Hierbij gaat voor de delegaties Commissiedocument COM(2004) 752 def. - 2003/0184 (COD).
________________________
Bijlage: COM(2004) 752 def. - 2003/0184 (COD)
NL
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
Brussel, 16.11.2004 COM(2004) 752 definitief
2003/0184 (COD)
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT
overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag
over het
gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een
verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening
(EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun
gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG)
nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening
(EEG) nr. 1408/71 (diverse wijzigingen)
NL
2003/0184 (COD)
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT
overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag
over het
gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een
verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening
(EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun
gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG)
nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening
(EEG) nr. 1408/71 (diverse wijzigingen)
1- PROCEDUREVERLOOP
Indiening van het voorstel bij het EP en de Raad (document COM(2003) 468 definitief 2003/0184 COD): 31 juli 2003. Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: 10 december 2003. Advies van het Europees Parlement in eerste lezing: 11 maart 2004. Indiening van het gewijzigd voorstel: 22 april 2004.
Vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt: 15 november 2004.
2- DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE Verordening (EEG) nr. 1408/71 en uitvoeringsverordening (EEG) nr. 574/72 zorgen voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten met het oog op de bescherming van de rechten van de personen die zich binnen de Europese Unie verplaatsen.
De Commissie heeft op 31 juli 2003 een voorstel tot wijziging van deze verordeningen ingediend. Dit voorstel beoogt de bijwerking van deze communautaire verordeningen om rekening te houden met de wijzigingen die in de nationale wetgevingen zijn aangebracht en om de rechtssituatie ten aanzien van bepaalde artikelen van deze verordeningen te verduidelijken. Het heeft ook tot doel rekening te houden met de recente ontwikkelingen van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met name de rechtspraak betreffende de identificatiecriteria van de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen die het voorwerp zijn van een specifieke coördinatie (niet exporteerbare prestaties als zij voldoen aan vorenbedoelde criteria en zijn opgenomen in bijlage II bis van de verordening), alsook de rechtspraak betreffende de verhoudingen tussen de verordening en de bepalingen van de bilaterale socialezekerheidsovereenkomsten (deze blijven van kracht als zij voldoen aan de voorwaarden om te worden vermeld in bijlage III van de verordening).
3- OPMERKINGEN BIJ HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 3.1. Algemene opmerkingen
Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, unaniem vastgesteld overeenkomstig artikel 42 EG, behoudt het essentiële gedeelte van het voorstel van de Commissie dat hoofdzakelijk betrekking heeft op twee punten:
De herziening van de lijst van de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling
berustende prestaties in bijlage II bis van Verordening (EEG) nr. 1408/71 op grond van de in artikel 4, lid 2 bis, van de verordening vastgestelde criteria, uitgaande van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Hoewel de Raad het niet eens is kunnen worden over de door de Commissie in haar voorstel voorgestelde prestaties, zij erop gewezen dat het aantal prestaties (prestaties die wegens hun bijzondere kenmerken het voorwerp van een specifieke coördinatie zijn en uitsluitend worden uitgekeerd op het grondgebied van de lidstaat waar de betrokkene woont) dat in de bijlage in het gemeenschappelijk standpunt behouden blijft, sterk verminderd is ten opzichte van de huidige lijst. Op grond van de toekomstige rechtspraak van het Hof van Justitie behoudt de Commissie zich bovendien het recht voor een nieuw voorstel tot herziening van bijlage II bis te doen om te zorgen voor een uniforme behandeling van alle soortgelijke prestaties.
De herziening van bijlage III van de verordening, die de lijst bevat van de bilaterale
overeenkomsten die van toepassing blijven na de inwerkingtreding van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Deze lijst kon sterk worden ingekort op grond van de criteria die ook door het Hof van Justitie zijn vastgesteld en in artikel 7, lid 2, van de verordening zijn overgenomen.
3.2. Amendementen van het Europees Parlement in eerste lezing
Tijdens de plenaire vergadering van 11 maart 2004 heeft het Europees Parlement 4 amendementen aangenomen, die door de Commissie in haar gewijzigd voorstel van 22 april 2004 integraal zijn aanvaard.
Deze vier amendementen zijn ook in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad overgenomen.
Het mondelinge amendement is in aanmerking genomen in overweging 6 van het gemeenschappelijk standpunt, waarin de lidstaten wordt verzocht maatregelen te nemen om de ongunstige effecten van sommige wijzigingen in de lijst van de in bijlage II bis opgenomen prestaties, met name wanneer een prestatie niet exporteerbaar wordt als gevolg van de opname in de bijlage, te verhelpen ten aanzien van de personen die vroeger deze prestaties ontvingen, eventueel door het vaststellen van een overgangsperiode.
De amendementen 1, 2 en 3 zijn overgenomen in bijlage I, punt 2), rubriek G. Spanje, rubriek I. Ierland en rubriek Y. Verenigd Koninkrijk, aangezien de bedoelde prestaties volledig voldoen aan de in artikel 4, lid 2 bis, van de verordening vastgestelde criteria.
3.3. Nieuwe door de Raad ingevoerde bepalingen en standpunt van de Commissie daarover
3.3.1. Bijlage I, punt 2) van het gemeenschappelijk standpunt Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties in bijlage II bis van Verordening (EEG) nr. 1408/71
De Raad is het eens kunnen worden over de lijst van niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties die op grond van de in artikel 4, lid 2, van de verordening vastgestelde criteria in bijlage II bis kunnen worden opgenomen. Sommige lidstaten (Verenigd Koninkrijk, Zweden en Finland) waren echter van mening dat bepaalde prestaties
1
in bijlage II bis behouden moesten worden wegens
hun bijzondere kenmerken die hen onderscheiden van de andere prestaties die uit de bijlage konden worden geschrapt. Bij wijze van compromis heeft de Raad aanvaard dat deze prestaties in de bijlage behouden blijven in afwachting dat het Hof van Justitie zijn mening geeft over de kwestie van de bijzonderheden die deze prestaties bieden ten aanzien van de reeds door het Hof onderzochte prestaties en ten aanzien van de in artikel 4, lid 2, van de verordening vastgestelde criteria.
In een verklaring in de notulen van de Raad bevestigt de Commissie dat zij van mening is dat de desbetreffende prestaties, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie en de criteria van artikel 4, lid 2, van de verordening, niet in bijlage II bis mogen worden opgenomen. Bijgevolg behoudt zij zich het recht voor de kwestie aan het Hof van Justitie voor te leggen en op grond van de conclusies van het Hof eventueel een voorstel te doen voor de herziening van de lijst van de vermeldingen in bijlage II bis.
De Commissie is tevreden met deze oplossing, aangezien zij op termijn zorgt voor een uniforme en objectieve behandeling van alle gelijkwaardige prestaties.
Er zij ook op gewezen dat identieke criteria als die welke zijn vermeld in artikel 4, lid 2, van de verordening zijn toegepast bij het onderzoek van de verzoeken om opname van prestaties in de bijlage, die tijdens de toetredingsonderhandelingen door de nieuwe lidstaten zijn ingediend. Om te zorgen voor de nodige duidelijkheid en rechtszekerheid zijn de huidige vermeldingen van prestaties van de nieuwe lidstaten, die in het toetredingsverdrag voorkomen, ook in de tekst opgenomen.
1 Voor het Verenigd Koninkrijk:
-
-De onderhoudsuitkering voor gehandicapten (wet van 1991 betreffende de onderhoudsuitkering en de arbeidsuitkering voor gehandicapten (Disability Living Allowance and Disability Working Allowance Act) van 27 juni 1991, artikel 1, en regeling betreffende de onderhoudsuitkerking en de arbeidsuitkering voor gehandicapten (Noord-Ierland) (Disability Living Allowance and Disability Working Allowance (Northern Ireland) Order) van 24 juli 1991, artikel 3). - De verzorgingstoelage voor gehandicapten (wet van 1975 betreffende de sociale zekerheid (Social Security Act) van 20 maart 1975, artikel 35, en wet van 1975 betreffende de sociale zekerheid (NoordIerland) (Social Security (Northern Ireland) Act) van 20 maart 1975, artikel 35). - De zorgtoelage (wet van 1975 betreffende de sociale zekerheid (Social Security Act) van 20 maart 1975, artikel 37, en wet van 1975 betreffende de sociale zekerheid (Noord-Ierland) (Social Security (Northern Ireland) Act) van 20 maart 1975, artikel 37).
Voor Zweden: Uitkering voor gehandicapten en zorguitkering voor gehandicapte kinderen (wet nr. 703 van 1998).
Voor Finland: Uitkering voor kinderverzorging (wet op de kinderverzorging 444/69).
Bovendien zijn in de bijlage ook een Luxemburgse prestatie (inkomen voor zwaar gehandicapten (artikel 1, lid 2, van de wet van 12 september 2003)) alsmede een Finse prestatie (bijzondere bijstand voor immigranten (wet op de bijzondere bijstand voor immigranten 1192/2002)) toegevoegd. Deze vermeldingen zijn gerechtvaardigd, aangezien beide prestaties tot doel hebben de betrokken personen een minimuminkomen te garanderen en bijgevolg voldoen aan de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 vastgestelde criteria.
3.3.2. Artikel 1, punt 3) en bijlage I, punt 3) van het gemeenschappelijk standpunt Bilaterale overeenkomsten in bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 1408/71 die van toepassing blijven ondanks de inwerkingtreding van Verordening 1408/71
De door het gemeenschappelijk standpunt voorgestelde wijziging in artikel 7, lid 2, van Verordening 1408/71 preciseert overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie de voorwaarden waaronder de vóór de inwerkingtreding van de verordening gesloten verdragen van toepassing blijven, wat de Commissie met instemming ontvangt.
In bijlage III bij deze verordening worden de bilaterale overeenkomsten opgesomd die aan deze voorwaarden voldoen en bijgevolg van toepassing blijven.
Aangezien de verordening in de plaats komt van de vóór de inwerkingtreding van de verordening gesloten overeenkomsten die onder dezelfde werkingssfeer vallen, worden aan het begin van bijlage III opmerkingen toegevoegd die aangeven dat de overeenkomsten die buiten de werkingssfeer van deze verordening vallen en bijgevolg van kracht blijven, niet in bijlage III zijn vermeld.
Bovendien is de terminologie van bepaalde vermeldingen in de bijlage gewijzigd om deze te verduidelijken zonder echter de inhoud daarvan te wijzigen.
3.3.3. Artikel 1, punt 1), b) van het gemeenschappelijk standpunt Wijziging van artikel 3 van Verordening 1408/71
De door de Raad in het gemeenschappelijk standpunt voorgestelde wijzigingen versterken de toepassingsvoorwaarden van het beginsel van gelijke behandeling. Deze wijzigingen zijn voor de Commissie aanvaardbaar.
3.3.4. Artikel 1, punt 5) van het gemeenschappelijk standpunt Wijziging van artikel 33 van Verordening 1408/71
Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad neemt de door de Commissie voorgestelde wijziging van artikel 33 niet over. De Raad vindt dat moet worden gewacht op de inwerkingtreding van de nieuwe vereenvoudigde Verordening (EG) nr. 883/2004 die het op grond van artikel 5 (gelijkstelling van feiten) en artikel 30 (premies of bijdragen ten laste van de pensioengerechtigden) mogelijk maakt dat premies of bijdragen worden ingehouden op basis van alle aan een pensioen- of rentetrekker uitgekeerde pensioenen of rentes, maar die uitvoeringsbepalingen in de toekomstige uitvoeringsverordening vereist (zie verklaring van de Raad in de notulen). In een verklaring in de notulen bevestigt de Commissie opnieuw haar voornemen om in de nieuwe uitvoeringsverordening bepalingen met betrekking tot de toepassing van artikel 30 van de nieuwe Verordening 883/2004 op te nemen. Het
standpunt van de Raad over dit punt is bijgevolg volledig aanvaardbaar voor de Commissie.
3.3.5. Artikel 1, punt 9); artikel 3; bijlage I, punt 1) b), punt 4) c), punt 5) c) en f); bijlage II, punt 4) van het gemeenschappelijk standpunt
Zoals Duitsland heeft ook Oostenrijk gevraagd om schrapping in bijlage II rubriek K. Oostenrijk van de vermelding, die bepaalde bijzondere stelsels voor zelfstandigen van de werkingssfeer van de verordening uitsluit krachtens artikel 1, onder j), vierde alinea, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. De Commissie ontvangt met instemming dit initiatief, dat de toepassing van de bepalingen van Verordening 1408/71 op deze bijzondere stelsels mogelijk maakt. Deze maatregel vereist een overgangsperiode die in het gemeenschappelijk standpunt tot 1 januari 2005 wordt verlengd, wat ten aanzien van de nodige termijnen voor de aanneming van de verordening volledig aanvaardbaar is. Zij vereist ook de invoering van bepalingen met betrekking tot de berekening van de prestaties, alsook nadere bepalingen over de bevoegde organen.
3.3.6. Bijlage I, punt 1) c) ii) en punt 5), d) en bijlage II, punten 1) en 3) van het gemeenschappelijk standpunt
De aangebrachte wijzigingen zijn louter formeel en zijn toe te schrijven aan enerzijds een wijziging van de terminologie in de Franse wetgeving betreffende de gezinsbijslagen en anderzijds de wijziging van de bevoegde organen in Zweden en Denemarken.
3.3.7. Bijlage I, punt 5) b) van het gemeenschappelijk standpunt Vermelding met betrekking tot Denemarken
Als gevolg van de schrapping uit bijlage II bis van de Deense prestatie "tijdelijke uitkering voor werklozen die zijn toegelaten tot de "flexbanen-regeling" gedurende 12 maanden (ledighedsydelse)" is het nodig geacht in bijlage VI een vermelding op te nemen die aangeeft dat deze prestatie moet worden gecoördineerd volgens de bepalingen van het hoofdstuk Werkloosheid.
4- CONCLUSIES
De Commissie keurt het gemeenschappelijk standpunt in zijn geheel goed. Het beantwoordt aan de doelstellingen van het voorstel van de Commissie en het houdt rekening met alle amendementen van het Europees Parlement.
5 VERKLARINGEN VAN DE COMMISSIE Zie bijlage
BIJLAGE
VERKLARINGEN IN DE NOTULEN VAN DE RAAD
Verklaring van de Commissie ad artikel 1, lid 5, van het Commissievoorstel
"De Commissie is voornemens om in de uitvoeringsverordening bepaalde maatregelen op te nemen om de praktische gevolgen van artikel 30 te regelen."
Verklaring van de Commissie bij Bijlage II bis
"De Commissie heeft voorgesteld de lijst van prestaties in bijlage II bis te herzien (met name de volgende uitkeringen: uitkering voor kinderverzorging (Finland); uitkering voor gehandicapten en zorguitkering voor gehandicapte kinderen (Zweden); onderhoudsuitkering voor gehandicapten; verzorgingstoelage voor gehandicapten; zorgtoelage (Verenigd Koninkrijk), en zij blijft van oordeel dat dit noodzakelijk zal zijn om te voldoen aan de criteria van de jurisprudentie van het Hof, alsook aan de criteria die zijn overeengekomen in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad betreffende het voorstel inzake diverse wijzigingen van 2003. De Commissie behoudt zich derhalve volledig het recht voor om zich tot het Hof te wenden en om in voorkomend geval, op basis van de bevindingen van het Hof, een voorstel tot herziening van de lijst van prestaties in bijlage II bis in te dienen."
INHOUDSOPGAVE
-
1.Inleiding ....................................................................................................................... 8 2. Methodiek .................................................................................................................... 8 3. Resultaten................................................................................................................... 10 3.1. Indiening van de resultaten ........................................................................................ 10 3.2. Publicatie van de resultaten........................................................................................ 11 3.3. Algemene opmerkingen over de resultaten................................................................ 11
3.4. Coherentie van het enquêtesysteem ........................................................................... 14
-
1.I NLEIDING
Ingevolge artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 357/79 van de Raad van 5 februari 1979 betreffende de statistische enquêtes naar de wijnbouwoppervlakten (hierna "de basisverordening" genoemd)
2
moet om de tien jaar een basisenquête naar de
structuur van de wijnbouwbedrijven en de wijngaarden worden gehouden. Wel moet er jaarlijks een tussentijdse enquête plaatsvinden om vast te stellen welke veranderingen in het met wijndruivenrassen beplante areaal zijn opgetreden ten opzichte van het vorige wijnoogstjaar
3
.
In het kader van de basisenquêtes (de artikelen 1 tot en met 4 van de
basisverordening) worden voor alle wijnbouwbedrijven en wijngaarden gedetailleerde gegevens verzameld over het areaal, uitgesplitst naar specialisatie in de productie van wijndruiven, tafeldruiven, druiven voor krenten en rozijnen en vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken en naar ras en leeftijd van de wijnstokken.
De tussentijdse enquêtes (de artikelen 5 en 6 van de basisverordening) hebben
betrekking op de in de loop van het wijnoogstjaar opgetreden veranderingen in het met wijndruivenrassen beplante areaal na rooiing, aanplanting en herbeplanting, alsmede op de productie van dit areaal, teneinde precieze en actuele gegevens te verzamelen over het wijnproductiepotentieel en het aanbod op de wijnmarkt.
Met dit verslag, dat ingevolge artikel 7, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 357/79 moet worden opgesteld, worden de resultaten van de derde basisenquête naar de wijngaarden in de Gemeenschap gepresenteerd. Deze enquête geeft voor het wijnbouwareaal (na rooiing, aanplanting of herbeplanting in het wijnoogstjaar 1998-1999) de situatie op 1 september 1999 weer en is gehouden in negen lidstaten (Duitsland, Spanje, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Portugal, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk). Italië heeft de enquête in oktober 2000 - april 2001 gehouden en Frankrijk in oktober 2000 - februari 2001. Voor deze laatste twee lidstaten heeft de enquête betrekking op de situatie op 1 september 2000
4
.
-
2.M ETHODIEK
Ingevolge artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 357/79 dienen de lidstaten bij de Commissie een gedetailleerde beschrijving in van de voor de basisenquête gebruikte methoden,
teneinde de statistische betrouwbaarheid en de onderlinge vergelijkbaarheid van de enquêtegegevens te waarborgen.
2 PB L 154 van 5.3.1979, blz.124. 3
De uitvoeringsmaatregelen zijn vastgesteld bij Beschikking 79/491/EEG van de Commissie (PB L 129 van 28.5.1979, blz. 9), Verordening (EEG) nr. 991/79 van de Commissie (PB L 129 van 28.5.1979, blz. 1), Beschikking 80/763/EEG van de Commissie (PB L 213 van 16.8.1980, blz. 26), Beschikking 80/764/EEG van de Commissie (PB L 213 van 16.8.1980, blz. 28) en Beschikking 80/765/EEG van de Commissie (PB L 213 van 16.8.1980, blz. 34). 4 Aan Frankrijk en Italië is bij Verordening (EG) nr. 2329/98 van de Raad (PB L 291 van 30.10.1998, blz. 2) een afwijking toegestaan.
Alle landen hebben zich aan het waarnemingsgebied van de enquête gehouden, waarbij het volgende moet worden opgemerkt:
Duitsland heeft alle landbouwbedrijven met een voor de wijnbouw bestemde
oppervlakte van meer dan tien are geënquêteerd. Bedrijven met minder dan tien are zijn alleen geënquêteerd als hun productie in het wijnoogstjaar 1998-1999 voor de verkoop was bestemd. Duitsland heeft een integrale telling gehouden. Er is gebruikgemaakt van de statistische informatie in het wijnbouwkadaster. Het onderzochte areaal is bestemd voor de productie van v.q.p.r.d. en van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (met inbegrip van de jonge aanplantingen die nog niets opbrengen). De opbrengstklassen worden berekend aan de hand van het gemiddelde over de laatste tien jaar.
Spanje heeft overeenkomstig de verordening in het wijnoogstjaar een enquête
gehouden onder alle wijnbouwbedrijven en daarbij gebruikgemaakt van het wijnbouwkadaster. De opbrengstklassen zijn bepaald aan de hand van de door de wijnbouwer verstrekte gegevens. Wel wijkt de methodiek van 1999 duidelijk af van die welke in 1989 is gehanteerd. Daardoor kunnen de resultaten van de twee enquêtes maar moeilijk met elkaar worden vergeleken.
Frankrijk heeft van 1 oktober 2000 tot 28 februari 2001 een enquête gehouden
onder alle landbouwbedrijven (zoals gedefinieerd voor de algemene landbouwtelling) met ten minste vijf are voor de productie van champagne, tien are voor de productie van v.q.p.r.d. of twintig are wijngaard in het algemeen. Voor deze integrale telling is gebruikgemaakt van gecorrigeerde gegevens uit het wijnbouwkadaster. De opbrengstklassen zijn bepaald aan de hand van een gemiddelde over vijf jaar, berekend op basis van gegevens van de jaarlijkse landbouwstatistiek.
Griekenland heeft alle wijnbouwbedrijven onderzocht waarvan de productie
gewoonlijk voor de verkoop was bestemd. Tijdens het wijnoogstjaar 1998-1999 is voor het gehele wijnbouwareaal in één ronde een enquête met aselecte steekproef gehouden. De opbrengstklassen zijn bepaald aan de hand van de door de wijnbouwer verstrekte gegevens.
Italië heeft onderzoek verricht onder alle wijnbouwbedrijven - ongeacht de
omvang - die beschikten over een areaal met wijn- of tafeldruivenrassen, ook als deze nog niets opbrachten, of over een areaal met vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken, als de bedrijfsproductie gewoonlijk voor de verkoop was bestemd. Er is een integrale telling over de periode oktober 2000 tot april 2001 uitgevoerd. De opbrengstklassen zijn vastgesteld op basis van het gemiddelde over tien jaar.
Luxemburg heeft de enquête tijdens het wijnoogstjaar 1999-2000 gehouden en
daarbij gebruikgemaakt van het wijnbouwkadaster, dat steeds zeer nauwkeurig wordt bijgewerkt. Voor de enquête zijn alle wijnbouwbedrijven met wijndruivenrassen
voor de productie van v.q.p.r.d. onderzocht. De opbrengstklassen zijn vastgesteld op basis van het gemiddelde over tien jaar.
Portugal heeft in de periode van november 1998 tot oktober 1999 overeenkomstig
de verordening integrale telling onder alle bedrijven uitgevoerd.
Oostenrijk heeft de enquête in het wijnoogstjaar 1998-1999 gehouden onder de
bedrijven die beschikten over wijndruivenrassen voor de productie van v.q.p.r.d. of over een areaal dat met wijnstokken voor de productie van vegetatief teeltmateriaal was beplant. Voor de verzameling van gegevens is gebruikgemaakt van het wijnbouwkadaster.
Het Verenigd Koninkrijk heeft de enquête in 1999 gehouden onder bedrijven die
voor andere wijnen bestemde wijndruiven produceren, waarbij gebruik is gemaakt van het wijnbouwkadaster. Telling van de wijngaarden is niet verplicht. Bedrijven met een oppervlakte van minder dan tien are zijn buiten beschouwing gebleven.
-
3.R ESULTATEN 3.1. Indiening van de resultaten
Ingevolge artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 357/79 moeten de lidstaten de resultaten van de basisenquête indienen uiterlijk vijftien maanden nadat deze bij de bedrijven is uitgevoerd.
De definitieve gegevens zijn ingediend door de volgende op nationaal niveau met de basisenquête belaste organisaties:
Land Organisatie Datum
Duitsland Statistisches Bundesamt, Bonn 22.11.2001 Oostenrijk Statistik Austria 25.4.2001
Spanje Ministerie van Landbouw, Madrid 3.9.2001
Frankrijk Ministerie van Landbouw, Parijs 31.8.2001
Griekenland Nationaal bureau voor de statistiek, Athene 13.3.2002 Italië ISTAT, Rome 25.6.2002
Luxemburg Institut Viti-vinicole, Remich 7.9.2001
Portugal Nationaal bureau voor de statistiek, Lissabon 4.2.2002 Verenigd
Koninkrijk Ministerie van Landbouw, York 21.2.2002
Gezien de moeilijkheden bij de verwerking van de gegevens in de lidstaten kan in het algemeen worden gesteld dat de termijnen zijn nageleefd.
De gegevens zijn ingediend in de vorm van tabellen die de Commissie (Eurostat) van tevoren heeft vastgesteld en die in een voor de computer leesbare vorm zijn verstuurd.
Over deze tabellen wordt overeenkomstig artikel 7 van de basisverordening overleg gepleegd met de betrokken lidstaten.
De Commissie valideert de tabelgegevens na ontvangst ervan. In het kader van de valideringsprocedure vindt een reeks controles van de tabellen zelf en tussen de tabellen onderling plaats. Daarna vindt met het oog op de samenhang, vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid een aantal correcties op de oorspronkelijke gegevens plaats.
De gegevens zijn voor alle geografische eenheden overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen in de beschikkingen van de Commissie
5
ingediend.
Over het geheel genomen geven de ingediende resultaten een goed beeld van de wijnbouwstructuur in de betrokken lidstaten.
3.2. Publicatie van de resultaten
De resultaten van de basisenquête zullen in 2003 in analytische vorm worden gepubliceerd. Ze geven een algemeen overzicht van de ontwikkeling van de wijngaarden in de Gemeenschap in de periode 1989-1999. In de gegevensbank van Eurostat, New Cronos, kan bij "VITIS", onder thema 5, inzage worden gekregen in de volledige resultaten.
6
3.3. Algemene opmerkingen over de resultaten
Tussen 1989 en 1999 is het wijnbouwareaal in de Europese Unie met 15,7% verminderd. Deze teruggang is minder fors uitgevallen door de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Unie in 1995 en door het meedoen van het Verenigd Koninkrijk, dat de enquête in 1999 voor de eerste keer heeft gehouden. Als de enquête dezelfde omvang had gehad als in 1989, zou sprake zijn geweest van een teruggang met 32%.
Tussen 1989 en 1989 is het wijnbouwareaal in de Europese Unie verminderd tot 3,2 miljoen hectare, een daling van 15,7%. Het aantal bedrijven is met 30,5% gedaald tot 1,8 miljoen. De gemiddelde oppervlakte per bedrijf is bijgevolg gestegen van 1,8 naar 2,2 hectare, een toename van 9%.
Deze ontwikkeling doet zich in alle landen van de Europese Unie voor
In Griekenland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Portugal is het aantal bedrijven met meer dan 30% gedaald. Wat het wijnbouwareaal betreft, is de trend dezelfde. In Duitsland blijft de daling van het aantal bedrijven beperkt tot 11%, terwijl het areaal licht toeneemt (1,9%).
Binnen de lidstaten zelf die aan de enquête hebben deelgenomen, komen belangrijke regionale verschillen aan het licht:
in Duitsland verloopt de ontwikkeling nog het meest gelijkmatig;
5 Zie de onder voetnoot 2 vermelde beschikkingen van de Commissie.
6 Deze opmerkingen hebben betrekking op de door de lidstaten ingediende gegevens en zullen eventueel worden aangepast wanneer de lopende werkzaamheden ter verbetering van de onderlinge vergelijkbaarheid van de gegevens worden afgerond.
in Griekenland is ten gevolge van de ontwikkelingen in de afzonderlijke regio's de
geografische spreiding van de wijngaarden sterk veranderd. In de regio Nisia, in 1989 nog nummer één, is het areaal met 55% teruggelopen. Bijgevolg is de regio Kentriki Ellada ondanks een vermindering met 7,5% nu de belangrijkste wijnproducerende regio;
in de zuidoostelijke regio's van Frankrijk (Provence-Alpes-Côte-d'Azur,
Languedoc-Roussillon) is sprake van een duidelijke vermindering, terwijl het zuidwesten en het noordoosten in sommige gevallen een duidelijke toename te zien geven (+22,5 in Bourgondië);
in Italië liggen de wijngaarden over het hele land verspreid. Het wijnbouwareaal
is in alle regio's teruggelopen, met uitzondering van Trentino-Alto Adige en van Friuli-Venezia Giulia;
voor Portugal geldt hetzelfde: in alle regio's is sprake van een vermindering van
het areaal, met uitzondering van Alentejo, waar het juist met 30% is toegenomen.
Duidelijke toename van het areaal voor de productie van kwaliteitswijn
Van de 3,2 miljoen hectare wijngaarden in de Europese Unie is het overgrote deel (meer dan 3 miljoen hectare, d.w.z. 95%) bestemd voor de productie van wijndruiven
7
.
Tafeldruiven worden geteeld in vijf lidstaten (Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië en Portugal). Ondanks een vermindering van de bebouwde oppervlakte met 41% is Italië alleen al goed voor 40% van de productie van dit soort druiven. Frankrijk, Portugal, Griekenland en Spanje geven een daling in dezelfde orde van grootte te zien.
Het areaal voor de productie van krenten en rozijnen is vrijwel geheel in Griekenland gelegen en is ten opzichte van 1989 met 20% afgenomen.
Het overgrote deel van de Europese wijnbouwbedrijven houdt zich bezig met de productie van wijndruiven. Wat de wijnproductie betreft, heeft zich evenwel een ingrijpende verandering voltrokken.
Kwaliteitswijnen hebben de plaats van andere wijnen ingenomen. Deze ontwikkeling doet zich overal in de Europese Unie voor. Ondanks een vermindering van het aantal kwaliteitswijnproducerende bedrijven met 1,9% is het areaal met 8,1% toegenomen. De belangrijkste groei deed zich voor in Italië en Portugal met respectievelijk 21% et 18%. In de andere lidstaten is de toename minder dan 10%.
Het grootste deel van het areaal in de Unie is nu bestemd voor de productie van kwaliteitswijn (56% in 1999 tegen 45% in 1989). Wel verschilt de situatie van lidstaat tot lidstaat. Zo zijn de wijngaarden in Duitsland en Luxemburg uitsluitend voor de productie van kwaliteitswijn bestemd, terwijl dit in Italië, ondanks een toename van 22%, slechts voor 36% van het areaal geldt.
7 Onder wijndruiven worden druiven voor de productie van wijn of andere alcoholische dranken verstaan.
Rassen die voor een bepaald gebied geschikt zijn
In de enquête wordt alleen bij wijndruiven het areaal uitgesplitst naar ras en kleur (wit of rood) van de druif. De keuze voor een ras hangt af van de geologische en klimatologische omstandigheden in het teeltgebied, maar ook van de economische overwegingen van de wijnboer. Het aantal in een lidstaat waargenomen rassen hangt derhalve grotendeels af van de spreiding van de wijngaarden over het grondgebied.
In Duitsland, waar alle wijngaarden slechts in vier deelstaten zijn gelegen, beslaan
de witte rassen meer dan 75% van het areaal (hoofdzakelijk "Riesling, Weisser" en "Müller-Thurgau"). In Luxemburg en Oostenrijk is sprake van een vergelijkbare situatie: hier overheersen de witte rassen ook duidelijk.
In Griekenland zijn de witte en rode rassen vrijwel gelijkelijk verdeeld over het
wijnbouwareaal. De rode rassen vertonen een grote diversiteit (op de helft van het areaal aan rode druiven worden vijf verschillende rassen verbouwd). Daarentegen is de helft van het areaal aan witte rassen slechts beplant met één ras: "Savvatiano". De witte rassen laten een duidelijke teruggang zien: 63% van het areaal aan wijndruiven bij de voorlaatste enquête tegen 48% in 1999.
In Spanje overheersen de witte rassen met 63% van het areaal, een situatie
vergelijkbaar met die in 1989.
In Frankrijk vertonen de rode rassen een afname van 7%. Toch blijven zij het
wijnlandschap met 68% beheersen. Van deze rassen geeft "Carignan" een daling van 43% te zien, terwijl "Merlot" en "Grenache" respectievelijk met 68% en 10% groeien. Bij de witte rassen "Chardonnay blanc" en "Sauvignon blanc" is sprake van een groei van 83% en 74%.
In Italië houden de witte en rode rassen elkaar in evenwicht. Ze vertonen een
grote diversiteit: zeven rode en negen witte rassen beslaan de helft van het areaal. Bij de rode rassen "Barbera" en "Negro amaro" is sprake van een vermindering van 40% en 46%.
In Portugal overheersen de rode rassen enigszins (58% van het areaal). Evenals in
Italië vertonen de wijngaarden een grote diversiteit. Bij de witte rassen laten "Fernao Pires" en "Vital" een duidelijke teruggang zien van respectievelijk 39% en 63%.
Bij de helft van de bedrijven beslaan de wijngaarden minder dan 0,5 ha
Het aantal bedrijven met een wijnbouwoppervlakte van minder dan 0,5 hectare is tussen 1989 en 1989 met 33% teruggelopen. Ze zijn niettemin nog altijd goed voor de helft van het totale aantal wijnbouwbedrijven in de Unie en beslaan 5% van het areaal. Daarentegen wordt 50% van het areaal in de Unie bebouwd door bedrijven groter dan 9,5 hectare (goed voor 5% van het totale aantal bedrijven). De vermindering van het aantal bedrijven gaat dus vergezeld van een concentratie van het areaal bij de grote bedrijven. Alle areaalklassen kleiner dan 10 hectare hebben hun aandeel in het totale wijnbouwareaal zien teruglopen. Daarentegen beschikken de bedrijven groter dan 30 hectare nu over 19% van het areaal, terwijl dat in 1989 nog 15% was.
3.4. Coherentie van het enquêtesysteem
Het enquêtesysteem van Verordening (EEG) nr. 357/79 is coherent voorzover hiermee de veranderingen in het wijnbouwareaal (na aanplanting, herbeplanting of rooiing) kunnen worden gevolgd die tussen de twee basisenquêtes zijn opgetreden.
Omdat voor de jaarlijkse en basisenquêtes verschillende methoden worden gebruikt, is het niet ongewoon dat er kleine afwijkingen optreden wanneer men het wijnbouwareaal aan de hand van de resultaten in kaart brengt. Wel moet de omvang van deze afwijkingen statistisch gezien binnen aanvaardbare grenzen blijven.
Voor vijf van de zeven landen waar in 1989 en 1999 een enquête is gehouden (Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Luxemburg en Portugal), blijven de waargenomen afwijkingen binnen de perken. Bij de resultaten van Italië en Spanje zijn de afwijkingen daarentegen zo groot dat de statistische hulpmiddelen aanmerkelijk moeten worden verbeterd.
- 31 jul '03COM(2003)468 - Wijziging van Verordening 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de EG verplaatsen, en van Verordening 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71
- 21 dec '98COM(1998)779; - Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels
- 13 jul '98COM(1998)420 - Wijziging van Verordening (EEG) nr. 357/79 betreffende de statistische enquêtes naar de wijnbouwoppervlakten
-
Toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de EG verplaatsen
-
Wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de EG verplaatsen
-
Statistische enquêtes naar de wijnbouwoppervlakten
-
Code en standaardvoorschriften betreffende het inzenden in een voor de machine leesbare vorm, van de gegevens van de basisenquêtes naar de wijnbouwoppervlakten
-
Tabellenschema en definities voor de statistische basisenquêtes naar de wijnbouwoppervlakten en tot intrekking van de Verordeningen nr. 143 en nr. 26/64/EEG van de Commissie
-
Aanvullende bepalingen betreffende de statistische enquêtes naar de wijnbouwoppervlakten
-
Tabellenprogramma en van definities betreffende de tussentijdse statistische enquêtes naar de wijnbouwoppervlakten

