Advies nr. 8/2005 over een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende wederzijdse administratieve bijstand ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude en andere onwettige activiteiten

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

Hierbij gaat voor de delegaties Advies nr. 8/2005 van de Europese Rekenkamer.

Bijlage: Advies nr. 8/2005 van de Europese Rekenkamer

TRIBUNAL DE CUENTAS EUROPEO IL QORTI EWROPEA TA' L AWDITURI EVROPSKÝ ÚCETNÍ DVR EUROPESE REKENKAMER

DEN EUROPÆISKE REVISIONSRET EUROPEJSKI TRYBUNAL OBRACHUNKOWY EUROPÄISCHER RECHNUNGSHOF TRIBUNAL DE CONTAS EUROPEU

EUROOPA KONTROLLIKODA CORTE DEI CONTI EUROPEA EURÓPSKY DVOR AUDÍTOROV O EIROPAS REVZIJAS PALTA EVROPSKO RACUNSKO SODISCE EUROOPAN

EUROPEAN COURT OF AUDITORS EUROPOS AUDITO RMAI TILINTARKASTUSTUOMIOISTUIN

COUR DES COMPTES EUROPÉENNE EURÓPAI SZÁMVEVSZÉK EUROPEISKA REVISIONSRÄTTEN Advies nr. 8/2005

wederzijdse administratieve bijstand ter bescherming van de financiële belangen van de

Gemeenschap tegen fraude en andere onwettige activiteiten

(uitgebracht krachtens artikel 280, lid 4, van het EG-Verdrag)

2 INHOUD

Paragraaf I. INLEIDING 1 - 7

II. ALGEMENE OPMERKINGEN 8 - 11

III. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING BETREFFENDE DE TRADITIONELE EIGEN MIDDELEN EN DE UITGAVEN

12 - 19

IV. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING BETREFFENDE DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE

20 - 28

V. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING TER BESTRIJDING VAN WITWASPRAKTIJKEN

29 - 32

VI. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 33 - 39

3

DE REKENKAMER VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name

artikel 280,

Gezien het verzoek van de Raad van 12 oktober 2004 om advies van de

1

Rekenkamer over het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende wederzijdse administratieve

bijstand ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

tegen fraude en andere onwettige activiteiten;

BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT:

I. INLEIDING

  • 1. 
    Krachtens artikel 280 van het Verdrag moeten de lidstaten hun optreden

ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap tegen

fraude coördineren. Daartoe organiseren zij samen met de Commissie een

nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten. Die

administratieve samenwerking omvat melding van onregelmatigheden,

administratieve onderzoeken, controles en inspecties ter plaatse, uitwisseling

van informatie, intrekking van ten onrechte verkregen voordelen en

administratieve sancties.

  • 2. 
    Op basis van artikel 280 en van andere bepalingen van het Verdrag zijn er

een aantal gemeenschappelijke voorschriften die op alle gebieden moeten

worden toegepast. Het grootste deel van de communautaire

antifraudewetgeving wordt echter gevormd door de vele, verschillende en

gedetailleerde bepalingen die voor het communautaire beleid terzake gelden.

1 COM(2004) 509 def. van 20 juli 2004.

4

  • 3. 
    Met het hier besproken verordeningsvoorstel wordt beoogd de Commissie

een grotere rol te laten spelen in de coördinatie van de activiteiten van de

lidstaten ter bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten die de

financiële belangen van de Gemeenschap schaden. Volgens de door de

Commissie verstrekte toelichting is het bestaande wettelijke kader voor

administratieve samenwerking onvolledig als het gaat om het toekennen van

een actieve rol aan de Commissie bij het ondersteunen en coördineren van de

activiteiten van de lidstaten, met name op het gebied van transnationale

BTW-fraude en het witwassen van geld dat voortvloeit uit EG-fraude.

  • 4. 
    Er wordt een uitgebreid systeem van samenwerking voorgesteld tussen de

administratieve autoriteiten van de lidstaten onderling alsook tussen die

autoriteiten en de Commissie (die optreedt via het Europees Bureau voor

2

fraudebestrijding OLAF ) teneinde informatie te verzamelen en uit te wisselen over onregelmatige verrichtingen 'die op communautair niveau van bijzonder

belang zijn'.

  • 5. 
    "Op communautair niveau van bijzonder belang zijn" hangt af van twee

criteria:

  • a) 
    de onregelmatige verrichting heeft vertakkingen in of raakvlakken met

activiteiten in meer dan één lidstaat, en

  • b) 
    de onregelmatige verrichting veroorzaakt een geraamd nadeel van

100 000 euro of meer voor de Gemeenschap, of - als het gaat om

BTW-fraude - een fiscaal nadeel van meer dan 500 000 euro voor de

betrokken lidstaten.

2 Krachtens artikel 2 van het Besluit van de Commissie van 28 april 1999 houdende oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is het Bureau belast met het verlenen van de bijstand van de Commissie in het kader van de samenwerking met de lidstaten op het gebied van de fraudebestrijding en met alle andere operationele activiteiten van de Commissie inzake fraudebestrijding (PB L 136 van 31.5.1999, blz. 20).

5

  • 6. 
    De voorgestelde verordening zou van toepassing zijn in alle sectoren van

de communautaire ontvangsten en uitgaven, tenzij andere communautaire

regels een meer specifieke samenwerking of een ruimere toegang van de

Commissie tot informatie voorschrijven.

  • 7. 
    De Rekenkamer heeft het voorstel van de Commissie bestudeerd in het

licht van haar relevante auditwerk, waarbij zij ook rekening houdt met de

bepalingen over beter wetgeven en de richtsnoeren voor de redactionele

kwaliteit van communautaire wetgeving die het Europees Parlement, de Raad

3

en de Commissie gezamenlijk hebben vastgesteld . II. ALGEMENE OPMERKINGEN

  • 8. 
    Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn

4

overeengekomen , de communautaire wetgeving bij te werken, het volume ervan te beperken en ze aanzienlijk te vereenvoudigen. Ondanks deze

doelstelling voorziet het voorstel van de Commissie niet in een inspanning om

bestaande wetgeving te vereenvoudigen of te herzien. Een nieuwe verordening

zou worden toegevoegd aan en bestaan naast de thans van kracht zijnde

horizontale en sectorale antifraudewetgeving.

  • 9. 
    De Commissie heeft zich ertoe verbonden 5 , in haar wetgevingsvoorstellen terdege rekening te houden met de financiële en bestuurlijke gevolgen ervan,

met name voor de Unie en haar lidstaten. Toch bevat haar voorstel voor een

nieuwe verordening geen informatie over de financiële en bestuurlijke gevolgen

voor de lidstaten.

3 Interinstitutioneel akkoord van 16 december 2003 over beter wetgeven (PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1) en Interinstitutioneel akkoord van 22 december 1998 betreffende de gemeenschappelijke richtsnoeren voor de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving (PB C 73 van 17.3.1999, blz. 1). 4

Zie punt 35 van het interinstitutioneel akkoord van 16 december 2003.

5 Zie punt 27 van het interinstitutioneel akkoord van 16 december 2003.

6

  • 10. 
    Het voorstel breidt de omschrijving van het begrip 'onregelmatigheden die

de financiële belangen van de Gemeenschap schaden' uit en rekent daartoe nu

ook

  • a) 
    overtredingen van de wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde

waarde (BTW), en

  • b) 
    het witwassen van geld.

Zulke feiten vallen niet onder de algemene definitie van onregelmatigheden die

voorkomt in Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van

18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van

6

de Gemeenschappen . Doordat er binnen de wetgeving inzake fraudebestrijding verschillende definities van het begrip 'onregelmatigheden'

naast elkaar bestaan, ontstaat een risico van verwarring en rechtsonzekerheid.

  • 11. 
    De onzekerheid neemt nog toe door het feit dat de bestaande

communautaire wetgeving geen definitie bevat van het begrip 'financiële

7

belangen van de Gemeenschap' . De door de Commissie voorgestelde nieuwe verordening geeft die definitie evenmin.

III. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING BETREFFENDE DE

TRADITIONELE EIGEN MIDDELEN EN DE UITGAVEN

  • 12. 
    De recente controle van de Rekenkamer inzake het beheer van het

8

Europees Bureau voor fraudebestrijding bevestigde dat er behoefte bestaat aan een doeltreffender samenwerking met de lidstaten, zowel op rechtstreeks

6 PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

7 Enkele aanwijzingen zijn te vinden in een arrest van het Hof van Justitie. In zaak C-11/00 verklaarde het Hof dat "de term 'financiële belangen van de Gemeenschap' in artikel 280 EG niet beperkt is tot de begroting van de Europese Gemeenschap in enge zin" (2003, ECR I-7147, punt 95). 8

Zie Speciaal verslag nr. 1/2005, samenvatting, punt VI (PB C 202 van 18.8.2005, blz. 1).

7

beheerde terreinen als op gebieden waar het beheer van de communautaire

middelen met lidstaten wordt gedeeld. De problemen in de bestaande

samenwerking zijn goeddeels te wijten aan tekortkomingen in de operationele

efficiëntie, zowel in de lidstaten als bij de Commissie.

  • 13. 
    In het bijzondere geval van de procedure voor wederzijdse bijstand in de

9

sectoren douane en landbouw werd geconstateerd dat er geen systematische follow-up is, dat OLAF geen regels heeft vastgesteld voor een constant en

consequent toezicht op de voortgang van de bij de lidstaten aangevraagde

procedures voor wederzijdse bijstand en dat de resultaten van de ondernomen

10

acties niet duidelijk zijn vastgelegd . 14. In Speciaal verslag nr. 3/2004 over de terugvordering van onregelmatige

11

betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid concludeerde de Rekenkamer dat de database van de Commissie met de door

12

de lidstaten gemelde onregelmatigheden niet als betrouwbaar, volledig en nauwkeurig kan worden beschouwd.

  • 15. 
    Met betrekking tot het structuurbeleid controleerde de Rekenkamer in 2001

13 14

de toepassing van de betrokken verordening en daarbij constateerde zij

9 Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1). 10 Zie paragraaf 32 van Speciaal verslag nr. 1/2005.

11 Zie de paragrafen 16-32, PB C 269 van 4.11.2004, blz. 1.

12 Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 595/91 van de Raad van 4 maart 1991 betreffende onregelmatigheden in het kader van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en terugvordering van bedragen die in dat kader onverschuldigd zijn betaald, almede de organisatie van een informatiesysteem op dit gebied en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 283/72 (PB L 67 van 14.3.1991, blz. 11). 13

Verordening (EG) nr. 1681/94 van de Commissie van 11 juli 1994 betreffende onregelmatigheden in het kader van de financiering van het structuurbeleid en

8

tekortkomingen op elk niveau, met het gevolg dat de meegedeelde gegevens

over onregelmatigheden onvolledig, onbetrouwbaar, misleidend en verouderd

waren.

  • 16. 
    Deze tekortkomingen waren onder meer te wijten aan het feit dat alle

lidstaten moeite hadden om een gemeenschappelijke definitie te vinden voor te

melden onregelmatigheden. Tevens constateerde de Rekenkamer dat

informatie vaak met grote vertraging ter beschikking werd gesteld en van de

Commissie geen behoorlijke follow-up kreeg.

  • 17. 
    De nieuwe procedures die in de tekst worden voorgesteld, zouden zowel

voor de administratieve autoriteiten in de lidstaten als voor de Commissie extra

werk betekenen, want de bestaande meldingsverplichtingen krachtens andere

communautaire wetgeving worden niet opgeheven of geharmoniseerd. In de

praktijk zou het dus moeilijk zijn de verklaarde doelstelling van de Commissie

15

te realiseren , namelijk de inspanningen en middelen te concentreren en te voorkomen dat de Commissiediensten worden overstelpt met informatie en

verzoeken betreffende gevallen van ondergeschikt belang.

  • 18. 
    Ook zou het naast elkaar bestaan van de hier voorgestelde regels en de

bestaande sector-specifieke verordeningen leiden tot een grotere kans op

problemen bij de uitlegging en de geharmoniseerde toepassing in alle lidstaten.

terugvordering van in dat kader onverschuldigd betaalde bedragen, alsmede betreffende de inrichting van een informatiesysteem op dit gebied (PB L 178 van 12.7.1994, blz. 43).

14 Zie Speciaal verslag nr. 10/2001 over de financiële controle van de structuurfondsen, paragrafen 107-126 (PB C 314 van 8.11.2001, blz. 26). 15 Zie blz. 6 van de toelichting bij het voorstel van de Commissie.

9

Er ontstaan tegenstrijdigheden inzake de criteria, termijnen en drempelwaarden

16

voor de melding .

  • 19. 
    Er wordt nog een verdere complicatie gecreëerd omdat de voorgestelde

meldingsverplichtingen ook zouden gelden voor gevallen waarin nog geen

onregelmatigheden hebben plaatsgevonden maar er informatie bestaat dat er

17

wellicht onregelmatigheden worden gepland . Het valt te betwijfelen of die eis realistisch is.

IV. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING BETREFFENDE DE BELASTING

OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE

18

  • 20. 
    In haar Jaarverslag over 2001 vestigde de Rekenkamer de aandacht op de toenemende problemen met carrouselfraude en op het feit dat deze

moesten worden aangepakt door middel van een sterkere administratieve

19

samenwerking om de ontvangsten uit de BTW te beschermen .

16 Volgens de voorgestelde verordening moeten de lidstaten bijvoorbeeld zonder voorafgaand verzoek alle relevante informatie verstrekken betreffende onregelmatigheden die vertakkingen kunnen hebben in andere lidstaten en voor de financiële belangen van de Gemeenschap een nadeel van 100 000 euro of meer kunnen inhouden. Er is geen meldingstermijn bepaald, dus kan worden aangenomen dat de informatie moet worden verstrekt zodra de financiële impact van het geval kan worden beoordeeld. Krachtens Verordening (EG) nr. 1681/94 van de Commissie is elke lidstaat echter reeds verplicht, ongeacht de betrokken bedragen onmiddellijk alle onregelmatigheden te melden waarvan wordt gevreesd dat ze zeer snel gevolgen kunnen hebben buiten zijn grondgebied. 17 Zie artikel 5, lid 3, van het voorstel.

18 Zie de paragrafen 1.45-1.55, PB C 295 van 28.11.2002, blz. 1.

19 BTW-fraude heeft indirect gevolgen voor de eigen middelen van de Gemeenschappen. Of de Gemeenschappen hun uitgavenverplichtingen kunnen nakomen, hangt niet af van de efficiency bij het innen van de BTW en het voorkomen van fraude. De eigen middelen op basis van het bruto nationaal inkomen (BNI) dekken het saldo van de totale uitgaven die niet door andere middelen worden gedekt. De gevolgen van BTW-fraude treffen dus niet alleen de lidstaat waarin de fraude plaatsvond maar alle lidstaten, aangezien meer BNI-middelen afgeroepen worden.

10 20

over de toegevoegde waarde van kracht. Deze moet de samenwerking tussen

de belastingautoriteiten van de lidstaten versterken bij de bestrijding van

BTW-fraude. Bij deze verordening werd eindelijk één enkel juridisch kader

ingevoerd. Voordien vormde het naast elkaar bestaan van twee aparte

juridische instrumenten voor samenwerking op het gebied van de BTW een

belemmering voor een doeltreffende samenwerking tussen de

belastingautoriteiten.

  • 22. 
    Volgens de Commissie hebben de lidstaten die reeds specifieke

opsporings- en controlemaatregelen hebben ingevoerd ter bestrijding van

21

carrouselfraude successen geboekt . 23. De Rekenkamer merkt op dat de bepalingen van de voorgestelde

verordening goeddeels vergelijkbaar of zelfs identiek zijn met die van

Verordening (EG) nr. 1798/2003, met name ten aanzien van de uitwisseling

22

van informatie en de regels voor administratieve onderzoeken . 24. Het voorstel wijzigt echter de rol die de Commissie (inclusief OLAF), te

vervullen heeft. Ingevolge Verordening (EG) nr. 1798/2003 bestond de

hoofdtaak van de Commissie erin, samen met de lidstaten te onderzoeken en

te beoordelen hoe de regelingen voor administratieve samenwerking werkten

en hoe de doeltreffendheid ervan zou kunnen worden verbeterd.

20 Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 218/92 (PB L 264 van 15.10.2003, blz. 1). 21 Verslag van de Commissie over de toepassing van regelingen betreffende administratieve samenwerking op het gebied van bestrijding van BTW-fraude, COM(2004) 260 def. van 16.4.2004, blz. 18. 22

De Commissie vermeldt in haar toelichting uitdrukkelijk dat zij is uitgegaan van de normen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1798/2003.

11

  • 25. 
    Volgens het nieuwe voorstel moet OLAF systematisch worden betrokken

bij de coördinatie van individuele antifraude-acties en kan het daarbij zelfs een

centrale rol spelen: het kan relevante informatie centraliseren en analyseren en

de lidstaten verzoeken speciale bewaking te organiseren of administratieve

onderzoeken te verrichten.

  • 26. 
    De Rekenkamer herinnert aan haar aanbeveling in Speciaal verslag

23

nr. 1/2005 dat de activiteiten van het Bureau meer moeten worden gericht op onderzoek. De taak om de acties van de lidstaten ter bestrijding van

grensoverschrijdende BTW-fraude te coördineren, die bij de voorgestelde

verordening aan OLAF zou worden opgelegd, zou wellicht afbreuk doen aan

OLAF's vermogen, zijn hoofdfunctie op doeltreffende wijze te vervullen.

  • 27. 
    Bovendien zouden er praktische problemen ontstaan omdat de

voorgestelde verordening, anders dan Verordening (EG) nr. 1798/2003, niet

voorziet in rechtstreeks contact en samenwerking met belastinginspecteurs of

personeel van fraudebestrijdingseenheden. Voorgesteld wordt, de

informatiestroom alleen via de respectieve centrale contactambtenaren en

andere belastinginspecties te laten lopen. Dit brengt het grote risico mee dat de

coördinatie-activiteiten aan snelheid en flexibiliteit inboeten.

  • 28. 
    De opmerkingen in de paragrafen 17-19 van dit advies gelden ook voor de

administratieve samenwerking op BTW-gebied.

V. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING TER BESTRIJDING VAN

WITWASPRAKTIJKEN

24

  • 29. 
    Overeenkomstig Besluit 2000/642/JBZ van de Raad hebben de lidstaten 'financiële inlichtingeneenheden' (FIE's) opgezet die informatie moeten

23

Zie de paragrafen XI en 94.

24 Besluit van de Raad van 17 oktober 2000 inzake een regeling voor samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten bij de uitwisseling van gegevens (PB L 271 van 24.10.2000, blz. 4).

12

verzamelen en analyseren teneinde verbanden te leggen tussen verdachte

financiële transacties en achterliggende criminele activiteiten met het oog op de

bestrijding van het witwassen van geld.

  • 30. 
    De Commissie stelt voor ook de FIE's te beschouwen als bevoegde

autoriteiten die moeten samenwerken krachtens de voorgestelde verordening

betreffende wederzijdse administratieve bijstand ter bescherming van de

financiële belangen van de Gemeenschap. Aldus zou de Commissie hen om

assistentie mogen verzoeken en om toezending mogen vragen van alle

informatie die relevant is voor de opsporing en preventie van

onregelmatigheden.

  • 31. 
    De Rekenkamer vestigt er de aandacht op dat Besluit 2000/642/JBZ van

de Raad in deze formulering de Commissie geen rol toebedeelt in verband met

25

de FIE's. Sommige bepalingen ervan zouden zelfs zo kunnen worden geïnterpreteerd dat ze de Commissiediensten de toegang ontzeggen tot de

door de FIE's verzamelde en meegedeelde informatie. Overeenkomstig

artikel 19 van de richtsnoeren voor de redactionele kwaliteit van de

26

communautaire wetgeving zou het dan ook raadzaam zijn de situatie te verduidelijken.

  • 32. 
    De opmerkingen in de paragrafen 17 en 19 van dit advies gelden ook voor

de administratieve samenwerking ter bestrijding van witwaspraktijken.

25 Bijvoorbeeld artikel 5, lid 4: "De FIE's nemen alle noodzakelijke maatregelen, met inbegrip van veiligheidsmaatregelen, om ervoor te zorgen dat de uit hoofde van de bepalingen van dit besluit verstrekte informatie niet toegankelijk is voor andere autoriteiten, instanties of diensten." 26 Interinstitutioneel akkoord betreffende de gemeenschappelijke richtsnoeren voor de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving (PB C 73 van 17.3.1999, blz. 1).

13 VI. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

  • 33. 
    De Rekenkamer stemt in met de analyse van de Commissie dat er

behoefte bestaat aan een doeltreffender samenwerking tussen de lidstaten

onderling alsook tussen de lidstaten en de Commissie, teneinde de financiële

belangen van de Gemeenschap te beschermen tegen fraude en andere

onwettige activiteiten.

  • 34. 
    Het bestaande juridisch kader ter bestrijding van fraude en

onregelmatigheden is ingewikkeld en - zoals bleek uit de controles van de

Rekenkamer - moeilijk toe te passen. De voorgestelde nieuwe verordening

maakt de zaak nog complexer, met name op het vlak van de definities en de

criteria voor verslaglegging.

  • 35. 
    Het voorstel om nog een juridisch instrument toe te voegen is in strijd met

het tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

27

overeengekomen doel , de communautaire wetgeving bij te werken, het volume ervan te beperken en ze aanzienlijk te vereenvoudigen.

  • 36. 
    De Rekenkamer geeft de Commissie in overweging, hard te werken aan

een voorstel dat de communautaire antifraudewetgeving vereenvoudigt en

consolideert, zodat herhalingen, overlappingen en tegenstrijdigheden worden

voorkomen. In het kader van die herziening zouden ook de bestaande

tekortkomingen in de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten

kunnen worden aangepakt.

  • 37. 
    De Rekenkamer herinnert aan haar aanbevelingen, de activiteiten van

OLAF toe te spitsen op onderzoek. Deze doelstelling zou in het gedrang

kunnen komen als de rol van het Bureau bij de coördinatie van de

antifraude-acties van de lidstaten wordt uitgebreid.

27

Interinstitutioneel akkoord van 16 december 2003 over beter wetgeven (PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1).

14

  • 38. 
    Het begrip 'financiële belangen van de Gemeenschap' staat centraal in de

antifraudewetgeving en dient dus nauwkeurig te worden gedefinieerd. In de

hele antifraudewetgeving moet ook eenzelfde definitie van 'onregelmatigheden'

worden gehanteerd.

  • 39. 
    Met betrekking tot de samenwerking op het gebied van de belasting over

28

de toegevoegde waarde herhaalt de Rekenkamer haar aanbeveling aan de Commissie, zich te concentreren op haar verantwoordelijkheid, storingen in de

nationale systemen ter bestrijding van BTW-fraude op te sporen en de

betrokken lidstaten de juiste corrigerende maatregelen voor te stellen.

Dit advies werd door de Rekenkamer te Luxemburg vastgesteld op haar

vergadering van 27 oktober 2005.

Voor de Rekenkamer

Hubert Weber President

28

Zie de paragrafen 4.1-4.8 van Speciaal verslag nr. 9/98 over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie inzake de BTW in het intracommunautaire handelsverkeer, vergezeld van de antwoorden van de Commissie (PB C 356 van 20.11.1998, blz. 1).

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie