LUCHTVAART Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart - Politiek akkoord:resultaat van de Raad TTE van 12.10.2006

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart

  • Politiek akkoord: resultaat van de Raad TTE van 12.10.2006
  • 1. 
    Voor de delegaties gaat in de bijlage de tekst van de ontwerp-verordening waarover de Raad TTE op 12 oktober 2006 een politiek akkoord heeft bereikt met het oog op de vaststelling van

een gemeenschappelijk standpunt.

  • 2. 
    De Commissie, die het politieke akkoord steunt, heeft de verklaringen voor de Raadszitting waarin de verordening definitief zal worden aangenomen, bevestigd zoals zij ze had ingediend

toen de algemene oriëntatie werd bereikt (zie doc. 7910/06).

  • 3. 
    De tekst zal nu voor bijwerking aan de juristen/vertalers worden voorgelegd, waarna de Raad zal worden verzocht zijn gemeenschappelijk standpunt formeel vast te stellen als A-punt op

de agenda van een volgende zitting.

____________________

BIJLAGE

Ontwerp

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80,

lid 2,

1

Gezien het voorstel van de Commissie , 2

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 3 , 4

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Met het oog op de bescherming van personen en goederen in de Europese Unie moeten gemeenschappelijke regels voor de beveiliging van de burgerluchtvaart worden opgesteld om

wederrechtelijke daden tegen burgerluchtvaartuigen te voorkomen. Daartoe moeten gemeen-

schappelijke regels en normen voor de beveiliging van de luchtvaart worden vastgesteld en

mechanismen voor het toezicht op de naleving van deze regels en normen worden opgezet.

(2) Met het oog op de beveiliging van de burgerluchtvaart in het algemeen is het wenselijk de basis te leggen voor een gemeenschappelijke interpretatie van bijlage 17 (versie van

april 2002) van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op

7 december 1944 is gesloten.

1

PB C [...] van [...], blz. [...]. 2

PB C [...] van [...], blz. [...]. 3

PB C [...] van [...], blz. [...]. 4

PB C [...] van [...], blz. [...].

(3) Naar aanleiding van de gebeurtenissen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten is Verordening (EG) nr. 2320/2002 van het Europees Parlement en de Raad van

16 december 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de

5

beveiliging van de burgerluchtvaart goedgekeurd.

(4) De inhoud van Verordening (EG) nr. 2320/2002 moet worden herzien in het licht van de opgedane ervaring en de verordening moet worden vervangen door een nieuw besluit waarin

gestreefd wordt naar vereenvoudiging, harmonisering en verduidelijking van de bestaande

regels en naar verbetering van het beveiligingsniveau.

(5) Om tegemoet te komen aan de evoluerende risicobeoordelingen en om de introductie van nieuwe technologieën mogelijk te maken, is er behoefte aan meer flexibiliteit bij het vast-

stellen van beveiligingsmaatregelen en ­procedures; in het nieuwe besluit moeten daarom de

basisbeginselen worden vastgelegd voor de maatregelen die genomen moeten worden om de

burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden, zonder dat evenwel technische

en procedurele bijzonderheden worden vastgesteld ten aanzien van de wijze waarop deze

beginselen moeten worden toegepast.

(6) Het nieuwe besluit moet van toepassing zijn op burgerluchthavens op het grondgebied van een lidstaat, op exploitanten die diensten aanbieden op deze luchthavens en op entiteiten die

goederen en/of diensten aan of via deze luchthavens leveren.

(7) Onverminderd het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Tokio, 1963), het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk

in zijn macht brengen van luchtvaartuigen (Den Haag, 1970) en het Verdrag ter bestrijding

van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart

(Montreal, 1971), moet het nieuwe besluit ook betrekking hebben op beveiligingsmaatregelen

aan boord van luchtvaartuigen of tijdens vluchten van communautaire luchtvaart-

maatschappijen.

5

PB L 355 van 30.12.2002, blz. 1.

(7 bis) Iedere lidstaat mag zelf beslissen of er meereizende beveiligingsagenten worden ingezet op

luchtvaartuigen die in die lidstaat geregistreerd zijn en op luchtvaartuigen van luchtvaart-

maatschappijen die een vergunning van die lidstaat hebben gekregen.

(8) De bedreiging is niet even groot voor de verschillende types burgerluchtvaart. Bij het vaststellen van gemeenschappelijke normen voor de beveiliging van de luchtvaart moet

rekening worden gehouden met de grootte van het luchtvaartuig, de aard van de exploitatie

en/of de frequentie van de activiteiten op luchthavens, zodat eventueel afwijkingen kunnen

worden toegestaan.

(9) De lidstaten moeten ook toestemming krijgen om, op basis van een risicobeoordeling, striktere normen toe te passen dan de nog vast te stellen gemeenschappelijke normen.

(10) Het is mogelijk dat derde landen vragen dat andere dan de in dit besluit vastgestelde

maatregelen worden toegepast voor vluchten vanuit een luchthaven van een lidstaat naar of

over dat derde land. Onverminderd de bilaterale overeenkomsten die de Gemeenschap heeft

gesloten, moet de Commissie de door het derde land vereiste maatregelen kunnen bestuderen.

(11) Hoewel het mogelijk is dat in een en dezelfde lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij

de beveiliging van de luchtvaart, moet elke lidstaat één autoriteit aanwijzen die de toepassing

van de beveiligingsnormen moet coördineren en toezicht moet houden op de toepassing van

deze normen.

(12) Teneinde vast te stellen wie verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de gemeen-

schappelijke normen en te beschrijven welke maatregelen de exploitanten en andere entiteiten

daartoe moeten nemen, moet elke lidstaat een nationaal programma voor de beveiliging van

de burgerluchtvaart opstellen. Voorts moeten alle luchthavenexploitanten, luchtvaart-

maatschappijen en entiteiten die de normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen

een beveiligingsprogramma opstellen, toepassen en instandhouden om zowel aan het nieuwe

besluit als aan alle toepasselijke nationale programma's voor de beveiliging van de burger-

luchtvaart te voldoen.

(13) Om toezicht te kunnen houden op de naleving van het nieuwe besluit en het nationale

programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart, moet elke lidstaat een nationaal

programma opstellen om de kwaliteit van de beveiliging van de burgerluchtvaart te

controleren en ervoor zorgen dat dit programma wordt toegepast.

(14) Om toezicht te kunnen houden op de toepassing van het nieuwe besluit door de lidstaten en

om aanbevelingen ter verbetering van de beveiliging van de luchtvaart te kunnen doen, moet

de Commissie inspecties uitvoeren, waaronder onaangekondigde inspecties.

(15) Uitvoeringsbesluiten waarin de gemeenschappelijke maatregelen en procedures voor de

tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke normen worden vastgesteld en gevoelige

beveiligingsinformatie is opgenomen, de inspectieverslagen van de Commissie en de

antwoorden van nationale autoriteiten moeten worden beschouwd als "gerubriceerde EU-

gegevens" in de zin van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van

6

29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde . Deze gegevens mogen niet worden bekendgemaakt; ze mogen alleen ter beschikking worden gesteld van exploitanten en

entiteiten die er een gewettigd belang bij hebben.

(16) De maatregelen en procedures ter uitvoering van deze verordening moeten worden

aangenomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot

vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende

7

uitvoeringsbevoegdheden .

(16 bis) Met name is het noodzakelijk gebruik te maken van de regelgevingsprocedure met toetsing

voor maatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van

deze verordening, ook wanneer de wijziging behelst dat sommige van deze niet-essentiële

onderdelen worden geschrapt of dat deze verordening wordt aangevuld met nieuwe niet-

essentiële onderdelen; naar dergelijke maatregelen wordt verwezen in de artikelen 4, lid 3,

en 9 bis, lid 2, van deze verordening.

6

PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1. 7

PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(17) Er dient te worden gestreefd naar "one stop security" voor alle vluchten binnen de Europese

Unie.

(17 bis) Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van veiligheidsmaatregelen in de

luchtvaart, met inbegrip van de maatregelen betreffende het vervoer van gevaarlijke

goederen.

(18) Er moeten sancties worden vastgesteld voor overtredingen van de bepalingen van deze

verordening. Die sancties, die van civiel- of bestuursrechtelijke aard kunnen zijn, moeten

doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(19) De ministeriële verklaring over de luchthaven van Gibraltar waarover op 18 september 2006

te Cordoba een akkoord is bereikt tijdens de eerste ministeriële bijeenkomst van het Forum

voor dialoog over Gibraltar, zal de op 2 december 1987 te Londen afgelegde gemeen-

schappelijke verklaring over de luchthaven vervangen, en de volledige naleving ervan zal als

de naleving van de verklaring van 1987 worden beschouwd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen

  • 1. 
    In deze verordening worden gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden.

In deze verordening wordt ook de basis gelegd voor een gemeenschappelijke interpretatie van

bijlage 17 van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op

7 december 1944 is gesloten.

  • 2. 
    De doelstellingen van lid 1 worden bereikt door middel van:
  • a) 
    het vaststellen van gemeenschappelijke regels en gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de luchtvaart;
  • b) 
    mechanismen voor toezicht op de naleving van deze regels en basisnormen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

  • 1. 
    Deze verordening is van toepassing op:
  • a) 
    alle luchthavens of delen van luchthavens op het grondgebied van een lidstaat die niet uitsluitend voor militaire doeleinden worden gebruikt;
  • b) 
    alle exploitanten, inclusief luchtvaartmaatschappijen, die diensten verlenen op de onder a) bedoelde luchthavens;
  • c) 
    alle entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen en die werk zaam zijn vanuit plaatsen die binnen of buiten luchthavens zijn gevestigd en goederen

en/of diensten leveren aan of via de onder a) bedoelde luchthavens.

  • 2. 
    De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar laat de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het

geschil inzake de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven gelegen is,

onverlet.

Artikel 3

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

(1) "burgerluchtvaart": alle luchtvaartactiviteiten van burgerluchtvaartuigen, behalve activiteiten die worden uitgevoerd door de in artikel 3 van het Verdrag van Chicago inzake de inter-

nationale burgerluchtvaart uit 1944 vermelde staatsluchtvaartuigen;

(2) beveiliging van de luchtvaart": de combinatie van maatregelen en menselijke en materiële hulpbronnen, bedoeld om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden;

(3) "exploitant": een persoon, organisatie of onderneming die betrokken is of wil worden bij een luchtvervoersactiviteit;

(4) "luchtvaartmaatschappij": een luchtvervoersonderneming met een geldige exploitatie vergunning of een equivalent ervan;

(5) "communautaire luchtvaartmaatschappij": een luchtvaartmaatschappij met een door een 8

lidstaat overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2407/92 afgegeven geldige exploitatie vergunning;

(5 bis) "entiteit": een andere persoon, organisatie of onderneming dan de in punt 3 bedoelde

exploitant;

(6) "verboden voorwerpen": wapens, explosieven of andere gevaarlijke apparaten, voorwerpen of stoffen die kunnen worden gebruikt om een wederrechtelijke daad te begaan;

(7) "beveiligingsonderzoek": de toepassing van technische en andere middelen die tot doel hebben verboden voorwerpen te identificeren en/of te detecteren;

(8) "beveiligingscontrole ": de toepassing van middelen om het binnenbrengen van verboden voorwerpen te kunnen voorkomen;

(9) "toegangscontrole": de toepassing van middelen om de toegang van onbevoegde personen of verboden voertuigen, of beide, te kunnen voorkomen;

(10) "luchtzijde": de zone van een luchthaven waar de vliegtuigbewegingen plaatsvinden, de

aangrenzende terreinen en gebouwen of delen daarvan; de toegang tot deze zone is beperkt;

(11) "landzijde": de zone van een luchthaven, de aangrenzende terreinen en de gebouwen of delen

daarvan die niet tot de luchtzijde behoren;

(12) "om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone": het gedeelte van de luchtzijde waartoe

niet alleen de toegang beperkt is, maar waar ook andere normen voor de beveiliging van de

luchtvaart van toepassing zijn;

8

PB L 240 van 24.8.1992, blz. 1.

(13) "afgebakende zone": een zone die door middel van toegangscontroles afgescheiden is van

ofwel om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones ofwel, als de afgebakende zone

zelf een om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone is, van andere om beveiligings-

redenen beperkt toegankelijke zones van een luchthaven;

(14) "achtergrondcontrole": een geregistreerde controle van de identiteit van een persoon, met

inbegrip van een eventueel strafblad, als deel van de beoordeling of die persoon in

aanmerking komt voor niet-begeleide toegang tot zones met een om beveiligingsredenen

beperkte toegang;

(15) "transferpassagiers, -bagage, -vracht of -post": passagiers, bagage, vracht of post die

vertrekken/vertrekt met een ander luchtvaartuig dan dat van aankomst;

(16) "transitpassagiers, -bagage, -vracht of -post": passagiers, bagage, vracht of post die

vertrekken/vertrekt met hetzelfde luchtvaartuig als dat van aankomst;

(17) "passagier die de orde kan verstoren": een uitgewezen persoon, een persoon die om

immigratieredenen het land niet mag binnenkomen of een persoon in wettelijke hechtenis;

(18) "cabinebagage": bagage die bestemd is om in de cabine van een luchtvaartuig te worden

vervoerd;

(19) "ruimbagage": bagage die bestemd is om in het ruim van een luchtvaartuig te worden

vervoerd;

(20) "begeleide ruimbagage": bagage die wordt vervoerd in het ruim van een luchtvaartuig en die

voor een vlucht is ingecheckt door een passagier die met diezelfde vlucht reist;

(21) "bedrijfspost van een luchtvaartmaatschappij": post die als afzender en als geadresseerde een

luchtvaartmaatschappij heeft;

(22) "bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij": materieel dat als origine en als

bestemming een luchtvaartmaatschappij heeft of dat door een luchtvaartmaatschappij wordt

gebruikt;

(22 bis) "post": zendingen van correspondentie en andere voorwerpen die aangeboden worden door

en bedoeld zijn voor levering aan postdiensten overeenkomstig de regels van de

Wereldpostunie (UPU);

(23) "vracht": goederen, met uitzondering van bagage, post, bedrijfspost van een luchtvaart-

maatschappij, bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij en vluchtbenodigdheden, die

bestemd zijn voor vervoer in een luchtvaartuig;

(24) "erkend agent": een luchtvaartmaatschappij, agent, expediteur of andere entiteit die overeen-

komstig deze verordening zorg draagt voor de beveiligingscontroles met betrekking tot vracht

of post;

(25) "bekende afzender": een afzender die voor eigen rekening vracht of post voor vervoer aan-

biedt en wiens procedures in voldoende mate aan de gemeenschappelijke beveiligingsregels

en -normen beantwoorden om deze vracht of post met om het even welk luchtvaartuig te

vervoeren;

(26) "accountafzender": een afzender die voor eigen rekening vracht of post voor vervoer aanbiedt

en wiens procedures in voldoende mate aan de gemeenschappelijke beveiligingsregels en -

normen beantwoorden om deze vracht met om het even welk vrachtvliegtuig of post met om

het even welk postvliegtuig te vervoeren;

(27) "beveiligingscontrole van een luchtvaartuig": een inspectie van die delen van de binnenkant

van een vliegtuig waartoe passagiers zich toegang kunnen hebben verschaft en een inspectie

van het ruim om verboden voorwerpen en wederrechtelijke daden tegen het luchtvaartuig op

te sporen;

(28) "beveiligingsdoorzoeking van een luchtvaartuig": een inspectie van de binnenkant en de

toegankelijke delen van de buitenkant van het luchtvaartuig om verboden voorwerpen en

wederrechtelijke daden tegen het luchtvaartuig op te sporen;

(29) "meereizend beveiligingsagent": persoon die door een staat is aangesteld en die meereist aan

boord van luchtvaartuigen van luchtvaartmaatschappijen die een vergunning van die staat

hebben gekregen teneinde die luchtvaartuigen en de inzittenden ervan te beschermen tegen

wederrechtelijke daden.

Artikel 4

Gemeenschappelijke basisnormen

  • 1. 
    De gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden zijn vastgesteld in de bijlage.
  • 2. 
    Volgens de procedure van artikel 16, lid 2, worden gedetailleerde maatregelen vastgesteld voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.

Deze maatregelen hebben met name betrekking op:

  • a) 
    methodes voor het uitvoeren van beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles en andere beveiligingscontroles;
  • b) 
    methodes om beveiligingscontroles en beveiligingsdoorzoekingen van luchtvaartuigen uit te voeren;
  • c) 
    verboden voorwerpen;
  • d) 
    prestatiecriteria en acceptatietests voor apparatuur; e) rekrutering van personeel en opleidingseisen;
  • f) 
    de definiëring van kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones;
  • g) 
    de verplichtingen van en de valideringsprocedures voor erkende agenten, bekende afzenders en accountafzenders;
  • h) 
    categorieën van personen, goederen en luchtvaartuigen die om objectieve redenen speciale beveiligingsprocedures moeten doorlopen of worden vrijgesteld van

beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles of andere beveiligingscontroles.

  • 3. 
    De Commissie stelt, door wijziging van deze verordening bij een besluit volgens de procedure van artikel 16, lid 2 bis, criteria vast om de lidstaten toe te staan af te wijken van de in lid 1

bedoelde gemeenschappelijke basisnormen en op basis van een plaatselijke risicobeoordeling

beveiligingsmaatregelen vast te stellen die een passend beschermingsniveau bieden. Deze

alternatieve maatregelen worden gemotiveerd met redenen die te maken hebben met de

grootte van het luchtvaartuig, of met redenen die te maken hebben met de aard, de schaal of

de frequentie van de luchtvaart- of andere relevante activiteiten.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze maatregelen.

  • 4. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen op hun grondgebied worden toegepast. Wanneer een lidstaat reden heeft om aan te nemen dat door

een inbreuk op de beveiliging afbreuk is gedaan aan het beveiligingsniveau, zorgt hij ervoor

dat er onmiddellijk passende maatregelen worden genomen om die inbreuk ongedaan te

maken en te waarborgen dat de burgerluchtvaart beveiligd blijft.

Artikel 5

Strengere maatregelen van lidstaten

  • 1. 
    De lidstaten mogen maatregelen toepassen die strenger zijn dan de in artikel 4 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen. Zij gaan daarbij te werk op basis van een risicobeoordeling

en overeenkomstig de communautaire regelgeving. Strengere maatregelen moeten relevant,

objectief en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het bestreden risico.

  • 2. 
    De lidstaten stellen de Commissie zo spoedig mogelijk na de toepassing van die maatregelen daarvan in kennis. Na ontvangst van een dergelijke kennisgeving geeft de Commissie deze

informatie door aan de andere lidstaten.

  • 3. 
    De lidstaten behoeven de Commissie niet in kennis te stellen van maatregelen die beperkt blijven tot een welbepaalde vlucht op een specifieke datum.

Artikel 6

Door derde landen vereiste beveiligingsmaatregelen

  • 1. 
    Onverminderd de bilaterale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap partij is, stelt een lidstaat de Commissie in kennis van door derde landen vereiste maatregelen voorzover deze

afwijken van de in artikel 4 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen voor vluchten vanuit

een luchthaven van een lidstaat naar of over dat derde land.

  • 2. 
    Op verzoek van de betrokken lidstaat of op eigen initiatief onderzoekt de Commissie de toepassing van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde maatregelen en kan zij volgens de

procedure van artikel 16, lid 2, een passend antwoord aan het betrokken derde land opstellen.

  • 3. 
    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer:
  • a) 
    de betrokken lidstaat de desbetreffende maatregelen overeenkomstig artikel 5 toepast; of b) de vereiste van het derde land beperkt blijft tot een welbepaalde vlucht op een specifieke datum.

Artikel 7

Bevoegde autoriteit

Als in een en dezelfde lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de

luchtvaart, duidt die lidstaat één autoriteit aan (hierna "de bevoegde autoriteit" genoemd) die

verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de in artikel 4

bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.

Artikel 8

[geschrapt]

Artikel 9

Nationaal programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart

  • 1. 
    Elke lidstaat moet een nationaal programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart opstellen, toepassen en instandhouden.

In dat programma worden de verantwoordelijkheden voor de toepassing van de in artikel 4

bedoelde gemeenschappelijke basisnormen vastgesteld en worden de daartoe door de

exploitanten en entiteiten te nemen maatregelen beschreven.

  • 2. 
    De bevoegde autoriteit stelt de exploitanten en entiteiten die er naar haar mening een gewettigd belang bij hebben, op een "need-to-know"-basis schriftelijk in kennis van de

passende delen van het nationaal programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart.

Artikel 9 bis

Nationaal kwaliteitscontroleprogramma

  • 1. 
    Elke lidstaat moet een nationaal kwaliteitscontroleprogramma opstellen, toepassen en instandhouden.

Dat programma stelt de lidstaten in staat de kwaliteit van de beveiliging van de burger-

luchtvaart te controleren en na te gaan of aan deze verordening en aan het nationaal

programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart is voldaan.

  • 2. 
    De specificaties van het nationaal kwaliteitscontroleprogramma worden vastgesteld door wijziging van deze verordening middels toevoeging van een bijlage volgens de procedure van

artikel 16, lid 2 bis.

Het programma maakt het mogelijk tekortkomingen snel op te sporen en te corrigeren. Het

programma bepaalt ook dat alle luchthavens, exploitanten en entiteiten die verantwoordelijk

zijn voor de toepassing van beveiligingsnormen en die op het grondgebied van de betrokken

lidstaat zijn gevestigd, geregeld rechtstreeks door of onder toezicht van de bevoegde autoriteit

worden gecontroleerd.

Artikel 10

Programma voor beveiliging van de luchthaven

  • 1. 
    Elke luchthavenexploitant moet een programma voor beveiliging van de luchthaven opstellen, toepassen en instandhouden.

In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de luchthavenexploitant

dient te volgen om te voldoen aan deze verordening en aan het nationaal programma voor

beveiliging van de burgerluchtvaart dat is opgesteld door de lidstaat waarin de luchthaven is

gevestigd.

Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt beschreven

hoe de luchthavenexploitant toezicht houdt op de naleving van deze methodes en procedures.

  • 2. 
    Het programma voor luchthavenbeveiliging wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit, die indien nodig verdere maatregelen kan nemen.

Artikel 11

Programma voor beveiliging van de luchtvaartmaatschappij

  • 1. 
    Elke luchtvaartmaatschappij moet een programma voor beveiliging van de luchtvaart maatschappij opstellen, toepassen en instandhouden.

In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de luchtvaartmaatschappij

dient te volgen om te voldoen aan deze verordening en aan het nationaal programma voor

beveiliging van de burgerluchtvaart dat is opgesteld door de lidstaat van waaruit hij diensten

verleent.

Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt beschreven

hoe de luchtvaartmaatschappij toezicht houdt op de naleving van deze methodes en

procedures.

  • 2. 
    Op verzoek wordt het programma voor beveiliging van de luchtvaartmaatschappij ingediend bij de bevoegde autoriteit, die indien nodig verdere maatregelen kan nemen.
  • 3. 
    Wanneer een programma voor beveiliging van een communautaire luchtvaartmaatschappij is gevalideerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de exploitatievergunning verleent,

wordt de luchtvaartmaatschappij door alle andere lidstaten erkend als een maatschappij die

voldoet aan de eisen van lid 1. Dit doet geen afbreuk aan het recht van een lidstaat om van een

luchtvaartmaatschappij nadere bijzonderheden te verlangen inzake de uitvoering door die

maatschappij van:

  • a) 
    de beveiligingsmaatregelen die deze lidstaat uit hoofde van artikel 5 voorschrijft;

en/of

  • b) 
    plaatselijke procedures die van toepassing zijn op de luchthavens waarop zij vliegt.

Artikel 12

Programma voor beveiliging van de entiteit

  • 1. 
    Alle entiteiten die volgens het in artikel 9 bedoelde nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart normen voor de beveiliging van de luchtvaart moeten toepassen,

moeten een beveiligingsprogramma opstellen, toepassen en instandhouden.

In dat programma wordt beschreven welke methodes en procedures de entiteit dient te volgen

om te voldoen aan het nationaal programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart van de

lidstaat wat betreft zijn activiteiten in die lidstaat.

Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt beschreven

hoe de entiteit zelf toezicht dient te houden op de naleving van deze methodes en procedures.

  • 2. 
    Op verzoek wordt het programma voor beveiliging van de entiteit die normen inzake beveiliging van de luchtvaart toepast, ingediend bij de bevoegde autoriteit, die indien nodig

verdere maatregelen kan nemen.

Artikel 13

[thans artikel 9 bis]

Artikel 14

Inspecties door de Commissie

  • 1. 
    In samenwerking met de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat voert de Commissie inspecties uit, inclusief inspecties van luchthavens, exploitanten en entiteiten die normen voor

de beveiliging van de luchtvaart toepassen, teneinde toezicht te houden op de toepassing van

deze verordening door de lidstaten en indien nodig aanbevelingen te doen om de beveiliging

van de luchtvaart te verbeteren. Hiertoe stelt de bevoegde autoriteit de Commissie schriftelijk

in kennis van alle burgerluchthavens op haar grondgebied, behalve de luchthavens die onder

artikel 4, lid 3, vallen.

De procedures voor de uitvoering van inspecties door de Commissie worden vastgesteld

volgens de procedure van artikel 16, lid 2.

  • 2. 
    De inspecties door de Commissie van luchthavens, exploitanten en entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen, vinden onaangekondigd plaats. De Commissie

licht de bij een inspectie betrokken lidstaten daar tijdig van tevoren over in.

  • 3. 
    Elk inspectieverslag van de Commissie wordt aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat meegedeeld; in haar antwoord moet deze autoriteit aangeven welke maatregelen

worden genomen om eventuele vastgestelde tekortkomingen te corrigeren.

Het verslag van de Commissie en het antwoord van de bevoegde autoriteit worden vervolgens

ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat.

Artikel 15

Verspreiding van informatie

Met het oog op Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom worden de volgende documenten beschouwd

als "gerubriceerde EU-gegevens", die niet openbaar mogen worden gemaakt:

  • a) 
    de in artikel 4, leden 2 en 3, artikel 5, eerste alinea, en artikel 6, lid 1, vermelde maatregelen en procedures, als deze gevoelige beveiligingsinformatie bevatten;
  • b) 
    inspectieverslagen van de Commissie en antwoorden van de bevoegde autoriteiten, als bedoeld in artikel 14, lid 3.

Artikel 16

Comité

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een comité (hierna "het Comité" genoemd).
  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een

maand.

2 bis. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4 en lid 6,

en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat

besluit.

  • 3. 
    Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 17

[Geschrapt]

Artikel 18

Sancties

De lidstaten stellen regels vast betreffende de sancties die gelden voor overtredingen van deze

verordening en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ze worden toegepast. De

sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 19

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2320/2002 wordt ingetrokken.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op ..... (*).

Ze is van toepassing vanaf ... (**), behalve artikel 4, leden 2 en 3, artikel 9 bis, lid 2, artikel 14,

lid 1, en artikel 16, die van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter

(*) De twintigste dag volgende op die van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese

Unie

(**) twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de verordening

Bijlage bij de BIJLAGE

GEMEENSCHAPPELIJKE BASISNORMEN VOOR DE BEVEILIGING VAN DE

BURGERLUCHTVAART TEGEN WEDERRECHTELIJKE DADEN (ARTIKEL 4)

  • 1. 
    VEILIGHEID VAN LUCHTHAVENS

1.1 Eisen in verband met het ontwerp van de luchthaven

  • 1. 
    Bij het ontwerp en de bouw van nieuwe luchthaveninstallaties of de verbouwing van bestaande luchthaveninstallaties moet ten volle rekening worden gehouden met de eisen voor

de toepassing van de in deze bijlage en in de uitvoeringsbesluiten vermelde gemeen-

schappelijke basisnormen.

  • 2. 
    Luchthavens worden ingedeeld in de volgende zones:
  • a) 
    landzijde;
  • b) 
    luchtzijde;
  • c) 
    om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones; en
  • d) 
    kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones.

1.2 Toegangscontrole

  • 1. 
    De toegang tot de luchtzijde wordt beperkt om onbevoegde personen en verboden voertuigen te beletten deze zones binnen te komen.
  • 2. 
    De toegang tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones wordt gecontroleerd om te waarborgen dat geen onbevoegde personen en verboden voertuigen deze zones

binnenkomen.

  • 3. 
    Personen en voertuigen krijgen alleen toegang tot de luchtzijde en tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones als ze aan de vereiste veiligheidsvoorwaarden beantwoorden.
  • 4. 
    Personen, met inbegrip van bemanningsleden, moeten met succes een achtergrondcontrole hebben doorlopen alvorens ze een bemanningsidentificatiekaart of een luchthaven-

identificatiekaart krijgen die niet-begeleide toegang verleent tot zones met een om

beveiligingsredenen beperkte toegang.

1.3 Beveiligingsonderzoeken van personen die geen passagier zijn en van de voorwerpen die

zij bij zich dragen

  • 1. 
    Personen die geen passagier zijn en de voorwerpen die zij bij zich dragen, worden door middel van voortdurende steekproeven onderzocht bij het binnenkomen van om beveiligings-

redenen beperkt toegankelijke zones teneinde te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze

zones worden binnengebracht.

  • 2. 
    Alle personen die geen passagier zijn en de voorwerpen die zij bij zich dragen, worden onderzocht bij het binnenkomen van kritieke delen van om beveiligingsredenen beperkt

toegankelijke zones teneinde te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze kritieke delen

worden binnengebracht.

1.4 Onderzoek van voertuigen

Voertuigen die een om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zone binnenkomen, worden

onderzocht teneinde te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze zones worden binnengebracht.

1.5 Bewaking, patrouilles en andere fysieke controles

In luchthavens en, indien nodig, in aangrenzende gebieden die openbaar toegankelijk zijn, vinden

bewaking, patrouilles en andere fysieke controles plaats om verdachte gedragingen en zwakke

punten die kunnen worden misbruikt om wederrechtelijke daden te stellen, op te sporen, en om

personen te beletten dergelijke daden te stellen.

  • 2. 
    AFGEBAKENDE ZONES VAN LUCHTHAVENS

Luchtvaartuigen die geparkeerd zijn in afgebakende zones van luchthavens waarop de in artikel 4,

lid 3, bedoelde alternatieve maatregelen van toepassing zijn, worden gescheiden van lucht-

vaartuigen waarop de in de bijlage vastgestelde gemeenschappelijke basisnormen volledig van

toepassing zijn om ervoor te zorgen dat de veiligheidsnormen die worden toegepast op de

laatstgenoemde luchtvaartuigen en op hun passagiers, bagage, vracht en post niet in het gedrang

komen.

  • 3. 
    BEVEILIGING VAN LUCHTVAARTUIGEN
  • 1. 
    Voor het vertrek wordt een luchtvaartuig onderworpen aan een beveiligingscontrole of een beveiligingsdoorzoeking van vliegtuigen om te garanderen dat zich geen verboden voor-

werpen aan boord bevinden. Een luchtvaartuig in transit mag aan alternatieve maatregelen

worden onderworpen.

  • 2. 
    Elk luchtvaartuig wordt beschermd tegen manipulatie door onbevoegden.
  • 4. 
    PASSAGIERS EN CABINEBAGAGE

4.1 Beveiligingsonderzoek van passagiers en cabinebagage

  • 1. 
    Alle passagiers die voor een eerste vlucht vertrekken, alsmede de transfer- en transitpassagiers en hun cabinebagage worden aan een beveiligingsonderzoek onderworpen om te voorkomen

dat verboden voorwerpen in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones of aan boord

van luchtvaartuigen worden gebracht.

  • 2. 
    Transferpassagiers en hun cabinebagage kunnen worden vrijgesteld van deze beveiligings onderzoeken als:
  • a) 
    ze aankomen uit een lidstaat, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun cabinebagage niet kunnen worden

beschouwd als onderzocht volgens de gemeenschappelijke basisnormen; of

  • b) 
    ze aankomen uit een derde land waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de procedure van artikel 16, lid 2, zijn erkend als gelijkwaardig aan de communautaire

normen.

  • 3. 
    Transitpassagiers en hun cabinebagage kunnen worden vrijgesteld van deze beveiligings onderzoeken als:
  • a) 
    ze aan boord van het luchtvaartuig blijven; of
  • b) 
    ze zich niet mengen met onderzochte vertrekkende passagiers, met uitzondering van passagiers die hetzelfde luchtvaartuig nemen; of
  • c) 
    ze aankomen uit een lidstaat, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun cabinebagage niet kunnen worden

beschouwd als onderzocht volgens de gemeenschappelijke basisnormen; of

  • d) 
    ze aankomen uit een derde land waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de procedure van artikel 16, lid 2, zijn erkend als gelijkwaardig aan de communautaire

normen.

4.2 Bescherming van passagiers en cabinebagage

  • 1. 
    Passagiers en hun cabinebagage worden beschermd tegen manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop ze zijn onderzocht tot het vertrek van het luchtvaartuig waarmee ze

worden vervoerd.

  • 2. 
    Onderzochte vertrekkende passagiers mogen zich niet met aankomende passagiers mengen, behalve wanneer:
  • a) 
    de passagiers aankomen uit een lidstaat, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die passagiers en hun cabinebagage niet kunnen

worden beschouwd als onderzocht volgens de gemeenschappelijke basisnormen; of

  • b) 
    de passagiers aankomen uit een derde land waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de procedure van artikel 16, lid 2, zijn erkend als gelijkwaardig aan de

communautaire normen.

4.3 Passagiers die de orde kunnen verstoren

Passagiers die de orde kunnen verstoren worden vóór vertrek aan passende beveiligingsmaatregelen

onderworpen.

  • 5. 
    RUIMBAGAGE

5.1 Beveiligingsonderzoek van ruimbagage

  • 1. 
    Alle ruimbagage wordt onderzocht alvorens ze in het luchtvaartuig wordt geladen, om te voorkomen dat verboden voorwerpen in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones

of aan boord van luchtvaartuigen worden gebracht.

  • 2. 
    Ruimbagage van transferpassagiers kan worden vrijgesteld van deze beveiligingsonderzoeken als:
  • a) 
    ze aankomt uit een lidstaat, tenzij de Commissie of die lidstaat informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat die ruimbagage niet kan worden beschouwd als onderzocht volgens de

gemeenschappelijke basisnormen; of

  • b) 
    ze aankomt uit een derde land waar beveiligingsnormen worden toegepast die volgens de procedure van artikel 16, lid 2, zijn erkend als gelijkwaardig aan de communautaire

normen.

  • 3. 
    Ruimbagage van transitpassagiers kan worden vrijgesteld van deze beveiligingsonderzoeken als ze aan boord van het luchtvaartuig blijft.

5.2 Bescherming van ruimbagage

Ruimbagage die bestemd is om in een luchtvaartuig te worden vervoerd, wordt beschermd tegen

manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop ze wordt onderzocht of het ogenblik

waarop de luchtvaartmaatschappij de ruimbagage onder zich neemt, indien dit vroeger is, tot het

vertrek van het luchtvaartuig waarin de ruimbagage zal worden vervoerd.

5.3 Controle op ruimbagage in relatie tot de passagiers

  • 1. 
    Elk stuk ruimbagage wordt geïdentificeerd als begeleid of onbegeleid.
  • 2. 
    Onbegeleide ruimbagage wordt niet vervoerd, tenzij die bagage van de passagier gescheiden is door factoren waarover de passagier geen controle heeft of de bagage aan beveiligings-

controles onderworpen is.

  • 6. 
    VRACHT EN POST

6.1 Beveiligingscontroles voor vracht en post

  • 1. 
    Alle vracht en post wordt aan beveiligingscontroles onderworpen alvorens in het luchtvaartuig te worden geladen. Een luchtvaartmaatschappij aanvaardt geen vracht of post voor vervoer in

een luchtvaartuig tenzij zij zelf beveiligingscontroles heeft uitgevoerd of de uitvoering ervan

bevestigd en verantwoord is door een erkend agent, een bekende afzender of een account-

afzender.

  • 2. 
    Transfervracht en transferpost mogen worden onderworpen aan in een uitvoeringsbesluit

gespecificeerde alternatieve beveiligingscontroles.

  • 3. 
    Transitvracht en transitpost kunnen worden vrijgesteld van beveiligingscontroles als ze aan boord van het luchtvaartuig blijven.

6.2 Bescherming van vracht en post

  • 1. 
    Vracht en post die bestemd zijn om in een luchtvaartuig te worden vervoerd, worden beschermd tegen manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop de beveiligings-

controles zijn uitgevoerd tot het vertrek van het luchtvaartuig waarmee de vracht of de post

zal worden vervoerd.

  • 2. 
    Vracht en post die, nadat de beveiligingscontroles zijn uitgevoerd, niet afdoende beschermd zijn tegen manipulatie door onbevoegden, worden onderzocht.
  • 7. 
    BEDRIJFSPOST VAN EEN LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ EN BEDRIJFSMATERIEEL VAN EEN LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ

Om te voorkomen dat verboden voorwerpen aan boord van een luchtvaartuig worden gebracht,

worden bedrijfspost en bedrijfsmaterieel van een luchtvaartmaatschappij aan beveiligingscontroles

onderworpen en vervolgens beschermd tot ze in het luchtvaartuig worden geladen.

  • 8. 
    VLUCHTBENODIGDHEDEN

Om te voorkomen dat verboden voorwerpen aan boord van een luchtvaartuig worden gebracht,

worden vluchtbenodigdheden, inclusief cateringmateriaal, die bestemd zijn voor vervoer of gebruik

in een luchtvaartuig, aan beveiligingscontroles onderworpen en vervolgens beschermd tot ze in het

luchtvaartuig worden geladen.

  • 9. 
    LUCHTHAVENBENODIGDHEDEN

Benodigdheden die in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van luchthavens worden

verkocht of gebruikt, inclusief leveringen voor belastingvrije winkels en restaurants, worden aan

beveiligingscontroles onderworpen om te voorkomen dat verboden voorwerpen in deze zones

worden binnengebracht.

  • 10. 
    BEVEILIGINGSMAATREGELEN TIJDENS DE VLUCHT
  • 1. 
    Onverminderd de toepasselijke veiligheidsmaatregelen in de luchtvaart:
  • a) 
    krijgen onbevoegde personen tijdens een vlucht geen toegang tot de bemanningscabine;
  • b) 
    worden passagiers die de orde kunnen verstoren tijdens een vlucht aan passende beveiligingsmaatregelen onderworpen.
  • 2. 
    Er worden passende beveiligingsmaatregelen genomen, zoals opleiding van het cockpit personeel en het cabinepersoneel, om wederrechtelijke daden gedurende de vlucht te

voorkomen.

  • 3. 
    In de cabine of de cockpit van een luchtvaartuig mogen geen wapens worden gedragen, tenzij de betrokken staten hiervoor overeenkomstig hun respectieve nationale recht toestemming

hebben verleend.

  • 4. 
    Punt 4 is ook van toepassing op meereizende beveiligingsagenten indien zij wapens dragen.
  • 11. 
    RECRUTERING EN OPLEIDING VAN PERSONEEL
  • 1. 
    Personen die beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles of andere beveiligingscontroles uitvoeren of verantwoordelijk zijn voor de uitvoering ervan, worden gerekruteerd, opgeleid

en, in voorkomend geval, gecertificeerd teneinde te garanderen dat ze geschikt zijn voor deze

werkzaamheden en bevoegd zijn om de hen toegewezen taken uit te voeren.

  • 2. 
    Andere personen dan passagiers die toegang moeten hebben tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones, moeten een beveiligingsopleiding volgen alvorens ze een

luchthavenidentificatiekaart of een bemanningsidentificatiekaart krijgen.

  • 3. 
    De in de punten 1 en 2 vermelde opleiding moet een basisopleiding en geregelde herhalings opleidingen omvatten.
  • 4. 
    De instructeurs die de in de punten 1 en 2 vermelde opleiding verstrekken, moeten over de nodige kwalificaties beschikken.
  • 12. 
    BEVEILIGINGSUITRUSTING

De uitrusting die gebruikt wordt voor beveiligingsonderzoeken, toegangscontroles en andere

beveiligingscontroles moet geschikt zijn om de beveiligingscontroles uit te voeren.

__________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie