Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over de erkenning van de waarde van niet-formeel en informeel leren in de jeugdsector in Europa

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

  • 1. 
    Tijdens haar vergadering van 21 april 2006 heeft de Groep jeugdzaken unaniem ingestemd met de tekst van bovengenoemde resolutie, zodat die na vertaling in alle officiële talen van de

Europese Unie als A-punt op de agenda van de Raadszitting van 18-19 mei kan worden

aangenomen.

  • 2. 
    Het Comité van permanente vertegenwoordigers wordt derhalve verzocht:
  • de instemming met de tekst te bevestigen, en
  • de Raad aan te bevelen, de resolutie in de versie van de bijlage bij dit document aan te nemen.

___________________

Resolutie van de Raad en

de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten,

in het kader van de Raad bijeen, over de erkenning van de waarde

van niet-formeel en informeel leren in de jeugdsector in Europa

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE

REGERINGEN DER LIDSTATEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 worden nieuwe strategische doelstellingen omschreven ter bevordering van werkgelegenheid,

economische hervormingen en sociale samenhang, die een volwaardig onderdeel vormen

van een kenniseconomie. De lidstaten werd door de Europese Raad verzocht om overeen-

komstig hun grondwettelijke bepalingen de nodige maatregelen te nemen, en de Raad en de

Commissie werd verzocht om binnen de grenzen van hun bevoegdheden onder meer een

vrijwillig te gebruiken gemeenschappelijke Europese blauwdruk voor curricula vitae te

ontwerpen die de beoordeling van verworven vaardigheden door onderwijs- en opleidings-

instellingen en werkgevers vergemakkelijkt en de mobiliteit bevordert.

1

(2) In het Witboek Een nieuw elan voor Europa's jeugd van 21 november 2001 wordt, met betrekking tot de erkenning van niet-formeel en informeel leren, benadrukt dat het goed zou

zijn begrippen, verworven vaardigheden en kwaliteitsnormen beter te definiëren, de

betrokkenen meer naar waarde te schatten en de activiteiten meer erkenning te geven en

beter op het formeel onderwijs en op formele opleidingen af te stemmen.

1

Doc. 14441/01 - COM(2001) 681 def.

(3) De Europese Raad van Barcelona heeft op 15 en 16 maart 2002 een concreet werk programma goedgekeurd waarmee wordt beoogd de onderwijs- en opleidingsstelsels vóór

2010 tot een kwaliteitsreferentie op wereldniveau te maken. De Europese Raad was het

erover eens dat verbeterde kwaliteit, vergemakkelijking van universele toegang, en open-

stelling voor de buitenwereld de drie grondbeginselen van dit programma moeten zijn.

2

(4) In de resolutie van de Raad inzake levenslang leren van 27 juni 2002 wordt de lidstaten verzocht samenwerking en effectieve maatregelen voor de validering van leerresultaten te

bevorderen, hetgeen van cruciaal belang is om bruggen te slaan tussen formeel, niet-formeel

en informeel leren, en derhalve een voorwaarde is voor de verwezenlijking van een

Europese ruimte voor een leven lang leren.

(5) Op basis van het gezamenlijke werkdocument Pathways towards Validation and Recognition of Education, Training and Learning in the Youth Field (Wegen naar de

validering en erkenning van onderwijs, opleiding en leren in de jeugdsector) van de

Commissie en de Raad van Europa heeft de conferentie "Bridges for Recognition" (Bruggen

voor erkenning) van januari 2005 in Leuven een aanpak voor de evaluatie en de erkenning

van onderwijs, opleiding en leren in de jeugdsector ontwikkeld, en de noodzaak van een

betere validering van niet-formeel leren beklemtoond.

(6) In de omvangrijke werkzaamheden van de Raad van Europa op het gebied van niet-formeel en informeel leren, zoals met een Europees Portfolio voor jeugdleiders en jeugdwerkers,

wordt de nadruk gelegd op de waarde van dit soort educatieve ervaring, alsook op de

behoefte aan erkenning daarvan, met name gezien het belang van een leven lang leren.

(7) In de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in 3

het kader van de Raad bijeen, van 28 mei 2004 wordt overeenkomstig de verklaring van Kopenhagen van 30 november 2002 gepleit voor:

  • de aanneming van een reeks gemeenschappelijke Europese beginselen voor het

identificeren en valideren van niet-formeel en informeel leren;

  • de ontwikkeling en de verspreiding van Europese instrumenten voor de erkenning

van niet-formeel en informeel leren.

2

PB C 163 van 9.7.2002, blz. 1. 3

Doc. 9600/04.

4

(8) In de conclusies van de Raad van 21 februari 2005 wordt de Europese Raad opgeroepen het Europees pact voor de jeugd in de tussentijdse evaluatie van de strategie van Lissabon

op te nemen en richtsnoeren voor concrete maatregelen vast te stellen.

(9) In de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 23 maart 2005, die zijn goedkeuring heeft gehecht aan het Europees pact voor de jeugd, wordt gesteld dat er een

strategie en maatregelen op jeugdgebied moeten worden uitgewerkt die volledig in de

strategie van Lissabon passen. Een van de doelstellingen is om op het gebied van trans-

parantie en vergelijkbaarheid van beroepskwalificaties nauwere samenwerking tussen de

lidstaten tot stand te brengen en niet-formele en informele vormen van leren te erkennen.

(10) In de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het 5

kader van de Raad bijeen, van 15 november 2005 , wordt nader ingegaan op de uitvoering van het Europees pact voor de jeugd en de bevordering van actief burgerschap, en worden

richtsnoeren voor actie vastgesteld.

(11) De conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 16 en 17 juni 2005 bevatten een voorstel voor geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid

(2005-2008), waarvan de uitvoering van het Europees pact voor de jeugd een onderdeel

vormt.

(12) In het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van 6

het programma "JEUGD IN ACTIE" is een sleutelrol weggelegd voor Europese samenwerking bij het bevorderen van niet-formeel en informeel leren.

4

PB C 85 van 7.4.2005, blz. 5. 5

PB C 292 van 24.11.2005, blz. 5. 6

Doc. 11586/04 - COM(2004) 471 def.

(13) In het gezamenlijk verslag van de Raad en de Commissie "Modernisering van onderwijs en opleiding: een pijler voor welvaart en sociale samenhang in Europa over de met het werk-

7

programma "Onderwijs en opleiding 2010" geboekte vooruitgang" wordt onderstreept dat het van belang is een evenwicht te vinden tussen de sociale en de economische doelstel-

lingen van het beleid inzake onderwijs en opleiding, alsmede uiteenlopende leerpartner-

schappen uit te bouwen waarbij personen uit zowel de formele als de niet-formele sector

betrokken worden;

ZICH ERVAN BEWUST dat:

(1) het werk en de prestaties van jongeren en degenen die in jeugdwerk en jeugdorganisaties

actief zijn, meer erkenning verdienen om de waarde en de zichtbaarheid ervan te vergroten, en

naar behoren in aanmerking moeten worden genomen door werkgevers, het formeel onderwijs

en het maatschappelijk middenveld in het algemeen;

(2) niet-formele en informele leeractiviteiten in de jeugdsector een aanvulling zijn op het formele

onderwijs- en opleidingenstelsel, gekenmerkt worden door een participatieve aanpak waarbij

de lerende centraal staat, op vrijwillige basis worden toegepast en derhalve nauw aansluiten

bij de behoeften, de ambities en de belangstellingssfeer van jongeren; deze leervormen een

aanvullende leerbron en een opstapmogelijkheid naar formeel onderwijs en formele

opleidingen bieden en daardoor van bijzonder belang zijn voor kansarme jongeren;

(3) niet-formeel en informeel leren in de jeugdsector zich afspelen in een ruime en gevarieerde

waaier van omgevingen, en dat er voor de zelfontwikkeling van jongeren en hun sociale,

culturele en professionele integratie specifieke en passende methodes en instrumenten nodig

zijn;

(4) de openbare en particuliere investeringen in de jeugdsector op lokaal, regionaal, nationaal en

Europees niveau een belangrijke economische en sociale impact hebben;

(5) het sociale en economische belang van de jeugdsector voor de hand ligt, gezien de potentiële

invloed ervan op de ontwikkeling van sleutelcompetenties die van praktisch belang zijn voor

de arbeidsmarkt, en omdat deze bevorderlijk zijn voor participatie, actief burgerschap en

sociale verantwoordelijkheid.

7

PB C 79 van 1.4.2006, blz. 1.

ERKENNEN dat:

(1) niet-formeel en informeel leren belangrijke elementen van het leerproces zijn en effectieve instrumenten zijn om leren aantrekkelijk te maken, de bereidheid om een leven lang te leren

te ontwikkelen en de sociale integratie van jongeren te bevorderen;

(2) niet-formeel en informeel leren ervoor kunnen zorgen dat jongeren aanvullende kennis, vaardigheden en competenties verwerven, en kunnen bijdragen tot hun persoonlijke

ontwikkeling, sociale integratie en actief burgerschap, en op die manier hun vooruitzichten

op werk verbeteren;

(3) niet-formele en informele leeractiviteiten in de jeugdsector een aanzienlijke meerwaarde kunnen hebben voor de samenleving, de economie en de jongeren zelf; de bijdrage die deze

activiteiten leveren, moet derhalve beter zichtbaar worden gemaakt, en beter worden

begrepen, erkend en ondersteund;

(4) het programma "JEUGD" en het toekomstige programma "JEUGD IN ACTIE" een belangrijke bijdrage leveren tot de verwerving van competenties en derhalve

sleutelinstrumenten zijn doordat ze jongeren mogelijkheden tot niet-formeel en informeel

leren in een Europese dimensie bieden.

VERZOEKEN DE LIDSTATEN EN DE COMMISSIE om:

(1) rekening houdend met de bijzondere situatie in elke lidstaat, de ontwikkeling aan te moedigen van een vergelijkbaar, transparant en op jongeren toegesneden element van

Europass voor de vaststelling en de erkenning van de vaardigheden en de competenties die

jongeren via niet-formele en informele leeractiviteiten hebben verworven, dat aan

getuigschriften of andere erkenningsinstrumenten zou kunnen worden gehecht of daar een

integrerend deel van zou kunnen uitmaken, zodat derden - met name in een andere lidstaat -

gemakkelijker begrijpen wat het oorspronkelijke getuigschrift zegt over de door de houder

ervan verworven kennis, vaardigheden en competenties;

(2) met dit instrument het identificeren mogelijk te maken van de competenties die zijn verworven en daadwerkelijk worden gebruikt, zodat ze op de arbeidsmarkt worden erkend;

(3) overheidsinstanties en NGO's ertoe aan te sporen gebruik te maken van vergelijkbare, transparante instrumenten voor de erkenning van de competenties van degenen die in

jeugdwerk en jeugdorganisaties actief zijn, en die zo nodig aan te passen, overeenkomstig

het Europees Portfolio voor jeugdleiders en jeugdwerkers dat momenteel door de Raad van

Europa wordt ontwikkeld;

(4) de specifieke bijdrage te erkennen en te ondersteunen die jeugdorganisaties en andere niet gouvernementele organisaties, binnen hun respectieve bevoegdheden, leveren door niet-

formele en informele leeractiviteiten aan te bieden;

(5) te bevorderen dat de gemeenschappelijke Europese beginselen voor het identificeren en valideren van vormen van niet-formeel leren worden toegepast op de specifieke behoeften

in de jeugdsector;

(6) verder onderzoek te stimuleren naar de impact van niet-formeel en informeel leren dat wordt aangeboden door degenen die in de jeugdsector en in jeugdorganisaties werkzaam

zijn, met name naar de bijdrage daarvan aan de samenleving en de economie, onder meer

door ten volle gebruik te maken van de informatie die het Europees Kenniscentrum voor

jeugdbeleid te bieden heeft;

(7) de sociale partners aan te moedigen de kwaliteit en de diversiteit van niet-formeel en informeel leren voor jongeren, alsmede de maatschappelijke en economische meerwaarde

daarvan te erkennen;

(8) vernieuwende partnerschappen tussen de aanbieders van formeel en niet-formeel leren te bevorderen, teneinde pedagogische benaderingswijzen te ontwikkelen die aantrekkelijk

kunnen zijn voor verschillende groepen lerenden;

(9) de toegang tot Europass en soortgelijke op nationaal en op Europees niveau bestaande instrumenten te bevorderen en jongeren ertoe aan te sporen er eigener beweging gebruik

van te maken.

___________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie