginselen te worden vastgelegd voor de maatregelen die genomen moeten worden

om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden, zonder evenwel in te

gaan op technische en procedurele bijzonderheden ten aanzien van de wijze waarop deze

beginselen moeten worden toegepast.

(6) Deze verordening dient van toepassing te zijn op burgerluchthavens op het grondgebied van een lidstaat, op exploitanten die diensten aanbieden op deze luchthavens en op

entiteiten die goederen en/of diensten aan of via deze luchthavens leveren.

(7) Onverminderd het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Tokio, 1963), het Verdrag tot bestrijding van het weder-

rechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen (Den Haag, 1970) en het Verdrag ter

bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burger-

luchtvaart (Montreal, 1971), moet deze verordening ook betrekking hebben op beveili-

gingsmaatregelen aan boord van luchtvaartuigen van communautaire luchtvaart-

maatschappijen of tijdens vluchten van communautaire luchtvaartmaatschappijen.

(8) Elke lidstaat blijft bevoegd om een besluit te nemen over de inzet van meereizende beveiligingsagenten aan boord van luchtvaartuigen die in die lidstaat geregistreerd zijn en

van vluchten van luchtvaartmaatschappijen waarvoor hij een vergunning heeft afgegeven,

alsmede om er overeenkomstig punt 4.7.7 van bijlage 17 van het Verdrag van Chicago

inzake de internationale burgerluchtvaart en krachtens dat Verdrag op toe te zien dat die

agenten behoren tot het overheidspersoneel en speciaal geselecteerd en opgeleid zijn,

rekening houdend met de vereiste beveiligings- en veiligheidsaspecten aan boord van

luchtvaartuigen.

(9) Het dreigingsniveau is niet noodzakelijkerwijs even groot voor de verschillende soorten burgerluchtvaart. Bij het vaststellen van gemeenschappelijke basisnormen voor de

beveiliging van de luchtvaart moet rekening worden gehouden met de grootte van het

luchtvaartuig, de wijze van de exploitatie en/of de frequentie van de activiteiten op

luchthavens, zodat eventueel afwijkingen kunnen worden toegestaan.

(10) Het is lidstaten tevens toegestaan om, op basis van een risicobeoordeling, striktere maat regelen toe te passen anders dan vastgesteld in deze verordening.

(11) Het is mogelijk dat derde landen de toepassing van andere dan de in deze verordening vastgestelde maatregelen vereisen voor vluchten vanuit een luchthaven van een lidstaat

naar of over dat derde land. Onverminderd de bilaterale overeenkomsten die de

Gemeenschap heeft gesloten, moet de Commissie de door het derde land vereiste

maatregelen kunnen bestuderen.

(12) Hoewel het mogelijk is dat in een en dezelfde lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de luchtvaart, moet elke lidstaat één autoriteit aanwijzen die verant-

woordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de beveiligings-

normen.

(13) Teneinde de verantwoordelijkheden vast te stellen voor de uitvoering van de gemeen schappelijke normen en om te beschrijven welke maatregelen de exploitanten en andere

entiteiten daartoe moeten nemen, moet elke lidstaat een nationaal programma voor de

beveiliging van de burgerluchtvaart opstellen. Voorts moeten alle luchthavenexploitanten,

luchtvaartmaatschappijen en entiteiten die de normen voor de beveiliging van de luchtvaart

toepassen een beveiligingsprogramma opstellen, toepassen en instandhouden om zowel aan

deze verordening als aan alle toepasselijke nationale programma's voor de beveiliging van

de burgerluchtvaart te voldoen.

(14) Om toezicht te kunnen houden op de naleving van deze verordening en het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart, moet elke lidstaat een nationaal

programma opstellen om de mate en kwaliteit van de beveiliging van de burgerluchtvaart

te controleren en er zorg voor dragen dat dit programma wordt toegepast.

(15) Om toezicht te kunnen houden op de toepassing van deze verordening door de lidstaten en om aanbevelingen ter verbetering van de beveiliging van de luchtvaart te kunnen doen,

moet de Commissie inspecties uitvoeren, waaronder onaangekondigde inspecties.

(16) In het algemeen dienen maatregelen die rechtstreekse gevolgen hebben voor passagiers door de Commissie te worden bekendgemaakt. Uitvoeringsbesluiten waarin de gemeen-

schappelijke maatregelen en procedures voor de uitvoering van de gemeenschappelijke

normen voor de beveiliging van de luchtvaart worden vastgesteld en gevoelige beveili-

gingsinformatie is opgenomen, alsmede de inspectieverslagen van de Commissie en de

antwoorden van bevoegde autoriteiten moeten worden beschouwd als "gerubriceerde

EU-gegevens" in de zin van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van

1

29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde . Deze gegevens mogen niet worden bekendgemaakt; ze mogen alleen ter beschikking worden gesteld van exploitanten

en entiteiten die er een legitiem belang bij hebben.

(17) De maatregelen ter uitvoering van deze verordening moeten worden aangenomen over eenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de

voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-

2

bevoegdheden .

(18) In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om de algemene maatregelen vast te stellen die beogen niet-essentiële onderdelen van de gemeenschappe-

lijke basisnormen te wijzigen door deze aan te vullen, om de criteria vast te stellen om de

lidstaten toe te staan af te wijken van de gemeenschappelijke basisnormen en alternatieve

beveiligingsmaatregelen vast te stellen, alsmede om de specificaties van het nationaal

kwaliteitscontroleprogramma vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking

betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te

vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in

artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

1

PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2006/548/EG, Euratom (PB L 215 van 5.8.2006, blz. 38). 2

PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(19) Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor

de aanneming van de gemeenschappelijke regels voor de beveiliging van de burger-

luchtvaart de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentie-

procedure kunnen toepassen.

(20) Er dient te worden gestreefd naar "one-stop security" voor alle vluchten binnen de Europese Unie.

(21) Voorts zou het niet nodig moeten zijn om passagiers of hun bagage die met een vlucht aankomen uit een derde land dat luchtvaartbeveiligingsnormen heeft die gelijkwaardig zijn

aan die van deze verordening, opnieuw aan beveiligingsonderzoeken te onderwerpen.

Derhalve dienen, onverminderd het recht van elke lidstaat om striktere maatregelen toe te

passen en onverminderd de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en haar

lidstaten, besluiten van de Commissie en, waar nodig, overeenkomsten tussen de

Gemeenschap en derde landen waarin wordt erkend dat de beveiligingsnormen van het

derde land gelijkwaardig zijn aan de gemeenschappelijke normen, te worden aange-

moedigd, aangezien deze bevorderlijk voor one-stop security zijn.

(22) Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van de regelgeving met betrekking tot de luchtvaartveiligheid, met inbegrip van de maatregelen betreffende het vervoer van

gevaarlijke goederen.

(23) Er dient voorzien te worden in sancties voor overtredingen van de bepalingen van deze verordening. Deze sancties, die van civiel- of bestuursrechtelijke aard kunnen zijn, moeten

doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(24) De ministeriële verklaring over de luchthaven van Gibraltar waarover op 18 september 2006 te Córdoba een akkoord is bereikt tijdens de eerste ministeriële bijeen-

komst van het Forum voor dialoog over Gibraltar, zal de op 2 december 1987 te Londen

afgelegde gemeenschappelijke verklaring over de luchthaven van Gibraltar vervangen, en

de volledige naleving ervan zal als de naleving van de verklaring van 1987 worden

beschouwd.

(25) Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de beveiliging van de burger luchtvaart tegen wederrechtelijke daden en het leggen van een basis voor de gemeen-

schappelijke interpretatie van bijlage 17 van het Verdrag van Chicago inzake de inter-

nationale burgerluchtvaart, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt

en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Gemeenschap kunnen

worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het

Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in

hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan

nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen

  • 1. 
    In deze verordening worden gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de

beveiliging van de burgerluchtvaart.

Deze verordening verschaft tevens de basis voor een gemeenschappelijke interpretatie van

bijlage 17 van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart.

  • 2. 
    De doelstellingen van lid 1 worden bereikt door middel van:
  • a) 
    het vaststellen van gemeenschappelijke regels en gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de luchtvaart;
  • b) 
    mechanismen voor toezicht op de naleving van deze regels en basisnormen. Artikel 2

Reikwijdte

  • 1. 
    Deze verordening is van toepassing op:
  • a) 
    alle luchthavens of delen van luchthavens op het grondgebied van een lidstaat die niet uitsluitend voor militaire doeleinden worden gebruikt;
  • b) 
    alle exploitanten, inclusief luchtvaartmaatschappijen, die diensten verlenen op de onder a) bedoelde luchthavens;
  • c) 
    alle entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen en die werkzaam zijn vanuit locaties die binnen of buiten luchthavens zijn gelegen en

goederen en/of diensten leveren aan of via de onder a) bedoelde luchthavens.

  • 2. 
    De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar laat de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het

geschil inzake de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven gelegen is,

onverlet.

Artikel 3

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1) 
    "burgerluchtvaart": alle luchtvaartactiviteiten van burgerluchtvaartuigen, met uitzondering van activiteiten die worden uitgevoerd door de in artikel 3 van het Verdrag van Chicago

inzake de internationale burgerluchtvaart vermelde staatsluchtvaartuigen;

  • 2) 
    "beveiliging van de luchtvaart": de combinatie van maatregelen en menselijke en materiële hulpbronnen, bedoeld om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden

die een gevaar vormen voor de veiligheid van de burgerluchtvaart;

  • 3) 
    "exploitant": een persoon, organisatie of onderneming die betrokken is of wil worden bij een luchtvervoersactiviteit;
  • 4) 
    "luchtvaartmaatschappij": een luchtvervoersonderneming met een geldige exploitatie vergunning of een equivalent ervan;
  • 5) 
    "communautaire luchtvaartmaatschappij": een luchtvaartmaatschappij met een door een lidstaat overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992

1

betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen afgegeven geldige exploitatievergunning;

1

PB L 240 van 24.8.1992, blz. 1.

  • 6) 
    "entiteit": een persoon, organisatie of onderneming anders dan een exploitant;
  • 7) 
    "verboden voorwerpen": wapens, explosieven of andere gevaarlijke apparaten, voorwerpen of stoffen die kunnen worden gebruikt om een wederrechtelijke daad te begaan die een

gevaar vormt voor de veiligheid van de burgerluchtvaart;

  • 8) 
    "beveiligingsonderzoek": de toepassing van technische en andere middelen die tot doel hebben verboden voorwerpen te identificeren en/of te detecteren;
  • 9) 
    "beveiligingscontrole": de toepassing van middelen om het binnenbrengen van verboden voorwerpen te kunnen voorkomen;
  • 10) 
    "toegangscontrole": de toepassing van middelen om de toegang van onbevoegde personen of onbevoegde voertuigen, of beide, te kunnen voorkomen;
  • 11) 
    "luchtzijde": de zone van een luchthaven waar de vliegtuigbewegingen plaatsvinden, de aangrenzende terreinen en gebouwen of delen daarvan; de toegang tot deze zone is

beperkt;

  • 12) 
    "landzijde": die zones van een luchthaven, de aangrenzende terreinen en de gebouwen of delen daarvan die niet tot de luchtzijde behoren;
  • 13) 
    "om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone": het gedeelte van de luchtzijde waartoe niet alleen de toegang beperkt is, maar waar ook andere normen voor de

beveiliging van de luchtvaart van toepassing zijn;

  • 14) 
    "afgebakende zone": een zone die door middel van toegangscontroles afgescheiden is van ofwel om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones ofwel, als de afgebakende zone

zelf een om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone is, van andere om beveili-

gingsredenen beperkt toegankelijke zones van een luchthaven;

  • 15) 
    "achtergrondcontrole": een geregistreerde controle van de identiteit van een persoon, met inbegrip van eventuele criminele antecedenten, als deel van de beoordeling of die persoon

in aanmerking komt voor niet-begeleide toegang tot om beveiligingsredenen beperkt

toegankelijke zones;

  • 16) 
    "transferpassagiers, -bagage, -vracht of -post": passagiers, bagage, vracht of post vertrekkende met een ander luchtvaartuig dan dat van aankomst;
  • 17) 
    "transitpassagiers, -bagage, -vracht of -post": passagiers, bagage, vracht of post vertrekkende met hetzelfde luchtvaartuig als dat van aankomst;
  • 18) 
    "passagier die de orde kan verstoren": een persoon die wordt uitgezet, een persoon aan wie de toegang tot het land is geweigerd of een persoon in wettelijke hechtenis;
  • 19) 
    "cabinebagage": bagage die bestemd is om in de cabine van een luchtvaartuig te worden vervoerd;
  • 20) 
    "ruimbagage": bagage die bestemd is om in het ruim van een luchtvaartuig te worden vervoerd;
  • 21) 
    "begeleide ruimbagage": bagage die wordt vervoerd in het ruim van een luchtvaartuig en die voor een vlucht is ingecheckt door een passagier die met diezelfde vlucht reist;
  • 22) 
    "bedrijfspost van een luchtvaartmaatschappij": post die als afzender en als geadresseerde een luchtvaartmaatschappij heeft;
  • 23) 
    "bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij": materieel dat afkomstig is van een luchtvaartmaatschappij en bestemd is voor een luchtvaartmaatschappij of dat door een

luchtvaartmaatschappij wordt gebruikt;

  • 24) 
    "post": zendingen van correspondentie en andere voorwerpen, andere dan bedrijfspost van een luchtvaartmaatschappij, die aangeboden worden door en bedoeld zijn voor levering aan

postdiensten overeenkomstig de regels van de Wereldpostunie;

  • 25) 
    "vracht": goederen, met uitzondering van bagage, post, bedrijfspost van een luchtvaart maatschappij, bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij en vluchtbenodigdheden,

die bestemd zijn voor vervoer in een luchtvaartuig;

  • 26) 
    "erkend agent": een luchtvaartmaatschappij, agent, expediteur of andere entiteit die zorg draagt voor de beveiligingscontroles met betrekking tot vracht of post;
  • 27) 
    "bekende afzender": een afzender die voor eigen rekening vracht of post voor vervoer aan biedt en wiens procedures in voldoende mate aan de gemeenschappelijke beveiligings-

regels en -normen beantwoorden om deze vracht of post met om het even welk lucht-

vaartuig te vervoeren;

  • 28) 
    "vaste afzender": een afzender die voor eigen rekening vracht of post voor vervoer aanbiedt en wiens procedures in voldoende mate aan de gemeenschappelijke beveiligings-

regels en -normen beantwoorden om deze vracht met om het even welk vrachtvliegtuig of

post met om het even welk postvliegtuig te vervoeren;

  • 29) 
    "beveiligingscontrole van een luchtvaartuig": een inspectie van die delen van de binnen kant van een vliegtuig waartoe passagiers zich toegang kunnen hebben verschaft alsmede

een inspectie van het ruim met het doel verboden voorwerpen en wederrechtelijke daden

tegen het luchtvaartuig op te sporen;

  • 30) 
    "beveiligingsdoorzoeking van een luchtvaartuig": een inspectie van de binnenkant en van de toegankelijke delen van de buitenkant van het luchtvaartuig met het doel verboden

voorwerpen en wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de veiligheid van het

luchtvaartuig op te sporen;

  • 31) 
    "meereizend beveiligingsagent": persoon die door een staat is aangesteld en die meereist aan boord van een luchtvaartuig van een luchtvaartmaatschappij die een vergunning van

die staat heeft gekregen teneinde die luchtvaartuigen en de inzittenden ervan te beschermen

tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de veiligheid van de vlucht.

Artikel 4

Gemeenschappelijke basisnormen

  • 1. 
    De gemeenschappelijke basisnormen voor de bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de veiligheid van de burgerluchtvaart,

zijn vastgesteld in de bijlage.

Aanvullende gemeenschappelijke basisnormen waarin niet is voorzien bij de inwerking-

treding van deze verordening, moeten aan de bijlage worden toegevoegd overeenkomstig

de in artikel 251 van het Verdrag bedoelde procedure.

  • 2. 
    De algemene maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld

volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 19, lid 3.

Deze algemene maatregelen hebben betrekking op de volgende elementen:

  • a) 
    toegestane methodes voor het uitvoeren van beveiligingsonderzoeken; b) categorieën van voorwerpen die kunnen worden verboden;
  • c) 
    wat betreft de toegangscontrole, redenen voor het verlenen van toegang tot de lucht zijde en tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones;
  • d) 
    toegestane methodes om onderzoeken van voertuigen en beveiligingscontroles en beveiligingsdoorzoekingen van luchtvaartuigen uit te voeren;
  • e) 
    criteria voor het erkennen van de gelijkwaardigheid van beveiligingsnormen van derde landen;
  • f) 
    omstandigheden waarin vracht en post aan beveiligingsonderzoeken of aan andere beveiligingscontroles worden onderworpen, alsmede de procedure voor de goed-

keuring of aanwijzing van erkende agenten, bekende afzenders en vaste afzenders;

  • g) 
    omstandigheden waarin bedrijfspost en bedrijfsmaterieel van een luchtvaart maatschappij aan beveiligingsonderzoeken of aan andere beveiligingscontroles

worden onderworpen;

  • h) 
    omstandigheden waarin vluchtbenodigdheden en luchthavenbenodigdheden aan beveiligingsonderzoeken of aan andere beveiligingscontroles worden onderworpen,

alsmede de procedure voor de goedkeuring of aanwijzing van erkende leveranciers

en bekende leveranciers;

  • i) 
    criteria voor de definiëring van kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones;
  • j) 
    criteria voor de werving van personeel en de opleidingsmethoden;
  • k) 
    omstandigheden waarin speciale beveiligingsprocedures kunnen worden toegepast of vrijstellingen van beveiligingscontroles kunnen worden verleend, en
  • l) 
    algemene maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële elementen van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen te wijzigen door deze aan te vullen,

waarin niet is voorzien op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Om dwingende urgente redenen kan de Commissie de urgentieprocedure van artikel 19,

lid 4, toepassen.

  • 3. 
    Gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde gemeenschappe lijke basisnormen en van de in lid 2 bedoelde algemene maatregelen, worden vastgesteld

volgens de regelgevingsprocedure van artikel 19, lid 2.

Het gaat hierbij onder meer om:

  • a) 
    eisen en procedures voor beveiligingsonderzoeken; b) een lijst van verboden voorwerpen;
  • c) 
    eisen en procedures voor toegangscontrole;
  • d) 
    eisen en procedures voor het uitvoeren van onderzoeken van voertuigen en beveili gingscontroles en beveiligingsdoorzoekingen van luchtvaartuigen;
  • e) 
    besluiten betreffende de erkenning van de gelijkwaardigheid van beveiligingsnormen die in een derde land worden toegepast;
  • f) 
    wat betreft vracht en post, procedures voor de goedkeuring of aanwijzing van erkende agenten, bekende afzenders en vaste afzenders en de verplichtingen waaraan

deze moeten voldoen;

  • g) 
    eisen en procedures voor beveiligingscontroles van bedrijfspost en bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij;
  • h) 
    wat betreft vluchtbenodigdheden en luchthavenbenodigdheden, procedures voor de goedkeuring of aanwijzing van erkende leveranciers en bekende leveranciers, en de

verplichtingen waaraan deze moeten voldoen;

  • i) 
    de definiëring van kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones;
  • j) 
    werving van personeel en opleidingseisen;
  • k) 
    speciale beveiligingsprocedures of vrijstellingen van beveiligingscontroles;
  • l) 
    technische specificaties en procedures voor de goedkeuring en het gebruik van beveiligingsuitrusting; en
  • m) 
    eisen en procedures voor de omgang met passagiers die de orde kunnen verstoren.
  • 4. 
    De Commissie stelt, door wijziging van deze verordening bij een besluit volgens de regel gevingsprocedure met toetsing van artikel 19, lid 3, criteria vast om de lidstaten toe te

staan af te wijken van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen en op basis

van een plaatselijke risicobeoordeling alternatieve beveiligingsmaatregelen vast te stellen

die een passend beschermingsniveau bieden. Deze alternatieve maatregelen worden

gemotiveerd met redenen die te maken hebben met de grootte van het luchtvaartuig, of met

redenen die te maken hebben met de aard, de schaal of de frequentie van de luchtvaart- of

andere relevante activiteiten.

Om dwingende urgente redenen kan de Commissie de urgentieprocedure van artikel 19,

lid 4, toepassen.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze maatregelen.

  • 5. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen op hun grondgebied worden toegepast. Wanneer een lidstaat reden heeft om aan te nemen dat

door een inbreuk op de beveiliging van de luchtvaart afbreuk is gedaan aan het beveili-

gingsniveau, zorgt hij ervoor dat er onmiddellijk passende maatregelen worden genomen

om die inbreuk ongedaan te maken en te waarborgen dat de burgerluchtvaart beveiligd

blijft.

Artikel 5

Beveiligingskosten

Met inachtneming van de relevante bepalingen van het Gemeenschapsrecht, kan elke lidstaat

bepalen wanneer en in welke mate de kosten van onder deze verordening vallende beveiligings-

maatregelen ter bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden dienen te

worden gedragen door de staat, de luchthavenautoriteiten, luchtvaartmaatschappijen, andere

entiteiten of gebruikers. In voorkomend geval, en in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht,

kunnen de lidstaten samen met de gebruikers bijdragen in kosten van strengere beveiligings-

maatregelen uit hoofde van deze verordening. Voor zover praktisch haalbaar hebben eventuele

heffingen of overdrachten van beveiligingskosten een direct verband met de levering van de

betrokken diensten en worden zij zo ingericht dat niet meer dan de relevante kosten gedekt worden.

Artikel 6

Strengere maatregelen van lidstaten

  • 1. 
    De lidstaten mogen maatregelen toepassen die strenger zijn dan de in artikel 4 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen. Zij gaan daarbij te werk op basis van een risico-

beoordeling en handelen in overeenstemming met de communautaire regelgeving.

Dergelijke maatregelen zijn relevant, objectief en niet-discriminerend en staan in

verhouding tot het desbetreffende risico.

  • 2. 
    De lidstaten stellen de Commissie zo spoedig mogelijk na de toepassing van die maat regelen daarvan in kennis. Na ontvangst van een dergelijke kennisgeving geeft de

Commissie deze informatie door aan de andere lidstaten.

  • 3. 
    De lidstaten behoeven de Commissie niet in kennis te stellen van maatregelen die beperkt blijven tot een bepaalde vlucht op een specifieke datum.

Artikel 7

Door derde landen vereiste beveiligingsmaatregelen

  • 1. 
    Onverminderd de bilaterale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap partij is, stelt een lidstaat de Commissie in kennis van door derde landen vereiste maatregelen voor zover

deze afwijken van de in artikel 4 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen voor vluchten

vanuit een luchthaven van een lidstaat naar of over dat derde land.

  • 2. 
    Op verzoek van de betrokken lidstaat of op eigen initiatief onderzoekt de Commissie de toepassing van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde maatregelen en kan zij volgens de

regelgevingsprocedure van artikel 19, lid 2, een passend antwoord aan het betrokken derde

land opstellen.

  • 3. 
    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer:
  • a) 
    de betrokken lidstaat de desbetreffende maatregelen overeenkomstig artikel 6 toepast; of
  • b) 
    het vereiste van het derde land beperkt blijft tot een bepaalde vlucht op een specifieke datum.

Artikel 8

Samenwerking met de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie

Onverminderd artikel 300 van het Verdrag kan de Commissie een memorandum van overeen-

stemming inzake audits sluiten met de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) ten einde

te voorkomen dat dubbel wordt gecontroleerd of de lidstaten voldoen aan bijlage 17 bij het Verdrag

van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart.

Artikel 9

Bevoegde autoriteit

Als in een en dezelfde lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de

burgerluchtvaart, wijst die lidstaat één autoriteit aan (hierna "de bevoegde autoriteit" genoemd) die

verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de in artikel 4

bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.

Artikel 10

Nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart

  • 1. 
    Elke lidstaat moet een nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart opstellen, toepassen en instandhouden.

In dat programma worden de verantwoordelijkheden voor de toepassing van de in artikel 4

bedoelde gemeenschappelijke basisnormen vastgesteld en worden de daartoe door de

exploitanten en entiteiten te nemen maatregelen beschreven.

  • 2. 
    De bevoegde autoriteit stelt de exploitanten en entiteiten die er naar haar mening een legitiem belang bij hebben, op een "need-to-know"-basis schriftelijk in kennis van de

relevante delen van het nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.

Artikel 11

Nationaal kwaliteitscontroleprogramma

  • 1. 
    Elke lidstaat moet een nationaal kwaliteitscontroleprogramma opstellen, toepassen en instandhouden.

Dat programma stelt de lidstaten in staat de kwaliteit van de beveiliging van de burger-

luchtvaart te controleren en na te gaan of aan deze verordening en aan het nationaal

programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart is voldaan.

  • 2. 
    De specificaties van het nationaal kwaliteitscontroleprogramma worden vastgesteld door wijziging van deze verordening middels toevoeging van een bijlage volgens de regel-

gevingsprocedure met toetsing van artikel 19, lid 3.

Om dwingende urgente redenen kan de Commissie de urgentieprocedure van artikel 19,

lid 4, toepassen.

Het programma maakt het mogelijk tekortkomingen snel op te sporen en te corrigeren.

Het programma bepaalt ook dat alle luchthavens, exploitanten en entiteiten die verant-

woordelijk zijn voor de toepassing van normen voor de beveiliging van de luchtvaart en

die op het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gevestigd, geregeld rechtstreeks door

of onder toezicht van de bevoegde autoriteit worden gecontroleerd.

Artikel 12

Beveiligingsprogramma van de luchthaven

  • 1. 
    Elke luchthavenexploitant moet een beveiligingsprogramma van de luchthaven opstellen, toepassen en instandhouden.

In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de luchthaven-

exploitant dient te volgen om te voldoen aan deze verordening en aan het nationaal

programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart dat is opgesteld door de lidstaat

waarin de luchthaven is gevestigd.

Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt

beschreven hoe de luchthavenexploitant toezicht dient te houden op de naleving van deze

methodes en procedures.

  • 2. 
    Het beveiligingsprogramma van de luchthaven wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit, die indien nodig verdere maatregelen kan nemen.

Artikel 13

Beveiligingsprogramma van de luchtvaartmaatschappij

  • 1. 
    Elke luchtvaartmaatschappij moet een beveiligingsprogramma van de luchtvaart maatschappij opstellen, toepassen en instandhouden.

In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de luchtvaartmaat-

schappij dient te volgen om te voldoen aan deze verordening en aan het nationaal

programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart dat is opgesteld door de lidstaat

van waaruit hij diensten verleent.

Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt

beschreven hoe de luchtvaartmaatschappij toezicht dient te houden op de naleving van

deze methodes en procedures.

  • 2. 
    Op verzoek wordt het beveiligingsprogramma van de luchtvaartmaatschappij voorgelegd aan de bevoegde autoriteit, die indien nodig verdere maatregelen kan nemen.
  • 3. 
    Wanneer een beveiligingsprogramma van een communautaire luchtvaartmaatschappij is gevalideerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de exploitatievergunning heeft

verleend, wordt de luchtvaartmaatschappij door alle andere lidstaten erkend als een

maatschappij die voldoet aan de eisen van lid 1. Dit doet geen afbreuk aan het recht van

een lidstaat om van een luchtvaartmaatschappij nadere bijzonderheden te verlangen inzake

de uitvoering door die maatschappij van:

  • a) 
    de beveiligingsmaatregelen die deze lidstaat uit hoofde van artikel 6 voorschrijft; en/of
  • b) 
    plaatselijke procedures die van toepassing zijn op de luchthavens waarop zij vliegt. Artikel 14

Beveiligingsprogramma van de entiteit

  • 1. 
    Alle entiteiten die volgens het nationaal programma voor de beveiliging van de burger luchtvaart, als bedoeld in artikel 10, normen voor de beveiliging van de luchtvaart moeten

toepassen, moeten een beveiligingsprogramma opstellen, toepassen en in stand houden.

In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de entiteit dient te

volgen om te voldoen aan het nationaal programma voor beveiliging van de burgerlucht-

vaart van de lidstaat wat betreft zijn activiteiten in die lidstaat.

Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt

beschreven hoe de entiteit zelf toezicht dient te houden op de naleving van deze methodes

en procedures.

  • 2. 
    Op verzoek wordt het programma voor beveiliging van de entiteit die normen inzake beveiliging van de luchtvaart toepast, ingediend bij de bevoegde autoriteit, die indien nodig

verdere maatregelen kan nemen.

Artikel 15

Inspecties door de Commissie

  • 1. 
    In samenwerking met de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat voert de Commissie inspecties uit, inclusief inspecties van luchthavens, exploitanten en entiteiten die normen

voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen, teneinde toezicht te houden op de toe-

passing van deze verordening door de lidstaten en indien nodig aanbevelingen te doen om

de beveiliging van de luchtvaart te verbeteren. Hiertoe stelt de bevoegde autoriteit de

Commissie schriftelijk in kennis van alle burgerluchthavens op haar grondgebied, behalve

van de luchthavens die onder artikel 4, lid 4, vallen.

De procedures voor de uitvoering van inspecties door de Commissie worden vastgesteld

volgens de regelgevingsprocedure van artikel 19, lid 2.

  • 2. 
    De inspecties door de Commissie van luchthavens, exploitanten en entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen, vinden onaangekondigd plaats. De

Commissie licht de bij een inspectie betrokken lidstaat daar tijdig over in.

  • 3. 
    Elk inspectieverslag van de Commissie wordt aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat meegedeeld; in haar antwoord moet deze autoriteit aangeven welke maatregelen

worden genomen om eventuele vastgestelde tekortkomingen te corrigeren.

Het verslag van de Commissie en het antwoord van de bevoegde autoriteit worden

vervolgens ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaten.

Artikel 16

Jaarlijks verslag

De Commissie doet het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten jaarlijks een verslag toekomen

over de toepassing van deze verordening en de impact ervan op de verbetering van de beveiliging

van de luchtvaart.

Artikel 17

Adviesgroep van belanghebbenden

Onverminderd de rol van het in artikel 19 bedoelde comité richt de Commissie een "adviesgroep

van belanghebbenden inzake luchtvaartbeveiliging" op, samengesteld uit Europese representatieve

organisaties die betrokken zijn bij of rechtstreeks worden beïnvloed door de beveiliging van de

luchtvaart. De rol van deze groep is uitsluitend beperkt tot het adviseren van de Commissie. Het in

artikel 19 bedoelde comité houdt de adviesgroep van belanghebbenden inzake luchtvaartbeveiliging

tijdens het gehele regelgevingsproces op de hoogte.

Artikel 18

Verspreiding van informatie

In het algemeen dienen maatregelen die rechtstreekse gevolgen hebben voor passagiers door de

Commissie bekend gemaakt te worden. De hiernavolgende documenten worden evenwel

beschouwd als "gerubriceerde EU-gegevens" in de zin van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom:

  • a) 
    de in artikel 4, lid 3 en lid 4, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, vermelde maatregelen en procedures, als deze gevoelige beveiligingsinformatie bevatten;
  • b) 
    inspectieverslagen van de Commissie en de antwoorden van de bevoegde autoriteiten, als bedoeld in artikel 15, lid 3.

Artikel 19

Comitéprocedure

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op

een maand.

  • 3. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
  • 4. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 20

Overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen

In voorkomend geval en in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht kunnen bepalingen

waarin erkend wordt dat de in het derde land toegepaste beveiligingsnormen gelijkwaardig zijn aan

de communautaire normen worden overwogen in overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag

tussen de Gemeenschap en een derde land gesloten luchtvaartovereenkomsten, teneinde aldus de

verwezenlijking van de doelstelling van "one-stop security" voor alle vluchten tussen de Europese

Unie en derde landen dichterbij te brengen.

Artikel 21

Sancties

De lidstaten stellen regels vast betreffende de sancties die gelden voor overtredingen van deze

verordening en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ze worden toegepast. De

sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 22

Verslag van de Commissie over de financiering

De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2008 een verslag uit over de beginselen voor de

financiering van de kosten van beveiligingsmaatregelen in de burgerluchtvaart. In dit verslag wordt

aangegeven welke stappen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat beveiligingsheffingen

uitsluitend worden gebruikt voor de financiering van beveiligingskosten, en dat de transparantie van

deze heffingen wordt verbeterd. In het verslag wordt ook aandacht besteed aan de beginselen die

nodig zijn om concurrentievervalsing tussen luchthavens en tussen luchtvaartmaatschappijen te

voorkomen, en aan de verschillende methoden voor de bescherming van de consument wat betreft

de verdeling van de kosten van beveiligingsmaatregelen tussen belastingbetalers en gebruikers. Dit

Commissieverslag zal, zo nodig, vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 23

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2320/2002 wordt ingetrokken.

Artikel 24

Inwerkingtreding

  • 1. 
    Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekend making in het Publicatieblad van de Europese Unie.
  • 2. 
    Zij is van toepassing vanaf de datum die is vermeld in de uitvoeringsbepalingen welke volgens de in artikel 4, lid 2 en lid 3, bedoelde procedures worden aangenomen, maar

uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

  • 3. 
    In afwijking van lid 2, zijn artikel 4, leden 2, 3 en 4, artikel 8, artikel 11, lid 2, artikel 15, lid 1, alinea 2 en de artikelen 17, 19 en 22 van toepassing vanaf de datum van inwerking-

treding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

GEMEENSCHAPPELIJKE BASISNORMEN VOOR DE BEVEILIGING

VAN DE BURGERLUCHTVAART TEGEN WEDERRECHTELIJKE DADEN

(ARTIKEL 4)

  • 1. 
    BEVEILIGING VAN LUCHTHAVENS

1.1. Eisen in verband met het ontwerp van de luchthaven

  • 1. 
    Bij het ontwerp en de bouw van nieuwe luchthaveninstallaties of de verbouwing van bestaande luchthaveninstallaties moet ten volle rekening worden gehouden met de

eisen voor de toepassing van de in deze bijlage en in de uitvoeringsbesluiten daarvan

vermelde gemeenschappelijke basisnormen.

  • 2. 
    Luchthavens worden ingedeeld in de volgende zones: a) landzijde;
  • b) 
    luchtzijde;
  • c) 
    om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones; en
  • d) 
    kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones.

1.2. Toegangscontrole

  • 1. 
    De toegang tot de luchtzijde wordt beperkt om onbevoegde personen en voertuigen te beletten deze zones binnen te komen.
  • 2. 
    De toegang tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones wordt gecon troleerd om te waarborgen dat geen onbevoegde personen en voertuigen deze zones

binnenkomen.

  • 3. 
    Personen en voertuigen krijgen alleen toegang tot de luchtzijde en tot om beveili gingsredenen beperkt toegankelijke zones als ze aan de vereiste veiligheids-

voorwaarden voldoen.

  • 4. 
    Personen, met inbegrip van bemanningsleden, moeten met succes een achtergrond controle hebben doorlopen alvorens ze een bemanningsidentiteitskaart of een

luchthavenidentiteitskaart krijgen uitgereikt die onbegeleide toegang verleent tot om

beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones.

1.3. Beveiligingsonderzoeken van personen die geen passagier zijn en van de voorwerpen die zij bij zich dragen

  • 1. 
    Personen die geen passagier zijn en de voorwerpen die zij bij zich dragen, worden door middel van voortdurende steekproeven onderworpen aan een beveiligings-

onderzoek bij het binnenkomen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke

zones teneinde te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze zones worden

binnengebracht.

  • 2. 
    Alle personen die geen passagier zijn en de voorwerpen die zij bij zich dragen, worden onderworpen aan een beveiligingsonderzoek bij het binnenkomen van

kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones teneinde te

voorkomen dat verboden voorwerpen in deze kritieke delen worden binnengebracht.

1.4. Onderzoek van voertuigen

Voertuigen die een om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone binnenkomen,

worden onderzocht teneinde te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze zones worden

binnengebracht.

1.5. Bewaking, patrouilles en andere fysieke controles Op luchthavens en, indien nodig, in aangrenzende gebieden die openbaar toegankelijk zijn,

vinden bewaking, patrouilles en andere fysieke controles plaats om verdachte gedragingen

van personen en zwakke punten die kunnen worden benut om wederrechtelijke daden te

plegen, op te sporen, en om personen te beletten dergelijke daden te plegen.

  • 2. 
    AFGEBAKENDE ZONES VAN LUCHTHAVENS

Luchtvaartuigen die geparkeerd zijn in afgebakende zones van luchthavens waarop de in

artikel 4, lid 4, bedoelde alternatieve maatregelen van toepassing zijn, worden gescheiden

van luchtvaartuigen waarop de gemeenschappelijke basisnormen volledig van toepassing

zijn om ervoor te zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de naleving van de veilig-

heidsnormen die worden toegepast op de laatstgenoemde luchtvaartuigen en op hun

passagiers, bagage, vracht en post.

  • 3. 
    BEVEILIGING VAN LUCHTVAARTUIGEN
  • 1. 
    Voor het vertrek wordt een luchtvaartuig onderworpen aan een beveiligingscontrole of een beveiligingsdoorzoeking van vliegtuigen om te garanderen dat zich geen

verboden voorwerpen aan boord bevinden. Een luchtvaartuig in transit mag aan

andere passende maatregelen worden onderworpen.

  • 2. 
    Elk luchtvaartuig wordt beschermd tegen manipulatie door onbevoegden.
  • 4. 
    PASSAGIERS EN HANDBAGAGE

4.1. Beveiligingsonderzoek van passagiers en handbagage

  • 1. 
    Alle passagiers die voor een eerste vlucht vertrekken, alsmede de transfer- en transit passagiers en hun handbagage worden aan een beveiligingsonderzoek onderworpen

om te voorkomen dat verboden voorwerpen in om beveiligingsredenen beperkt

toegankelijke zones en aan boord van luchtvaartuigen worden gebracht.

  • 2. 
    Transferpassagiers en hun handbagage kunnen worden vrijgesteld van deze beveiligingsonderzoeken als:
  • a) 
    ze uit een lidstaat aankomen, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun handbagage niet zijn

onderworpen aan een beveiligingsonderzoek volgens de gemeenschappelijke

basisnormen; of

  • b) 
    ze uit een derde land aankomen waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de regelgevingsprocedure van artikel 19, lid 2, zijn erkend als gelijk-

waardig aan de gemeenschappelijke basisnormen.

  • 3. 
    Transitpassagiers en hun handbagage kunnen worden vrijgesteld van deze beveili gingsonderzoeken als:
  • a) 
    ze aan boord van het luchtvaartuig blijven; of
  • b) 
    ze zich niet mengen met andere vertrekkende passagiers die aan een beveili gingsonderzoek zijn onderworpen anders dan die welke aan boord van

hetzelfde luchtvaartuig gaan; of

  • c) 
    ze uit een lidstaat aankomen, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun handbagage niet zijn

onderworpen aan een beveiligingsonderzoek volgens de gemeenschappelijke

basisnormen; of

  • d) 
    ze uit een derde land aankomen waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de regelgevingsprocedure van artikel 19, lid 2, zijn erkend als gelijk-

waardig aan de gemeenschappelijke basisnormen.

4.2. Bescherming van passagiers en handbagage

  • 1. 
    Passagiers en hun handbagage worden beschermd tegen manipulatie door onbe voegden vanaf het ogenblik waarop ze zijn onderworpen aan een beveiligings-

onderzoek tot het vertrek van het luchtvaartuig waarmee ze worden vervoerd.

  • 2. 
    Vertrekkende passagiers die aan een beveiligingsonderzoek zijn onderworpen mogen zich niet met aankomende passagiers mengen, behalve wanneer:
  • a) 
    de passagiers uit een lidstaat aankomen, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun handbagage

niet zijn onderworpen aan een beveiligingsonderzoek volgens de gemeen-

schappelijke basisnormen; of

  • b) 
    de passagiers uit een derde land aankomen waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de regelgevingsprocedure van artikel 19, lid 2, zijn

erkend als gelijkwaardig aan de gemeenschappelijke basisnormen.

4.3. Passagiers die de orde kunnen verstoren

Passagiers die de orde kunnen verstoren worden vóór vertrek aan passende beveiligings-

maatregelen onderworpen.

  • 5. 
    RUIMBAGAGE

5.1. Beveiligingsonderzoek van ruimbagage

  • 1. 
    Alle ruimbagage wordt onderworpen aan een beveiligingsonderzoek voordat ze in het luchtvaartuig wordt geladen, om te voorkomen dat verboden voorwerpen in om

beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones en aan boord van het luchtvaartuig

worden gebracht.

  • 2. 
    Transfererende ruimbagage kan worden vrijgesteld van deze beveiligingsonder zoeken als:
  • a) 
    ze uit een lidstaat aankomt, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die ruimbagage niet is onderworpen aan een

beveiligingsonderzoek volgens de gemeenschappelijke basisnormen; of

  • b) 
    ze uit een derde land aankomt waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de regelgevingsprocedure van artikel 19, lid 2, zijn erkend als gelijk-

waardig aan de gemeenschappelijke basisnormen.

  • 3. 
    Transfererende ruimbagage kan worden vrijgesteld van deze beveiligingsonder zoeken als ze aan boord van het luchtvaartuig blijft.

5.2. Bescherming van ruimbagage

Ruimbagage die bestemd is om in een luchtvaartuig te worden vervoerd, wordt beschermd

tegen manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop ze aan een beveiligings-

onderzoek is onderworpen of, indien dit eerder is, vanaf het ogenblik waarop de luchtvaart-

maatschappij de ruimbagage onder zich neemt tot het vertrek van het luchtvaartuig waarin

de ruimbagage zal worden vervoerd.

5.3. Controle op ruimbagage in relatie tot de passagiers

  • 1. 
    Elk stuk ruimbagage wordt geïdentificeerd als begeleid of onbegeleid.
  • 2. 
    Onbegeleide ruimbagage wordt niet vervoerd, tenzij die bagage van de passagier gescheiden is door factoren waarover de passagier geen controle heeft of de bagage

aan passende beveiligingscontroles onderworpen is.

  • 6. 
    VRACHT EN POST

6.1. Beveiligingscontroles voor vracht en post

  • 1. 
    Alle vracht en post wordt aan beveiligingscontroles onderworpen alvorens in het luchtvaartuig te worden geladen. Een luchtvaartmaatschappij aanvaardt geen vracht

of post voor vervoer in een luchtvaartuig tenzij zij zelf beveiligingscontroles heeft

uitgevoerd of de uitvoering ervan bevestigd en verantwoord is door een erkend agent,

een bekende afzender of een vaste afzender.

  • 2. 
    Transfervracht en transferpost mogen worden onderworpen aan in een uitvoerings besluit gespecificeerde alternatieve beveiligingscontroles.
  • 3. 
    Transitvracht en transitpost kunnen worden vrijgesteld van beveiligingscontroles als ze aan boord van het luchtvaartuig blijven.

6.2. Bescherming van vracht en post

  • 1. 
    Vracht en post die bestemd zijn om in een luchtvaartuig te worden vervoerd, worden beschermd tegen manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop de

beveiligingscontroles zijn uitgevoerd tot het vertrek van het luchtvaartuig waarmee

de vracht of de post zal worden vervoerd.

  • 2. 
    Vracht en post die, nadat de beveiligingscontroles zijn uitgevoerd, niet afdoende beschermd zijn tegen manipulatie door onbevoegden, worden onderzocht.
  • 7. 
    BEDRIJFSPOST VAN EEN LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ EN BEDRIJFS MATERIEEL VAN EEN LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ

Om te voorkomen dat verboden voorwerpen aan boord van een luchtvaartuig worden

gebracht, worden bedrijfspost en bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij aan

beveiligingscontroles onderworpen en vervolgens beschermd tot ze in het luchtvaartuig is

geladen.

  • 8. 
    VLUCHTBENODIGDHEDEN

Om te voorkomen dat verboden voorwerpen aan boord van een luchtvaartuig worden

gebracht, worden vluchtbenodigdheden, inclusief cateringmateriaal, die bestemd zijn voor

vervoer of gebruik in een luchtvaartuig, aan beveiligingscontroles onderworpen en

vervolgens beschermd tot ze in het luchtvaartuig is geladen.

  • 9. 
    LUCHTHAVENBENODIGDHEDEN

Benodigdheden die in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van lucht-

havens worden verkocht of gebruikt, inclusief leveringen voor belastingvrije winkels en

restaurants, worden aan beveiligingscontroles onderworpen om te voorkomen dat verboden

voorwerpen in deze zones worden binnengebracht.

  • 10. 
    BEVEILIGINGSMAATREGELEN TIJDENS DE VLUCHT
  • 1. 
    Onverminderd de toepasselijke regelgeving met betrekking tot de luchtvaart veiligheid:
  • a) 
    krijgen onbevoegde personen tijdens een vlucht geen toegang tot de cockpit; b) worden passagiers die de orde kunnen verstoren tijdens een vlucht aan passende beveiligingsmaatregelen onderworpen.
  • 2. 
    Er worden passende beveiligingsmaatregelen genomen, zoals het opleiden van het cockpitpersoneel en het cabinepersoneel, om wederrechtelijke daden gedurende een

vlucht te voorkomen.

  • 3. 
    Aan boord van een luchtvaartuig mogen geen wapens worden meegenomen (met uitzondering van wapens die in het vrachtruim worden vervoerd), tenzij aan de

vereiste veiligheidsvoorwaarden overeenkomstig nationaal recht is voldaan en de

betrokken lidstaten hiervoor hun toestemming hebben verleend.

  • 4. 
    Punt 3 is ook van toepassing op meereizende beveiligingsagenten indien zij wapens dragen.
  • 11. 
    WERVING EN OPLEIDING VAN PERSONEEL
  • 1. 
    Personen die beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles of andere beveiligings controles uitvoeren of verantwoordelijk zijn voor de uitvoering ervan, worden

geworven, opgeleid en, in voorkomend geval, gecertificeerd teneinde te garanderen

dat ze geschikt zijn voor deze werkzaamheden en bevoegd zijn om de hen

toegewezen taken uit te voeren.

  • 2. 
    Andere personen dan passagiers die toegang moeten hebben tot om beveiligings redenen beperkt toegankelijke zones, moeten een beveiligingsopleiding volgen

voordat ze een luchthavenidentiteitskaart of een bemanningsidentiteitskaart krijgen.

  • 3. 
    De in de punten 1 en 2 vermelde opleiding moet een basisopleiding en geregelde herhalingsopleidingen omvatten.
  • 4. 
    De instructeurs die de in de punten 1 en 2 vermelde opleiding verzorgen, moeten over de nodige kwalificaties beschikken.
  • 12. 
    BEVEILIGINGSUITRUSTING

De uitrusting die gebruikt wordt voor beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles en

andere beveiligingscontroles moet voldoen aan de vastgelegde specificaties en geschikt

zijn om de beveiligingscontroles uit te voeren.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie