Gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "Jeugd in Actie" voor de periode 2007-2013

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

BESLUIT Nr. .../.../EG

VAN HET EUROPEES PARLEMENT

EN DE RAAD

van

tot vaststelling van het programma "Jeugd in Actie"

voor de periode 2007-2013

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 149,

lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie,

1

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité , 2

Gezien het advies van het Comité van de Regio's , 3

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ,

1

PB C 234 van 22.9.2005, blz. 46. 2

PB C 71 van 22.3.2005, blz. 34. 3

Advies van het Europees Parlement van 25 oktober 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en Standpunt van het Europees Parlement van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het Verdrag stelt een burgerschap van de Unie in en bepaalt dat het optreden van de Gemeenschap erop gericht is op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding en jeugd met

name de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en jongerenwerkers en

van een onderwijs van hoog gehalte te bevorderen.

(2) Het Verdrag betreffende de Europese Unie berust op de beginselen van vrijheid, democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, gelijk-

heid tussen vrouwen en mannen en discriminatiebestrijding. De bevordering van actief

burgerschap van jongeren zou tot de ontplooiing van deze waarden moeten bijdragen.

(3) Bij Besluit nr. 1031/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2000 1

werd het communautaire actieprogramma "Jeugd" vastgelegd . Aan de hand van de door middel van dit programma opgedane ervaringen dienen de samenwerking en de maat-

regelen van de Gemeenschap op dit terrein te worden voortgezet en versterkt.

(4) Bij Besluit nr. 790/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 werd een communautair actieprogramma ter ondersteuning van organisaties die op

2

Europees niveau actief zijn op het gebied van jeugdzaken vastgelegd .

1

PB L 117 van 18.5.2000, blz. 1. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 885/2004 van de Raad (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 1). 2

PB L 138 van 30.4.2004, blz. 24.

(5) Tijdens de buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad op 23 en 24 maart te Lissabon is een strategisch doel voor de EU overeengekomen, dat onder meer actief

werkgelegenheidsbeleid betreft waarbij meer belang wordt toegekend aan onderwijs en

levenslang leren en dat aangevuld is met de strategie voor duurzame ontwikkeling van de

Europese Raad in Göteborg van 15 en 16 juni 2001.

(6) In de Verklaring van Laken die gehecht is aan de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 14 en 15 december 2001, wordt gesteld dat een van de fundamentele

uitdagingen waarop de Europese Unie een antwoord moet vinden de vraag betreft hoe de

burgers, in de eerste plaats de jongeren, nader tot het Europese project en de Europese

instellingen moeten worden gebracht.

(7) Op 21 november 2001 heeft de Commissie een witboek "Een nieuw elan voor Europa's jeugd" goedgekeurd, waarin een kader voor samenwerking op jeugdgebied wordt voor-

gesteld ter verbetering van inspraak, voorlichting en vrijwilligerswerk van jongeren en het

inzicht in de jongerenproblematiek. Het Europees Parlement heeft zich in zijn resolutie van

1

14 mei 2002 bij deze voorstellen aangesloten.

(8) In de resolutie van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de 2

lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 27 juni 2002 wordt met name een open coördinatiemethode vastgesteld voor de prioriteiten participatie, informatie, vrijwilligers-

werk van jongeren en een betere kennis van jongeren. Hiermee moet bij de uitvoering van

het programma "Jeugd in actie", hierna het programma genoemd, rekening worden

gehouden.

1

PB C 180 E van 31.7.2003, blz. 145. 2

PB C 168 van 13.7.2002, blz. 2.

1

(9) De Raad benadrukt in zijn conclusies van 6 mei 2003 de noodzaak om de bestaande, specifiek op jongeren gerichte communautaire instrumenten in stand te houden en te

ontwikkelen, aangezien zij essentieel zijn voor de ontwikkeling van de samenwerking van

de lidstaten in jeugdzaken en dat voorts de prioriteiten en doelstellingen van deze instru-

menten moeten worden afgestemd op het nieuwe kader voor Europese samenwerking in

jeugdzaken.

(10) De Europese Raad heeft in de voorjaarsbijeenkomst van 22 en 23 maart 2005 een Europees pact voor de jeugd aangenomen, als een van de instrumenten die bijdragen tot de

verwezenlijking van de doelstellingen groei en banen van Lissabon. In het Pact staan drie

gebieden centraal: werkgelegenheid, integratie en sociale promotie; onderwijs, opleiding

en mobiliteit; het combineren van werk en gezin.

(11) Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van het Verdrag omvat het optreden van de Gemeenschap een bijdrage tot onderwijs en opleiding van hoog gehalte en moet het erop gericht zijn de

ongelijkheden tussen vrouwen en mannen op te heffen en de gelijkheid van vrouwen en

mannen te bevorderen.

(12) Er dient tegemoet te worden gekomen aan de bijzondere behoeften van mensen met een handicap.

(13) Het is noodzakelijk actief burgerschap te bevorderen, waarbij bij de uitvoering van de beleidslijnen de bestrijding van alle vormen van uitsluiting en discriminatie, waaronder die

op grond van geslacht, ras, etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap,

leeftijd of seksuele geaardheid, zoals bedoeld in artikel 13, lid 1, van het Verdrag, moet

worden versterkt.

1

PB C 115 van 15.5.2003, blz. 1.

(14) De kandidaat-lidstaten van de Europese Unie en de landen van de EVA, die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, kunnen in overeenstemming met de met hen gesloten overeen-

komsten deelnemen aan de communautaire programma's.

(15) De Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 heeft "de agenda van Thessaloniki voor de westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie" goedgekeurd,

waarin wordt vastgelegd dat landen die betrokken zijn bij het stabilisatie- en associatie-

proces op basis van tussen de Gemeenschap en deze landen te sluiten kaderovereen-

komsten kunnen deelnemen aan de communautaire programma's.

(16) Er moeten stappen worden gedaan om het programma open te stellen voor Zwitserland. (17) De in 1995 tijdens de Europees-mediterrane conferentie goedgekeurde Verklaring van Barcelona bepaalt dat uitwisselingen van jongeren een middel dienen te zijn om toekom-

stige generaties voor te bereiden op een hechtere samenwerking tussen de Europees-

mediterrane partners, zulks met eerbiediging van de beginselen inzake de rechten van de

mens en de fundamentele vrijheden.

(18) De Raad beschouwt in zijn conclusies van 16 juni 2003 op basis van de mededeling van de Commissie "De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met

de oostelijke en zuidelijke buurlanden" intensivering van de culturele samenwerking,

wederzijds begrip en samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met de

nabuurlanden als de voornaaste uitgangspunten voor de maatregelen van de EU.

(19) De tussentijdse evaluatieverslagen van het huidige programma JEUGD en de publieke raadpleging betreffende de toekomst van de communautaire werkzaamheden op het gebied

van onderwijs, opleiding en jongeren maken duidelijk dat er een krachtige - en in sommige

opzichten groeiende - behoefte bestaat aan voortgezette samenwerkings- en mobiliteits-

activiteiten op jeugdgebied op Europees niveau en dringen aan op een eenvoudiger,

gebruikersvriendelijker en soepeler uitvoering hiervan.

(20) Volgens het beginsel van goed financieel beheer, kan de uitvoering van het programma worden vereenvoudigd via forfaitaire financiering door aan deelnemers aan het programma

toegekende steun of door communautaire steun voor nationale structuren voor het beheer

van het programma.

(21) Het programma dient door de Commissie en de lidstaten gezamenlijk te worden gevolgd en regelmatig te worden geëvalueerd, zodat het kan worden aangepast, met name ten

aanzien van de prioriteiten voor de uitvoer van de maatregelen. Hierbij dienen meetbare en

relevante doelstellingen en indicatoren te worden gehanteerd.

(22) De rechtsgrondslag van het programma moet voldoende flexibel geformuleerd worden, zodat de nodige wijzigingen kunnen worden aangebracht in de acties om te kunnen

inspelen op de veranderende behoeften tijdens de periode 2007-2013 en de onnodig

gedetailleerde bepalingen van de voorgaande programma's te vermijden. Daarom moeten

in dit besluit alleen generieke definities van de acties en van de begeleidende admini-

stratieve en financiële bepalingen worden opgenomen.

(23) Het is passend een correcte afsluiting van het programma te verzekeren, in het bijzonder voor wat betreft de voortzetting van meerjarige regelingen voor het beheer van het

programma zoals het financieren van de technische en administratieve bijstand. Vanaf

1 januari 2014 staat de technische en administratieve bijstand, indien noodzakelijk, in voor

het beheer van acties die eind 2013 nog niet zijn afgerond.

(24) Er moet worden voorzien in bijzondere bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement

1

van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen en de uitvoeringsmaatregelen daarvan en in afwijkingen van deze teksten die noodzakelijk zijn

vanwege de kenmerken van de begunstigden en de aard van de acties.

(25) Er moeten passende maatregelen worden genomen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en om verloren, ten onrechte betaalde of verkeerd bestede middelen te kunnen

terugvorderen.

(26) Dit besluit stelt voor de gehele duur van het programma de financiële middelen vast die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure voor de begrotingsautoriteit het voor-

naamste referentiepunt vormen in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel akkoord

van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de

2

begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer .

1

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. 2

PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(27) Daar de doelstellingen van dit besluit niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, omdat daartoe multilaterale partnerschappen, transnationale mobiliteits-

maatregelen en de uitwisseling van informatie op Europees niveau vereist zijn en derhalve

wegens de transnationale en multilaterale dimensie van de acties en maatregelen van dit

programma beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de

Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiari-

teitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde

subsidiariteitsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te

verwezenlijken.

(28) De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen dienen te worden genomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de

voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-

1

bevoegdheden .

(29) Er moeten overgangsmaatregelen worden genomen ten behoeve van het toezicht op de vóór 31 december 2006 begonnen acties overeenkomstig Besluit nr. 1031/2000/EG en

Besluit nr. 790/2004/EG,

BESLUITEN:

1

PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

Artikel 1

Vaststelling van het programma

  • 1. 
    Bij dit besluit wordt het communautaire actieprogramma "JEUGD IN ACTIE" (hierna "het programma" genoemd) vastgesteld, dat tot doel heeft de samenwerking op jeugd-

gebied in de Europese Unie te ontwikkelen.

  • 2. 
    Het programma wordt uitgevoerd in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

Artikel 2

Algemene doelstellingen van het programma

  • 1. 
    De algemene doelstellingen van het programma zijn de volgende:
  • a) 
    bevordering van het actief burgerschap van jongeren in het algemeen en van hun Europees burgerschap in het bijzonder;
  • b) 
    ontwikkeling van de solidariteit en bevordering van de verdraagzaamheid onder jongeren, vooral met het oog op de versterking van de sociale samenhang van de

Europese Unie;

  • c) 
    stimulering van de het wederzijds begrip tussen jongeren in verschillende landen;
  • d) 
    bijdragen tot de ontwikkeling van de kwaliteit van de systemen ter ondersteuning van de activiteiten van jongeren en van de capaciteit van de maatschappelijke organi-

saties op jeugdgebied;

  • e) 
    stimulering van de Europese samenwerking op jeugdgebied.
  • 2. 
    De algemene doelstellingen van het Programma vullen de doelstellingen aan die worden nagestreefd op andere actieterreinen van de Gemeenschap, met name op het gebied van

levenslang leren, met inbegrip van beroepsopleiding, niet-formeel en informeel leren, en

op andere gebieden, zoals cultuur, sport en werkgelegenheid.

  • 3. 
    De algemene doelstellingen van het programma dragen bij tot de ontwikkeling van het beleid van de EU, met name met betrekking tot de erkenning van de culturele en de

multiculturele verscheidenheid en de taaldiversiteit van Europa, de bevordering van de

sociale samenhang en de bestrijding van alle vormen van discriminatie op grond van

geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of

seksuele gerichtheid en met betrekking tot duurzame ontwikkeling.

Artikel 3

Specifieke doelstellingen van het programma

De specifieke doelstellingen van het programma zijn de volgende:

  • 1. 
    In het kader van de algemene doelstelling "Bevordering van actief burgerschap van jongeren in het algemeen en van hun Europees burgerschap in het bijzonder":
  • a) 
    jongeren en jeugdorganisaties de mogelijkheid bieden deel te nemen aan de ontwikkeling van de samenleving in het algemeen en van de EU in het bijzonder;
  • b) 
    bij jongeren het gevoel ontwikkelen dat zij bij de EU horen;
  • c) 
    de participatie van jongeren in het democratische bestel van Europa aanmoedigen; d) de mobiliteit van jongeren in Europa ontwikkelen;
  • e) 
    het intercultureel leren onder jongeren ontwikkelen;
  • f) 
    de fundamentele waarden van de EU, met name de eerbiediging van de menselijke waardigheid, gelijkheid, de eerbiediging van de mensenrechten, verdraagzaamheid

en non-discriminatie onder jongeren propageren;

  • g) 
    initiatief, ondernemingszin en creativiteit bij jongeren aanmoedigen;
  • h) 
    de deelname van kansarme jongeren, waaronder jonge mensen met een handicap, aan het programma bevorderen;
  • i) 
    erop toezien dat het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen bij de deelname aan het programma in acht wordt genomen en dat de gelijke behandeling van beide

geslachten in de acties wordt bevorderd;

  • j) 
    het aanbieden van mogelijkheden tot niet-formeel en informeel leren met een Europese dimensie en het ter beschikking stellen van innovatieve mogelijkheden in

verband met actief burgerschap.

  • 2. 
    In het kader van de algemene doelstelling "Ontwikkeling van de solidariteit en bevordering van de verdraagzaamheid onder jongeren, vooral met het oog op de versterking van de

sociale samenhang van de Europese Unie":

  • a) 
    jongeren de mogelijkheid bieden hun persoonlijke inzet tot uitdrukking te brengen door vrijwilligerswerk op Europees en internationaal niveau;
  • b) 
    jongeren betrekken bij de acties ter bevordering van de solidariteit tussen de burgers van de EU.
  • 3. 
    In het kader van de algemene doelstelling "Stimulering van het wederzijds begrip tussen jongeren in verschillende landen":
  • a) 
    de uitwisselingen en de interculturele dialoog tussen Europese jongeren en jongeren uit naburige landen ontwikkelen;
  • b) 
    in deze landen bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit van de ondersteunings structuren voor jongeren en tot het versterken van de rol van de mensen die actief

zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties;

  • c) 
    met andere landen thematische samenwerking ontwikkelen waarbij jongeren en mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties betrokken zijn.
  • 4. 
    In het kader van de algemene doelstelling "Bijdragen tot de ontwikkeling van de kwaliteit van de systemen ter ondersteuning van de activiteiten van jongeren en aan die van de

capaciteit van de maatschappelijke organisaties op jeugdgebied":

  • a) 
    bijdragen tot het opzetten van netwerken tussen die organisaties;
  • b) 
    de opleiding van en de samenwerking tussen mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties ontwikkelen;
  • c) 
    stimuleren van innovatie bij de ontwikkeling van activiteiten ten behoeve van jongeren;
  • d) 
    bijdragen tot een betere informatie van jongeren, met bijzondere aandacht voor de toegang van jongeren met een handicap;
  • e) 
    ondersteunen van langetermijnprojecten voor jongeren en initiatieven van regionale en lokale organen;
  • f) 
    de erkenning van niet-formeel leren en de door deelname aan het programma verworven vaardigheden van jongeren faciliteren;
  • g) 
    uitwisselen van beste praktijken.
  • 5. 
    In het kader van de algemene doelstelling "Stimulering van de Europese samenwerking op jeugdgebied", met inachtneming van het plaatselijke en regionale niveau:
  • a) 
    de uitwisseling van goede praktijken en de samenwerking tussen overheden en politiek verantwoordelijken op alle niveaus aanmoedigen;
  • b) 
    de gestructureerde dialoog tussen de politiek verantwoordelijken en de jongeren aanmoedigen;
  • c) 
    de kennis en het begrip van jongerenkwesties verbeteren;
  • d) 
    bijdragen tot de samenwerking tussen de diverse nationale en internationale vrijwillige activiteiten voor jongeren.

Artikel 4

Acties

De algemene en specifieke doelstellingen van het programma worden uitgevoerd door middel van

de volgende acties, waarvan de bijzonderheden in de bijlage worden vermeld.

  • 1) 
    Jeugd voor Europa Deze actie beoogt:

­ de ondersteuning van uitwisselingen van jongeren om hun mobiliteit te doen toenemen;

­ de ondersteuning van jeugdinitiatieven en projecten en activiteiten die gericht zijn op hun deelname in het democratische bestel met het oog op de ontwikkeling van het

burgerschap en het wederzijds begrip onder jongeren.

  • 2) 
    Europees vrijwilligerswerk

Deze actie beoogt de ondersteuning van de deelname van jongeren aan diverse vormen van

vrijwilligerswerk binnen en buiten de Europese Unie.

  • 3) 
    Jeugd in de wereld Deze actie heeft ten doel:

­ de ondersteuning van projecten met de in artikel 5, lid 2, van het programma vermelde partnerlanden, met name uitwisselingen van jongeren en mensen die actief

zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties;

­ ondersteuning van projecten die het wederzijdse begrip tussen jongeren en hun solidariteits- en verdraagzaamheidsbesef, alsmede de ontwikkeling van de samen-

werking op jeugdgebied en van maatschappelijke organisaties in deze landen

versterken.

  • 4) 
    Ondersteuningssystemen voor jongeren

Deze actie beoogt de ondersteuning van de op Europees niveau op jeugdgebied werkzame

organisaties, met name de werking van niet-gouvernementele organisaties voor jongeren

en het opzetten van netwerken daarvan, het verstrekken van advies aan personen die

projecten ontwikkelen, het verzekeren van kwaliteit door de uitwisseling, opleiding en

oprichting van netwerken van mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties, de

stimulering van de innovatie en de kwaliteit van de maatregelen, de voorlichting van

jongeren en de invoering van voor de verwezenlijking van de programmadoelstellingen

benodigde structuren en activiteiten, alsook de bevordering van partnerschappen met

plaatselijke en regionale overheden.

  • 5) 
    Ondersteuning van de Europese samenwerking op jeugdgebied Deze actie beoogt:

­ de organisatie van de gestructureerde dialoog tussen de diverse actoren op jeugd gebied, met name jongeren, mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties

en beleidsmakers;

­ de ondersteuning van seminars voor jongeren over maatschappelijke, culturele en politieke aangelegenheden die jonge mensen interesseren;

­ bijdragen tot de ontwikkeling van de beleidssamenwerking op jeugdgebied;

­ de ontwikkeling van de nodige netwerken met het oog op het verkrijgen van een beter begrip van jongerenkwesties faciliteren.

Artikel 5

Deelname aan het programma

  • 1. 
    Aan het programma kan worden deelgenomen door de volgende landen (hierna "de programmalanden" genoemd):
  • a) 
    de lidstaten;
  • b) 
    de EVA-staten, die lid zijn van de EER, overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst;
  • c) 
    de kandidaat-lidstaten in het kader van de pretoetredingsstrategie in overeen stemming met de algemene beginselen en voorwaarden die zijn vastgelegd in de

kaderovereenkomsten die met deze landen zijn gesloten voor hun deelname aan de

communautaire programma's;

  • d) 
    de landen van de westelijke Balkan in overeenstemming met de met deze landen te treffen regelingen ingevolge de nog te sluiten kaderovereenkomsten die voorzien in

hun deelname aan de communautaire programma's;

  • e) 
    de Zwitserse Bondsstaat, als met dit land een bilaterale overeenkomst wordt gesloten. 2. De in de punten 2 en 3 van de bijlage vermelde acties komen in aanmerking voor samen werking met derde landen die met de Gemeenschap overeenkomsten op jeugdgebied

hebben gesloten (hierna "de partnerlanden" genoemd).

Deze samenwerking wordt in voorkomend geval gefinancierd uit aanvullende kredieten

van partnerlanden volgens door deze landen nader overeen te komen procedures.

Artikel 6

Toegang tot het programma

  • 1. 
    Het programma strekt tot ondersteuning van non-profitprojecten voor jongeren, groepen jongeren, mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties, non-profitorganisaties

en -verenigingen en, in bepaalde gerechtvaardigde gevallen, andere op jeugdgebied

werkzame partners.

  • 2. 
    Onverminderd de voorwaarden voor de uitvoering van de acties in de bijlage, is het programma bestemd voor jongeren van 15 tot 28 jaar ofschoon sommige acties bestemd

zijn voor jongeren van 13 tot 30 jaar.

  • 3. 
    De begunstigden dienen legaal te verblijven in een land dat aan het programma deelneemt of, afhankelijk van de aard van de actie, in een partnerland van het programma.
  • 4. 
    Alle jongeren krijgen zonder onderscheid toegang tot de activiteiten van het programma overeenkomstig de voorwaarden in de bijlage. De Commissie en de programmalanden

zorgen ervoor dat bijzondere voorzieningen worden getroffen voor jongeren die om

educatieve, sociale, lichamelijke, psychische, economische of culturele redenen of omdat

ze in een afgelegen gebied wonen bijzondere moeilijkheden ondervinden om aan het

programma deel te nemen.

  • 5. 
    De programmalanden streven ernaar passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat programmadeelnemers, overeenkomstig de bepalingen van het Gemeenschapsrecht,

toegang hebben tot de gezondheidszorg. Het land van herkomst streeft ernaar passende

maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de deelnemers aan het Europese vrij-

willigerswerk hun socialezekerheidsrechten behouden. De programmalanden trachten

passende maatregelen te nemen overeenkomstig het Verdrag om de wettelijke en bestuurs-

rechtelijke belemmeringen voor de toegang tot het programma op te heffen.

Artikel 7

Internationale samenwerking

In het kader van het programma is ook samenwerking mogelijk met op jeugdgebied bevoegde inter-

nationale organisatie, met name de Raad van Europa.

Artikel 8

Uitvoering van het programma

  • 1. 
    De Commissie zorgt voor de uitvoering van de acties van het programma overeenkomstig de bijlage.
  • 2. 
    De Commissie en de programmalanden nemen passende maatregelen voor de ontwikkeling van structuren op Europees, nationaal en, voor zover van toepassing, op regionaal of lokaal

niveau ter verwezenlijking van de doelstellingen van het programma en ter optimale

benutting van de acties van het programma.

  • 3. 
    De Commissie en de programmalanden nemen passende maatregelen ter aanmoediging van de erkenning van niet-formeel en informeel leren voor jongeren, bijvoorbeeld door

middel van getuigschriften of certificaten, met inachtneming van de nationale situaties,

waarmee met name de door de begunstigden verworven ervaring en de directe deelname

van jongeren of mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties aan een actie van

het programma wordt erkend. Dit doel kan nog beter worden verwezenlijkt door andere

complementaire acties van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 11.

  • 4. 
    De Commissie, in samenwerking met de programmalanden, zorgt voor een afdoende bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen door het invoeren van

doeltreffende, evenredige en afschrikkende maatregelen, administratieve controles en

sancties.

  • 5. 
    De Commissie en de programmalanden zorgen voor voldoende informatie over en publiciteit voor de door het programma ondersteunde acties.
  • 6. 
    De programmalanden:
  • a) 
    nemen maatregelen die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van het programma op nationaal niveau door de partijen die een rol spelen bij de diverse

aspecten op jeugdgebied in overeenstemming met de nationale praktijk daarbij te

betrekken;

  • b) 
    zorgen voor de oprichting of aanwijzing van en het toezicht op de nationale agent schappen voor het beheer van de uitvoering van de acties van het programma op

nationaal niveau in overeenstemming met artikel 54, lid 2, onder c), van Verordening

(EG, Euratom) nr. 1605/2002 en conform de volgende criteria:

  • i) 
    het als nationaal agentschap opgericht of aangewezen orgaan bezit rechts persoonlijkheid of maakt deel uit van een organisatie met rechtspersoonlijkheid

(en valt onder het nationaal recht van het programmaland). Een ministerie kan

niet als nationaal agentschap worden aangewezen;

  • ii) 
    het orgaan beschikt over voldoende personeel dat vaardigheden bezit die zijn afgestemd op werkzaamheden in het kader van internationale samenwerking,

het beschikt over de geschikte structuur en functioneert in een administratieve

context die het in staat stelt elk belangenconflict te vermijden;

  • iii) 
    het is in staat de regels voor het beheer van de financiële middelen en de contractuele bepalingen, als vastgesteld op communautair niveau, toe te

passen;

  • iv) 
    het biedt voldoende financiële waarborgen (bij voorkeur van een overheids instantie) en bezit een beheerscapaciteit die berekend is op de hoeveelheid

communautaire middelen die het zal beheren;

  • c) 
    dragen de verantwoordelijkheid voor het goede beheer door de onder b) hierboven bedoelde agentschappen van de aan deze overgedragen kredieten die voor de

subsidiëring van projecten bestemd zijn. Met name zijn zij er verantwoordelijk voor

dat de nationale agentschappen de beginselen van transparantie, gelijke behandeling

en niet-cumulatie met andere communautaire middelen en de verplichting tot terug-

vordering van middelen die de begunstigden eventueel schuldig zijn, naleven;

  • d) 
    nemen de nodige maatregelen om audits uit te voeren en toezicht te houden op de financiën van de in punt b) genoemde nationale agentschappen, en zij moeten met

name:

  • i) 
    de Commissie, voordat het nationale agentschap met zijn werkzaamheden begint, de noodzakelijke garanties bieden ten aanzien van het bestaan, de

relevantie en de goede werking van de toegepaste procedures, de controle- en

boekhoudsystemen en de procedures voor het plaatsen van opdrachten en het

toekennen van subsidies binnen het nationale agentschap overeenkomstig de

regels van goed financieel beheer;

  • ii) 
    de Commissie aan het einde van elk begrotingsjaar verzekeren dat de financiële systemen en de procedures van de nationale agentschappen betrouwbaar en hun

rekeningen correct zijn;

  • iii) 
    de aansprakelijkheid op zich nemen voor de niet-ingevorderde middelen bij aan de in punt b) bedoelde nationale agentschappen toe te schrijven gevallen van

onregelmatigheid, nalatigheid of fraude, waardoor de Commissie de fondsen

bij het nationale agentschap moet terugvorderen.

  • 7. 
    In het kader van de in artikel 10, lid 1, vermelde procedure kan de Commissie voor elke actie in de bijlage richtsnoeren opstellen om het programma aan te passen aan

veranderingen in de prioriteiten van de Europese samenwerking in jeugdzaken.

Artikel 9

Comité

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee

maanden.

  • 3. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
  • 4. 
    Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 10

Uitvoeringsmaatregelen

  • 1. 
    De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen, voorzover het de volgende kwesties betreft, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 9, lid 2, bedoelde

procedure:

  • a) 
    de uitvoeringsbepalingen van het programma, met inbegrip van het jaarlijkse werk programma;
  • b) 
    het algemene evenwicht tussen de verschillende acties van het programma;
  • c) 
    de toe te passen financieringscriteria (bijvoorbeeld de jongerenpopulatie, het BBP en de geografische afstand tussen landen) voor de indicatieve verdeling van de middelen

tussen de lidstaten ten behoeve van de gedecentraliseerd beheerde acties;

  • d) 
    het opvolgen van de in punt 4.2. van de bijlage bedoelde overeenkomst, met inbegrip van het jaarlijks werkplan en jaarlijks verslag van het Europese Jeugdforum;
  • e) 
    de regelingen voor de evaluatie van het programma;
  • f) 
    de regelingen betreffende de certificering van de deelname van jongeren aan de acties;
  • g) 
    de regelingen voor de aanpassing van de acties van het programma, als bedoeld in artikel 8, lid 7.
  • 2. 
    De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen met betrekking tot andere kwesties worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 9, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 11

Complementariteit met andere communautaire acties

  • 1. 
    De Commissie zorgt voor de complementariteit van het programma met andere commu nautaire actieterreinen, met name onderwijs, beroepsopleiding, cultuur, burgerschap, sport,

talen, werkgelegenheid, gezondheid, onderzoek, ondernemingbeleid, buitenlands beleid

van de EU, sociale integratie, gelijkheid van mannen en vrouwen en discriminatie-

bestrijding.

  • 2. 
    Middelen van het programma en van andere communautaire instrumenten kunnen, indien verenigbaar, tezamen worden bestemd voor de uitvoering van maatregelen die zowel aan

de doelstellingen van het programma als aan de doelstellingen van deze instrumenten

beantwoorden.

  • 3. 
    De Commissie en de lidstaten van de Europese Unie zorgen voor het propageren van de acties van het programma die bijdragen tot de ontwikkeling van de doelstellingen van

andere communautaire actieterreinen, zoals onderwijs, beroepsopleiding, cultuur en sport,

talen, sociale integratie, gelijkheid van vrouwen en mannen en discriminatiebestrijding.

Artikel 12

Complementariteit met nationale beleidsmaatregelen en instrumenten

  • 1. 
    De programmalanden kunnen bij de Commissie een verzoek indienen om aan nationale, regionale of plaatselijke acties die met de in artikel 4 bedoelde acties overeenkomen een

Europese kwaliteitsmerk te mogen toekennen.

  • 2. 
    Een programmaland kan aan begunstigden nationale middelen ter beschikking stellen die volgens de voorschriften van het programma beheerd worden, en daartoe gebruik maken

van de gedecentraliseerde structuren van het programma, voorzover dit land naar even-

redigheid deelneemt aan de financiering van die structuren.

Artikel 13

Algemene financiële bepalingen

  • 1. 
    De begroting voor de uitvoering van dit programma voor de in artikel 1 bedoelde periode 1

wordt vastgesteld op EUR 785 miljoen .

  • 2. 
    De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van het financiële kader.

Artikel 14

Financiële bepalingen betreffende de begunstigden

  • 1. 
    De begunstigden van het programma kunnen rechtspersonen en natuurlijke personen zijn. 2. De Commissie kan, afhankelijk van de eigenschappen van de begunstigden en de aard van de acties, besluiten de begunstigden vrij te stellen van de verificatie van de beroeps-

bekwaamheden en -kwalificaties die vereist zijn om de actie of het werkprogramma tot een

goed einde te brengen. De Commissie neemt het evenredigheidsbeginsel in acht bij het

bepalen van de verplichtingen in verhouding tot de omvang van de financiële steun en

daarbij rekening houden met de eigenschappen van de begunstigden, hun leeftijd, de aard

van de actie en de omvang van de financiële steun.

  • 3. 
    Naargelang van de aard van de actie kan de financiële steun de vorm van een subsidie of een beurs aannemen. De Commissie kan ook prijzen toekennen voor in het kader van het

programma uitgevoerde activiteiten of projecten. Afhankelijk van de aard van de actie

kunnen ook forfaitaire financieringen en/of de toepassing van tarieven voor eenheidskosten

toegestaan worden.

1

Dit bedrag is gebaseerd op cijfers van 2004 en wordt technisch aangepast om rekening te houden met de inflatie.

  • 4. 
    In geval van subsidies voor acties, dienen de overeenkomsten binnen een periode van twee maanden na de toewijzing van de subsidies te worden ondertekend.
  • 5. 
    De exploitatiesubsidies die in het kader van het programma worden toegekend aan op Europees niveau werkzame organen, als bedoeld in artikel 162 van Verordening

nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoerings-

voorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het

Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese

1

Gemeenschappen , hebben overeenkomstig artikel 113, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 geen verplicht degressief karakter in geval van verlenging.

  • 6. 
    Overeenkomstig artikel 54, lid 2, onder c), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 kan de Commissie overheidstaken en met name taken tot uitvoering van de begroting aan

de in artikel 8, lid 2, van dit besluit bedoelde structuren toevertrouwen.

  • 7. 
    Overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 geldt de in lid 6 van dit artikel beschreven mogelijkheid ook voor de structuren van alle

programmalanden.

Artikel 15

Monitoring en evaluatie

  • 1. 
    De Commissie zorgt voor regelmatige monitoring van het programma met betrekking tot de doelstellingen. Deze monitoring heeft ook betrekking op de in lid 3 vermelde verslagen

en specifieke activiteiten. Bij de beraadslagingen van de Commissie over de monitoring

worden ook jongeren betrokken.

  • 2. 
    De Commissie zorgt voor een regelmatige, onafhankelijke en externe evaluatie van het programma.

1

PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1261/2005 van de Commissie (PB L 201 van 2.8.2005, blz. 3).

  • 3. 
    De programmalanden doen de Commissie uiterlijk op 30 juni 2010 een verslag over de uitvoering van het programma en uiterlijk op 30 juni 2015 een verslag over het effect van

het programma toekomen.

  • 4. 
    De Commissie legt aan het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voor:
  • a) 
    uiterlijk op 31 maart 2011, een tussentijds evaluatieverslag over de behaalde resultaten en over de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van dit

programma;

  • b) 
    uiterlijk op 31 december 2011, een mededeling over de voortzetting van dit programma;
  • c) 
    uiterlijk op 31 maart 2016, een ex post-evaluatieverslag. Artikel 16

Overgangsbepaling

De vóór 31 december 2006 op grond van Besluit nr. 1031/2000/EG en Besluit nr. 790/2004/EG

begonnen werkzaamheden worden tot de afronding ervan in overeenstemming met de bepalingen

van die besluiten beheerd.

Indien noodzakelijk kunnen in de begroting na 2013 kredieten worden opgenomen ter dekking van

kosten voor technische en administratieve bijstand om het beheer van acties die eind 2013 nog niet

zijn afgerond mogelijk te maken. Het in artikel 8 van Besluit nr. 1031/2000/EG bedoelde comité

wordt vervangen door het in artikel 9 van het onderhavige besluit bedoelde comité.

Zoals bepaald bij artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1605/2002, kunnen kredieten die overeen-

stemmen met bestemmingsontvangsten voortvloeiend uit de terugbetaling van krachtens Besluit

nr. 1031/2000/EG en Besluit nr. 790/2004/EG onverschuldigd betaalde bedragen, ter beschikking

worden gesteld van het programma.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in

het Publicatieblad van de Europese Unie.

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

In het kader van de acties ter verwezenlijking van de algemene en specifieke doelstellingen van het

programma worden kleinschalige projecten ondersteund, die de actieve participatie van jongeren

bevorderen, waarbij het Europees karakter en impact van de projecten wordt gewaarborgd.

Voor de deelname van jongeren aan de diverse acties van het programma zijn geen specifieke

ervaring of kwalificaties vereist, behalve in uitzonderlijke gevallen.

Het programma wordt op een gebruikersvriendelijke manier uitgevoerd.

Het programma moedigt initiatief, ondernemingszin en creativiteit bij jongeren aan, vergemak-

kelijkt de deelname aan het programma door kansarme jongeren, ook jongeren met een handicap, en

zorgt ervoor dat het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen bij de deelname aan het

programma wordt geëerbiedigd en dat bij alle acties gendergelijkheid wordt bevorderd.

Deelname aan de acties is mogelijk mits er een afdoende verzekering is, zodat de jongeren bij de

uitvoering van de activiteiten van het programma beschermd zijn.

ACTIES

De acties omvatten de volgende maatregelen:

Actie 1 - Jeugd voor Europa

Deze actie heeft tot doel actief burgerschap en wederzijdse begrip onder jongeren te bevorderen via

de volgende maatregelen:

1.1. Jongerenuitwisselingen

Jongerenuitwisselingen maken het mogelijk dat een groep of meer groepen jongeren als

gast van en tezamen met een groep uit een ander land aan een gemeenschappelijk activi-

teitenprogramma deelnemen. Het gaat hierbij in beginsel om jongeren tussen 13 en 25 jaar.

Deze activiteiten, die berusten op transnationale partnerschappen tussen de verschillende

bij een project betrokken actoren, beogen de actieve participatie van jongeren en hebben

tot doel hen in staat te stellen de uiteenlopende sociale en culturele realiteiten te ontdekken

en te leren kennen, van elkaar te leren en het besef dat zij Europese burgers zijn te

stimuleren. De ondersteuning is in eerste instantie bedoeld voor multilaterale mobiliteits-

activiteiten voor groepen maar sluit bilaterale activiteiten van dit type niet uit.

Bilaterale uitwisselingen van jongerengroepen komen vooral dan in aanmerking als het om

een eerste activiteit gaat op Europees niveau of om een activiteit van kleine of lokale

organisaties zonder Europese ervaring. Deze uitwisselingen zijn bijzonder geschikt voor

kansarme jongeren, die zo intensiever bij het programma worden betrokken.

Deze maatregel ondersteunt ook voorbereidende en vervolgactiviteiten, met name op taal-

en intercultureel gebied, die bedoeld zijn om de jongeren actiever bij de projecten te

betrekken.

1.2. Ondersteuning van jongereninitiatieven

Met deze maatregel worden projecten ondersteund in het kader waarvan jongeren actief en

rechtstreeks deelnemen aan door henzelf opgezette activiteiten waarin zij de hoofdrol

spelen, zodat zij initiatief, ondernemingszin en creativiteit kunnen ontwikkelen. Deze

maatregel is in principe bestemd voor jonge mensen tussen 18 en 30 jaar, hoewel ook

jongeren vanaf 15 jaar - mits onder adequate begeleiding - aan bepaalde initiatieven

kunnen deelnemen.

Met deze maatregel kunnen op lokaal, regionaal en nationaal niveau opgezette groeps-

projecten en de netwerkvorming met soortgelijke projecten in andere landen ondersteund

worden, zodat het Europese karakter daarvan versterkt wordt en de samenwerking en de

uitwisseling van ervaringen tussen jongeren bevorderd worden.

Bijzondere aandacht wordt geschonken aan kansarme jongeren.

1.3. Projecten inzake participatieve democratie

Met deze maatregel wordt de participatie van jongeren in het democratische bestel onder-

steund. Deze projecten en activiteiten bevorderen de actieve deelname van jongeren aan

het leven in hun lokale, regionale of nationale gemeenschap, of op internationaal niveau.

Het gaat hierbij in beginsel om jongeren tussen 13 en 30 jaar.

Deze projecten of activiteiten worden uitgevoerd door transnationale partnerschappen,

waardoor op Europees niveau ideeën, ervaringen en goede praktijken van projecten of

activiteiten op lokaal of regionaal niveau kunnen worden gebundeld met de bedoeling de

participatie van jongeren op verschillende niveaus te verbeteren. In het kader van deze

activiteiten kunnen onder meer raadplegingen van jongeren betreffende hun behoeften en

verlangens worden georganiseerd, zodat nieuwe benaderingen ten aanzien van de actieve

participatie van jongeren in een democratisch Europa kunnen worden ontwikkeld.

Actie 2 - Europees vrijwilligerswerk

Het vrijwilligerswerk beoogt de ontwikkeling van solidariteit en de bevordering van actief burger-

schap en wederzijds begrip onder jongeren via de volgende maatregelen.

De jonge vrijwilliger neemt in een ander land dan het land van verblijf deel aan een niet-winst-

gevende en onbezoldigde activiteit ten behoeve van de gemeenschap. Het Europese vrijwilligers-

werk mag niet tot gevolg hebben dat potentiële of bestaande betaalde banen in aantal afnemen of

daardoor worden verdrongen.

De duur van het Europese vrijwilligerswerk bedraagt ten minste twee maanden tot uiterlijk twaalf

maanden. In naar behoren gemotiveerde gevallen zijn ook kortere periodes en vrijwilligersprojecten

waaraan groepen jongeren mogen deelnemen toegestaan, met name om de deelname van kansarme

jongeren te bevorderen.

Met deze maatregel worden ook vrijwilligersprojecten ondersteund waardoor groepen jongeren

gezamenlijk kunnen deelnemen aan activiteiten op lokaal, regionaal, nationaal, Europees of inter-

nationaal niveau op velerlei gebied, bijvoorbeeld cultuur, sport, civiele bescherming, milieu,

ontwikkelingshulp.

In uitzonderingsgevallen kan het, afhankelijk van de uit te voeren taken en de situaties waarin de

vrijwilligers worden ingezet, noodzakelijk zijn dat voor bepaalde soorten projecten kandidaten met

specifieke vaardigheden worden geselecteerd.

Deze maatregel is in principe bestemd voor jonge mensen tussen 18 en 30 jaar, hoewel ook

jongeren vanaf 16 jaar - mits onder adequate begeleiding - aan bepaalde initiatieven kunnen

deelnemen.

Ook worden met deze maatregel activiteiten in verband met opleiding en begeleiding van jonge

vrijwilligers en coördinatieactiviteiten voor de diverse partners ondersteund, alsmede initiatieven

die voortbouwen op de ervaring die jongeren tijdens het verrichten van Europees vrijwilligerswerk

hebben opgedaan.

De lidstaten en de Commissie zien toe op de naleving van bepaalde kwaliteitsnormen: het

vrijwilligerswerk moet een dimensie van niet-formeel leren omvatten, bestaande in pedagogische

activiteiten die jongeren op persoonlijk, intercultureel en technisch vlak paraat maken, alsook

voortdurende persoonlijke begeleiding. Partnerschap tussen de diverse bij het project betrokken

actoren en risicopreventie worden van bijzonder belang geacht.

Actie 3 - Jeugd in de wereld

Deze actie beoogt de totstandbrenging van wederzijds begrip tussen volkeren in een klimaat van

openheid, waarbij ook wordt bijgedragen tot de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige

systemen ter ondersteuning van de activiteiten van jongeren in de betrokken landen. De partner-

landen van het programma komen in aanmerking voor deelname aan deze actie.

3.1. Samenwerking met de nabuurlanden van de Europese Unie Deze maatregel ondersteunt projecten met de partnerlanden van het programma die

overeenkomstig de bepalingen inzake het Europees nabuurschapsbeleid van de EU en

artikel 5, lid 2, als nabuurland worden beschouwd, alsmede projecten met de Russische

Federatie en de landen van de Westelijke Balkan totdat zij voldoen aan de vereisten van

artikel 5, lid 1, onder d).

Hierdoor worden - voornamelijk multilaterale, doch zonder uitsluiting van bilaterale -

jongerenuitwisselingen ondersteund, waardoor verscheidene groepen jongeren uit

programmalanden en naburige landen in de gelegenheid worden gesteld elkaar te

ontmoeten en samen deel te nemen aan een activiteitenprogramma. Het gaat hierbij in

beginsel om jongeren tussen 13 en 25 jaar. Deze activiteiten, die op transnationale

partnerschappen tussen de diverse actoren van een project berusten, omvatten de vooraf-

gaande opleiding van leidinggevend personeel en de actieve participatie van jongeren,

zodat zij de kans krijgen verschillende sociale en culturele realiteiten te ontdekken en

verder te leren kennen. Activiteiten ter bevordering van de participatie van jongeren in de

projecten kunnen in aanmerking komen voor financiering, met name als die bedoeld zijn

om hen te helpen met taal en interculturaliteit.

Op voorwaarde dat in de nabuurlanden adequate nationale beheersstructuren worden opge-

zet, kunnen initiatieven die inviduele jongeren of groepen jongeren op lokaal, regionaal en

nationaal niveau in deze landen nemen, ondersteund worden indien zij tezamen met soort-

gelijke initiatieven in de programmalanden worden uitgevoerd. Het betreft hier door

jongeren zelf opgezette activiteiten, waarin zij de hoofdrol spelen. Deze maatregel is in

principe bestemd voor jonge mensen tussen 18 en 30 jaar, hoewel ook jongeren vanaf

16 jaar - mits onder adequate begeleiding - aan bepaalde initiatieven kunnen deelnemen.

Deze maatregel ondersteunt activiteiten ter bevordering van de vorming van netwerken en

ter versterking van de capaciteit van NGO's op jeugdgebied waardoor de belangrijke rol

die deze organisaties bij de ontwikkeling van de civiele samenleving in de nabuurlanden

kunnen spelen, wordt erkend. De maatregel omvat de opleiding van mensen die actief zijn

in jeugdwerk en jeugdorganisaties, en de onderlinge uitwisseling van ervaringen, expertise

en goede praktijken. Voorts worden activiteiten gesteund om duurzame en kwalitatief

hoogwaardige projecten en partnerschappen te ontwikkelen.

Deze maatregel ondersteunt eveneens projecten die innovatie en kwaliteit stimuleren

teneinde op jeugdgebied vernieuwende benaderingen ingang te doen vinden, uit te voeren

en te bevorderen.

Aan informatieve activiteiten voor jongeren en mensen die actief zijn in jeugdwerk en

jeugdorganisaties kan financiële steun worden verleend.

Deze maatregel ondersteunt ook activiteiten ter bevordering van de samenwerking op

jeugdgebied met de nabuurlanden, bijvoorbeeld de bevordering van samenwerking en de

uitwisseling van ideeën en goede praktijken op jeugdgebied, alsmede andere stimulerende

maatregelen en maatregelen voor de verspreiding van de resultaten van de projecten en

activiteiten op jeugdgebied die in de betrokken landen worden ondersteund.

3.2. Samenwerking met andere landen

Deze maatregel ondersteunt samenwerkingsactiviteiten op jeugdgebied met name de

uitwisseling van goede praktijken met de andere partnerlanden.

De uitwisseling en opleiding van mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties

en de totstandbrenging van partnerschappen en netwerken van jongerenorganisaties

worden aangemoedigd.

Tussen deze landen en de programmalanden kunnen op thematische basis multilaterale en

bilaterale uitwisselingen plaatsvinden.

Activiteiten die blijk geven van een potentieel multiplicatoreffect, komen in aanmerking

voor financiering.

In het kader van de samenwerking met geïndustrialiseerde landen worden uit deze maat-

regel alleen Europese begunstigden van de projecten gefinancierd.

Actie 4 - Ondersteuningssystemen voor jongeren

Deze actie beoogt de kwaliteit van de ondersteuningsstructuren voor jongeren te ontwikkelen, de

werkzaamheden van mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties te ondersteunen, de

kwaliteit van het programma te ontwikkelen en de civiele participatie van jongeren op Europees

niveau te bevorderen door ondersteuning van organisaties die op Europees niveau op jeugdgebied

werkzaam zijn.

4.1. Ondersteuning van organisaties die op Europees niveau op jeugdgebied werkzaam zijn Deze maatregel ondersteunt de werkzaamheden van NGO's die op Europees niveau op

jeugdgebied actief zijn, en die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven.

Hun activiteiten moeten bijdragen tot de participatie van jongeren in het openbare leven en

de samenleving en tot de ontwikkeling en uitvoering van Europese samenwerkings-

activiteiten op jeugdgebied in de breedste zin van het woord.

Een organisatie die in aanmerking wil komen voor een exploitatiesubsidie dient aan de

volgende bepalingen te voldoen:

­ de organisatie moet juridisch sedert minstens een jaar bestaan; ­ de organisatie mag geen winstoogmerk hebben;

­ de organisatie dient in een van de programmalanden overeenkomstig artikel 5, lid 1, of in een van bepaalde Oost-Europese landen gevestigd te zijn, t.w. Wit-Rusland,

Moldavië, de Russische Federatie, Oekraïne;

­ de organisatie dient haar activiteiten op Europees niveau uit te oefenen, hetzij alleen of binnen een of meer gecoördineerde verbanden, en haar structuur en activiteiten

dienen ten minste acht programmalanden te bestrijken; het kan een Europees netwerk

betreffen, dat organisaties vertegenwoordigt die werkzaam zijn op jeugdgebied;

­ de activiteiten van de organisatie moeten stroken met de beginselen van het commu nautaire optreden op jeugdgebied;

­ het kan een organisatie zijn waarvan de activiteiten uitsluitend op jongeren gericht zijn of een organisatie met een bredere doelstelling waarvan een deel van de

activiteiten op jongeren gericht zijn;

­ de organisatie moet de jongeren betrekken bij het beheer van de ten behoeve van hen ontwikkelde activiteiten.

De begunstigde organisaties worden aan de hand van oproepen tot het indienen van voor-

stellen geselecteerd. Met de geselecteerde organisaties kunnen meerjarige partnerschaps-

kaderovereenkomsten worden gesloten. Deze kaderovereenkomsten sluiten evenwel niet

de mogelijkheid uit dat er jaarlijkse oproepen tot het indienen van voorstellen voor meer

begunstigde organisaties worden gepubliceerd.

De belangrijkste activiteiten van jongerenorganisaties die kunnen bijdragen tot de ver-

sterking en de effectiviteit van het communautaire optreden zijn de volgende:

­ vertegenwoordiging van de standpunten en belangen van jongeren in al hun diversiteit op Europees niveau;

­ jongerenuitwisselingen en vrijwilligerswerk;

­ niet-formeel en informeel leren en activiteitenprogramma's voor jongeren; ­ bevordering van intercultureel leren en begrip;

­ debatten over Europese vraagstukken, het beleid van de Europese Unie of het jongerenbeleid;

­ verspreiding van informatie over de communautaire activiteiten;

­ activiteiten ter bevordering van de participatie en het initiatief van jongeren. In het kader van deze maatregel worden bij de vaststelling van de exploitatiesubsidie alleen

de kosten in aanmerking genomen die noodzakelijk zijn voor het goede verloop van de

normale activiteiten van de geselecteerde organisatie, met name personeelskosten,

algemene kosten (huur- en huisvestingskosten, uitrusting, kantoorbenodigdheden, tele-

communicatie, portokosten, enz.), kosten van interne vergaderingen en kosten voor

publicaties, voorlichting en verspreiding.

De subsidie wordt toegekend met inachtneming van de onafhankelijkheid van de

organisatie ten aanzien van de selectie van haar leden en haar autonomie wat de

gedetailleerde vaststelling van haar activiteiten betreft.

Ten minste 20% van de begroting van de betrokken organisaties moet uit andere dan

communautaire bronnen komen.

4.2. Ondersteuning van het Europees Jeugdforum In het kader van deze maatregel kunnen, met inachtneming van de onderstaande begin-

selen, subsidies worden toegekend voor de ondersteuning van de permanente activiteiten

van het Europees Jeugdforum (hierna het "Forum" genoemd), een organisatie die een

doelstelling van algemeen Europees belang nastreeft:

­ onafhankelijkheid van het Forum bij de selectie van zijn leden, waarbij een zo breed mogelijke vertegenwoordiging van de verschillende soorten jeugdorganisaties

gegarandeerd wordt;

­ autonomie van het Forum bij de gedetailleerde vaststelling van zijn activiteiten;

­ een zo ruim mogelijke betrokkenheid bij de activiteiten van het Forum van jongeren organisaties die niet bij het Forum zijn aangesloten en van jongeren die geen lid zijn

van een organisatie;

­ een actieve bijdrage van het Forum aan de politieke processen die jongeren op Europees niveau betreffen, met name door te reageren op verzoeken van de Europese

instellingen om raadpleging van het maatschappelijk middenveld en door de

standpunten van deze instellingen aan zijn leden uit te leggen.

De voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven van het Forum betreffen zowel zijn

exploitatiekosten als de uitgaven die nodig zijn voor de uitvoering van zijn acties. Om de

continuïteit van het Forum te garanderen, wordt bij de toekenning aan het programma

rekening gehouden met het volgende richtsnoer: de jaarlijks aan het Forum toegekende

middelen bedragen ten minste EUR 2 miljoen.

De subsidies kunnen aan het Forum worden toegekend tegen overlegging van een

deugdelijk werkprogramma en een deugdelijke begroting. De subsidies kunnen uit hoofde

van een partnerschaps-kaderovereenkomst met de Commissie worden toegekend op

jaarbasis of op basis van verlenging.

Ten minste 20% van de begroting van het Forum moet uit andere dan communautaire

bronnen komen.

De belangrijkste activiteiten van het Forum omvatten met name:

­ vertegenwoordiging van jeugdorganisaties tegenover de Europese Unie;

­ coördinatie van de standpunten van de aangesloten organisaties tegenover de Europese Unie;

­ doorgifte van informatie op jeugdgebied aan de Europese instellingen;

­ doorgifte van informatie van de Europese Unie aan nationale jeugdraden en niet gouvernementele organisaties;

­ bevordering en voorbereiding van de participatie van jongeren in het democratische leven;

­ bijdragen aan het nieuwe samenwerkingskader op jeugdgebied waartoe op het niveau van de Europese Unie besloten is;

­ bijdragen aan de ontwikkeling van jongerenbeleid, jongerenwerk en onderwijskansen alsook aan het doorgeven van informatie over jongeren en de ontwikkeling van

vertegenwoordigende structuren voor jongeren in geheel Europa;

­ discussies en denkprocessen over jongeren in Europa en andere delen van de wereld en over de maatregelen van de Gemeenschap voor jongeren.

4.3. Opleiding en vorming van netwerken van mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugd organisaties

Deze maatregel ondersteunt de opleiding van mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugd-

organisaties, met name projectleiders, jongerenadviseurs en projectsupervisors. Ook onder-

steunt de maatregel de uitwisseling van ervaringen, expertise en goede praktijken onder

mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugdorganisaties, alsmede activiteiten die kunnen

leiden tot de totstandkoming van duurzame en kwalitatief hoogwaardige projecten, partner-

schappen en netwerken. Dit kan meelopen met een collega ("job shadowing") inhouden.

Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan activiteiten die de deelname stimuleren

van die jongeren die het zeer moeilijk vinden aan communautaire acties deel te nemen.

4.4. Projecten ter stimulering van innovatie en kwaliteit Deze maatregel ondersteunt projecten die bedoeld zijn vernieuwende benaderingen op

jeugdgebied ingang te doen vinden, uit te voeren en te bevorderen. Deze vernieuwende

aspecten kunnen betrekking hebben op de inhoud en de doelstellingen, in samenhang met

de ontwikkeling van het Europese samenwerkingskader op jeugdgebied, de betrokkenheid

van partners met diverse achtergronden of de verspreiding van informatie.

4.5. Informatieactiviteiten voor jongeren en mensen die actief zijn in jeugdwerk en jeugd organisaties

Deze maatregel ondersteunt informatie en communicatie ten behoeve van jongeren door

hun een betere toegang tot relevante informatie- en communicatiediensten te bieden, zodat

zij in ruimere mate kunnen deelnemen aan het openbare leven en hun potentieel als actieve

en verantwoordelijke burgers beter kunnen verwezenlijken. Met het oog hierop wordt steun

verleend aan activiteiten op Europees en nationaal niveau waardoor jongeren beter toegang

krijgen tot informatie- en communicatiediensten en waardoor de verspreiding van kwali-

tatief hoogwaardige informatie en de deelname van jongeren aan de voorbereiding en

verspreiding van informatie worden bevorderd.

Deze maatregel draagt bijvoorbeeld bij tot de ontwikkeling van Europese, nationale,

regionale en lokale jongerenportalen ter verspreiding van voor jongeren bestemde

informatie via allerlei informatiekanalen, in het bijzonder die welke jongeren het meest

gebruiken. Ook kunnen maatregelen worden ondersteund die bevorderen dat jongeren

worden betrokken bij de voorbereiding en verspreiding van begrijpelijke, gebruikers-

vriendelijke en gerichte informatie en adviezen, zodat de kwaliteit van de informatie

verbetert en de informatie voor alle jongeren beter toegankelijk wordt. Alle publicaties

dienen gelijkheid en diversiteit in acht te nemen.

4.6. Partnerschappen

Deze maatregel betreft de financiering van partnerschappen met regionale en lokale

instanties met de bedoeling langlopende projecten te ontwikkelen waarin diverse maat-

regelen van het programma gecombineerd zijn. De financiering is gericht op projecten en

coördinatieactiviteiten.

4.7. Ondersteuning van de structuren van het programma Deze maatregel betreft de financiering van de in artikel 8, lid 2, bedoelde structuren, met

name de nationale agentschappen. Via deze maatregel kunnen ook gelijkgestelde organi-

saties gefinancierd worden, zoals de nationale coördinatoren, de "resource centres", het

EURODESK-netwerk, het Europees-mediterrane platform voor jongeren en de Europese

organisaties van jonge vrijwilligers, die op nationaal niveau optreden als uitvoerend

agentschap overeenkomstig artikel 54, lid 2, onder c), en lid 3 van Verordening (EG,

Euratom) nr. 1605/2002.

4.8. Het programma meerwaarde geven

De Commissie kan seminars, colloquia of bijeenkomsten organiseren om de uitvoering van

het programma te begeleiden, alsook maatregelen nemen ten behoeve van informatie,

publicatie en verspreiding, en monitoring en evaluatie van het programma. Deze activi-

teiten kunnen worden gefinancierd uit subsidies, worden gegund via aanbesteding of

rechtstreeks door de Commissie georganiseerd en gefinancierd worden.

Actie 5 - Ondersteuning van Europese samenwerking op jeugdgebied

Het doel van deze actie is de Europese samenwerking op jeugdgebied te bevorderen.

5.1. Ontmoetingen van jongeren en gezagsdragers op gebied van het jeugdbeleid Deze maatregel ondersteunt samenwerking, seminars en gestructureerde dialoog tussen

jongeren, mensen die actief zijn in het jongerenwerk en jongerenorganisaties en gezags-

dragers op gebied van het jeugdbeleid. Deze activiteiten behelzen met name de bevorde-

ring van de samenwerking en de uitwisseling van ideeën en goede praktijken op jeugd-

gebied, door de voorzitterschappen van de EU georganiseerde conferenties en andere

maatregelen ter benutting en verspreiding van de resultaten van de jeugdprojecten

en -activiteiten van de Gemeenschap.

Deze maatregel bestrijkt de Europese jeugdweek, die activiteiten in de lidstaten en op

Europees niveau inzake de werkzaamheden van de Europese instellingen kan omvatten, de

dialoog tussen Europese beleidmakers en jongeren, en erkenning voor jeugdprojecten van

hoge kwaliteit waaraan door het programma steun wordt verleend.

Deze maatregel kan met name de doelstellingen ondersteunen die worden nagestreefd met

de open coördinatiemethode op jeugdgebied en het Europees pact voor de jeugd, alsmede

samenwerking tussen nationale en internationale vrijwilligersactiviteiten voor jongeren.

5.2. Ondersteuning van activiteiten ter verbetering van begrip en kennis op jeugdgebied Deze maatregel ondersteunt specifieke projecten die de kennis in kaart brengt betreffende

de in het kader van de open coördinatiemethode vastgestelde prioritaire thema's alsmede

projecten die erop gericht zijn die kennis aan te vullen en te actualiseren en beter toeganke-

lijk te maken. Deze maatregel beoogt ook de ondersteuning van de ontwikkeling van

methoden voor de analyse en vergelijking van de resultaten van studies en de kwaliteits-

borging daarvan.

Het programma kan eveneens steun verlenen aan het opzetten van netwerken van de

diverse actoren op jeugdgebied.

5.3. Samenwerking met internationale organisaties Door middel van deze maatregel kan de samenwerking van de Europese Unie met voor

jongerenkwesties bevoegde internationale organisaties, met name de Raad van Europa en

de Organisatie van de Verenigde Naties of haar gespecialiseerde instellingen, ondersteund

worden.

INFORMATIE

Voor de presentatie van voorbeelden van goede praktijken en modelprojecten moet een databank

met informatie over bestaande ideeën betreffende jeugdactiviteiten op Europees niveau worden

ontwikkeld. De Commissie moet een gebruikershandleiding ter beschikking stellen met duidelijke

uitleg over de doelstellingen, de regels en de procedures van het programma, met name de

wettelijke rechten en plichten van degenen die een subsidie aanvaarden.

PROGRAMMABEHEER

Minimumtoewijzingen

Overeenkomstig artikel 13 zijn de minimumbedragen die aan de acties moeten worden toegewezen,

in verhouding tot de in dat artikel bepaalde financiële middelen de volgende:

Actie 1: Jeugd voor Europa 30%

Actie 2: Europees vrijwilligerswerk 23%

Actie 3: Jeugd in de wereld 6%

Actie 4: Ondersteuningssystemen voor jongeren 15%

Actie 5: Stimulering van de Europese samenwerking op jeugdgebied 4%.

Uit de begrotingsmiddelen van het programma kunnen ook de uitgaven worden gefinancierd in

verband met de voorbereiding, follow-up, monitoring, audits en evaluatie die voor het beheer van

het programma en de verwezenlijking van de doelstellingen rechtstreeks noodzakelijk zijn, met

name uitgaven voor studies, bijeenkomsten, informatie- en publicatieactiviteiten en uitgaven in

verband met IT-netwerken voor de uitwisseling van informatie en andere uitgaven voor admini-

stratieve en technische bijstand, waartoe de Commissie voor het beheer van het programma kan

besluiten.

CONTROLES EN AUDITS

Voor de volgens de procedure van artikel 14, lid 3, van dit besluit geselecteerde projecten wordt een

systeem van steekproefgewijze audit ingevoerd.

De ontvanger van een exploitatiesubsidie houdt de bewijsstukken van alle uitgaven gedurende vijf

jaar na de datum van de laatste betaling ter beschikking van de Commissie. De ontvanger van een

exploitatiesubsidie moet ervoor zorgen dat bewijsstukken die in het bezit zijn van partners of leden,

ter beschikking van de Commissie worden gesteld.

De Commissie mag de aanwending van de subsidie onderwerpen aan een audit door haar eigen

personeel of door een bevoegde externe organisatie van haar keuze. Deze audits kunnen worden

uitgevoerd tijdens de volledige looptijd van de overeenkomst en tijdens een periode van vijf jaar

vanaf de datum waarop het saldo van de subsidie is betaald. De auditresultaten kunnen er in voor-

komend geval toe leiden dat de Commissie tot terugvordering besluit.

Het personeel van de Commissie en de door de Commissie gemachtigde externe personen hebben

op passende wijze toegang tot met name de kantoren van de subsidie-ontvanger en tot alle nood-

zakelijke gegevens, ook in elektronische vorm, om deze audits uit te voeren.

De Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hebben dezelfde

rechten als de Commissie, met name het recht van toegang.

De overeenkomstig artikel 10 door de Commissie genomen besluiten, de overeenkomsten met de

nationale agentschappen, de overeenkomsten met de derde programmalanden en de daaruit voort-

vloeiende overeenkomsten en contracten voorzien met name in inspecties en financiële controle

door de Commissie of haar bevoegde vertegenwoordiger), OLAF, en de Europese Rekenkamer, zo

nodig ter plaatse. Deze controles kunnen bij de nationale agentschappen en, zo nodig, ook bij de

subsidie-ontvanger plaatsvinden.

De Commissie kan bovendien overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de

Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de

Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese

1

Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden controles en onderzoeken ter plaatse uitvoeren.

Voor de in dit besluit bedoelde communautaire acties dient onder het in artikel 1, lid 2, van

Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de

2

bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen genoemde begrip "onregelmatigheid" elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht of een niet-nakoming van een

contractuele verplichting te worden verstaan als gevolg van handelen of niet-handelen van een

rechtspersoon waardoor de algemene begroting van de Europese Unie of de door haar beheerde

begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld door een onverschuldigde uitgave.

1

PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2. 2

PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie