VERORDENING (EG) Nr. .../2006
VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van
inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en
tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80,
lid 2,
Gezien het voorstel van de Commissie,
1
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité , Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
2
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ,
1
PB C 185 van 8.8.2006, blz. 17. 2
Advies van het Europees Parlement van 15 juni 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van het Europees Parlement van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Met het oog op de bescherming van personen en goederen in de Europese Unie moeten gemeenschappelijke regels voor de beveiliging van de burgerluchtvaart worden opgesteld
om wederrechtelijke daden tegen burgerluchtvaartuigen te voorkomen. Daartoe moeten
gemeenschappelijke regels en gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de
luchtvaart worden vastgesteld en mechanismen voor het toezicht op de naleving van deze
regels en normen worden opgezet.
(2) Met het oog op de beveiliging van de burgerluchtvaart in het algemeen is het wenselijk de basis te leggen voor een gemeenschappelijke interpretatie van bijlage 17 van het Verdrag
van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 is gesloten.
(3) Naar aanleiding van de gebeurtenissen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten is Verordening (EG) nr. 2320/2002 van het Europees Parlement en de Raad van
16 december 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de
1
beveiliging van de burgerluchtvaart goedgekeurd.
(4) De inhoud van Verordening (EG) nr. 2320/2002 dient te worden herzien in het licht van de opgedane ervaring en de verordening moet worden ingetrokken en vervangen door een
verordening waarin gestreefd wordt naar vereenvoudiging, harmonisering en
verduidelijking van de bestaande regels en naar verbetering van het beveiligingsniveau.
1
PB L 355 van 30.12.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 849/2004 (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 1).
(5) Om tegemoet te komen aan de evoluerende risicobeoordelingen en om de introductie van nieuwe technologieën mogelijk te maken, is er behoefte aan meer flexibiliteit bij het vast-
stellen van beveiligingsmaatregelen en -procedures; in de verordening dienen daarom de
basisbeginselen te worden vastgelegd voor de maatregelen die genomen moeten worden
om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden, zonder dat evenwel
technische en procedurele bijzonderheden worden vastgesteld ten aanzien van de wijze
waarop deze beginselen moeten worden toegepast.
(6) Deze verordening dient van toepassing te zijn op burgerluchthavens op het grondgebied van een lidstaat, op exploitanten die diensten aanbieden op deze luchthavens en op
entiteiten die goederen en/of diensten aan of via deze luchthavens leveren.
(7) Onverminderd het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Tokio, 1963), het Verdrag tot bestrijding van het weder-
rechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen (Den Haag, 1970) en het Verdrag ter
bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burger-
luchtvaart (Montreal, 1971), moet deze verordening ook betrekking hebben op beveili-
gingsmaatregelen aan boord van luchtvaartuigen van communautaire luchtvaart-
maatschappijen of tijdens vluchten van communautaire luchtvaartmaatschappijen.
(8) Iedere lidstaat mag zelf beslissen of er meereizende beveiligingsagenten worden ingezet op luchtvaartuigen die in die lidstaat geregistreerd zijn of op luchtvaartuigen van luchtvaart-
maatschappijen die een vergunning van die lidstaat hebben gekregen.
(9) De bedreiging is niet even groot voor de verschillende types burgerluchtvaart. Bij het vast stellen van gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de luchtvaart moet
rekening worden gehouden met de grootte van het luchtvaartuig, de aard van de exploitatie
en/of de frequentie van de activiteiten op luchthavens, zodat eventueel afwijkingen kunnen
worden toegestaan.
(10) De lidstaten moeten ook toestemming krijgen om, op basis van een risicobeoordeling, striktere normen toe te passen dan de bij deze verordening vastgestelde gemeenschappe-
lijke normen.
(11) Het is mogelijk dat derde landen vragen dat andere dan de in deze verordening vastgestelde maatregelen worden toegepast voor vluchten vanuit een luchthaven van een lidstaat naar of
over dat derde land. Onverminderd de bilaterale overeenkomsten die de Gemeenschap
heeft gesloten, moet de Commissie de door het derde land vereiste maatregelen kunnen
bestuderen.
(12) Hoewel het mogelijk is dat in een en dezelfde lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de luchtvaart, dient elke lidstaat één autoriteit aan te wijzen die de
toepassing van de beveiligingsnormen moet coördineren en toezicht moet houden op de
naleving van de gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de
burgerluchtvaart.
(13) Teneinde vast te stellen wie verantwoordelijk is voor de uitvoering van de gemeen schappelijke normen en te beschrijven welke maatregelen de exploitanten en andere
entiteiten daartoe moeten nemen, moet elke lidstaat een nationaal programma voor de
beveiliging van de burgerluchtvaart opstellen. Voorts moeten alle luchthavenexploitanten,
luchtvaartmaatschappijen en entiteiten die de normen voor de beveiliging van de luchtvaart
toepassen een beveiligingsprogramma opstellen, toepassen en instandhouden om zowel aan
deze verordening als aan alle toepasselijke nationale programma's voor de beveiliging van
de burgerluchtvaart te voldoen.
(14) Om toezicht te kunnen houden op de naleving van deze verordening en het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart, moet elke lidstaat een nationaal
programma opstellen om de kwaliteit van de beveiliging van de burgerluchtvaart te
controleren en ervoor zorgen dat dit programma wordt toegepast.
(15) Om toezicht te kunnen houden op de toepassing van deze verordening door de lidstaten en om aanbevelingen ter verbetering van de beveiliging van de luchtvaart te kunnen doen,
moet de Commissie inspecties uitvoeren, waaronder onaangekondigde inspecties.
(16) Uitvoeringsbesluiten waarin de gemeenschappelijke maatregelen en procedures voor de uitvoering van de gemeenschappelijke normen voor de beveiliging van de luchtvaart
worden vastgesteld en gevoelige beveiligingsinformatie is opgenomen, de inspectie-
verslagen van de Commissie en de antwoorden van bevoegde autoriteiten moeten worden
beschouwd als "gerubriceerde EU-gegevens" in de zin van Besluit 2001/844/EG, EGKS,
Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van
1
orde . Deze gegevens mogen niet worden bekendgemaakt; ze mogen alleen ter beschikking worden gesteld van exploitanten en entiteiten die er een legitiem belang bij hebben.
(17) De maatregelen ter uitvoering van deze verordening moeten worden aangenomen overeen komstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voor-
waarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegd-
2
heden .
1
PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1. 2
PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).
(18) Met name dient de Commissie de bevoegdheid te worden verleend om de voorwaarden vast te stellen waaronder de in artikel 4, lid 3, bedoelde maatregelen dienen te worden
vastgesteld. Aangezien deze maatregelen een algemene strekking hebben en bedoeld zijn
om niet-essentiële elementen van deze verordening te wijzigen, of deze verordening aan te
vullen met niet-essentiële elementen, dienen zij te worden vastgesteld overeenkomstig de
regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.
(19) Er dient te worden gestreefd naar "one stop security" voor alle vluchten binnen de Europese Unie.
(20) Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van de regelgeving met betrekking tot de luchtvaartveiligheid, met inbegrip van de maatregelen betreffende het vervoer van
gevaarlijke goederen.
(21) De lidstaten dienen de sancties vast te stellen voor overtredingen van de bepalingen van deze verordening. Die sancties, die van civiel- of bestuursrechtelijke aard kunnen zijn,
moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
(22) De ministeriële verklaring over de luchthaven van Gibraltar waarover op 18 september 2006 te Cordoba een akkoord is bereikt tijdens de eerste ministeriële bijeen-
komst van het Forum voor dialoog over Gibraltar, zal de op 2 december 1987 te Londen
afgelegde gemeenschappelijke verklaring over de luchthaven van Gibraltar vervangen, en
de volledige naleving ervan zal als de naleving van de verklaring van 1987 worden
beschouwd.
(23) Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de beveiliging van de burgerlucht vaart tegen wederrechtelijke daden en het leggen van een basis voor de gemeenschappe-
lijke interpretatie van bijlage 17 van het Verdrag van Chicago inzake de internationale
burgerluchtvaart, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en
derhalve, wegens de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Gemeenschap kunnen
worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het
Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in
hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan
nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Doelstellingen
-
1.In deze verordening worden gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden.
In deze verordening wordt ook de basis gelegd voor een gemeenschappelijke interpretatie
van bijlage 17 van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart.
-
2.De doelstellingen van lid 1 worden bereikt door middel van:
-
a)het vaststellen van gemeenschappelijke regels en gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de luchtvaart;
-
b)mechanismen voor toezicht op de naleving van deze regels en basisnormen. Artikel 2
Toepassingsgebied
-
1.Deze verordening is van toepassing op:
-
a)alle luchthavens of delen van luchthavens op het grondgebied van een lidstaat die niet uitsluitend voor militaire doeleinden worden gebruikt;
-
b)alle exploitanten, inclusief luchtvaartmaatschappijen, die diensten verlenen op de onder a) bedoelde luchthavens;
-
c)alle entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen en die werkzaam zijn vanuit plaatsen die binnen of buiten luchthavens zijn gevestigd en
goederen en/of diensten leveren aan of via de onder a) bedoelde luchthavens.
-
2.De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar laat de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het
geschil inzake de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven gelegen is,
onverlet.
Artikel 3
Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
-
1)"burgerluchtvaart": alle luchtvaartactiviteiten van burgerluchtvaartuigen, behalve activiteiten die worden uitgevoerd door de in artikel 3 van het Verdrag van Chicago inzake
de internationale burgerluchtvaart vermelde staatsluchtvaartuigen;
-
2)beveiliging van de luchtvaart": de combinatie van maatregelen en menselijke en materiële hulpbronnen, bedoeld om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden;
-
3)"exploitant": een persoon, organisatie of onderneming die betrokken is of wil worden bij een luchtvervoersactiviteit;
-
4)"luchtvaartmaatschappij": een luchtvervoersonderneming met een geldige exploitatie vergunning of een equivalent ervan;
-
5)"communautaire luchtvaartmaatschappij": een luchtvaartmaatschappij met een door een lidstaat overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992,
1
betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen afgegeven geldige exploitatievergunning;
-
6)"entiteit": een andere persoon, organisatie of onderneming dan een exploitant;
1
PB L 240 van 24.8.1992, blz. 1.
-
7)"verboden voorwerpen": wapens, explosieven of andere gevaarlijke apparaten, voorwerpen of stoffen die kunnen worden gebruikt om een wederrechtelijke daad te begaan;
-
8)"beveiligingsonderzoek": de toepassing van technische en andere middelen die tot doel hebben verboden voorwerpen te identificeren en/of te detecteren;
-
9)"beveiligingscontrole ": de toepassing van middelen om het binnenbrengen van verboden voorwerpen te kunnen voorkomen;
-
10)"toegangscontrole": de toepassing van middelen om de toegang van onbevoegde personen of verboden voertuigen, of beide, te kunnen voorkomen;
-
11)"luchtzijde": de zone van een luchthaven waar de vliegtuigbewegingen plaatsvinden, de aangrenzende terreinen en gebouwen of delen daarvan; de toegang tot deze zone is
beperkt;
-
12)"landzijde": die zones van een luchthaven, de aangrenzende terreinen en de gebouwen of delen daarvan die niet tot de luchtzijde behoren;
-
13)"om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone": het gedeelte van de luchtzijde waartoe niet alleen de toegang beperkt is, maar waar ook andere normen voor de beveili-
ging van de luchtvaart van toepassing zijn;
-
14)"afgebakende zone": een zone die door middel van toegangscontroles afgescheiden is van ofwel om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones ofwel, als de afgebakende zone
zelf een om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone is, van andere om beveili-
gingsredenen beperkt toegankelijke zones van een luchthaven;
-
15)"achtergrondcontrole": een geregistreerde controle van de identiteit van een persoon, met inbegrip van een eventueel strafblad, als deel van de beoordeling of die persoon in aan-
merking komt voor niet-begeleide toegang tot om beveiligingsredenen beperkt
toegankelijke zones;
-
16)"transferpassagiers, -bagage, -vracht of -post": passagiers, bagage, vracht of post vertrekkende met een ander luchtvaartuig dan dat van aankomst;
-
17)"transitpassagiers, -bagage, -vracht of -post": passagiers, bagage, vracht of post vertrekkende met hetzelfde luchtvaartuig als dat van aankomst;
-
18)"passagier die de orde kan verstoren": een persoon die wordt uitgezet, een persoon aan wie de toegang tot het land is geweigerd of een persoon in wettelijke hechtenis;
-
19)"cabinebagage": bagage die bestemd is om in de cabine van een luchtvaartuig te worden vervoerd;
-
20)"ruimbagage": bagage die bestemd is om in het ruim van een luchtvaartuig te worden vervoerd;
-
21)"begeleide ruimbagage": bagage die wordt vervoerd in het ruim van een luchtvaartuig en die voor een vlucht is ingecheckt door een passagier die met diezelfde vlucht reist;
-
22)"bedrijfspost van een luchtvaartmaatschappij": post die als afzender en als geadresseerde een luchtvaartmaatschappij heeft;
-
23)"bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij": materieel dat afkomstig is van een luchtvaartmaatschappij en bestemd is voor een luchtvaartmaatschappij of dat door een
luchtvaartmaatschappij wordt gebruikt;
-
24)"post": zendingen van correspondentie en andere voorwerpen, andere dan bedrijfspost van een luchtvaartmaatschappij, die aangeboden worden door en bedoeld zijn voor levering aan
postdiensten overeenkomstig de regels van de Wereldpostunie (UPU);
-
25)"vracht": goederen, met uitzondering van bagage, post, bedrijfspost van een luchtvaart maatschappij, bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij en vluchtbenodigdheden,
die bestemd zijn voor vervoer in een luchtvaartuig;
-
26)"erkend agent": een luchtvaartmaatschappij, agent, expediteur of andere entiteit die zorg draagt voor de beveiligingscontroles met betrekking tot vracht of post;
-
27)"bekende afzender": een afzender die voor eigen rekening vracht of post voor vervoer aanbiedt en wiens procedures in voldoende mate aan de gemeenschappelijke beveiligings-
regels en -normen beantwoorden om deze vracht of post met om het even welk lucht-
vaartuig te vervoeren;
-
28)"vaste afzender": een afzender die voor eigen rekening vracht of post voor vervoer aanbiedt en wiens procedures in voldoende mate aan de gemeenschappelijke beveiligings-
regels en -normen beantwoorden om deze vracht met om het even welk vrachtvliegtuig of
post met om het even welk postvliegtuig te vervoeren;
-
29)"beveiligingscontrole van een luchtvaartuig": een inspectie van die delen van de binnen kant van een vliegtuig waartoe passagiers zich toegang kunnen hebben verschaft en van het
ruim met het doel verboden voorwerpen en wederrechtelijke daden tegen het luchtvaartuig
op te sporen;
-
30)"beveiligingsdoorzoeking van een luchtvaartuig": een inspectie van de binnenkant en van de toegankelijke delen van de buitenkant van het luchtvaartuig met het doel verboden
voorwerpen en wederrechtelijke daden tegen het luchtvaartuig op te sporen;
-
31)"meereizend beveiligingsagent": persoon die door een staat is aangesteld en die meereist aan boord van luchtvaartuigen van luchtvaartmaatschappijen die een vergunning van die
staat hebben gekregen teneinde die luchtvaartuigen en de inzittenden ervan te beschermen
tegen wederrechtelijke daden.
Artikel 4
Gemeenschappelijke basisnormen
-
1.De gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden zijn vastgesteld in de bijlage.
-
2.Volgens de procedure van artikel 15, lid 2, worden gedetailleerde maatregelen vastgesteld voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.
Deze maatregelen hebben met name betrekking op:
-
a)methodes voor het uitvoeren van beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles en andere beveiligingscontroles;
-
b)methodes om beveiligingscontroles en beveiligingsdoorzoekingen van lucht vaartuigen uit te voeren;
-
c)verboden voorwerpen;
-
d)prestatiecriteria en acceptatietests voor apparatuur; e) rekrutering van personeel en opleidingseisen;
-
f)de definiëring van kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones;
-
g)de verplichtingen van en de valideringsprocedures voor erkende agenten, bekende afzenders en accountafzenders;
-
h)categorieën van personen, goederen en luchtvaartuigen die om objectieve redenen speciale beveiligingsprocedures moeten doorlopen of moeten worden vrijgesteld van
beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles of andere beveiligingscontroles.
-
3.De Commissie stelt, door wijziging van deze verordening bij een besluit volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 15, lid 3, criteria vast om de lidstaten toe te
staan af te wijken van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen en op basis
van een plaatselijke risicobeoordeling alternatieve beveiligingsmaatregelen vast te stellen
die een passend beschermingsniveau bieden. Deze alternatieve maatregelen worden
gemotiveerd met redenen die te maken hebben met de grootte van het luchtvaartuig, of met
redenen die te maken hebben met de aard, de schaal of de frequentie van de luchtvaart- of
andere relevante activiteiten.
Om dwingende urgente redenen kan de Commissie de urgentieprocedure van artikel 15,
lid 4, toepassen.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze maatregelen.
-
4.De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen op hun grondgebied worden toegepast. Wanneer een lidstaat reden heeft om aan te nemen dat
door een inbreuk op de beveiliging van de luchtvaart afbreuk is gedaan aan het
beveiligingsniveau, zorgt hij ervoor dat er onmiddellijk passende maatregelen worden
genomen om die inbreuk ongedaan te maken en te waarborgen dat de burgerluchtvaart
beveiligd blijft.
Artikel 5
Strengere maatregelen van lidstaten
-
1.De lidstaten mogen maatregelen toepassen die strenger zijn dan de in artikel 4 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen. Zij gaan daarbij te werk op basis van een risico-
beoordeling en handelen in overeenstemming met de communautaire regelgeving. De
maatregelen moeten relevant, objectief en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan
tot het bestreden risico.
-
2.De lidstaten stellen de Commissie zo spoedig mogelijk na de toepassing van die maat regelen daarvan in kennis. Na ontvangst van een dergelijke kennisgeving geeft de
Commissie deze informatie door aan de andere lidstaten.
-
3.De lidstaten behoeven de Commissie niet in kennis te stellen van maatregelen die beperkt blijven tot een bepaalde vlucht op een specifieke datum.
Artikel 6
Door derde landen vereiste beveiligingsmaatregelen
-
1.Onverminderd de bilaterale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap partij is, stelt een lidstaat de Commissie in kennis van door derde landen vereiste beveiligingsmaatregelen
voorzover deze afwijken van de in artikel 4 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen
voor vluchten vanuit een luchthaven van een lidstaat naar of over dat derde land.
-
2.Op verzoek van de betrokken lidstaat of op eigen initiatief onderzoekt de Commissie de toepassing van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde maatregelen en kan zij volgens de
procedure van artikel 15, lid 2, een passend antwoord aan het betrokken derde land
opstellen.
-
3.De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer:
-
a)de betrokken lidstaat de desbetreffende maatregelen overeenkomstig artikel 5 toepast; of
-
b)de vereiste van het derde land beperkt blijft tot een bepaalde vlucht op een specifieke datum.
Artikel 7
Bevoegde autoriteit
Als in een en dezelfde lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de
burgerluchtvaart, wijst die lidstaat één autoriteit aan (hierna "de bevoegde autoriteit" genoemd) die
verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de in artikel 4
bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.
Artikel 8
Nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart
-
1.Elke lidstaat moet een nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart opstellen, toepassen en instandhouden.
In dat programma worden de verantwoordelijkheden voor de toepassing van de in artikel 4
bedoelde gemeenschappelijke basisnormen vastgesteld en worden de daartoe door de
exploitanten en entiteiten te nemen maatregelen beschreven.
-
2.De bevoegde autoriteit stelt de exploitanten en entiteiten die er naar haar mening een legitiem belang bij hebben, op een "need-to-know"-basis schriftelijk in kennis van de
relevante delen van het nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.
Artikel 9
Nationaal kwaliteitscontroleprogramma
-
1.Elke lidstaat moet een nationaal kwaliteitscontroleprogramma opstellen, toepassen en instandhouden.
Dat programma stelt de lidstaten in staat de kwaliteit van de beveiliging van de burger-
luchtvaart te controleren en na te gaan of aan deze verordening en aan het nationaal
programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart is voldaan.
-
2.De specificaties van het nationaal kwaliteitscontroleprogramma worden vastgesteld door wijziging van deze verordening middels toevoeging van een bijlage volgens de
regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 15, lid 3.
Om dwingende urgente redenen kan de Commissie de urgentieprocedure van artikel 15,
lid 4, toepassen.
Het programma maakt het mogelijk tekortkomingen snel op te sporen en te corrigeren. Het
programma bepaalt ook dat alle luchthavens, exploitanten en entiteiten die verantwoorde-
lijk zijn voor de toepassing van normen voor de beveiliging van de luchtvaart en die op het
grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gevestigd, geregeld rechtstreeks door of onder
toezicht van de bevoegde autoriteit worden gecontroleerd.
Artikel 10
Het beveiligingsprogramma voor de luchthaven
-
1.Elke luchthavenexploitant moet een programma voor de beveiliging van de luchthaven opstellen, toepassen en instandhouden.
In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de luchthaven-
exploitant dient te volgen om te voldoen aan deze verordening en aan het nationaal
programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart dat is opgesteld door de lidstaat
waarin de luchthaven is gevestigd.
Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt
beschreven hoe de luchthavenexploitant toezicht houdt op de naleving van deze methodes
en procedures.
-
2.Het programma voor luchthavenbeveiliging wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit, die indien nodig verdere maatregelen kan nemen.
Artikel 11
Programma voor de beveiliging van de luchtvaartmaatschappij
-
1.Elke luchtvaartmaatschappij moet een programma voor de beveiliging van de luchtvaart maatschappij opstellen, toepassen en instandhouden.
In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de luchtvaart-
maatschappij dient te volgen om te voldoen aan deze verordening en aan het nationaal
programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart dat is opgesteld door de lidstaat
van waaruit hij diensten verleent.
Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt
beschreven hoe de luchtvaartmaatschappij toezicht houdt op de naleving van deze
methodes en procedures.
-
2.Op verzoek wordt het programma voor de beveiliging van de luchtvaartmaatschappij voorgelegd aan de bevoegde autoriteit, die indien nodig verdere maatregelen kan nemen.
-
3.Wanneer een programma voor de beveiliging van een communautaire luchtvaartmaatschappij is gevalideerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de
exploitatievergunning heeft verleend, wordt de luchtvaartmaatschappij door alle andere
lidstaten erkend als een maatschappij die voldoet aan de eisen van lid 1. Dit doet geen
afbreuk aan het recht van een lidstaat om van een luchtvaartmaatschappij nadere
bijzonderheden te verlangen inzake de uitvoering door die maatschappij van:
-
a)de beveiligingsmaatregelen die deze lidstaat uit hoofde van artikel 5 voorschrijft; en/of
-
b)plaatselijke procedures die van toepassing zijn op de luchthavens waarop zij vliegt. Artikel 12
Programma voor de beveiliging van de entiteit
-
1.Alle entiteiten die volgens een nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart, als bedoeld in artikel 8, normen voor de beveiliging van de luchtvaart
moeten toepassen, moeten een programma voor de beveiliging van de entiteit opstellen,
toepassen en instandhouden.
In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de entiteit dient te
volgen om te voldoen aan het nationaal programma voor beveiliging van de burgerlucht-
vaart van de lidstaat wat betreft zijn activiteiten in die lidstaat.
Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt
beschreven hoe de entiteit zelf toezicht dient te houden op de naleving van deze methodes
en procedures.
-
2.Op verzoek wordt het programma ingediend bij de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat, die indien nodig verdere maatregelen kan nemen.
Artikel 13
Inspecties door de Commissie
-
1.In samenwerking met de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat voert de Commissie inspecties uit, inclusief inspecties van luchthavens, exploitanten en entiteiten die normen
voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen, teneinde toezicht te houden op de toe-
passing van deze verordening door de lidstaten en indien nodig aanbevelingen te doen om
de beveiliging van de luchtvaart te verbeteren. Hiertoe stelt de bevoegde autoriteit de
Commissie schriftelijk in kennis van alle burgerluchthavens op haar grondgebied, behalve
van de luchthavens die onder artikel 4, lid 3, vallen.
De procedures voor de uitvoering van inspecties door de Commissie worden vastgesteld
volgens de procedure van artikel 15, lid 2.
-
2.De inspecties door de Commissie van luchthavens, exploitanten en entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen, vinden onaangekondigd plaats. De
Commissie licht de bij een inspectie betrokken lidstaat daar op voorhand tijdig over in.
-
3.Elk inspectieverslag van de Commissie wordt aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat meegedeeld; in haar antwoord moet deze autoriteit aangeven welke maatregelen
worden genomen om eventuele vastgestelde tekortkomingen te corrigeren.
Het verslag van de Commissie en het antwoord van de bevoegde autoriteit worden
vervolgens ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaten.
Artikel 14
Verspreiding van informatie
Met het oog op Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom worden de volgende documenten beschouwd
als "gerubriceerde EU-gegevens", die niet openbaar mogen worden gemaakt:
-
a)de in artikel 4, leden 2 en 3, artikel 5, eerste alinea, en artikel 6, lid 1, vermelde maat regelen en procedures, als deze gevoelige beveiligingsinformatie bevatten;
-
b)inspectieverslagen van de Commissie en antwoorden van de bevoegde autoriteiten, als bedoeld in artikel 13, lid 3.
Artikel 15
Comitéprocedure
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een
maand.
-
3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
-
4.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
Artikel 16
Sancties
De lidstaten stellen regels vast betreffende de sancties die gelden voor overtredingen van deze
verordening en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ze worden toegepast. De
sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
Artikel 17
Intrekking
Verordening (EG) nr. 2320/2002 wordt ingetrokken.
Artikel 18
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in
het Publicatieblad van de Europese Unie.
**
Zij is van toepassing vanaf ... , met uitzondering van artikel 4, leden 2 en 3, artikel 9, lid 2, artikel 13, lid 1, en artikel 15, die van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van
deze verordening.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter ________________
**
Twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de verordening
BIJLAGE
GEMEENSCHAPPELIJKE BASISNORMEN (ARTIKEL 4)
-
1.VEILIGHEID VAN LUCHTHAVENS
1.1 Eisen in verband met het ontwerp van de luchthaven
-
1.Bij het ontwerp en de bouw van nieuwe luchthaveninstallaties of de verbouwing van bestaande luchthaveninstallaties moet ten volle rekening worden gehouden met de eisen
voor de toepassing van de in deze bijlage en in de uitvoeringsbesluiten daarvan vermelde
gemeenschappelijke basisnormen.
-
2.Luchthavens worden ingedeeld in de volgende zones: a) landzijde;
-
b)luchtzijde;
-
c)om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones; en
-
d)kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones. 1.2 Toegangscontrole
-
1.De toegang tot de luchtzijde wordt beperkt om onbevoegde personen en voertuigen te beletten deze zones binnen te komen.
-
2.De toegang tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones wordt gecontroleerd om te waarborgen dat geen onbevoegde personen en voertuigen deze zones binnenkomen.
-
3.Personen en voertuigen krijgen alleen toegang tot de luchtzijde en tot om beveiligings redenen beperkt toegankelijke zones als ze aan de vereiste veiligheidsvoorwaarden
voldoen.
-
4.Personen, met inbegrip van bemanningsleden, moeten met succes een achtergrondcontrole hebben doorlopen alvorens ze een bemanningsidentificatiekaart of een luchthaven-
identificatiekaart krijgen uitgereikt die onbegeleide toegang verleent tot om
beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones.
1.3 Beveiligingsonderzoeken van personen die geen passagier zijn en van de voorwerpen die zij bij zich dragen
-
1.Personen die geen passagier zijn en de voorwerpen die zij bij zich dragen, worden door middel van voortdurende steekproeven onderzocht bij het binnenkomen van om
beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones teneinde te voorkomen dat verboden
voorwerpen in deze zones worden binnengebracht.
-
2.Alle personen die geen passagier zijn en de voorwerpen die zij bij zich dragen, worden onderzocht bij het binnenkomen van kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt
toegankelijke zones teneinde te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze kritieke
delen worden binnengebracht.
1.4 Onderzoek van voertuigen
Voertuigen die een om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone binnenkomen,
worden onderzocht teneinde te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze zones worden
binnengebracht.
1.5 Bewaking, patrouilles en andere fysieke controles Op luchthavens en, indien nodig, in aangrenzende gebieden die openbaar toegankelijk zijn,
vinden bewaking, patrouilles en andere fysieke controles plaats om verdachte gedragingen
en zwakke punten die kunnen worden benut om wederrechtelijke daden te stellen, op te
sporen, en om personen te beletten dergelijke daden te stellen.
-
2.AFGEBAKENDE ZONES VAN LUCHTHAVENS
Luchtvaartuigen die geparkeerd zijn in afgebakende zones van luchthavens waarop de in artikel 4,
lid 3, bedoelde alternatieve maatregelen van toepassing zijn, worden gescheiden van lucht-
vaartuigen waarop de gemeenschappelijke basisnormen volledig van toepassing zijn om ervoor te
zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de naleving van de veiligheidsnormen die worden
toegepast op de laatstgenoemde luchtvaartuigen en op hun passagiers, bagage, vracht en post.
-
3.BEVEILIGING VAN LUCHTVAARTUIGEN
-
1.Voor het vertrek wordt een luchtvaartuig onderworpen aan een beveiligingscontrole of een beveiligingsdoorzoeking van vliegtuigen om te garanderen dat zich geen verboden voor-
werpen aan boord bevinden. Een luchtvaartuig in transit mag aan andere passende maat-
regelen worden onderworpen.
-
2.Elk luchtvaartuig wordt beschermd tegen manipulatie door onbevoegden.
-
4.PASSAGIERS EN CABINEBAGAGE
4.1 Beveiligingsonderzoek van passagiers en cabinebagage
-
1.Alle passagiers die voor een eerste vlucht vertrekken, alsmede de transfer- en transit passagiers en hun cabinebagage worden aan een beveiligingsonderzoek onderworpen om te
voorkomen dat verboden voorwerpen in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke
zones en aan boord van luchtvaartuigen worden gebracht.
-
2.Transferpassagiers en hun handbagage kunnen worden vrijgesteld van deze beveiligings onderzoeken als:
-
a)ze aankomen uit een lidstaat, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun handbagage niet kunnen worden
beschouwd als onderzocht volgens de gemeenschappelijke basisnormen; of
-
b)ze aankomen uit een derde land waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de procedure van artikel 15, lid 2, zijn erkend als gelijkwaardig aan de
gemeenschappelijke basisnormen.
-
3.Transitpassagiers en hun handbagage kunnen worden vrijgesteld van deze beveiligings onderzoeken als:
-
a)ze aan boord van het luchtvaartuig blijven; of
-
b)ze zich niet mengen met andere onderzochte vertrekkende passagiers dan die die aan boord van hetzelfde luchtvaartuig gaan; of
-
c)ze aankomen uit een lidstaat, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun handbagage niet kunnen worden
beschouwd als onderzocht volgens de gemeenschappelijke basisnormen; of
-
d)ze aankomen uit een derde land waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de procedure van artikel 15, lid 2, zijn erkend als gelijkwaardig aan de
gemeenschappelijke basisnormen.
4.2 Bescherming van passagiers en cabinebagage
-
1.Passagiers en hun cabinebagage worden beschermd tegen manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop ze zijn onderzocht tot het vertrek van het luchtvaartuig waar-
mee ze worden vervoerd.
-
2.Onderzochte vertrekkende passagiers mogen zich niet met aankomende passagiers mengen, behalve wanneer:
-
a)de passagiers aankomen uit een lidstaat, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun cabinebagage niet
kunnen worden beschouwd als onderzocht volgens de gemeenschappelijke basis-
normen; of
-
b)de passagiers aankomen uit een derde land waar beveiligingsnormen worden toege past die volgens de procedure van artikel 15, lid 2, zijn erkend als gelijkwaardig aan
de gemeenschappelijke basisnormen.
4.3 Passagiers die de orde kunnen verstoren
Passagiers die de orde kunnen verstoren worden vóór vertrek aan passende beveiligings-
maatregelen onderworpen.
-
5.RUIMBAGAGE
5.1 Beveiligingsonderzoek van ruimbagage
-
1.Alle ruimbagage wordt onderzocht alvorens ze in het luchtvaartuig wordt geladen, om te voorkomen dat verboden voorwerpen in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke
zones en aan boord van het luchtvaartuig worden gebracht.
-
2.Transfererende ruimbagage kan worden vrijgesteld van deze beveiligingsonderzoeken als: a) ze aankomt uit een lidstaat, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die ruimbagage niet kan worden beschouwd als onder-
zocht volgens de gemeenschappelijke basisnormen; of
-
b)ze aankomt uit een derde land waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de procedure van artikel 15, lid 2, zijn erkend als gelijkwaardig aan de
gemeenschappelijke basisnormen.
-
3.Transfererende ruimbagage kan worden vrijgesteld van deze beveiligingsonderzoeken als ze aan boord van het luchtvaartuig blijft.
5.2 Bescherming van ruimbagage
Ruimbagage die bestemd is om in een luchtvaartuig te worden vervoerd, wordt beschermd
tegen manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop ze wordt onderzocht of
het ogenblik waarop de luchtvaartmaatschappij de ruimbagage onder zich neemt, indien dit
vroeger is, tot het vertrek van het luchtvaartuig waarin de ruimbagage zal worden
vervoerd.
5.3 Controle op ruimbagage in relatie tot de passagiers
-
1.Elk stuk ruimbagage wordt geïdentificeerd als begeleid of onbegeleid.
-
2.Onbegeleide ruimbagage wordt niet vervoerd, tenzij die bagage van de passagier gescheiden is door factoren waarover de passagier geen controle heeft of de bagage aan
beveiligingscontroles onderworpen is.
-
6.VRACHT EN POST
6.1 Beveiligingscontroles voor vracht en post
-
1.Alle vracht en post wordt aan beveiligingscontroles onderworpen alvorens in het lucht vaartuig te worden geladen. Een luchtvaartmaatschappij aanvaardt geen vracht of post voor
vervoer in een luchtvaartuig tenzij zij zelf beveiligingscontroles heeft uitgevoerd of de
uitvoering ervan bevestigd en verantwoord is door een erkend agent, een bekende afzender
of een accountafzender.
-
2.Transfervracht en transferpost mogen worden onderworpen aan in een uitvoeringsbesluit gespecificeerde alternatieve beveiligingscontroles.
-
3.Transitvracht en transitpost kunnen worden vrijgesteld van beveiligingscontroles als ze aan boord van het luchtvaartuig blijven.
6.2 Bescherming van vracht en post
-
1.Vracht en post die bestemd zijn om in een luchtvaartuig te worden vervoerd, worden beschermd tegen manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop de beveili-
gingscontroles zijn uitgevoerd tot het vertrek van het luchtvaartuig waarmee de vracht of
de post zal worden vervoerd.
-
2.Vracht en post die, nadat de beveiligingscontroles zijn uitgevoerd, niet afdoende beschermd zijn tegen manipulatie door onbevoegden, worden onderzocht.
-
7.BEDRIJFSPOST VAN EEN LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ EN BEDRIJFSMATERIEEL VAN EEN LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ
Om te voorkomen dat verboden voorwerpen aan boord van een luchtvaartuig worden gebracht,
worden bedrijfspost en bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij aan beveiligingscontroles
onderworpen en vervolgens beschermd tot ze in het luchtvaartuig worden geladen.
-
8.VLUCHTBENODIGDHEDEN
Om te voorkomen dat verboden voorwerpen aan boord van een luchtvaartuig worden gebracht,
worden vluchtbenodigdheden, inclusief cateringmateriaal, die bestemd zijn voor vervoer of gebruik
in een luchtvaartuig, aan beveiligingscontroles onderworpen en vervolgens beschermd tot ze in het
luchtvaartuig worden geladen.
-
9.LUCHTHAVENBENODIGDHEDEN
Benodigdheden die in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van luchthavens worden
verkocht of gebruikt, inclusief leveringen voor belastingvrije winkels en restaurants, worden aan
beveiligingscontroles onderworpen om te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze zones
worden binnengebracht.
-
10.BEVEILIGINGSMAATREGELEN TIJDENS DE VLUCHT
-
1.Onverminderd de toepasselijke regelgeving met betrekking tot de luchtvaartveiligheid: a) krijgen onbevoegde personen tijdens een vlucht geen toegang tot de cockpit;
-
b)worden passagiers die de orde kunnen verstoren tijdens een vlucht aan passende beveiligingsmaatregelen onderworpen.
-
2.Er worden passende beveiligingsmaatregelen genomen, zoals het opleiden van het cockpitpersoneel en het cabinepersoneel, om wederrechtelijke daden gedurende een vlucht
te voorkomen.
-
3.In de cabine of de cockpit van een luchtvaartuig mogen geen wapens worden gedragen, tenzij de betrokken staten hiervoor overeenkomstig hun respectieve nationale recht
toestemming hebben verleend.
-
4.Punt 3 is ook van toepassing op meereizende beveiligingsagenten indien zij wapens dragen.
-
11.RECRUTERING EN OPLEIDING VAN PERSONEEL
-
1.Personen die beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles of andere beveiligingscontroles uitvoeren of verantwoordelijk zijn voor de uitvoering ervan, worden gerekruteerd, opgeleid
en, in voorkomend geval, gecertificeerd teneinde te garanderen dat ze geschikt zijn voor
deze werkzaamheden en bevoegd zijn om de hen toegewezen taken uit te voeren.
-
2.Andere personen dan passagiers die toegang moeten hebben tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones, moeten een beveiligingsopleiding volgen alvorens ze een
luchthavenidentificatiekaart of een bemanningsidentificatiekaart krijgen.
-
3.De in de punten 1 en 2 vermelde opleiding moet een basisopleiding en geregelde herhalingsopleidingen omvatten.
-
4.De instructeurs die de in de punten 1 en 2 vermelde opleiding verstrekken, moeten over de nodige kwalificaties beschikken.
-
12.BEVEILIGINGSUITRUSTING
De uitrusting die gebruikt wordt voor beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles en andere
beveiligingscontroles moet geschikt zijn om de beveiligingscontroles uit te voeren.
- 22 sep '05Gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart
- 22 sep '05COM(2005)429 - Gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart
- 25 sep '03COM(2003)566 - Wijziging van Verordening 2320/2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart
- 11 dec '02COM(2002)719 - Wijziging van Besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden
- 10 okt '01COM(2001)575 - Instelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de veiligheid in de burgerluchtvaart
- 24 jun '98COM(1998)380 - Voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden
- 18 jul '91COM(1991)275 - Verlenen van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen
-
2001/844/EG, EGKS, Euratom: Besluit Commissie tot wijziging van haar reglement van orde

