Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en tot vaststelling van de inhoud van bijlage XI

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

titel III, hoofdstuk IV, van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

I. INLEIDING

1

"basisverordening") aangenomen, die Verordening (EEG) nr. 1408/71 moet vervangen.

1

Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

Artikel 83 van de basisverordening luidt: "De bijzonderheden voor de toepassing van de wet-

gevingen van bepaalde lidstaten staan in bijlage XI.". Tevens is in de basisverordening

bepaald dat de inhoud van bijlage XI moet worden vastgesteld vóór de datum van toepassing

van de verordening.

  • 2. 
    De Commissie heeft op 24 januari 2006 het in hoofde genoemde voorstel bij de Raad inge diend en vervolgens, op 31 januari 2006, een voorstel voor een verordening van het Europees

Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG)

nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (doc. 5896/06).

  • 3. 
    De voorgestelde toepassingsverordening voorziet in horizontale regels, terwijl het voorstel voor een verordening tot vaststelling van de inhoud van bijlage XI voorziet in aanvullende

bepalingen betreffende specifieke aspecten van de wetgeving van de individuele lidstaten,

teneinde ervoor te zorgen dat de basisverordening in de betrokken lidstaten vlot kan worden

toegepast. Overeenkomstig het algemene beginsel van eenvoudiger regelgeving bevat het

voorstel minder punten dan de overeenkomstige bijlage VI van de bestaande Verordening

(EEG) nr. 1408/71.

  • 4. 
    Aangezien het voorstel de artikelen 42 en 308 van het Verdrag als rechtsgrondslag heeft, moet de Raad met eenparigheid van stemmen besluiten, overeenkomstig de medebeslissings-

procedure met het Europees Parlement.

  • 5. 
    Het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité hebben nog geen advies uitge bracht.
  • 6. 
    Gezien het onderwerp zal de aan te nemen verordening ook gelden voor de Europese Economische Ruimte.
  • 7. 
    Op voorstel van het Oostenrijkse voorzitterschap is overeengekomen de twee voorstellen tezamen te bespreken, teneinde voor iedere titel van het voorstel voor een verordening tot

uitvoering van de basisverordening vast te stellen of de noodzakelijke maatregelen van

horizontale aard zijn (indien zij gelijksoortige bijzonderheden in de socialezekerheidsstelsels

van verschillende lidstaten regelen, moeten ze in de ontwerp-uitvoeringsverordening aan bod

komen), dan wel specifiek zijn voor afzonderlijke lidstaten (en dus afzonderlijk aan bod

moeten komen in de ontwerp-verordening betreffende bijlage XI).

  • 8. 
    Overeenkomstig deze procedure is de Raad op 1 juni 2006 tot een partiële algemene oriëntatie gekomen betreffende titels I en II van de ontwerp-toepassingsverordening en de desbetref-

fende onderdelen van de ontwerp-verordening tot wijziging van Verordening (EG)

nr. 883/2004 (docs. 9584/06 ADD 1 and 9613/06).

  • 9. 
    Op initiatief van het Finse voorzitterschap heeft de Groep sociale vraagstukken, parallel aan de bespreking van titel III, hoofdstuk IV, van het voorstel voor de toepassingsverordening

voor de basisverordening, ook de desbetreffende gedeelten van het voorstel voor een veror-

dening tot wijziging van de basisverordening en tot vaststelling van de inhoud van bijlage XI

besproken.

  • 10. 
    De Groep sociale vraagstukken heeft in haar vergadering van 10-11 oktober 2006 een

principeakkoord over deze bepalingen bereikt (zie bijlage I). Zij heeft eveneens zeer ruime

overeenstemming bereikt over de tekst voor titel III, hoofdstuk IV, van de ontwerp-

uitvoeringsverordening (doc. 14182/06). De op deze twee punten in beginsel bereikte

overeenstemming is op 17 november 2006 door het Comité van permanente vertegen-

woordigers bevestigd.

  • 11. 
    De Deense en de Britse delegatie handhaafden een voorbehoud voor parlementaire

behandeling.

Alle delegaties handhaafden een taalvoorbehoud, in afwachting van de tekst in hun eigen taal.

  • 12. 
    Zoals in het geval van de ontwerp-toepassingsverordening, staat in de toelichting in bijlage II

bij deze nota dat het akkoord van de Raad een voorlopig karakter heeft aangezien:

  • het akkoord over titel III, hoofdstuk IV, van de ontwerp-toepassingsverordening een voorlopig akkoord is;
  • de tekst van de ontwerp-verordening betreffende bijlage XI slechts gedeeltelijk is besproken.
  • 13. 
    In afwachting van het advies van het Europees Parlement in eerste lezing, verzoekt het

Comité van permanente vertegenwoordigers derhalve de Raad te komen tot een algemene

oriëntatie over het gedeelte van de verordening dat betrekking heeft op titel III, hoofdstuk IV,

van de ontwerp-toepassingsverordening (zie bijlage I), onverminderd de in de toelichting in

bijlage II gestelde voorwaarden.

____________________

BIJLAGE I

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    (p.m.: titel II, doc. 7772/06).
  • 2. 
    In artikel 51 wordt lid 3 vervangen door:

"3. Indien een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene onder zijn wetgeving of onder

een bijzondere regeling verzekerd is op het tijdstip van het intreden van de verzekerde

gebeurtenis, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld indien de betrokkene voor-

heen onder de wetgeving van deze lidstaat, respectievelijk onder die bijzondere regeling

verzekerd was en, op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis, voor

hetzelfde risico onder de wetgeving van een andere lidstaat verzekerd is of, bij gebreke

daarvan, indien voor hetzelfde risico onder de wetgeving van een andere lidstaat een

uitkering is verschuldigd. Laatstgenoemde voorwaarde wordt echter geacht te zijn

vervuld in het in artikel 57, lid 1, bedoelde geval. "

  • 3. 
    In artikel 52 wordt lid 4 vervangen door:

"4. "Indien de berekening overeenkomstig lid 1, onder a), in één bepaalde lidstaat altijd als

resultaat heeft dat het autonome pensioen gelijk is aan of hoger is dan de

overeenkomstig lid 1, onder b), berekende uitkering pro rata, ziet het bevoegde orgaan van de berekening pro rata af op voorwaarde dat:

  • i) 
    dergelijke situaties worden gespecificeerd in bijlage VIII, deel 1; en
  • ii) 
    op dit specifieke geval geen wetgeving van toepassing is die voorziet in anti cumulatievoorschriften zoals bedoeld in de artikelen 54 en 55, tenzij de voor-

waarden van artikel 55, lid 2, vervuld zijn; en

  • iii) 
    artikel 57 in dit specifieke geval niet van toepassing is in verband met tijdvakken die onder de wetgeving van een andere lidstaat vervuld zijn.
  • 4. 
    Aan artikel 52 wordt het volgende lid toegevoegd:

"5. Niettegenstaande de leden 1, 2 en 3 wordt de berekening pro rata niet toegepast voor regelingen waarvan de uitkeringen niet op grond van tijdvakken worden berekend, mits

die regelingen in deel 2 van bijlage VIII vermeld worden. In dat geval heeft de betrok-

kene recht op krachtens de wetgeving van de betrokken lidstaat berekende uitkeringen."

  • 5. 
    In artikel 56, lid 1, worden in punt c), vóór de zinsnede "overeenkomstig de procedures die voor de betrokken lidstaat in bijlage XI zijn vastgelegd" de woorden "indien nodig" inge-

voegd.

  • 6. 
    In artikel 56 wordt in lid 1 het volgende punt d) toegevoegd:

"d) Indien punt c) niet van toepassing is omdat de wetgeving van een lidstaat bepaalt dat

voor de berekening van de uitkeringen niet wordt uitgegaan van tijdvakken van

verzekering en wonen maar van andere, niet-temporele elementen, houdt het bevoegde orgaan, ten behoeve van de berekening krachtens de wetgeving die het toepast, voor

ieder onder de wetgeving van een andere lidstaat vervuld tijdvak van verzekering of

wonen rekening met het geaccumuleerde kapitaal, het als geaccumuleerd beschouwde

kapitaal of enig ander element, gedeeld door de overeenkomstige tijdseenheden in de

betrokken pensioenregeling."

  • 7. 
    Aan artikel 57 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

"4. Dit artikel is niet van toepassing op de in deel 2 van bijlage VIII vermelde regelingen."

BIJLAGE

De bijlagen bij Verordening (EG) nr. 883/2004 worden als volgt gewijzigd.

  • 1. 
    (p.m.: titel I, doc. 7772/06).
  • 2. 
    (p.m.: bijlage VIII wordt in een latere fase besproken).
  • 3. 
    Bijlage XI wordt vervangen door:

"BIJLAGE XI

BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE

WETGEVING VAN DE LIDSTATEN

(artikel 51, lid 3, artikel 56, lid 1, en artikel 83)

(p.m.: Commissietekst)

C. DENEMARKEN

  • 2. 
    a) Voor de berekening van het pensioen uit hoofde van de lov om social pension (wet op het sociale pensioen) worden door een grensarbeider of seizoenarbeider

onder de Deense wetgeving al dan niet in loondienst vervulde tijdvakken van

werkzaamheid beschouwd als door de overlevende echtgenoot vervulde tijd-

vakken van wonen in Denemarken, voor zover de overlevende echtgenoot

gedurende die tijdvakken gehuwd was met de grensarbeider of seizoenarbeider,

niet van tafel en bed gescheiden was of feitelijk wegens onverenigbaarheid

gescheiden leefde, en op voorwaarde dat de overlevende echtgenoot gedurende

die tijdvakken woonachtig was in een andere lidstaat.

Voor de toepassing van dit punt wordt onder "seizoenarbeid" verstaan: werk dat

samenhangt met de wisseling van de seizoenen en ieder jaar terugkeert.

  • b) 
    Voor de berekening van het pensioen uit hoofde van de lov om social pension (wet op het sociale pensioen) worden de vóór 1 januari 1984 door een niet onder

punt a) vallende persoon onder de Deense wetgeving al dan niet in loondienst

vervulde tijdvakken van werkzaamheid beschouwd als door de overlevende

echtgenoot in Denemarken vervulde tijdvakken van wonen, voor zover de over-

levende echtgenoot gedurende die tijdvakken gehuwd was met de grensarbeider of

seizoenarbeider, niet van tafel en bed gescheiden was of feitelijk wegens onver-

enigbaarheid gescheiden leefde, en op voorwaarde dat de overlevende echtgenoot

gedurende die tijdvakken woonachtig was in een andere lidstaat.

  • c) 
    Tijdvakken die uit hoofde van de punten a) en b) moeten worden meegerekend, worden evenwel niet in aanmerking genomen indien zij samenvallen met tijd-

vakken die meetellen voor de berekening van het pensioen dat aan de betrokkene

verschuldigd is onder de wetgeving betreffende verplichte verzekering van een

andere lidstaat of met tijdvakken gedurende welke de betrokkene onder een

dergelijke wetgeving een pensioen ontving. Deze tijdvakken worden echter in

aanmerking genomen wanneer het jaarlijks bedrag van het bedoelde pensioen

lager is dan de helft van het basisbedrag van het sociale pensioen.

  • 3. 
    a) Niettegenstaande artikel 6 van deze verordening hebben personen die geen werk zaamheden in loondienst in een of meer lidstaten hebben uitgeoefend slechts recht

op een Deens sociaal pensioen, als zij gedurende minstens drie jaar hun woon-

plaats in Denemarken hebben of hebben gehad, onverminderd de in de Deense

wetgeving geldende leeftijdsbeperkingen. Onverminderd artikel 4 van deze veror-

dening is artikel 7 niet van toepassing op een Deens sociaal pensioen waarop

personen van deze categorie het recht hebben verworven.

  • b) 
    Bovengenoemde bepalingen zijn niet van toepassing op het recht op een Deens sociaal pensioen, verworven door gezinsleden van personen die in Denemarken

werkzaamheden in loondienst uitoefenen of uitgeoefend hebben, of door

studenten of hun gezinsleden.

  • 5. 
    Wanneer de ontvanger van een Deens sociaal pensioen ook recht heeft op een overlevingspensioen van een andere lidstaat, worden dergelijke pensioenen voor de

toepassing van de Deense wetgeving beschouwd als uitkeringen van dezelfde aard in de

zin van artikel 53, lid 1, van deze verordening op voorwaarde dat de persoon wiens tijd-

vakken van verzekering of van wonen de basis voor de berekening van het overlevings-

pensioen vormen, ook recht op een Deens sociaal pensioen heeft verworven.

D. DUITSLAND

  • 5. 
    De pauschale Anrechnungszeit (vast toerekeningstijdvak) als bedoeld in artikel 253 van het Sozialgesetzbuch VI (boek VI van het Sociaal Wetboek) wordt vastgesteld op basis

van uitsluitend Duitse verzekeringstijdvakken.

  • 6. 
    In gevallen waarin de op 31 december 1991 vigerende Duitse pensioenwetgeving op de herberekening van een pensioen van toepassing is, geldt voor de toerekening van Duitse

Ersatzzeiten (vervangende tijdvakken) alleen de Duitse wetgeving.

  • 7. 
    De Duitse wetgeving inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten waarvoor vergoeding wordt verleend krachtens het Fremdrentengesetz (wet op buitenlands pensioen) en

inzake uitkeringen wegens toe te rekenen verzekeringstijdvakken die vervuld zijn in de

gebieden, vermeld in paragraaf 1, leden 2 en 3, van het Bundesvertriebenengesetz (wet

betreffende vluchtelingen en verdrevenen), blijft voor de toepassing van deze veror-

dening van toepassing niettegenstaande paragraaf 2 van het Fremdrentengesetz.

  • 8. 
    Het bevoegde orgaan gaat, voor de berekening van het theoretische bedrag bedoeld in artikel 52, lid 1, onder b) i), van deze verordening, in pensioenregelingen voor vrije

beroepen, voor ieder verzekeringsjaar dat onder de wetgeving van een andere lidstaat

vervuld werd, uit van het gemiddelde van de gedurende het lidmaatschap van bevoegde

organen per jaar door de betaling van bijdragen opgebouwde pensioenrechten.

G. SPANJE

  • 1. 
    (geschrapt)
  • 2. 
    Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b) i) van deze verordening worden de jaren die de werkende tekort komt om de pensioengerechtigde of pensioenplichtige

leeftijd te bereiken, als bepaald in artikel 31, punt 4, van de geconsolideerde tekst van

de Ley de clases pasivas del Estado (wet op de staatspensioenen), alleen als jaren in

overheidsdienst aangerekend indien de begunstigde op het tijdstip van de gebeurtenis

die het recht op een invaliditeits- of overlevingspensioen deed ontstaan, onder de

Spaanse bijzondere regeling voor ambtenaren viel of een werkzaamheid uitoefende die

onder dat stelsel daarmee gelijkgesteld wordt, of indien hij, op het tijdstip van de

gebeurtenis die het recht op een invaliditeits- of overlevingspensioen deed ontstaan, een

werkzaamheid uitoefende die, als de werkzaamheid in Spanje was uitgeoefend, de

betrokkene verplicht onder de bijzondere regeling voor ambtenaren, voor de strijd-

krachten of voor het gerechtelijk apparaat had doen vallen. .

  • 3. 
    a) Ingevolge artikel 56, lid 1, onder c), van deze verordening wordt de theoretische Spaanse uitkering berekend op basis van de feitelijke bijdragen van de betrokkene

in de jaren onmiddellijk voorafgaande aan de betaling van de laatste bijdrage aan

de Spaanse sociale zekerheid. Indien bij de berekening van het basisbedrag voor

het pensioen rekening moet worden gehouden met de onder de wetgeving van

andere lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering en/of wonen, wordt de

Spaanse bijdragegrondslag die in de tijd het dichtst bij de referentietijdvakken ligt, toegepast op genoemde tijdvakken, rekening houdende met de ontwikkeling van

het indexcijfer van de consumentenprijzen.

  • 3. 
    b) Het bedrag van het verkregen pensioen wordt verhoogd met het bedrag van de verhogingen en aanpassingen die in de volgende jaren op pensioenen van dezelfde

aard worden toegepast.

  • 4. 
    In andere lidstaten vervulde tijdvakken die moeten worden meegerekend voor de bijzondere regeling voor ambtenaren, voor de strijdkrachten of voor het gerechtelijk

apparaat, worden voor de toepassing van artikel 56 van deze verordening op dezelfde

wijze behandeld als de in de tijd dichtstbijgelegen tijdvakken die als ambtenaar in

Spanje zijn vervuld.

  • 5. 
    De in de tweede overgangsbepaling van de Algemene wet betreffende de sociale zeker heid bedoelde leeftijdsgerelateerde aanvullingen zijn van toepassing voor alle begun-

stigden van de verordening die voorafgaand aan 1 januari 1967 onder de Spaanse wet-

geving in eigen naam bijdragen hebben betaald; het is evenwel niet mogelijk om, over-

eenkomstig artikel 5 van deze verordening, louter met het bedoelde oogmerk, tijd-

vakken die voorafgaand aan die datum onder de wetgevingen van andere lidstaten ver-

vuld zijn, te behandelen alsof de desbetreffende bijdragen in Spanje betaald waren.

Voor de bijzondere regeling voor zeevarenden is de met 1 januari 1976 overeen-

komende datum 1 augustus 1970, en voor de bijzondere socialezekerheidsregeling voor

de kolenmijnen 1 april 1969.

H. FRANKRIJK

  • 2. 
    De Franse wetgeving die voor de toepassing van hoofdstuk 5 van titel III van deze verordening van toepassing is op een persoon die al dan niet in loondienst werkzaam is

of is geweest, omvat zowel de basisregeling(en) voor pensioenverzekering als de

regeling(en) voor aanvullend pensioen waaronder de betrokkene viel.

I. IERLAND

  • 2. 
    Indien artikel 46 van deze verordening van toepassing is, en indien de betrokkene arbeidsongeschikt en later invalide wordt terwijl hij onder de wetgeving van een andere

lidstaat valt, houdt Ierland voor de toepassing van Section 118(1)(a), van de Social

Welfare (Consolidation) Act van 2005 rekening met alle tijdvakken gedurende welke

hij, in samenhang met de daaropvolgende invaliditeit, volgens de Ierse wetgeving als

arbeidsongeschikt beschouwd zou zijn.

Q. NEDERLAND

  • 2. 
    Toepassing van de Algemene Ouderdomswet (AOW)
  • a) 
    De korting als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt niet toegepast voor kalenderjaren vóór 1 januari 1957 gedurende

welke een rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling

van deze jaren aan tijdvakken van verzekering:

  • tussen zijn 15e en 65e jaar in Nederland heeft gewoond, of
  • in een andere lidstaat heeft gewoond terwijl hij in Nederland heeft gewerkt voor een in Nederland gevestigde werkgever, of
  • in een andere lidstaat heeft gewerkt gedurende tijdvakken die onder het Nederlandse socialezekerheidsstelsel als tijdvakken van verzekering worden

beschouwd.

In afwijking van artikel 7 van de AOW worden ook personen die uitsluitend vóór

1 januari 1957 overeenkomstig bovengenoemde voorwaarden in Nederland

gewoond of gewerkt hebben, geacht recht te hebben op een pensioen.

  • b) 
    De korting als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt niet toegepast op kalenderjaren vóór 2 augustus 1989 gedurende

welke een gehuwde of gehuwd geweest zijnde persoon tussen zijn 15e en 65e jaar,

wonende in een andere lidstaat dan Nederland, niet ingevolge bovengenoemde

wet verzekerd was, voorzover deze kalenderjaren samenvallen met tijdvakken van

verzekering die de echtgenoot van de betrokkene onder die wet heeft vervuld, of

met kalenderjaren die krachtens punt a) in aanmerking moeten worden genomen,

op voorwaarde dat zij in de betreffende periode gehuwd waren.

In afwijking van artikel 7 van de AOW worden dergelijke personen geacht recht

te hebben op een pensioen.

  • c) 
    De korting als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de AOW wordt niet toegepast op kalenderjaren vóór 1 januari 1957 gedurende welke de echtgenoot van een

pensioengerechtigde, die niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling van

deze jaren aan tijdvakken van verzekering:

  • tussen zijn 15e en 65e jaar in Nederland heeft gewoond, of
  • in een andere lidstaat heeft gewoond terwijl hij in Nederland heeft gewerkt voor een in Nederland gevestigde werkgever, of
  • in een andere lidstaat heeft gewerkt gedurende tijdvakken die onder het Nederlandse socialezekerheidsstelsel als tijdvakken van verzekering worden

beschouwd.

  • d) 
    De korting als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt niet toegepast op kalenderjaren vóór 2 augustus 1989 gedurende

welke de echtgenoot van een pensioengerechtigde tussen zijn 15e en 65e jaar,

wonende in een andere lidstaat dan Nederland, niet ingevolge bovengenoemde

wet verzekerd was, voorzover deze kalenderjaren samenvallen met tijdvakken van

verzekering die de pensioengerechtigde onder die wet heeft vervuld, of met

kalenderjaren die krachtens punt a), in aanmerking moeten worden genomen, op

voorwaarde dat zij in de betreffende periode gehuwd waren.

  • e) 
    De punten a), b), c) en d) zijn niet van toepassing op tijdvakken die samenvallen met:
  • tijdvakken die in aanmerking genomen kunnen worden voor de berekening van pensioenrechten uit hoofde van de ouderdomspensioenwetgeving van

een andere lidstaat dan Nederland, of

  • tijdvakken waarvoor de betrokkene een ouderdomspensioen heeft ontvangen uit hoofde van die wetgeving.

Tijdvakken van vrijwillige verzekering onder het stelsel van een andere lidstaat

worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze bepaling.

  • f) 
    De punten a), b), c) en d) zijn uitsluitend van toepassing indien de betrokkene na het bereiken van de 59-jarige leeftijd gedurende zes jaren in een of meer lidstaten

heeft gewoond en zolang hij in een van die lidstaten woonachtig is.

  • g) 
    In afwijking van hoofdstuk IV van de AOW bestaat voor een in een andere lid staat dan Nederland woonachtige persoon wiens echtgenoot verplicht verzekerd is

onder de wetgeving van die lidstaat, de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren

onder genoemde wet, voor die tijdvakken gedurende welke de echtgenoot

verplicht verzekerd is.

Deze mogelijkheid blijft echter bestaan wanneer de verplichte verzekering van de

echtgenoot geëindigd is als gevolg van diens overlijden en de overlevende echt-

genoot uitsluitend een pensioen onder de Algemene nabestaandenwet ontvangt.

De mogelijkheid om vrijwillig verzekerd te blijven, eindigt in ieder geval op de

dag waarop de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.

De voor bedoelde vrijwillige verzekering te betalen premie wordt vastgesteld

overeenkomstig de bepalingen betreffende de vaststelling van de premie voor

vrijwillige verzekering onder de AOW. Indien echter de vrijwillige verzekering

aansluit op een tijdvak van verzekering als bedoeld in punt b), wordt de premie

vastgesteld overeenkomstig de bepalingen betreffende de vaststelling van de

bijdrage voor verplichte verzekering onder de AOW, waarbij het in aanmerking te

nemen inkomen geacht wordt in Nederland te zijn genoten.

  • h) 
    De in punt g) bedoelde mogelijkheid staat niet open voor personen die verzekerd zijn onder de wetgeving inzake pensioenen of nabestaandenuitkeringen van een

andere lidstaat.

  • i) 
    Personen die gebruik willen maken van de mogelijkheid van vrijwillige verze kering als bedoeld in punt g), moeten binnen een jaar nadat de voorwaarden voor

aansluiting zijn vervuld een aanvraag indienen bij de Sociale Verzekeringsbank.

  • j) 
    Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening worden alleen onder de AOW vervulde tijdvakken van verzekering nadat de betrokkene

de leeftijd van 15 jaar bereikt had, als tijdvakken van verzekering in aanmerking

genomen.

  • 3. 
    Toepassing van de Algemene nabestaandenwet (ANW)
  • a) 
    Indien de overlevende echtgenoot krachtens artikel 51, lid 3, van deze verordening recht heeft op een nabestaandenpensioen onder de ANW, wordt dat pensioen

berekend overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden tijdvakken van verzekering vóór

1 oktober 1959 ook beschouwd als onder de Nederlandse wetgeving vervulde

tijdvakken van verzekering, op voorwaarde dat de verzekerde gedurende deze

tijdvakken en na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar:

  • in Nederland heeft gewoond, of
  • in een andere lidstaat heeft gewoond terwijl hij in Nederland heeft gewerkt voor een in Nederland gevestigde werkgever, of
  • in een andere lidstaat heeft gewerkt gedurende tijdvakken die onder het Nederlandse socialezekerheidsstelsel als tijdvakken van verzekering worden

beschouwd.

  • b) 
    De krachtens punt a) in aanmerking te nemen tijdvakken die samenvallen met onder de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verplichte

verzekering inzake nabestaandenpensioenen worden buiten beschouwing gelaten.

  • c) 
    Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening worden alleen onder de AOW vervulde tijdvakken van verzekering nadat de betrokkene

de leeftijd van 15 jaar bereikt had, in aanmerking genomen als tijdvakken van

verzekering.

  • d) 
    In afwijking van artikel 63a, lid 1, van de ANW bestaat voor een in een andere lidstaat dan Nederland woonachtige persoon wiens echtgenoot verplicht verzekerd

is uit hoofde van genoemde wet, de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren

onder genoemde wet, op voorwaarde dat die verzekering al loopt op [datum van

inwerkingtreding van Verordening 883/04], maar uitsluitend voor die tijdvakken

gedurende welke de echtgenoot verplicht verzekerd is. Deze mogelijkheid bestaat

echter niet meer vanaf de datum van beëindiging van de verplichte verzekering

van de echtgenoot onder de ANW, tenzij de verplichte verzekering van de echt-

genoot geëindigd is als gevolg van diens overlijden en de overlevende echtgenoot

uitsluitend een pensioen uit hoofde van de ANW ontvangt.

De mogelijkheid om vrijwillig verzekerd te blijven, eindigt in ieder geval op de

dag waarop de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.

De voor bedoelde vrijwillige verzekering te betalen premie wordt vastgesteld

overeenkomstig de bepalingen betreffende de vaststelling van de premie voor

vrijwillige verzekering onder de ANW. Indien echter de vrijwillige verzekering

aansluit op een tijdvak van verzekering als bedoeld in punt 2, onder b), wordt de

premie vastgesteld overeenkomstig de bepalingen betreffende de vaststelling van

de bijdrage voor vrijwillige verzekering onder de ANW, waarbij het in aan-

merking te nemen inkomen geacht wordt in Nederland te zijn genoten.

  • 4. 
    Toepassing van de Nederlandse wetgeving inzake arbeidsongeschiktheid
  • a) 
    Indien de betrokkene krachtens artikel 51, lid 3, van de verordening recht heeft op een Nederlandse invaliditeitsuitkering, wordt het in artikel 52, lid 1, onder b),

bedoelde bedrag voor de berekening van die uitkering vastgesteld:

  • i) 
    wanneer de betrokkene voor het begin van de arbeidsongeschiktheid het laatst werkzaam was in loondienst in de zin van artikel 1, onder a):
  • overeenkomstig de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) indien de arbeidsongeschiktheid vóór 1 januari 2004 is opge-

treden, of

  • overeenkomstig de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) indien de arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2004 is

opgetreden.

  • ii) 
    wanneer de betrokkene voor het begin van de arbeidsongeschiktheid het laatst anders dan in loondienst werkzaam was in de zin van artikel 1,

onder b), overeenkomstig de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelf-

standigen (WAZ) indien de arbeidsongeschiktheid vóór 1 januari 2004 is

opgetreden.

  • b) 
    Bij de berekening van uitkeringen onder hetzij de WAO, de WIA of de WAZ houden Nederlandse organen rekening met:
  • tijdvakken van werkzaamheid in loondienst en daarmee gelijkgestelde tijd vakken die vóór 1 juli 1967 in Nederland zijn vervuld;
  • tijdvakken van verzekering vervuld onder de WAO;
  • tijdvakken van verzekering die de betrokkene na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar onder de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) heeft

vervuld, voor zover die niet samenvallen met onder de WAO vervulde tijd-

vakken van verzekering;

  • tijdvakken van verzekering vervuld onder de WAZ.
  • tijdvakken van verzekering vervuld onder de WIA.

R. OOSTENRIJK

  • 1. 
    Voor het opbouwen van tijdvakken van verzekering in de pensioenverzekering wordt het bezoeken van een school of een vergelijkbare onderwijsinstelling in een andere lid-

staat gelijkgesteld aan het bezoeken van een school of onderwijsinstelling als bedoeld in

de artikelen 227(1)(1) en 228(1)(3), Allgemeine Sozialversicherungsgesetz (ASVG)

(algemene wet sociale verzekering), artikel 116(7), Gewerbliches Sozialversicherungsgesetz (GSVG) (wet sociale verzekering bedrijfsleven), en

artikel 107(7), Bauern-Sozialversicherungsgesetz (BSVG) (wet sociale verzekering

boeren), indien de betrokkene op enig tijdstip wegens werkzaamheden, al dan niet in

loondienst, aan Oostenrijkse wetgeving onderworpen was, en de bijzondere bijdragen

als bedoeld in artikel 227(3), ASVG, artikel 116(9), GSVG, en artikel 107(9), BSGV,

betaald zijn.

  • 2. 
    (geschrapt)
  • 3. 
    Voor de berekening van de in artikel 52, lid 1, onder b), bedoelde uitkering pro rata worden speciale verhogingen voor premies voor aanvullende verzekering en de aan-

vullende uitkering voor mijnwerkers onder de Oostenrijkse wetgeving buiten

beschouwing gelaten. In deze gevallen wordt de zonder deze premies berekende uit-

kering pro rata, indien nodig, verhoogd met onverminderde speciale verhogingen voor

bijdragen voor aanvullende verzekering en de aanvullende uitkering voor mijnwerkers.

  • 4. 
    Wanneer overeenkomstig artikel 6 vervangende tijdvakken onder een Oostenrijkse pensioenverzekeringsregeling zijn vervuld, maar deze geen grondslag voor berekening

krachtens de artikelen 238 en 239, Allgemeine Sozialversicherungsgesetz (ASVG)

(algemene wet sociale verzekering), de artikelen 122 en 123, Gewerbliche

Sozialversicherungsgesetz (GSVG) (wet sociale verzekering bedrijfsleven) of de

artikelen 113 en 114, Bauern-Sozialversicherungsgesetz (BSVG) (wet sociale verze-

kering boeren) kunnen vormen, wordt de berekeningsgrondslag voor tijdvakken van

kinderopvoeding krachtens artikel 239 ASVG, artikel 123 GSVG en artikel 114 BSVG

gebruikt.

  • 5. 
    (geschrapt)

W. FINLAND

  • 1. 
    (geschrapt)
  • 2. 
    Voor de vaststelling van het recht en de berekening van het bedrag van het Finse natio nale pensioen krachtens de artikelen 52 tot en met 54, worden onder de wetgeving van

een andere lidstaat verkregen pensioenen op dezelfde wijze behandeld als onder de

Finse wetgeving verkregen pensioenen.

  • 3. 
    Bij de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b) i), worden de inkomsten tijdens het fictieve tijdvak overeenkomstig de Finse wetgeving inzake inkomensgerelateerde

pensioenen als volgt berekend indien de betrokkene voor een deel van de referentie-

periode tijdvakken van pensioenverzekering op grond van werkzaamheid, al dan niet in

loondienst, in een andere lidstaat heeft vervuld: de inkomsten tijdens het fictieve tijdvak

zijn gelijk aan de som van de inkomsten tijdens het deel van de referentieperiode in

Finland, gedeeld door het aantal maanden waarvoor er tijdens de referentieperiode tijd-

2

vakken van verzekering in Finland waren.

X. ZWEDEN

  • 2. 
    De bepalingen van deze verordening betreffende de samentelling van tijdvakken van verzekering en verblijf zijn niet van toepassing op de overgangsregeling van de

Zweedse wetgeving voor het recht op een gegarandeerd pensioen voor personen die in

of vóór 1937 zijn geboren en gedurende een bepaalde periode in Zweden hebben

gewoond alvorens zij een pensioen aanvragen (Wet 2000:798).

  • 3. 
    Voor de berekening van het nominale inkomen voor inkomensgerelateerde uitkeringen bij ziekte en de inkomensgerelateerde activiteitstoelage overeenkomstig hoofdstuk 8

van Lag (1962:381) om allmän försäkrings (volksverzekeringswet), geldt het volgende:

2

Zie toelichting.

  • a) 
    indien de verzekerde tijdens de referentieperiode wegens een werkzaamheid, al dan niet in loondienst, ook onder de wetgeving van een of meer andere lidstaten

viel, wordt het inkomen in die andere lidstaat of lidstaten geacht gelijk te zijn aan

het gemiddelde bruto-inkomen van de verzekerde in Zweden tijdens het deel van

de referentieperiode in Zweden, dat wil zeggen het inkomen in Zweden gedeeld

door het aantal jaren tijdens welke dit inkomen is ontvangen;

  • b) 
    indien de uitkering wordt berekend overeenkomstig artikel 46 en de betrokkene niet verzekerd is in Zweden, wordt de referentieperiode bepaald overeenkomstig

hoofdstuk 8, rubrieken 2 en 8, van bovengenoemde wet alsof de betrokkene in

Zweden verzekerd was. Indien de betrokkene tijdens deze periode geen inkomen

had dat onder de Wet op inkomensgerelateerde ouderdomspensioenen (1998:674)

recht geeft op een pensioen, mag de referentieperiode ingaan op een eerder tijdstip

3

waarop de betrokkene een inkomen uit betaalde werkzaamheden in Zweden had.

  • 4. 
    a) Voor de berekening van de fictieve grondslag voor het inkomensgerelateerde nabestaandenpensioen (Wet 2000:461) geldt het volgende: indien niet overeen-

komstig de Zweedse wetgeving wordt voldaan aan de vereiste van pensioen-

gerechtigdheid gedurende ten minste drie op de vijf kalenderjaren die

onmiddellijk aan de dood van de verzekerde voorafgaan (de referentieperiode),

worden ook tijdvakken van verzekering die in andere lidstaten zijn vervuld, in

aanmerking genomen alsof deze in Zweden waren vervuld. Tijdvakken van

verzekering in andere lidstaten worden geacht gebaseerd te zijn op de gemiddelde

Zweedse pensioenberekeningsgrondslag. Indien de betrokkene slechts één jaar

met een pensioenberekeningsgrondslag in Zweden heeft vervuld, wordt elk

tijdvak van verzekering in een andere lidstaat geacht hetzelfde bedrag te

4

vertegenwoordigen .

3

Zie toelichting. 4

Zie toelichting.

  • b) 
    Voor de berekening van het fictieve pensioenkrediet voor weduwenpensioenen met betrekking tot overlijden op of na 1 januari 2003 geldt het volgende: indien

niet overeenkomstig de Zweedse wetgeving wordt voldaan aan de vereiste van

pensioenkrediet gedurende ten minste twee op de vier kalenderjaren die

onmiddellijk aan het overlijden van de verzekerde voorafgaan (de referentie-

periode) en indien de tijdvakken van verzekering tijdens de referentieperiode in

een andere lidstaat zijn vervuld, worden deze jaren geacht op hetzelfde pensioen-

krediet gebaseerd te zijn als het Zweedse jaar.

Y. VERENIGD KONINKRIJK

  • 1. 
    Wanneer een persoon overeenkomstig de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk recht op ouderdomspensioen heeft
  • a) 
    indien de premies van een voormalige echtgenoot als eigen premies van de betrokkene worden aangemerkt, of
  • b) 
    indien de relevante premievoorwaarden door de echtgenoot of voormalige echt genoot van de betrokkene vervuld zijn, dan zijn voor de vaststelling van rechten

onder de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk de bepalingen van titel III,

hoofdstuk 5, van deze verordening van toepassing, mits de echtgenoot of voor-

malige echtgenoot in beide gevallen werkzaamheden, al dan niet in loondienst,

uitoefent of uitgeoefend heeft, en onderworpen is of was aan de wetgeving van

twee of meer lidstaten. In dat geval worden verwijzingen in genoemd hoofdstuk 5

naar "tijdvakken van verzekering" opgevat als tijdvakken van verzekering vervuld

door:

  • i) 
    een echtgenoot of voormalige echtgenoot, indien de aanvraag wordt inge diend door:
  • een gehuwde vrouw; of
  • een persoon van wie het huwelijk op andere wijze is beëindigd dan door het overlijden van de echtgenoot, of
  • ii) 
    een voormalige echtgenoot, indien de aanvraag wordt ingediend door:
  • een weduwnaar die onmiddellijk vóór het bereiken van de pensioen gerechtigde leeftijd geen recht heeft op een uitkering voor een ouder die

weduwe/weduwnaar is (widowed parent's allowance); of

  • een weduwe die onmiddellijk vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen recht heeft op een uitkering voor een moeder-weduwe

(widowed mother's allowance), een uitkering voor een ouder die

weduwe/weduwnaar is (widowed parent's allowance) of een weduwen-

pensioen, of die alleen recht heeft op een leeftijdsgebonden weduwen-

pensioen berekend overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van deze

verordening, waarbij "leeftijdsgebonden weduwenpensioen" betekent dat

voor het weduwenpensioen overeenkomstig Section 39(4), Social Security

Contributions and Benefits Act 1992, een verminderd tarief geldt.

  • 4. 
    Wanneer artikel 46 van toepassing is, neemt het Verenigd Koninkrijk, indien de betrokkene arbeidsongeschikt en vervolgens invalide wordt terwijl hij onder de wetgeving van een andere

lidstaat valt, voor de toepassing van Section 30A(5), Social Security Contributions and

Benefits Act 1992 elk tijdvak in aanmerking waarin de betrokkene wegens deze arbeids-

ongeschiktheid overeenkomstig de wetgeving van die andere lidstaat:

  • i) 
    uitkeringen wegens ziekte of loon of salaris in plaats daarvan, of
  • ii) 
    uitkeringen in de zin van hoofdstuk 4 en 5 van titel III van deze verordening die zijn toegekend wegens de invaliditeit die op die arbeidsongeschiktheid gevolgd is, heeft

ontvangen onder de wetgeving van die andere lidstaat, alsof het een uitkering bij

tijdvakken van arbeidsongeschiktheid van korte duur betrof overeenkomstig Sections

30A(1)-(4), Social Security Contributions and Benefits Act 1992.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitsluitend rekening gehouden met tijdvakken

gedurende welke de betrokkene arbeidsongeschikt zou zijn geweest in de zin van de wet-

geving van het Verenigd Koninkrijk.

  • 5. 
    (1) Voor de berekening van een loonfactor voor het vaststellen van het recht op uitkeringen onder de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk wordt voor iedere week van werk-

zaamheid in loondienst onder de wetgeving van een andere lidstaat, die in loop van het

betreffende inkomstenbelastingjaar in de zin van de wetgeving van het Verenigd

Koninkrijk is begonnen, de betrokkene geacht bijdragen of premies als werknemer te

hebben betaald, of inkomen te hebben genoten waarover bijdragen of premies zijn

betaald, op basis van een beloning gelijk aan twee derde van de voor dat jaar geldende

maximumloongrens.

(2) Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b) ii),:

  • a) 
    wordt een werknemer, die in een op of na 6 april 1975 aangevangen inkomsten belastingjaar uitsluitend in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk tijd-

vakken van verzekering, van werkzaamheid in loondienst of van wonen heeft

vervuld, indien de toepassing van punt 1 tot gevolg heeft dat dat jaar voor de

toepassing van artikel 52, lid 1, onder b) i), van deze verordening als een in

aanmerking te nemen jaar in de zin van de wetgeving van het Verenigd

Koninkrijk geldt, geacht in dat jaar in die andere lidstaat gedurende 52 weken

verzekerd te zijn geweest;

  • b) 
    worden, indien enig op of na 6 april 1975 aangevangen inkomstenbelastingjaar voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b) i), niet geldt als een in

aanmerking te nemen jaar in de zin van de wetgeving van het Verenigd

Koninkrijk, alle in dat jaar vervulde tijdvakken van verzekering, van werk-

zaamheid in loondienst of van wonen buiten beschouwing gelaten.

(3) Voor de omrekening van een loonfactor in tijdvakken van verzekering wordt de loon factor verkregen gedurende het desbetreffende inkomstenbelastingjaar in de zin van de

wetgeving van het Verenigd Koninkrijk gedeeld door de voor dat belastingjaar geldende

minimumloongrens. De uitkomst wordt in gehele getallen weergegeven met verwaar-

lozing van de decimalen. Het aldus berekende getal wordt geacht het aantal weken van

verzekering dat gedurende dat belastingjaar onder de wetgeving van het Verenigd

Koninkrijk is vervuld, te vertegenwoordigen. Dit getal kan evenwel niet hoger zijn dan

het aantal weken gedurende welke de betrokkene in de loop van dat belastingjaar aan

deze wetgeving onderworpen was.".

BIJLAGE II

TOELICHTING

De tekst die aan de Raad moet worden voorgelegd, bestrijkt slechts een deel van het voorstel van de

Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Veror-

dening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en tot vast-

stelling van de inhoud van bijlage XI. De bespreking van dit deel liep parallel aan de bespreking

van titel III, hoofdstuk IV van het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling

van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de

socialezekerheidsstelsels.

De rest van het voorstel wordt in de loop van de komende maanden besproken.

Aangezien een wetgevingstekst alleen in zijn geheel definitief kan worden aangenomen, wordt een

deelakkoord over deze tekst per definitie later opnieuw bezien, afhankelijk van de ontwikkelingen

met betrekking tot de rest van de tekst.

Dit geldt in het bijzonder voor de eventuele invoeging van een nieuw artikel 11 bis in de ontwerp-

verordening, als voorgesteld door de Oostenrijkse delegatie (DS 576/06); de Administratieve

Commissie gaat na welke gevolgen de invoeging van een dergelijk artikel zou hebben voor alle

hoofdstukken van de voorgestelde toepassingsverordening en bijgevolg voor alle relevante vermel-

dingen in bijlage XI.

Of deze tekst door de delegaties kan worden aanvaard, hangt bovendien af van de definitieve goed-

keuring van de ontwerp-verordening tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening

(EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

____________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie