Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

Brussel, 3 december 2007 (05.12) l. en)

1610

Interinstitutioneel dossier: 2007/0022 (COD)

LIMITE

DROIPEN 118

ENV 686 CODEC 1405

NOTA

van: aan:

het voorzitterschap het Coreper

nr. vorig doc.: 15897/07 DROIPEN 116 ENV 670 CODEC 1374; 15339/07 DROIPEN 109 ENV

633 CODEC 1286 nr. Comv.:          6297/07 DROIPEN 10 ENV 95 SAN 20 CONSOM 7 CODEC 113

+ ADD 1 + ADD 2 - COM(2007) 51 def.

Betreft:

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

I.

Inleiding

  • 1. 
    De Commissie heeft op 9 februari 2007 een voorstel voor een richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht ingediend, dat voor de lidstaten van de Europese Unie van bijzonder belang is.
  • 2. 
    Een in geheel Europa geldend uniform beschermingsniveau op het gebied van het milieustrafrecht is noodzakelijk en wenselijk. Dat de lidstaten die opvatting huldigen is reeds gebleken toen zij instemden met het kaderbesluit inzake milieubescherming door het strafrecht, dat op onbevoegdheidsgronden door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen nietig is verklaard in zijn arrest van 13 september 2005. Het richtlijnvoorstel strekt tot vervanging van het nietig verklaarde kaderbesluit en vult aldus een leemte in de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.

16105/07

DG H 2B

lep/JEL/mv                        1

LIMITE NL

  • 3. 
    Het voorzitterschap heeft de onder het Duitse voorzitterschap aangevangen werkzaamheden voortgezet, daar het dit voorstel beschouwt als de grondslag voor de ontwikkeling van de milieubescherming. Tot dusverre heeft de groep zes vergaderingen aan het onderwerp gewijd, die telkens gekenmerkt werden door constructieve samenwerking van de lidstaten en de Commissie.
  • 4. 
    Onder de lidstaten bestaat inmiddels een algemene consensus over de opneming van een bijlage met een opsomming van de communautaire wetgeving ten aanzien waarvan inbreuken gelden als wederrechtelijke handelingen overeenkomstig artikel 2, onder a), van de voorgestelde richtlijn.
  • 5. 
    Na de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-445/05 van 23 oktober, betreffende het wettelijk kader voor de bestrijding van verontreiniging vanaf schepen, en nadat de ministers van Justitie tijdens hun lunch van 9 november een politiek kader hadden vastgesteld, heeft de groep een ruime mate van overeenstemming bereikt over het merendeel van de artikelen van de richtlijn. De bespreking over artikel 1, artikel 2, onder a), b) en d), alsmede de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 van het voorstel leidde tot een grote mate van consensus, met slechts een zeer gering aantal studievoorbehouden van de zijde van enkele lidstaten en de Commissie.
  • 6. 
    Niettemin is er voor een aantal punten nog geen oplossing gevonden; het betreft met name artikel 2, onder c), en artikel 3, de punten a), b), f), e) en h), die fundamenteel verband houden met beslissingen ten aanzien van het strafrechtelijk beleid.
  • 7. 
    Er zijn contacten geweest met het Europees Parlement met het oog op een akkoord in eerste lezing in de eerste helft van 2008. Het voorzitterschap had een ontmoeting met de rapporteurs van de twee commissies van het Europees Parlement die bij de medebeslissingsprocedure betrokken zijn, en heeft nota genomen van de grote ambities van het Europees Parlement.
  • 8. 
    Gezien de grote vorderingen die met betrekking tot deze richtlijn zijn geboekt en de algemene welwillende opstelling ten aanzien van de doelstellingen van dit instrument alsmede de bijdragen van de lidstaten, meent het voorzitterschap dat nieuwe stappen mogelijk zijn om het bereikte akkoord verder te consolideren.

16105/07                                                                                        lep/JEL/mv                        2

DG H 2B                      LIMITE NL

II. Politieke aansturing met betrekking tot belangrijke punten

  • a) 
    Rechtsgrondslag voor artikel 3, onder a), b) en e)

De resterende problemen met betrekking tot deze tekstgedeelten houden verband met de mening van een aantal lidstaten dat het EG-Verdrag niet de juiste rechtsgrondslag is voor het aannemen van maatregelen die moeten waarborgen dat het milieu wordt beschermd tegen risico's die voortvloeien uit activiteiten waarbij nucleaire stoffen en ioniserende straling betrokken zijn.

Tijdens de laatste vergadering van de Groep is echter een voorstel ingediend dat hiervoor een oplossing kan bieden. Dit voorstel, dat in de bijlage gaat, biedt een oplossing voor zowel de bezwaren met betrekking tot de rechtsgrondslag waarop de bovenbedoelde maatregelen kunnen of moeten worden gebaseerd als voor de noodzaak een en ander in een richtlijn op te nemen die de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht ten doel heeft.

Gezien de positieve reacties op dit voorstel, meent het voorzitterschap dat op deze basis een compromis mogelijk is.

  • b) 
    Niveau en ambitie met betrekking tot de strafbaarstelling ter bescherming van habitats en soorten, artikel 2, onder c) en artikel 3, onder h)

De vraag die aan de besprekingen over artikel 2, onder c), en artikel 3, onder h), ten grondslag ligt, betreft met name de interpretatie van de verplichtingen waarin is voorzien bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna 1.

1

PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

16105/07                                                                                        lep/JEL/mv                        3

DG H 2B                      LIMITE NL

Tijdens de vergaderingen van de groep verklaarde de meerderheid van de delegaties dat zij artikel 3, onder h), als noodzakelijk beschouwden. Enkele lidstaten plaatsten echter vraagtekens bij de opneming van deze bepaling in de richtlijn, waarin aanzienlijke schade aan een beschermde habitat als delict wordt aangemerkt, onder verwijzing naar een beperkte definitie van "beschermde habitat" op basis van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand 1 en van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.

Richtlijn 92/43/EEG voorziet namelijk niet in een expliciete verplichting om de achteruitgang van habitats te verbieden en het gebruik van strafrechtelijke instrumenten zou de positieve effecten van andere maatregelen die in het kader van de tenuitvoerlegging ervan zouden kunnen worden aangenomen, teniet kunnen doen.

Niettemin kwamen deze delegaties met compromis- en constructieve voorstellen ter zake,

waaraan door het voorzitterschap is verder gewerkt.

Aan de lidstaten wordt nu het volgende voorstel voorgelegd:

Artikel 2, onder c): "beschermde habitat": een habitat of soort waarvoor een gebied is ingedeeld als speciale beschermingszone overeenkomstig artikel 4, lid 1 of lid 2, van Richtlijn 79/409 van 2 april 1979 alsmede een habitat of soort waarvoor een gebied wordt aangemerkt als speciale beschermingszone overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna."

Artikel 3, onder h): "elke handeling die aanzienlijke schade toebrengt aan een beschermde habitat"

In Richtlijn 92/43/EEG is het volgende bepaald: "De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten (..) niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen (…)" (artikel 6, lid 2). De aanneming van strafrechtelijke maatregelen om deze verslechtering en verstoring te voorkomen is in dit kader een van de mogelijkheden.

PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.

16105/07                                                                                        lep/JEL/mv                        4

DG H 2B                      LIMITE NL

1

Tot op heden werd, zoals bekend, de keuze tussen de vele mogelijkheden geheel overgelaten aan de lidstaten. Een verdere stap is evenwel gezet toen beslist werd om op Europees niveau een instrument aan te nemen met als doel het milieu te beschermen door middel van het strafrecht. Dat betekent uiteraard dat er nieuwe verplichtingen worden gecreëerd voor de lidstaten, die maatregelen van strafrechtelijke aard zullen moeten instellen.

Dit was en is een beleidsbeslissing, gezien de preventieve en repressieve functies van het strafrecht, die tijdens de informele lunch van de ministers van Justitie over dit onderwerp van 9 november verdedigd is.

Gezien de gevoeligheid van deze zaak en het kader van Richtlijn 92/34/EEG, werd bijzondere aandacht besteed aan beperking van de draagwijdte van artikel 3, onder h), conform het standpunt van de meeste delegaties.

Het voorzitterschap is van mening dat het huidige voorstel de meeste bezwaren die de lidstaten hebben geuit tijdens de vergaderingen van de groep, kan ondervangen.

Bovendien worden enkel de handelingen die aanzienlijke schade toebrengen, strafbaar gesteld zodat alleen de ernstigste gevallen onder deze bepaling vallen.

Verder is het begrip "beschermde habitat" zoals omschreven in artikel 2, onder c), beperkt tot zeer specifieke gevallen. Voor wat betreft Richtlijn 79/409/EEG van de Raad wordt geen verwijzing gemaakt naar "alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten (....)" (artikel 1), maar naar de in Bijlage I bij die richtlijn vermelde soorten en naar de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels (artikel 4, leden 1 en 2). Voor wat betreft Richtlijn 92/43/EEG en dus binnen de context van het Natura 2000-netwerk wordt verwezen naar de specifieke natuurlijke habitats en de habitats van soorten die de aanleiding waren tot de instelling van de speciale beschermingszones, en niet naar die zones in hun geheel.

16105/07                                                                                        lep/JEL/mv                        5

DG H 2B                      LIMITE NL

III.Voorstel aan de Raad

In het licht van het bovenstaande en gezien het belang van het onderwerp van deze richtlijn voor de milieubescherming, als fundamentele waarde op Europees niveau die van cruciaal belang is voor de lidstaten, geeft het voorzitterschap de Raad in overweging:

*nota te nemen van de vorderingen met de artikelen 1; 2, onder a), b) en d); 4; 5; 6; 7; 8; 9; 10 en 11,

*de rechtsgrondslag voor artikel 3 te verfijnen volgens het voorstel in de bijlage bij deze nota,

*nota te nemen van de meningen van de delegaties over het opnemen van artikel 3, onder h), in de richtlijn en over de definitie van de term "beschermde habitat" (artikel 2, onder c)), zoals voorgesteld door het voorzitterschap in de laatste vergadering van de groep, weergegeven.

Het voorzitterschap staat open voor de meningen van de lidstaten over elk ander punt dat in hun ogen ook zou moeten worden meegenomen bij de herformulering van het voorstel.

De Raad wordt verzocht zijn organen opdracht te geven te werken aan de aanpassing van het voorstel in de hierboven uiteengezette zin, op basis van een nieuwe tekst (incl. de bijlage) die het voorzitterschap in overleg met de Commissie zal voorleggen met het oog op een nadere bespreking.

16105/07                                                                                        lep/JEL/mv                        6

DG H 2B                      LIMITE NL

BIJLAGE

Compromisvoorstel met betrekking tot artikel 3, onder a), b) en c)

Overweging:

"Het Euratom-Verdrag en de daarvan afgeleide wetgeving regelen de milieubescherming met betrekking tot nucleaire activiteiten. Derhalve dienen milieudelicten die verband houden met nucleaire activiteiten uitsluitend te worden omschreven onder verwijzing naar het Euratom-Verdrag en de daarvan afgeleide wetgeving".

Bijkomend punt voor artikel 2:

"a) bis - Met betrekking tot activiteiten die onder het Euratom-Verdrag vallen worden onder handelingen die "wederrechtelijk" zijn verstaan inbreuken op de communautaire wetgeving van Euratom als genoemd in Bijlage B, of op hetzij een wet hetzij een administratieve regeling of besluit genomen door een bevoegde autoriteit in een lidstaat ter uitvoering van deze communautaire wetgeving van Euratom;"

Bijlage B:

-Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad van 20 november 2006 betreffende toezicht en controle

op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof.

-Richtlijn 2003/122/Euratom van de Raad van 22 december 2003 inzake de controle op hoogactieve

ingekapselde radioactieve bronnen en weesbronnen.

-Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de

bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling

verbonden gevaren.

87/600/Euratom: Beschikking van de Raad van 14 december 1987 inzake communautaire

regelingen voor snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar.

16105/07                                                                                        lep/JEL/mv                        7

BIJLAGE                                  DG H 2B                      LIMITE NL

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie